19. 2024-023659 Raadsvoorstel toestemming wijziging gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie (De Bedrijfsvoeringspartner).pdf
Tekst van het document
Voorstel Onderwerp: Toestemming wijziging gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie (De BedrijfsvoeringsPartner) Portefeuillehouder Mario Bianchi
College van burgemeester en wethouders 9 april 2024
Zaaknummer 2024-023659
Openbaar
E-mailadres opsteller: a.ostojic@debedrijfsvoeringspartner.nl
Geadviseerd besluit 1. Toestemming te verlenen voor het uittreden van de burgemeester uit, en het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie in de gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner conform bijlage 1, waarvan de belangrijkste wijzigingen zijn: a. omzetting van het openbaar lichaam naar een bedrijfsvoeringsorganisatie; b. vastleggen van de taken; c. wijzigingen als gevolg van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen.
Raadsvoorstel Inleiding Op 25 maart 2024 heeft de raad aangegeven geen zienswijzen in te dienen over het uittreden van de burgemeester uit, en het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie in de gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner. De raden van de overige deelnemers zijn ook in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. De raad van Ridderkerk heeft gebruik gemaakt van deze gelegenheid. De zienswijzen zijn verwerkt in de uiteindelijke ontwerpregeling. Over het ontwerpbesluit tot uittreding van de burgemeester uit de gemeenschappelijke regeling BARorganisatie zijn geen zienswijzen ingediend. Beoogd effect Het doel van dit voorstel is te komen tot een gemeenschappelijke regeling met vernieuwde afspraken over de bedrijfsvoering en deze in overeenstemming te brengen met de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen. Argumenten 1.1 Toestemming van de raad is vereist voor uittreding van de burgemeester uit de gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie. Uittreding van de burgemeester is noodzakelijk voor de omvorming van een openbaar lichaam naar een bedrijfsvoeringsorganisatie. Een gemeenschappelijke regeling voor een bedrijfsvoeringsorganisatie kan alleen worden aangegaan door colleges. De toestemming is vereist op grond van artikel 1, vierde en vijfde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen.
1.2 Toestemming van de raad is vereist voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling. De toestemming is eveneens vereist op grond van artikel 1, vierde en vijfde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen. 1.3 Toestemming kan enkel onthouden worden wegens strijd met het recht of op grond van het algemeen belang. Deze gronden doen zich hier niet voor. 1.4 De termijn voor het indienen van zienswijzen op ontwerp-financiële regelingen is verlengd van 8 naar 10 weken. Deze aanpassing is gedaan naar aanleiding van ingekomen zienswijzen. Dit is een wijziging in artikel 15, vierde lid, van de nieuwe gemeenschappelijke regeling. 1.5 Aan de inlichtingenplicht naar de raad is toegevoegd dat de vastgestelde begroting, jaarrekening, de controleverklaring en het accountantsverslag naar de raden worden gestuurd. Deze aanpassing is gedaan naar aanleiding van ingekomen zienswijzen. Hiertoe is aan artikel 10 een vijfde lid toegevoegd. 1.6 De evaluatie van de gemeenschappelijke regeling vindt eens in de vier jaar plaats. Deze aanpassing is gedaan naar aanleiding van ingekomen zienswijzen. Hiertoe zijn aan artikel 26 van de nieuwe gemeenschappelijke regeling twee leden toegevoegd. De evaluatie wordt met de raden gedeeld. Overleg gevoerd met Overige deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling. Kanttekeningen N.v.t.
Uitvoering/vervolgstappen Na verkregen toestemming besluit de burgemeester uit de gemeenschappelijke regeling BARorganisatie te treden en besluit het college om de gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie te wijzigen in de gemeenschappelijke regeling De BedrijfsvoeringsPartner.
2/4
Financiën N.v.t. Inclusiviteitstoets N.v.t. Communicatie/participatie na besluitvorming Zie uitvoering/vervolgstappen.
Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Bijlage 1 Collegebesluit Wijziging GR BAR na zienswijzen.docx Bijlage 2 AW Burgemeestersbesluit uittreding GR BAR-organisatie.docx Bijlage 3 Toelichting GR De Bedrijfsvoeringspartner.docx Bijlage 4 Was-wordt-lijst.docx
3/4
CONCEPT RAADSBESLUIT Onderwerp: Toestemming wijziging gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie (De BedrijfsvoeringsPartner)
Gemeenteraad: 3 juni 2024
Zaaknummer:
De raad van de gemeente Albrandswaard, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders op 9 april 2024, gelet op Wet gemeenschappelijke regelingen Gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie;
BESLUIT: 1. Toestemming te verlenen voor het uittreden van de burgemeester uit, en het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie in de gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner conform bijlage 1, waarvan de belangrijkste wijzigingen zijn: a. omzetting van het openbaar lichaam naar een bedrijfsvoeringsorganisatie; b. vastleggen van de taken; c. wijzigingen als gevolg van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen.
4/4
Wijziging van de GR BAR
Wijziging gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk, overwegende dat: de colleges van de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk hebben besloten de samenwerking in de BAR-organisatie per 1 januari 2024 te gaan beperken; dit leidt tot het terugbrengen van het aantal taken dat door de BAR-organisatie wordt uitgevoerd voor de drie gemeenten; het openbaar lichaam BAR-organisatie verder gaat als bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen; de burgemeesters daarom besloten hebben om als bestuursorgaan uit te treden; de gemeenteraden van de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk toestemming hebben gegeven voor het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling;
• • • • •
gelet op: • •
de toepasselijke bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht. artikel 28 van de Gemeenschappelijke Regeling BAR-organisatie;
BESLUITEN: de gemeenschappelijke regeling te wijzigen zodat deze als volgt komt te luiden:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. b. c. d. e. f. g.
deelnemer: de aan deze regeling deelnemende bestuursorganen; deelnemende gemeente: de gemeente wiens college deelneemt aan deze regeling; de Regeling: deze gemeenschappelijke regeling; de Wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen; college: het college van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeente; gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; begroting: de begroting welke door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt vastgesteld met alle inkomsten en uitgaven (personele kosten, bedrijfsvoeringskosten en materialen) van de bedrijfsvoeringsorganisatie voor het komende jaar gekoppeld aan de voor de deelnemers uit te voeren taken, de te bereiken doelstellingen en de condities waaronder dat zal gebeuren; h. bedrijfsvoeringsorganisatie: de rechtspersoonlijkheid bezittende bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 2 van deze Regeling. Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie 1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet genaamd De Bedrijfsvoeringspartner. 1
Wijziging van de GR BAR 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd in Ridderkerk met dependances in de overige deelnemende gemeenten.
Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden Artikel 3 Belang Doel van de samenwerking is het bewerkstelligen van een kwalitatief hoogwaardige en doelmatige uitvoering door de bedrijfsvoeringsorganisatie van de door de deelnemende gemeenten opgedragen taken. Artikel 4 Taken organisatie 1. De bedrijfsvoeringsorganisatie voert taken uit voor de deelnemende gemeenten op de volgende taakvelden: a. Human Resource Management (HRM); b. Informatie en Communicatie Technologie (ICT); c. Financiën, met uitzondering van planning en gemeente-control taken; d. Concerncontrol; e. Juridische Zaken en Inkoop; f. Facilitaire zaken; g. Administratie zorg; h. Uitkeringsadministratie. 2. De taken behorende bij de in lid 1 genoemde taakvelden omvatten in ieder geval de volgende soorten werkzaamheden: a. Beleidsontwikkeling en beleidsvoorbereiding op bedrijfsvoeringstaken; b. Uitvoering van vastgesteld beleid en wettelijke regelingen; c. Toezicht op aan derden uitbesteed werk van de bedrijfsvoeringsorganisatie; d. Handhaving van de hiervoor genoemde uitvoering van de bedrijfsvoeringsorganisatie; e. Het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen voorzover de bedrijfsvoeringsorganisatie hiertoe is gemachtigd. 3. De bedrijfsvoeringsorganisatie sluit een dienstverleningsovereenkomst met de deelnemende gemeenten en legt met de deelnemers de te leveren en af te nemen producten en diensten vast. 4.
De deelnemende gemeenten zijn gehouden in alle gevallen de overeengekomen diensten en producten, die behoren tot de in het eerste lid genoemde taken, af te nemen. Een deelnemende gemeente mag bepaalde taken of aspecten daarvan pas zelf uitvoeren dan wel aan een andere uitvoerder uitbesteden na bestuurlijke besluitvorming van het bestuur. Aan dit besluit kunnen voorwaarden betreffende onder andere de vergoeding van frictiekosten worden gesteld. In artikel 23 van deze Regeling en de dienstverleningsovereenkomst wordt hier nadere uitwerking aan gegeven. 5. De bedrijfsvoeringsorganisatie kan op verzoek van derden en met toestemming van het bestuur adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op de in het eerste lid bedoelde taakvelden verrichten. Onder derden wordt verstaan: niet-deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling Artikel 5: Algemene bevoegdheidstoedeling De colleges bepalen middels algemene dan wel afzonderlijke delegatie- en/of mandaatbesluiten welke bevoegdheden die samenhangen met de taakvelden zoals vermeld in artikel 4 van de Regeling, moeten worden verleend aan organen van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 2
Wijziging van de GR BAR Artikel 6: Kwaliteitsborging 1. De bedrijfsvoeringsorganisatie draagt zorg voor uitvoering van de taken zoals vermeld in artikel 4 van deze Regeling en zoals vastgelegd in de begroting. 2. Indien desondanks sprake is van onvoldoende kwalitatief of onzorgvuldig c.q. onrechtmatig handelen van het bedrijfsvoeringsorganisatie ten aanzien van één of meer deelnemende gemeenten als gevolg waarvan schade is ontstaan of dreigt te ontstaan, melden de betreffende colleges dit zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen drie maanden na het constateren van de geleden of dreigende schade, bij het bestuur. Het bestuur draagt zorg voor beperking en zo nodig tot herstel van geleden schade.
Hoofdstuk 3: Het bestuur Artikel 7: Samenstelling 1. Iedere deelnemer wijst één collegelid aan voor het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 2. Voor elk lid van het bestuur wijst iedere deelnemer een plaatsvervangend collegelid aan. 3. Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het college dat een lid heeft aangewezen kan dit lid ontslaan wanneer deze niet meer het vertrouwen van het college heeft. 4. Indien tussentijds een vacature ontstaat in het bestuur, wijst de betreffende deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Artikel 8: Bevoegdheden bestuur 1. Alle bevoegdheden die bij of krachtens enige wet van toepassing zijn op de bedrijfsvoeringsorganisatie komen toe aan het bestuur. 2. Naast de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze Regeling bepaalde, is het bestuur in elk geval belast met en bevoegd tot: a. Het vaststellen wijzigen van de begroting; b. Het vaststellen van de jaarrekening; c. Het vaststellen van de jaarlijkse kadernota; d. Het vaststellen van de benodigde regelgeving ten behoeve van de bedrijfsvoeringsorganisatie; e. De aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 35, zevende lid, van de Wet juncto artikel 213 Gemeentewet; f. Het beheer van de inkomsten en uitgaven van de bedrijfsvoeringsorganisatie; g. Het vaststellen van rechtspositionele regelingen; h.
Benoeming, schorsing en ontslag van het personeel van de bedrijfsvoeringsorganisatie; i. Het doen van voorstellen tot toetreding alsmede het regelen van de gevolgen van uittreding; j. Het opleggen van voorwaarden voor uittreding; k. Het voeren van of handelingen verrichten ter voorbereiding op rechtsgedingen, bezwaar- en (administratief) beroepsprocedures, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om een voorlopige voorziening; l. Het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen ten behoeve van de bedrijfsvoering van de bedrijfsvoeringsorganisatie; m. Het behartigen van de belangen van de bedrijfsvoeringsorganisatie bij andere overheden, instellingen of personen. 3. Het bestuur stelt voor de organisatie een organisatieregeling vast.
3
Wijziging van de GR BAR Artikel 9: Werkwijze bestuur 1. Het bestuur vergadert zo vaak als het daartoe heeft besloten, maar tenminste vier maal per jaar en verder als de voorzitter of minimaal twee leden onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen dit verzoeken. 2. De gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten nemen als adviseur van hun gemeentelijk vertegenwoordiger deel aan de vergaderingen van het bestuur. 3. Het bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en werkzaamheden vast. 4. Artikel 22, eerste lid, van de Wet is van overeenkomstige toepassing. 5. Het bestuur kan geheimhouding opleggen als bedoeld in artikel 23 van de Wet. Artikel 10: Inlichtingenplicht 1. De leden van het bestuur geven, samen en afzonderlijk aan de colleges van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het gevoerde en te voeren beleid noodzakelijk is. 2. De leden van het bestuur geven samen en afzonderlijk aan de colleges van de deelnemende gemeenten, indien de colleges dan wel een of meer leden daarom verzoeken, binnen dertig dagen schriftelijk alle gevraagde inlichtingen, een en ander voorzover dit niet in strijd is met het openbaar belang. 3.
Indien het college dat een lid heeft aangewezen deze om inlichtingen over het door dit lid in het bestuur gevoerde beleid verzoekt, verstrekt deze de gevraagde inlichtingen in een collegevergadering binnen dertig dagen. 4. Het bestuur geeft binnen dertig dagen aan de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk alle door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen, een en ander voorzover dit niet in strijd is met het openbaar belang. 4.5. Het bestuur verstrekt aan de raden van de deelnemende gemeenten de vastgestelde begroting, de vastgestelde jaarrekening en het daarbij behorende controleverklaring en accountantsverslag. Artikel 11: Verantwoordingsplicht 1. De leden van het bestuur zijn, samen en afzonderlijk, aan de colleges van de deelnemende gemeenten verantwoording verschuldigd voor het door het bestuur gevoerde beleid. 2. Aan het college dat een lid heeft aangewezen, legt dit lid op verzoek van dit college binnen dertig dagen in een collegevergadering verantwoording af over het door dit lid in het bestuur gevoerde beleid. 3. Aan de raad van de deelnemende gemeente legt het lid dat door het college van die deelnemende gemeente is aangewezen, op verzoek van de raad binnen dertig dagen schriftelijk verantwoording af over het door dit lid in het bestuur gevoerde beleid.
Hoofdstuk 4: De voorzitter Artikel 12: De voorzitter 1. Het bestuur benoemt uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. 2. De voorzitter vervult zijn functie voor één jaar. Het voorzitterschap rouleert jaarlijks op 1 januari tussen de deelnemende gemeenten, tenzij het bestuur anders besluit. 3. De voorzitter vertegenwoordigt de bedrijfsvoeringsorganisatie in en buiten rechte. Hij kan deze bevoegdheid aan een ander overdragen.
4
Wijziging van de GR BAR
Hoofdstuk 5: De directeur Artikel 13: De directeur 1. De bedrijfsvoeringsorganisatie heeft een directeur. 2. De directeur wordt benoemd en ontslagen door het bestuur en is niet verbonden aan één van de deelnemende gemeenten. 3. De directeur is belast met de dagelijkse leiding en is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de taken en de ontwikkeling van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 4. De directeur is adviseur en secretaris van het bestuur. 5. De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden. 6. In een organisatieregeling worden bepalingen opgenomen over de vervanging van de directeur.
Hoofdstuk 6: Personeel Artikel 14: Personeel 1. Het personeel van de BAR-organisatie op 30 juni 2024 is het personeel van de bedrijfsvoeringsorganisatie De Bedrijfsvoeringspartner. Door overgang van onderneming is dit personeel van rechtswege in dienst bij de bedrijfsvoeringsorganisatie. 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie sluit zich ten behoeve van het personeel aan bij de cao SGO (Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties) en neemt daartoe deel in de werkgeversvereniging voor aangesloten organisaties. 3. Bij de overgang van personeel van de BAR-organisatie naar de bedrijfsvoeringsorganisatie De Bedrijfsvoeringspartner zal het bestuur zorg dragen voor de verdere toepassing en uitvoering van het Sociaal Statuut van de BAR-organisatie.
Hoofdstuk 7: Financiële bepalingen Artikel 15: Financiële administratie en controle 1. Op het financieel beleid, het financieel beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop zijn de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing 2. Het bestuur stelt in dat kader de vereiste financiële regelingen en nadere regels vast, waarbij rekening wordt gehouden met de taakstelling en taakgebieden en de wijze van uitvoering daarvan zoals bepaald in de artikelen 4 tot en met 6 van deze Regeling. 3. Het bestuur zendt de concept financiële regelingen en nadere regels van de bedrijfsvoeringsorganisatie toe aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. 4. De colleges en raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen tienacht weken bij het bestuur van de bedrijfsorganisatie hun zienswijze over de financiële regelingen en nadere regels naar voren brengen. De zienswijzen van de raden en colleges worden gezamenlijk door de afzonderlijke colleges aan het bestuur gezonden. 5. Het bestuur zendt de vastgestelde financiële regelingen en nadere regels aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. Daarbij wordt een reactie op de zienswijzen gevoegd. Artikel 16: Begroting 1. Het dienstjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. 2.
Het bestuur stelt elk jaar, met inachtneming van de voorschriften genoemd in de financiële regelingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie, een ontwerpbegroting van inkomsten en 5
Wijziging van de GR BAR uitgaven op voor komend dienstjaar van de bedrijfsvoeringsorganisatie, voorzien van de nodige toelichting en specificaties, rekening houdende met de bepalingen van artikel 4, derde lid, aan de deelnemende gemeenten. Tevens stelt hij elk jaar een meerjarenbegroting op. 3. Wijzigingen op de begroting vanaf € 100.000,= van de jaarlijkse exploitatielasten, worden vooraf voor een zienswijze voorgelegd aan de raden van de deelnemende gemeenten. 4. Voor een zienswijze behoeft aan de raden van de deelnemende gemeenten niet te worden voorgelegd: a. Een begrotingswijziging van administratieve aard, waarbij het niveau van de dienstverlening voor deelnemende gemeenten gelijk blijft en die tevens geen financiële gevolgen heeft voor de afzonderlijke gemeentebegrotingen of de deelnemersbijdrage; b. Een begrotingswijziging die het gevolg is van de besluitvorming door één of meer van de deelnemende gemeenten, om de dienstverlening aan haar c.q. hen te vergroten en de daarmee gemoeide financiële middelen door die gemeente(n) aan de bedrijfsvoeringsorganisatie ter beschikking zijn gesteld. Artikel 17: Jaarrekening 1. Het bestuur stelt elk jaar de rekening van baten en lasten van het voorgaande dienstjaar op met in achtneming van de voorschriften genoemd in de financiële regeling van de bedrijfsvoeringsorganisatie.
Het bestuur zendt de jaarrekening ter controle naar de accountant met het verzoek zo spoedig mogelijk het controlerapport uit te brengen. 2. Het bestuur zendt de jaarrekening met het controlerapport en accountantsverklaring van de bedrijfsvoeringsorganisatie, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de jaarrekening van de bedrijfsvoeringsorganisatie naar voren brengen. 4. Het bestuur stelt de jaarrekening van de bedrijfsvoeringsorganisatie en een reactie op de zienswijzen vast conform de procedure en de termijnen genoemd in de financiële regelingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 5. De bedrijfsvoeringsorganisatie mag een algemene reserve vormen van maximaal 2% van de omvang van de begroting van het jaar waarin afgerekend wordt. De bedrijfsvoeringsorganisatie is verplicht om het meerdere van het positieve saldo op de jaarrekening naar rato terug te storten aan de deelnemende gemeenten. Artikel 18: Financiële verplichtingen 1. De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2.
Indien het bestuur blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.
Hoofdstuk 8: Archief Artikel 19: Archief bedrijfsvoeringsorganisatie 1. Het bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie en haar bestuursorganen overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen archiefregeling. 2. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden als bedoeld in het vorige lid overeenkomstig de door het bestuur vast te stellen nadere regels. 6
Wijziging van de GR BAR 3. Bij opheffing van de Regeling wordt het archief afgesloten en worden de archiefbescheiden geplaatst in een door het bestuur aan te wijzen archiefbewaarplaats.
Hoofdstuk 9: Geschillen Artikel 20: Geschillen 1. Indien er tussen de bedrijfsvoeringsorganisatie en een der deelnemende gemeenten een geschil ontstaat over genomen besluiten en/of de uitvoering van de taken zoals opgenomen in de artikel 4 tot en met 6 van deze Regeling, treden het bestuur en het betreffende college terstond in overleg met elkaar teneinde het geschil verder te verkennen en zo mogelijk op te lossen. 2. Wanneer het overleg bedoeld in het eerste lid niet tot een oplossing van het geschil leidt, trachten partijen met behulp van een externe mediator het geschil op te lossen. De kosten van mediation worden gedeeld. 3. Met betrekking tot geschillen tussen de deelnemende gemeenten onderling dan wel tussen de deelnemende gemeente en de bedrijfsvoeringsorganisatie omtrent de toepassing in de ruimste zin van de Regeling is artikel 28 van de Wet van toepassing.
Hoofdstuk 10: Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing Artikel 21: Toetreding 1. Het college van een gemeente dat wenst toe te treden, richt het verzoek terzake aan de deelnemers en aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 2. Toetreding vindt plaats indien de colleges met toestemming van de raden van de deelnemende gemeenten daartoe besluiten en het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie daarmee instemt. 3. Aan de toetreding kan het bestuur voorwaarden verbinden. Toetreding vindt altijd per 1 januari plaats. 4. Het besluit van de deelnemende gemeenten als bedoeld in het tweede lid geeft de datum van toetreding aan. 5. Van elk bericht van toetreding van een gemeente wordt kennis gegeven aan Gedeputeerde Staten. Artikel 22: Uittreding 1. Alvorens een deelnemer besluit tot uittreding uit deze Regeling, wordt over het voornemen daartoe gezamenlijk overleg gevoerd met de andere deelnemers. 2. Een deelnemer maakt een besluit tot uittreding met de toestemming daarvoor van de raad, onverwijld schriftelijk bekend bij de overige deelnemers en het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 3. Een deelnemer kan voor het eerst vijf jaar na inwerkingtreding van deze Regeling uittreden. 4. De uittreding geldt met ingang van 1 januari van het tweede jaar na de bekendmaking van het besluit tot uittreding.
De uittredende deelnemer blijft tot de datum van uittreding volwaardig deelnemer en verplicht zich jegens de bedrijfsvoeringsorganisatie en overige deelnemers al zijn verplichtingen na te komen die uit de Regeling voortvloeien. 5. Het bestuur stelt bij meerderheid van stemmen de gevolgen van de uittreding vast. Dit zijn de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding. Tot de gevolgen van de uittreding behoort ook de vaststelling van een eventuele uittreedsom, te betalen door de uittredende deelnemer. Het bestuur maakt zijn besluit bekend binnen zes maanden nadat het uittredingsbesluit door de
7
Wijziging van de GR BAR uittredende deelnemer bekend is gemaakt. Deze beslistermijn kan eenmaal worden verdaagd met drie maanden. 6. Bij het bepalen van de omvang van de uittreedsom geldt de financiële positie van de bedrijfsvoeringsorganisatie op het moment van het uittreden van de deelnemer als vertrekpunt. Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. Alleen de schade die het direct, onvermijdelijke, en niet te mitigeren gevolg is van de uittreding komen voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hierbij om: 1o frictiekosten, waaronder wordt verstaan de kosten die de bedrijfsvoeringsorganisatie maakt als gevolg van de uittreding; en 2o desintegratiekosten, waaronder wordt verstaan de kosten die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen; 3o kosten die de overige deelnemers moeten maken als direct, onvermijdelijk en niet te mitigeren gevolg van de uittreding; b. Voor schadeposten die niet uitsluitend aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, wordt de omvang van de schade berekend door de totalen per post naar rato te berekenen op basis van de procentuele bijdrage van de uittredende deelnemer aan de bedrijfsvoeringsorganisatie; c. Toekomstige schade wordt tot vijf jaar na uittreding mede toegerekend aan de uittredende deelnemer; d.
Het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie spant zich in om al zoveel als mogelijk te anticiperen op de nieuwe situatie, teneinde de schade zo veel als mogelijk te beperken. 7. Bij het bepalen van de personele consequenties geldt het uitgangspunt van ‘mens-volgtwerk’. 8. Indien een uittreedsom moet worden betaald door de uittredende deelnemer, maakt een betalingsregeling, met een maximum van vier jaarlijkse termijnen, onderdeel uit van de vaststelling van de gevolgen van de uittreding. 9. Voorafgaand aan de vaststelling van de gevolgen van de uittreding door het bestuur, brengt een Commissie van deskundigen hierover advies uit, met inachtneming van deze Regeling. Daartoe wijzen het bestuur en de uittredende deelnemer – elk voor eigen rekening – ieder een deskundige aan. Deze twee deskundigen wijzen gezamenlijk een derde deskundige aan als voorzitter. De Commissie van deskundigen regelt haar eigen procedure. De kosten van de werkzaamheden van de voorzitter en de overige kosten worden door het bestuur en de uittredende deelnemer gedeeld. 10. Een deelnemer heeft de bevoegdheid om een keer in vijf jaar het bestuur te vragen een anterieure vaststelling van de gevolgen van uittreding over twee jaar vast te stellen. Het bestuur komt hier binnen zes maanden aan tegemoet. Deze termijn kan eenmaal worden verdaagd met drie maanden.
De leden vijf tot en met acht zijn van overeenkomstige toepassing, zij het dat het advies van de Commissie van deskundigen bindend is voor het bestuur. 11. Een deelnemer heeft de bevoegdheid om met toestemming van de raad binnen drie maanden nadat het bestuur een anterieure vaststelling van de gevolgen van een uittreding heeft vastgesteld, een besluit tot uittreding met toestemming van de raad bij de overige deelnemers en het bestuur bekend te maken, voor welke uittreding die reeds vastgestelde gevolgen dan gelden. Artikel 23: Wijziging 1. De Regeling kan op voorstel van het bestuur dan wel een van de deelnemers worden gewijzigd bij gelijkluidend besluit van de deelnemers, na toestemming van de raden. Een 8
Wijziging van de GR BAR
2. 3. 4.
5. 6.
7.
wijziging in de taken van de bedrijfsvoeringsorganisatie leidt altijd tot een wijziging van deze Regeling. Alvorens een voorstel tot wijziging van de Regeling wordt gedaan, wordt daarover gezamenlijk overleg gevoerd door de deelnemers. Een wijziging in het takenpakket kan eerst vijf jaar na inwerkingtreding van deze Regeling plaatsvinden. Voordat een besluit wordt genomen over de wijziging van het takenpakket, stelt het bestuur bij meerderheid van stemmen de gevolgen van deze wijziging vast. Dit zijn de financiële, juridische, personele en organisatorische gevolgen. Tot de gevolgen van wijziging behoort ook de vaststelling van een wijzigingssom, te betalen door de deelnemer of deelnemers die wijziging wensen. Het bestuur deelt de uitkomsten met de deelnemers binnen zes maanden nadat het wijzigingsverzoek is ontvangen. Deze termijn kan eenmaal worden verdaagd met drie maanden. Bij het bepalen van de wijzigingssom is het bepaalde in de leden vijf tot en met zeven van artikel 22 van deze Regeling van overeenkomstige toepassing. Het bestuur kan voor het in kaart brengen van de gevolgen van de voorgestelde wijziging in het takenpakket van de bedrijfsvoeringsorganisatie advies inwinnen bij een Commissie van deskundigen. Daartoe wijzen het bestuur en de, één of meer, deelnemers die de wijziging van de Regeling hebben voorgesteld – elk voor eigen rekening – ieder een deskundige aan.
Indien het bestuur de wijziging heeft voorgesteld, wijst het bestuur een deskundige aan en wijzen de deelnemers gezamenlijk een deskundige aan. De twee deskundigen wijzen gezamenlijk een derde deskundige aan als voorzitter. De Commissie van deskundigen regelt haar eigen procedure. De kosten van de werkzaamheden van de voorzitter en de overige kosten worden door het bestuur vergoed. De deelnemers betrekken de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in het derde lid en het eventuele advies van de commissie bij hun besluit.
Artikel 24: Opheffing 1. De Regeling kan op verzoek van het bestuur dan wel een of meer van de deelnemers worden opgeheven. 2. Nadat alle deelnemers tot opheffing hebben besloten en de raden daarvoor toestemming hebben gegeven, stelt het bestuur een routekaart voor de opheffing vast. In de routekaart worden in ieder geval de volgende onderwerpen geregeld: a. Een plan van aanpak voor het ontvlechtingsproces; b. De voorgenomen duur van de liquidatie; c. De wijze en frequentie waarop overleg plaatsvindt; d. De bestuurlijk-juridische, personele en financieel-operationele uitgangspunten van de liquidatie; e. De verdeelsleutel die bij de liquidatie wordt gehanteerd. Uitgangspunt daarbij is verdeling naar rato van de bijdrage van de deelnemers; f. De keuze van de onderzoeksbureaus die gezamenlijk worden ingeschakeld; g. de kostenverdeling van het liquidatietraject; h. De afspraken over (de wijze van) continuering van de Regeling gedurende de liquidatie. 3. Het bestuur stelt een liquiditeitsplan vast, waarin de financiële, juridisch, personele en organisatorische consequenties van de opheffing worden vastgelegd. Het bestuur kan voorafgaand aan de vaststelling van het liquiditeitsplan een commissie van deskundigen om advies vragen. 9
Wijziging van de GR BAR 4. Het bestuur kan voorzien in een College van vereffenaars met onder meer als taken het nakomen van bestaande verplichtingen, het te gelde maken van overblijvende activa, het overdragen van rechten en verplichtingen aan deelnemers, toezicht en handhaving ten aanzien van al dan niet financiële rechten en verplichtingen van deelnemers en het opstellen van een liquidatieverslag. 5. Het bestuur waakt ertegen dat zijn werkzaamheden die betrekking hebben op de opheffing van de Regeling, zijn taken ter behartiging van de belangen waarvoor de bedrijfsvoeringsorganisatie is ingesteld, negatief beïnvloeden.
Hoofdstuk 11: Gemeenteraad Artikel 25: Ondersteuning gemeenteraden 1. Op de gemeenteraden en elk van zijn leden van de deelnemende gemeenten is artikel 33 van de Gemeentewet van toepassing. 2. De gemeentelijke verordening ex artikel 33 Gemeentewet van elke deelnemende gemeente is van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van het eerste lid.
Hoofdstuk 12: Slotbepalingen Artikel 26: Evaluatie 1. De regeling, waaronder de hoogte van de maximale reserve, wordt vier jaar na inwerkingtreding geëvalueerd. Het bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie vast, alsmede de wijze van evalueren. Daarbij worden de deelnemers gehoord. 2. Vervolgens wordt de regeling telkens na vier jaar geëvalueerd op de wijze als bedoeld in lid 1. 3. De raden van de deelnemers worden op de hoogte gesteld van de resultaten van de evaluatie, de conclusies en de wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie.
Met opmaak: Lijstalinea, Genummerd + Niveau: 1 + Nummeringstijl: 1, 2, 3, … + Beginnen bij: 1 + Uitlijning: Links + Uitgelijnd op: 0,63 cm + Inspringen op: 1,27
Met opmaak: Lijstalinea
Artikel 27: Slotbepaling 1. Het personeel van het openbaar lichaam BAR-organisatie komt van rechtswege in dienst bij de bedrijfsvoeringsorganisatie De Bedrijfsvoeringspartner. 2. Deze Regeling kan worden aangehaald onder de titel ‘Gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner’. 3. De Regeling treedt in werking op 1 juli 2024. 4. De deelnemende gemeenten dragen zorg voor de bekendmaking van deze Regeling voorafgaande aan de inwerkingtreding op een in de desbetreffende gemeente gebruikelijke wijze. 5. Het gemeentebestuur van de gemeente Ridderkerk is aangewezen als het gemeentebestuur als bedoeld in artikel 26 van de Wet. 6. In alle gevallen waarin deze Regeling niet voorziet, beslist het bestuur gehoord de colleges.
10
Wijziging van de GR BAR Aldus vastgesteld door het college van de gemeente Barendrecht, op [datum], De secretaris,
de burgemeester,
G.J. Bravenboer
R.E. Schneider
Aldus vastgesteld door het college van de gemeente Albrandswaard, op [datum], De secretaris,
de burgemeester,
Florus. van der Linden
drs. JolandaJ.G.H. de Witte
11
Wijziging van de GR BAR Aldus vastgesteld door het college van de gemeente Ridderkerk, op [datum], De secretaris,
de burgemeester,
M. Kitselar
C.A. Oosterwijk
12
BURGEMEESTERSBESLUIT de burgemeester van de gemeente Albrandswaard, overwegende dat: • • • •
De colleges hebben besloten de samenwerking in de BAR-organisatie per 1 januari 2024 te gaan beperken; Het openbaar lichaam BAR-organisatie verder gaat als bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen; Een bedrijfsvoeringsorganisatie een collegeregeling is; De raad toestemming heeft gegeven voor uittreding van de burgemeester uit de gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie.
Gelet op: De toepasselijke bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet.
BESLUIT 1. Uit te treden uit de gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie. Aldus besloten, Op …………… De burgemeester van Albrandswaard,
drs. Jolanda de Witte
Toelichting Gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner
Inhoud Artikel 1 Begripsbepalingen: ............................................................................................... 2 Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie .................................................................................. 2 Artikel 3 Belang .................................................................................................................. 2 Artikel 4 Taken .................................................................................................................... 2 Artikel 5 Algemene bevoegdheidstoedeling........................................................................ 2 Artikel 6 Kwaliteitsborging ................................................................................................. 2 Artikel 7 Samenstelling ....................................................................................................... 2 Artikel 8 Bevoegdheden bestuur ......................................................................................... 3 Artikel 9 Werkwijze bestuur ................................................................................................ 3 Artikel 10 Inlichtingenplicht ................................................................................................ 3 Artikel 11 Verantwoordingsplicht .......................................................................................
3 Artikel 12 De voorzitter ....................................................................................................... 4 Artikel 13 De directeur ........................................................................................................ 4 Artikel 14: Personeel ........................................................................................................... 4 Artikel 15: Financiële administratie en controle ................................................................. 4 Artikel 16: Begroting........................................................................................................... 4 Artikel 17: Jaarrekening ...................................................................................................... 4 Artikel 18: Financiële verplichtingen ................................................................................... 5 Artikel 19: Archief bedrijfsvoeringsorganisatie ................................................................... 5 Artikel 20: Geschillen .......................................................................................................... 5 Artikel 21: Toetreding .........................................................................................................
5 Artikel 22: Uittreding .......................................................................................................... 5 Artikel 23: Wijziging............................................................................................................ 7 Artikel 24: Opheffing .......................................................................................................... 7 Artikel 25: Ondersteuning gemeenteraden ........................................................................ 7 Artikel 26: Evaluatie............................................................................................................ 7 Artikel 27: Slotbepaling ...................................................................................................... 7
1
Toelichting Gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner In deze toelichting wordt aangegeven op welke punten de gemeenschappelijke regeling ten opzichte van de oude gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie anders is.
Artikel 1 Begripsbepalingen: Ten opzichte van het eerste artikel uit de GR BAR-organisatie zijn begrippen die niet meer terugkomen in de GR geschrapt. Een uitleg van een begrip dat niet voorkomt in de GR is immers niet noodzakelijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor de begrippen ‘samenwerkingsgebied’, ‘programmabegroting’ en ‘programma’. Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie De oude rechtspersoon, het oude openbaar lichaam, wordt met deze wijziging omgezet in een nieuwe rechtspersoon, de bedrijfsvoeringsorganisatie (BVO) met een nieuwe naam. Artikel 3 Belang Dit artikel komt overeen met de oude bepaling. Artikel 4 Taken In het eerste lid zijn de nieuwe taakvelden van de BVO benoemd. Het tweede lid geeft verduidelijking over de taken. In het derde lid wordt de grondslag gelegd voor het nader overeenkomen van de te leveren en af te nemen diensten van de BVO. Dit wordt verder uitgewerkt in een dienstverleningsovereenkomst (DVO) en een Producten- en Diensten Catalogus (PDC). De daadwerkelijk uit te voeren diensten en te leveren producten worden vormgegeven in basisproducten/-diensten en flexibele producten/diensten. Het vierde lid is ten opzichte van de oude regeling ongewijzigd. Een verdere uitwerking hiervan is terug te vinden in het artikel 23 over de wijziging van de gemeenschappelijke regeling en in de dienstverleningsovereenkomst.
Artikel 5 Algemene bevoegdheidstoedeling Dit artikel is slechts summier gewijzigd. Delegatie of mandaat kan worden gegeven aan de organen van de organen van de BVO. De organen worden benoemd in de regeling, dat zijn het bestuur, de voorzitter en de directeur. In de gebruikelijke mandaatbesluiten en incidentele delegatiebesluiten van de gemeenten wordt dit verder vorm gegeven. Artikel 6 Kwaliteitsborging Dit artikel is nagenoeg gelijk gebleven. Artikel 7 Samenstelling De oude artikelen 7-11 van de gemeenschappelijke regeling handelden over het Algemeen bestuur. De BVO kent echter geen algemeen (en dagelijks) bestuur, maar een enkelvoudig bestuur. Dat betekent dat de oude artikelen 7-11 zijn geschrapt en dat artikel 7 nu regels bevat over de samenstelling van het (enkelvoudige) bestuur. Het bestuur van de BVO wordt gevormd door een door de deelnemer aangewezen collegelid per gemeente. Zo is iedere deelnemer gelijkelijk vertegenwoordigd. In het derde lid is naar aanleiding van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regeling nog een bepaling toegevoegd over de bevoegdheid van het college om een door hem aangewezen lid te ontslaan.
Artikel 16, vierde lid, juncto artikel 18 Wgr bepaalt namelijk dat de regeling bepalingen inhoud over de bevoegdheid van het college een door hem aangewezen lid van het bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het college niet meer heeft. 2
Toelichting Gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner Artikel 8 Bevoegdheden bestuur De Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt niet veel over de inhoud van de bevoegdheden van het bestuur van de BVO. Duidelijk is in ieder geval dat er – evenals bij de oude regeling – geen bevoegdheden door de deelnemende gemeenten worden overgedragen (gedelegeerd) aan de BVO. Om helderheid te verschaffen over wat er in ieder geval onder de bevoegdheden van het bestuur valt, is in het tweede lid benoemd welke bevoegdheden in ieder geval bij het bestuur liggen. Het staat het bestuur natuurlijk vrij deze bevoegdheden binnen wettelijke grenzen te mandateren. De wettelijke grenzen zijn in ieder geval gelegen in de aard van de bevoegdheid (artikel 10:3 Algemene wet bestuursrecht). In het derde lid wordt de grondslag gegeven voor het opstellen van een organisatieregeling. Artikel 9 Werkwijze bestuur Het eerste lid van dit artikel komt voort uit de werkwijze van het algemeen bestuur zoals in de oude regeling is opgenomen. Nu er slechts sprake is van een enkelvoudig bestuur is de frequentie van vergaderen verhoogd ten opzichte van die van het oude algemeen bestuur. Daarnaast is gekozen voor de mogelijkheid dat de voorzitter of minimaal twee leden (schriftelijk) om een vergadering kan verzoeken.
In het tweede lid is expliciet tot uitdrukking gebracht dat de gemeentesecretarissen van de deelnemers een adviserende rol hebben naar de betreffende bestuursleden van hun eigen gemeente in de vergaderingen van het bestuur. In het derde lid wordt een nadere grondslag gegeven voor het uitwerken van de werkwijze van het bestuur. In het vierde lid is artikel 22, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen van toepassing verklaard. Dat bepaalt dat de artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet van toepassing zijn op de orde van de vergaderingen. In het vijfde lid is een nadere grondslag gegeven voor de mogelijkheid om geheimhouding op te leggen, vergelijkbaar met de gemeentelijke geheimhouding. Artikel 10 Inlichtingenplicht Het eerste en tweede lid van deze bepaling komen grotendeels overeen met de leden 2 en 3 van het oude artikel 14 van de gemeenschappelijke regeling. Het derde lid geeft invulling aan een nieuwe verplichting uit de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Artikel 16, tweede lid, Wgr juncto artikel 18 Wgr bepaalt dat de leden van het bestuur alle inlichtingen verschaft aan het college dat hen heeft aangewezen wanneer een of meer leden van het college daarom vragen. Het derde lid bepaalt dat de gemeenschappelijke regeling regels bevat over de wijze waarop inlichtingen worden verstrekt.
Het vierde lid bevat een gelijkelijke bepaling voor de raad. Het vijfde lid is ingevoegd naar aanleiding van een zienswijze van de raad van Ridderkerk. De conceptstukken zijn in een eerder stadium al gedeeld met de raden. De definitieve stukken worden op grond van dit artikellid ook ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten gestuurd.
Met opmaak: Lettertype: 11 pt
Met opmaak: Lettertype: 11 pt Met opmaak: Lettertype: Calibri, 12 pt
Artikel 11 Verantwoordingsplicht Art. 16, eerste lid, Wgr juncto artikel 18 Wgr bepaalt dat de leden van het bestuur verantwoording schuldig zijn aan het college dat hen heeft aangewezen. Het lid is uitsluitend verantwoording schuldig over hetgeen het lid zelf heeft gedaan binnen het bestuur, dus niet voor dat wat het bestuur besloten heeft. De wijze waarop de leden verantwoording af moeten leggen, moet in de gemeenschappelijke regeling geregeld worden. 3
Toelichting Gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner Het eerste lid van deze bepaling komt overeen met het eerste lid van het oude artikel 14 van de gemeenschappelijke regeling. Artikel 12 De voorzitter De wijzigingen van de bepalingen over de voorzitter hangen samen met het feit dat de bedrijfsvoering een enkelvoudig bestuur kent. Artikel 13 De directeur De rol van directeur is enigszins vergelijkbaar met die van de directieraad uit de oude regeling. Het belangrijkste onderscheid is gelegen in het feit dat de directeur niet verbonden is aan een van de deelnemende gemeenten. Sterker nog, dat is onverenigbaar met elkaar. Artikel 14: Personeel Door het wijzigen van de rechtsvorm en het daarmee omzetten van een openbaar lichaam in een bedrijfsvoeringsorganisatie is sprake van overgang van onderneming (art. 7:662 e.v. Burgerlijk Wetboek). Dat betekent dat rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger. Om hierover aan alle partijen duidelijkheid te geven is een en ander nog wel expliciet opgenomen in de gemeenschappelijke regeling. Artikel 15: Financiële administratie en controle Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 18 van de oude gemeenschappelijke regeling.
In verband met de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen is dit artikel aangevuld met de bevoegdheid van de raden om een zienswijze te geven op het besluit tot het vaststellen van financiële regelingen en nadere regels. Na zienswijze van de raad van Ridderkerk is de termijn voor een zienswijze verlengd van acht naar tien weken. Zie artikel 10, vijfde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen. De afzonderlijke colleges sturen hun zienswijze en die van hun raad gezamenlijk aan het bestuur. Dus het college van Barendrecht stuurt de eigen zienswijze en die van zijn raad gezamenlijk toe aan het bestuur, en gelijk zo voor Albrandswaard en Ridderkerk. Artikel 16: Begroting Dit artikel komt nagenoeg geheel overeen met artikel 19 en 20 van de oude gemeenschappelijke regeling. Aanpassing heeft plaatsgevonden in verband met het feit dat een bedrijfsvoeringsorganisatie een enkelvoudig bestuur kent. Zie verder voor de procedure rond de begroting van de bedrijfsvoeringsorganisatie de artikelen 35 en 34, eerste en tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 17: Jaarrekening Dit artikel komt nagenoeg geheel overeen met artikel 21 van de oude gemeenschappelijke regeling. Aanpassing heeft plaatsgevonden in verband met het feit dat een bedrijfsvoeringsorganisatie een enkelvoudig bestuur kent.
Het oude vijfde lid (décharge voor het dagelijks bestuur na besluitvorming van het algemeen bestuur) is in verband daarmee geschrapt. Via artikel 35, zesde lid van de Wgr zijn de artikelen 186 t/m 213 van de Gemeentewet van kracht. Artikel 199 Gemeentewet bepaalt dat de vaststelling van de jaarrekening décharge voor het bestuur inhoudt.
4
Toelichting Gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner Zie verder voor de procedure rond de jaarrekening van de bedrijfsvoeringsorganisatie artikel 34, derde en vierde lid, en artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 18: Financiële verplichtingen Deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 23 van de oude gemeenschappelijke regeling. Wanneer Gedeputeerde Staten gehoor geeft aan het verzoek conform artikel 194 Gemeentewet, treedt GS in de bevoegdheden van de gemeente. Artikel 19: Archief bedrijfsvoeringsorganisatie Dit artikel komt nagenoeg geheel overeen met artikel 24 van de oude gemeenschappelijke regeling. Aanpassing heeft plaatsgevonden in verband met het feit dat een bedrijfsvoeringsorganisatie een enkelvoudig bestuur kent. Artikel 20: Geschillen Dit artikel komt nagenoeg geheel overeen met artikel 25 van de oude gemeenschappelijke regeling. Aanpassing heeft plaatsgevonden in verband met het feit dat een bedrijfsvoeringsorganisatie een enkelvoudig bestuur kent. Artikel 21: Toetreding Dit artikel is enigszins gewijzigd ten opzichte van het vergelijkbare artikel 26 uit de oude regeling. De bedrijfsvoeringsorganisatie is een collegeregeling, zodat de burgemeester als bestuursorgaan uit de bepaling is geschrapt. Toetreding van een gemeente leidt bovendien tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling.
Daarvoor dient met de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen niet alleen toestemming van de colleges maar ook van de raden te zijn. Artikel 22: Uittreding Dit artikel (en de artikelen over wijziging en opheffing) is (zijn) geheel herschreven ten opzichte van de oude gemeenschappelijke regeling, onder meer als gevolg van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022. Daarin is bepaald dat bepalingen moeten worden opgenomen over wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon (art. 9, eerste lid, Wgr). Een effectieve samenwerking is gebaat bij een heldere afscheidsregeling: alle deelnemers weten dan namelijk al bij voorbaat waar zij aan toe zijn en wat hen te wachten staat bij een eventueel besluit tot uittreding of opheffing. Bovendien kunnen daarmee de belangen van zowel achterblijvende deelnemers als uittredende organen worden geborgd. Uittreding heeft aanzienlijke gevolgen op juridisch, financieel, personeel en organisatorisch vlak. Om tot zorgvuldige besluitvorming over de uittreding te komen, is de voorbereidingstijd dan ook navenant. In het derde lid is de afspraak om de bedrijfsvoeringsorganisatie in ieder geval de eerste vijf jaar ongewijzigd te laten, neergelegd.
Uittreding kan, net als wijziging, op zijn vroegst vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling. Met betrekking tot de uittreedsom is gekozen voor de methode van reële schadebepaling. In het zesde lid zijn de uitgangspunten bij het bepalen van de schade opgenomen. Alleen schade die het directe, onvermijdelijke, en niet te mitigeren gevolg is van uittreding komt voor vergoeding in aanmerking (onder a). Dat betekent dat het moet gaan om kosten waarmee de bedrijfsvoeringsorganisatie en de overblijvende deelnemers noodzakelijkwijs worden 5
Toelichting Gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner geconfronteerd en die niet afhankelijk zijn van (beleids)beslissingen. Het gaat daarbij om frictiekosten, desintegratiekosten en kosten die de achterblijvers noodzakelijkerwijs moeten maken. Bij frictiekosten kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de inhuur van externe deskundigen zoals een accountant of advocaat. Bij desintegratiekosten kan het bijvoorbeeld gaan om het verlies aan financiële dekking voor salarissen en andere vaste lasten van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Bij schadeposten die niet uitsluitend aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, als bedoeld onder b kan het gaan om - kort samengevat – alle wegvallende financiering voor kosten die naar hun aard worden ‘gespreid’ over alle deelnemers. Voorbeelden daarvan zijn de salarissen van de medewerkers en de huisvesting van de BAR-organisatie. Met deze bepaling wordt geregeld dat de omvang van de schade die de uittreder berokkent, wordt gebaseerd op diens bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling. Bij een uittreding uit de BAR-organisatie zal deze regeling voor vrijwel alle posten gelden. Ook toekomstige schade (onder c) kan mede voor rekening van de uittredende deelnemer komen. Ook hiervoor geldt overigens dat de schade dan het directe, onvermijdelijke, en niet te mitigeren gevolg moet zijn van de uittreding.
Het gaat dan bijvoorbeeld om investeringen waartoe het bestuur heeft besloten en waarvoor de kosten in opvolgende jaren worden gedragen. Langlopende verplichtingen vormen geen reden om een uitzondering te maken op deze overbruggingsperiode. Na de uittreding moet het samenwerkingsverband deze kosten nog steeds maken, maar valt een deel van de financiering weg. Dat tekort is een schadepost. De omvang van de toekomstige schade wordt volgens deze bepaling - als onderdeel van de reële schadebepaling - zo nauwkeurig mogelijk vastgesteld en dan geheel betrokken bij het bepalen van de gevolgen van de uittreding. Met de begrenzing van vijf jaar wordt daarnaast tot uitdrukking gebracht dat het samenwerkingsverband de hogere kosten van de overblijvende deelnemers niet tot in lengte van dagen aan de uittreding kan wijten. Van het samenwerkingsverband wordt verwacht dat het zich aanpast aan de nieuwe werkelijkheid. De periode van vijf jaar, die vaak ook overeenkomt met de beleidscyclus, wordt daarvoor algemeen gezien als een reële overgangstermijn. In het zevende lid is een uitgangspunt opgenomen om de positie van het personeel te borgen. Het achtste lid over de betalingsregeling spreekt voor zich Het negende lid neemt tot uitgangspunt de advisering door (een commissie van) onafhankelijke externe deskundige(n). Dat bevordert de zorgvuldigheid en de rust in het uittredingstraject.
Daarbij kan onder meer gedacht worden aan accountants of anderszins financieel deskundigen. Van belang is dan dat het aantal te benoemen deskundigen oneven is, ze gezamenlijk advies uitbrengen en rapporteren aan het bestuur, waarbij de kosten van de commissie (in ieder geval gedeeltelijk) worden gedragen door de uittredende deelnemer. Mochten de deelnemers het in een voorkomend geval onwenselijk achten dat een commissie wordt gevormd, dan kunnen zij van deze regel bij eensluidend besluit afwijken. In het tiende lid is de situatie geregeld dat een deelnemer het bestuur vraagt om de gevolgen van een uittreding over twee jaar in kaart te brengen, zonder dat van een daadwerkelijk uittredingsbesluit sprake is. Het is bedoeld als middel om de deelnemers zekerheid vooraf te bieden: een manier om vooraf te weten tegen welke “prijs” uittreding over twee jaar mogelijk is. Omdat een laagdrempeligere route passender is dan wanneer ‘zomaar’ tot eenzijdige uittreding wordt besloten, kan de deelnemer die het verzoek heeft ingediend kan gebruik maken van het deskundigenadvies.
6
Toelichting Gemeenschappelijke regeling De Bedrijfsvoeringspartner Artikel 23: Wijziging Deze bepaling is eveneens herschreven en komt grotendeels overeen met hetgeen in de bepaling over uittreding is bepaald. In het eerste lid is expliciet aangegeven dat wijziging in taken van de organisatie leidt tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling. In dat geval kan schade ontstaan, voor de berekening waarvan in het vijfde lid wordt aangesloten bij de uitgangspunten die gelden voor het bepalen van een uittreedsom. Ook overigens wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij het bepaalde over uittreding. Zo wordt in het zesde lid het instellen van een Commissie van deskundigen mogelijk gemaakt en voeren de deelnemers vooraf gezamenlijk overleg over de wijziging. In het derde lid is nog uitdrukkelijk opgenomen dat wijziging voor het eerst na vijf jaar plaats kan vinden, net zoals dit bij de uittreding is bepaald. Wijziging van de gemeenschappelijke regeling leidt niet altijd tot schade. Een wijziging van bijvoorbeeld de samenstelling van het bestuur is vooral organisatorisch. Het instellen van een Commissie van deskundigen is dan ook – in tegenstelling tot bij uittreding – niet altijd nodig bij een wijziging. Artikel 24: Opheffing Ook deze bepaling is herschreven.
Een ordentelijke afscheidsregeling voor opheffing van een gemeenschappelijke regeling moet de volgende afspraken bevatten over de inhoud en het proces: • Er moet een verzoek of besluit tot opheffing zijn; • De continuïteit van de bedrijfsvoering tot opheffing moet gewaarborgd zijn; • De gevolgen van opheffing moeten in kaart worden gebracht; en • Over het proces van liquidatie moeten afspraken worden gemaakt (routekaart). Het is van belang om in een afscheidsregeling al een duidelijke routekaart voor het gehele liquidatietraject vast te leggen, zodat verzekerd is dat alle deelnemers het op hoofdlijnen met elkaar eens zullen zijn. Ten aanzien van de overeen te komen verdeelsleutel geldt als uitgangspunt dat de ontvlechting van een gemeenschappelijke regeling de gezamenlijke verantwoordelijkheid is van alle deelnemers en dat de ontvlechtingskosten naar rato van de gemeentelijke bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling. Artikel 25: Ondersteuning gemeenteraden Dit artikel is ongewijzigd en gelijkluidend aan artikel 29 uit de oude regeling. Artikel 26: Evaluatie Artikel 11a van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt dat de regeling een bepaling bevat over de evaluatie van de regeling. Artikel 27: Slotbepaling In het eerste lid heeft als doel duidelijkheid te verschaffen over de positie van het personeel.
Met de wijziging van de rechtspersoon van openbaar lichaam naar bedrijfsvoeringsorganisatie gaat het personeel van rechtswege over door overgang van onderneming. Artikel 26 Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt dat de regeling in werking treedt op een in de regeling bepaalde dag. De bepaling is verder gelijkluidend aan de slotbepaling (art. 31) uit de oude regeling.
7
Was-wordt-lijst Wijziging gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie Algemeen: •
Een bedrijfsvoeringsorganisatie is een collegeregeling. De burgemeesters treden dan ook als bestuursorgaan uit de gemeenschappelijke regeling.
•
Waar als rechtspersoon van de gemeenschappelijke regeling het openbaar lichaam in de oude regeling stond genoemd, is dat vervangen door de rechtspersoon bedrijfsvoeringsorganisatie;
•
Waar in de oude regeling werd gesproken over de deelnemende bestuursorganen is dat vervangen door ‘deelnemer’, ‘deelnemers’, ‘college’ of ‘colleges’ als deelnemende bestuursorganen;
•
In de onderstaande Was-wordt-lijst wordt enkel een korte aanvullende toelichting gegeven op bepalingen die gewijzigd worden;
•
Wijzigingen (met uitzondering van geschrapte bepalingen) zijn zo zoveel als mogelijk in de kolom ‘Wordt’ vetgedrukt aangegeven. Bepalingen / woorden die gewijzigd of geschrapt worden zijn cursief aangegeven.
Was
Wordt
Artikel 1: Begripsbepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
In deze regeling wordt verstaan onder:
(…)
(…)
c. Deelnemende gemeente:
b. deelnemende gemeente: de gemeente wiens
De gemeente wiens bestuursorganen
college deelneemt aan deze regeling;
deelnemen aan deze regeling.
(…)
(…)
g. begroting:
Toelichting
De omschrijving van ‘burgemeester’ is verwijderd, omdat deze niet meer voorkomt in de regeling. ‘Bestuursorganen’ vervangen door ‘college’
1
h. GR-Begroting:
de begroting welke door het bestuur van de
De begroting welke door het Algemeen
bedrijfsvoeringsorganisatie wordt vastgesteld met
Bestuur van de BAR-organisatie wordt
alle inkomsten en uitgaven (personele kosten,
In de gemeenschappelijke regeling gaat het enkel