CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1. 2024 025013 Raadsvoorstel Tweede wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021.pdf

Gemeenteraad AW 22 april 2024, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 8: Ingekomen stukken37.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Voorstel Onderwerp: Tweede wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021 Portefeuillehouder Jolanda de Witte

College van burgemeester en wethouders 19 maart 2024

Zaaknummer 2024-025013

Openbaar

E-mailadres opsteller: g.deckers@albrandswaard.nl

Geadviseerd besluit 1. De Tweede wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021 vast te stellen, waarvan de belangrijkste wijzigingen zijn: 1.1 Het schrappen van het artikel over lachgas 1.2 Het opnemen van een groepsverbod 1.3 Het aanpassen van het artikel over messenverbod 1.4 Uitbreiding van de artikelen over drugsoverlast 1.5 Te koop aanbieden van voertuigen 1.6 Het uitbreiden van de APV met extra mogelijkheden om te handhaven

Raadsvoorstel Inleiding Op 1 maart 2021 heeft uw raad de Algemene Plaatselijke Verordening 2021 (APV) vastgesteld. Op 19 december 2022 is de eerste wijziging vastgesteld. Die wijziging had betrekking op redactionele aanpassing van de APV in verband met de invoering van de Omgevingswet en invoering van een vergunningsplicht voor deelscooters. De APV is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Elke zomer/najaar komt de VNG met een wijzigingsvoorstel van dat model. Dit jaar was dat op 7 november 2023 (zie bijgevoegde ledenbrief). De meeste wijzigingen zijn tekstueel of wetstechnisch van aard. Daarnaast heeft ook het Riec Rotterdam per brief van 15 december 2022 (bijgevoegd) voorstellen gedaan tot wijziging van de APV. In dit raadsvoorstel is het wijzigingsvoorstel van de VNG en de voorstellen van het Riec Rotterdam meegenomen. Daarnaast zijn nog enkele andere wijzigingen meegenomen. Beoogd effect Het doel is om te komen tot een actuele APV. De belangrijkste wijzigingsvoorstellen zijn de volgende: 1. Het schrappen van het artikel over lachgas 2. Het opnemen van een groepsverbod 3. Het aanpassen van het artikel over messenverbod 4. Uitbreiding van de artikelen over drugsoverlast 5. Te koop aanbieden van voertuigen 6.

Het uitbreiden van de APV met extra mogelijkheden om te handhaven Argumenten Relatie met Integraal Veiligheidsbeleid 2021-2024 Veel van bovengenoemde wijzigingsvoorstellen komen voort uit de ledenbrieven van de VNG of zijn afkomstig van de politie en afdeling OOV. Daarnaast sluiten de voorstellen aan bij de prioriteiten van het Integraal Veiligheidsbeleid 2021-2024. Zo passen de bepalingen over messen en het groepsverbod bij het streven om de overlast door jeugd tegen te gaan. Inhoud van de wijzigingen De APV is (grotendeels) een autonome verordening. Dit betekent dat veel APV-bepalingen kúnnen worden vastgesteld, maar dat de gemeenteraad daartoe niet verplicht is. In dit voorstel worden de volgende wijzigingsvoorstellen gedaan: 1. Het schrappen van het artikel over lachgas Sinds 1 januari 2023 is lachgas opgenomen in de Opiumwet. Een artikel in de APV is dan niet meer nodig en ook niet meer mogelijk. Daarom wordt voorgesteld het huidige artikel 2:48a APV te schrappen. 2. Groepsverbod De APV bevat al een samenscholingsverbod (art. 2.1). Dat verbod ziet echter op situaties waarin sprake is van (dreigende) ongeregeldheden. Om overlast van groepen hangjongeren tegen te gaan wordt voorgesteld de mogelijkheid van een groepsverbod in de APV op te nemen.

Op basis van dat artikel kan de burgemeester (tijdelijk) gebieden aanwijzen waarin het verboden is om met drie of meer personen bij elkaar te staan. Een groepsverbod komt dus pas tot leven na een aanwijzingsbesluit 3. Messenverbod De rechtbank Rotterdam heeft begin 2023 een soortgelijk artikel in de APV van Rotterdam onverbindend verklaard. De rechtbank was namelijk van mening dat dit onderwerp al voldoende was geregeld in de Wet Wapen en munitie. De VNG is het hier niet mee eens en heeft in de ledenbrief van 7 november jl. een tekstvoorstel voor een messenverbod opgenomen. In een eerder stadium was al (n.a.v. de uitspraak van de rechtbank Rotterdam) in de regio een voorstel gedaan voor een aangepast artikel. In dat regionale artikel wordt het messenverbod gekoppeld aan overlast en hinder. Voorgesteld wordt het regionale artikel te volgen, aangezien dat artikel (net als het huidige artikel) geldt in de gehele gemeente. 4. Drugsoverlast Op basis van het Advies van het Riec zijn de bepalingen over drugs uitgebreid, waardoor er meer mogelijkheden zijn om op te treden tegen drugsoverlast. Voor een toelichting per artikel wordt verwezen naar bijgevoegde waswordtlijst. 5. Te koop aanbieden van voertuigen

2/4

In de model-APV van de VNG staat een artikel (artikel 5:3) op grond waarvan het college kan optreden tegen personen die handelen in auto’s en die auto’s stallen op de openbare weg. Een dergelijk gebruik van de openbare weg kan leiden tot toenamen van parkeerdruk. Het betreffende artikel ontbreekt in de huidige APV van Albrandswaard. Om hiertegen te kunnen optreden wordt voorgesteld het college de mogelijkheid te bieden gebieden aan te wijzen waarbinnen een dergelijk gebruik van de weg niet is toegestaan 6. Het uitbreiden van de APV met extra mogelijkheden om te handhaven De huidige APV kent nog een paar “witte vlekken”: bij sommige artikelen staat “gereserveerd” of “vervallen”. Vanwege wetstechnische redenen is in het verleden de nummering van de model-APV aangehouden en hierdoor zijn die witte vlekken ontstaan. We hebben die betreffende artikelen nog eens goed tegen het licht gehouden. Sommigen daarvan zijn ook in de model-APV komen te vervallen, maar sommige zijn de moeite waard om in de “gereedschapskist” van de APV op te nemen. In de was/wordtlijst is aangegeven welke artikelen uit de model-APV alsnog zijn toegevoegd aan de APV. Voor zover het gaat om artikel die ook in de model-APV zijn vervallen, is in de APV van Albrandswaard de term “gereserveerd” gewijzigd in “vervallen”. Overleg gevoerd met Politie, OM, PFH, JZ, Kanttekeningen n.v.t. Uitvoering/vervolgstappen n.v.t.

Financiën n.v.t. Inclusiviteitstoets n.v.t. Communicatie/participatie na besluitvorming De wijziging in het Gemeenteblad en op de website te publiceren.

Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Aanbiedingsbrief Handreiking Regionaal Model APV Ondermijningsproof Albrandswaard.pdf APV AW 2021 versie na 1 jan 24.pdf Handreiking Regionaal Model APV Ondermijningsproof Riec dec22.pdf Raadsbesluit APV AW - versie 11 maart.docx VNG-ledenbrief-wijziging-model-apv-najaar-2023 zonder bijlagen.pdf Was wordt lijst - APV Albrandswaard.docx

3/4

CONCEPT RAADSBESLUIT Onderwerp: Tweede wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021

Zaaknummer:

De raad van de gemeente Albrandswaard, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders op 19 maart 2024,

BESLUIT: 1. De Tweede wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021 vast te stellen, waarvan de belangrijkste wijzigingen zijn: 1.1 Het schrappen van het artikel over lachgas 1.2 Het opnemen van een groepsverbod 1.3 Het aanpassen van het artikel over messenverbod 1.4 Uitbreiding van de artikelen over drugsoverlast 1.5 Te koop aanbieden van voertuigen 1.6 Het uitbreiden van de APV met extra mogelijkheden om te handhaven

4/4

RIEC Rotterdam Regionaal Informatie- en Expertisecentrum Postbus 70012 3000 KP Rotterdam World Port Center | Wilhelminakade 901 3072 AP Rotterdam Tel.: (010) 267 29 44 www.riec.nl Inlichtingen: S. Hostmann Mobiel: 06-19295925 E-mail: s.hostmann@rotterdam.nl Betreft: Handreiking Regionaal Model APV Ondermijningsproof

Gemeente Albrandswaard T.a.v. de burgemeester Mevrouw J. de Witte Postbus 1000 3160 GA Rhoon

Bijlage I: Handreiking Regionaal Model APV Ondermijningsproof Bijlage II: Toelichting ondermijningsbepalingen Regionaal Model APV Ondermijningsproof Bijlage III: Voorstel algemene tekst raadsbrief

15 december 2022

Vertrouwelijk Geachte burgemeester de Witte, In het Regionaal Veiligheidsoverleg van 22 november 2021 is de Handreiking Regionaal Model APV Ondermijningsproof akkoord bevonden. Deze treft u in bijlage I aan. De handreiking is ontwikkeld om gemeenten in de regio handvatten te bieden voor de brede integrale aanpak van ondermijning. Essentieel binnen de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit is de inzet en weerbaarheid van het bestuur. Een van de gemeentelijke instrumenten binnen deze aanpak is de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In de praktijk kan de APV een bestuurlijk juridische basis vormen voor de aanpak van ondermijning. APV is ook een goed middel om bestuurlijke barrières op te bouwen tegen ondermijning. Doordat het model APV Ondermijningsproof regionaal is vastgesteld, kunnen verplaatsingseffecten binnen de regio maximaal worden voorkomen. Het ondermijningsproof maken van de APV houdt in dat de APV (en aanpalende gemeentelijke regelingen) verrijkt wordt met die bepalingen die het gemeenten mogelijk maken om ondermijning tegen te gaan of aan te pakken. Met behulp van de Handreiking Regionaal Model APV Ondermijningsproof kunnen u en uw college van B&W uw eigen gemeentelijke APV verrijken met de bepalingen die op de voornaamste fenomenen van ondermijning toepasbaar zijn.

Daarom is het van belang dat er bij de colleges van B&W commitment is voor het in procedure brengen van de hieronder voorgestelde wijzigingen in uw APV.

Vanuit het RIEC-accountmanagement is na het RVO van 22 november 2021 samen met uw bij dit dossier betrokken ambtenaren, bekeken welke stappen nog gezet kunnen worden om uw APV geheel ondermijningsproof te maken. Dit heeft geleid tot onderstaande inventarisatie. Hoofdstuk in Handreiking H1

Thema

Aanpassing

Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen Exploitatievergunning openbare inrichting

Artikel is reeds opgenomen in de APV.

H3

Intrekken of wijzigen van vergunning of ontheffing

H4

Drugsoverlast

Artikel is reeds opgenomen in de APV. Voorstel is om de mogelijkheid van het “schorsen” van een vergunning of ontheffing toe te voegen en het onder a genoemde toe te voegen. De artikelen “Drugshandel op straat” en “Lachgasverbod” zijn opgenomen in de APV.

H2

H5

Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen

H6

Woonoverlast

H7

Ordeverstoring bij evenementen (OMG)

H8

Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (OMG)

Het overgrote deel van de artikelen zijn reeds opgenomen in de APV. Voorstel is om te verkennen of het wenselijk is ontbrekende onderdelen vanuit de handreiking toe te voegen.

De volgende artikelen zijn nog niet opgenomen in de APV: 1. Verzamelingen van personen in verband met drugs. 2. Verblijfsontzeggingen in verband met harddrugs 3. Openlijk drugsgebruik 4. Verblijfsverbod dealers. Hoofdstuk is opgenomen in de APV, inhoudelijk wijken bepaalde onderdelen af van de handreiking. Voorstel is om te verkennen of het wenselijk is deze ontbrekende onderdelen toe te voegen. Artikel is grotendeels reeds opgenomen in de APV. Op basis van de handreiking wordt voorgesteld om het lid inzake ‘het geven van aanwijzingen bij een schending zorgplicht’ toe te voegen. Artikel is niet opgenomen in de APV onder evenementen. Dit artikel wordt op basis van nieuwe jurisprudentie niet opgenomen. Artikel is onder ‘ordeverstoring’ reeds opgenomen in de APV. Dit artikel wordt op basis van nieuwe jurisprudentie geschrapt.

H9 H10 H11

H12

Tegengaan malafide ondernemersklimaat Nachtregister Bestrijding van heling van goederen (DOR/DOL) Tegengaan uitbuiting sen onevenredige benadeling huurders

Artikel is reeds opgenomen in de APV. Artikel is reeds opgenomen in de APV. Artikel is reeds opgenomen in de APV. Voorstel is punt 2 (DOR) aan het artikel toe te voegen. Artikel nog niet opgenomen in de APV. Voorstel is om te verkennen of het wenselijk om dit artikel over te nemen.

Wij adviseren u: 1. Deze brief met uw college van B&W te bespreken ter verkrijgen van commitment voor de aanpassing van uw APV en eventuele aanpalende regelingen. 2. Het daarheen te leiden dat de hierboven voorgestelde aanpassingen aan uw APV door uw college van B&W ter accordering aan uw Gemeenteraad worden voorgelegd. In bijlage III treft u hiertoe een tekstvoorstel aan. Mocht u naar aanleiding van dit schrijven vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de verantwoordelijk adviseurs bij het RIEC (zie inlichtingen) of met uw accountmanager bij het RIEC.

Met vriendelijke groet,

Burgemeester M.W. Vroom (gemeente Krimpen aan den IJssel) Bestuurlijk trekker APV Ondermijningsproof regio Rotterdam

Mevrouw W.J. Laman-Soto Hoofd RIEC-Rotterdam

Lokale wet- en regelgeving

Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021 Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021 De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 januari 2021; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; gelet op Gemeentewet, besluit vast te stellen de volgende verordening: ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING ALBRANDSWAARD 2021

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -

bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 17 september1985, nr. B2212/1;

-

beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

-

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

-

bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

-

bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

-

college: het college van burgemeester en wethouders;

-

gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

-

handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

-

motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

-

openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

-

openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

-

parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

-

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

-

voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

-

weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1:2 Beslistermijn 1.

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.

Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag (vervallen) [Vervallen]

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.

Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: 1.

ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

2.

op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

3.

de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

4.

van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

5.

de houder dit verzoekt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7 Termijnen 1.

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

2.

De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.

2.

Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.

de openbare orde;

b.

de openbare veiligheid;

c.

de volksgezondheid;

d.

de bescherming van het milieu.

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.

Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

2.

Degene die op een openbare plaats: a.

aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

b.

aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

c.

zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.

Het is verboden zich te begeven of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2 Optochten (gereserveerd)

[gereserveerd]

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.

Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

2.

De kennisgeving bevat: a.

naam en adres van degene die de betoging houdt;

b.

het doel van de betoging;

c.

de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

d.

de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

e.

voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

f.

maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

3.

Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

4.

Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

5.

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4 Afwijking termijn (vervallen) (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen) (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen [vervallen] [vervallen]

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke (gereserveerd) [gereserveerd]

Artikel 2:8 Dienstverlening (gereserveerd) [gereserveerd]

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen (vervallen) [vervallen]

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen. Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.

Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a.

schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg;

b.

niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.

Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclameborden, spandoeken en containers.

3.

Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Het verbod is niet van toepassing op:

5.

a.

evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

b.

standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

c.

overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

d.

op door het college aangewezen categorieën van voorwerpen.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:11 (Omgevingsvergunning) voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

3.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1.

2.

Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a.

daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of

b.

het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.

Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien: a.

daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

b.

dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c.

het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. 3. 4.

er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (gereserveerd) [gereserveerd]

Artikel 2:14 Winkelwagentjes (vervallen) [vervallen]

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke (vervallen) [vervallen]

Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1.

Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen (vervallen) [vervallen]

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (gereserveerd) [gereserveerd]

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (gereserveerd) [gereserveerd]

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (vervallen) [vervallen]

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs (vervallen) [vervallen]

Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1.

2.

3.

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.

bioscoop- en theatervoorstellingen;

b.

markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

c.

kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

d.

het in een inrichting in de zin van de Drank- of Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

e.

betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

f.

activiteiten als bedoeld in artikel 2:39;

g.

sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f.

Onder evenement wordt mede verstaan: a.

een herdenkingsplechtigheid;

b.

een braderie/snuffelmarkt;

c.

een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

d.

een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

e.

een straatfeest of buurtbarbecue;

f.

een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s.

g.

iedere markt met uitzondering van markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet.

Daarbij worden de volgende evenementen onderscheiden: a.

0- activiteit: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar wel een meldingsplicht geldt;

b.

A- evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

c.

B- evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een verhoogde impact op de omgeving of gevolgen voor het verkeer;

d.

C- evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving/regio of verkeer.

Artikel 2:25 Evenement 1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A-, B- of C- evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.

2.

De burgemeester kan de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

3.

a.

een A-evenement niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

b.

een B- of C-evenement niet ten minste twaalf weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

c.

ten behoeve van de vergunningverlening onvolledige of onjuiste gegevens zijn verstrekt;

d.

de vergunningvoorschriften niet worden nageleefd;

e.

de vooraankondiging van een B- of een C- evenement niet voor 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de regionale evenementenkalender wordt vastgesteld, is ingediend;

f.

het B- of C- evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet is opgenomen in de regionale evenementenkalender welke is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd plaats zal vinden.

Van een 0- activiteit is sprake, indien is voldaan aan alle onderstaande criteria: a.

het een evenement is op eigen terrein, of straatfeest/buurtbarbecue of een naar aard en omvang soortgelijke activiteit op één dag;

b.

het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen;

c.

het een evenement is dat plaatsvindt op maandag t/m zaterdag tussen 08:00 en 23:00 uur of op zondag tussen 13:00 en 23:00 uur;

d.

geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08:00 of na 23:00 uur;

e.

het equivalente geluidsniveau gedurende 1 minuut ((LAeq, 1 min) veroorzaakt door muziek- of stemgeluid afkomstig van het niet bebouwde deel, tussen 08:00 en 23:00 uur op een afstand van 10 meter van de geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A) en er geen verhoging plaatsvindt van 10 dB vanwege muziekgeluid;

f.

het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

g.

er een organisator is;

h.

de organisator uiterlijk vijf werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

3a.

De burgemeester is bevoegd tot het vaststellen van nadere regels ten aanzien van 0- activiteiten.

4.

De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

5.

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

6.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2.

[vervallen]

3.

[vervallen]

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1.

In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid dan wel gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken;

b.

terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

2.

Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, afhaalgelegenheid, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden.

3.

Exploitant: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden.

4.

Beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een inrichting.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.

Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2:28e, verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2.

Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a.

winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

b.

zorginstelling;

c.

museum; of

d.

bedrijfskantine of –restaurant;

e.

kantine van een sportvereniging.

3.

Bij de inwerkingtreding van een verleende nieuwe exploitatievergunning vervalt de oude exploitatievergunning van rechtswege.

4.

De aanvraag wordt ingediend door de exploitant en de vergunning wordt verleend aan de exploitant.

5.

De vergunning moet in de openbare inrichting aanwezig zijn.

6.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28a Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.

Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de in de vergunning genoemde exploitant of beheerder in de openbare inrichting aanwezig is.

2.

De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden.

3.

De burgemeester kan categorieën van openbare inrichtingen of openbare inrichtingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

Artikel 2:28b Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden 1.

2.

3.

De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning in als: a.

de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of voorbereidingsbesluit.

b.

de exploitant of de beheerder de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft,

c.

de exploitant of de beheerder onder curatele staat,

d.

de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien: a.

onverminderd artikel 1:8 naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt; of

b.

onverminderd artikel 1:6 de exploitant of de beheerder het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt; of

c.

aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde; of

d.

de exploitant of de beheerder strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; of

e.

zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, dan wel dat het aannemelijk is dat het exploiteren van de inrichting de vrees wettigt, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde; of

f.

er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een wijziging in de exploitant, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd; of

g.

er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

Bij de toepassing van de in het tweede lid bedoelde gronden houdt de burgemeester rekening met: a.

de aard van de openbare inrichting;

b.

de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de openbare inrichting in deze of in andere openbare inrichtingen.

Artikel 2:28c Sluiting van openbare inrichtingen 1.

De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien: a.

die openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

b.

die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;

c.

een van de in artikel 2:28b, tweede lid, genoemde situaties zich voordoet.

2.

Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de openbare inrichting aangebracht.

3.

Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

4.

Het is de exploitant of de beheerder van de openbare inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

5.

Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten openbare inrichting als bezoeker te verblijven.

Artikel 2:28d Terrassen 1.

Ingeval van een exploitatievergunningaanvraag die tevens van toepassing is voor een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, beslist de burgemeester - gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse - tevens omtrent de ingebruikneming van de openbare plaats.

2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28b, tweede lid, kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de openbare plaats weigeren indien het de verwachting is dat het gebruik: a.

schade toebrengt aan de openbare plaats dan wel gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

b.

een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

3.

Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, is de exploitant van de openbare inrichting verplicht dit binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen.

4.

Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken:

5.

a.

buiten dat deel van de openbare plaats waarvan het gebruik ingevolge het eerste lid is toegestaan; of

b.

aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras aanwezige staan- of zitplaatsen.

De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de openbare inrichting, doch in ieder geval onverwijld op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van het terras op de openbare plaats achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van dat terras afkomstig, worden verwijderd.

Artikel 2:28e Uitzondering vergunningplicht 1.

Artikel 2:28, eerste lid geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten openbare inrichtingen.

2.

De exploitatie van een openbare inrichting, die door de burgemeester is aangewezen zoals bedoeld in het vorige lid, moet zodanig plaatsvinden dat daardoor de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 2:28f Raamkaart 1.

Met de vergunning worden één of meer door of namens de burgemeester gewaarmerkte raamkaarten afgegeven, waarop de naam van de exploitant en de openings- en sluitingstijden van de inrichting inclusief een eventueel terras zijn aangegeven.

2.

Een raamkaart dient bij iedere voor bezoekers bestemde ingang van de inrichting te zijn aangebracht op zodanige wijze dat van buitenaf daarvan gemakkelijk kan worden kennisgenomen.

3.

Op een raamkaart wordt de datum vermeld per wanneer deze geldt. De burgemeester kan bepalen welke andere gegevens op een aankondiging dienen te zijn vermeld en op welke wijze een raamkaart dient te zijn ingericht.

4.

Het is de exploitant of beheerder verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten zonder dat bij iedere voor bezoekers bestemde ingang een raamkaart als bedoeld in dit artikel is aangebracht.

Artikel 2:28g Geldigheidsduur vergunning

1.

Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van 5 jaar na verlening van de vergunning.

2.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde voor bepaalde categorieën van inrichtingen een andere geldigheidsduur vaststellen.

Artikel 2.28h Beëindiging exploitatie 1.

De exploitatievergunning vervalt zodra de exploitant of één van de exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft of hebben beëindigd.

2.

Uiterlijk binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door de exploitant dan wel exploitanten dan wel één van de exploitanten, geeft of geven deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.

Artikel 2:28i Wijziging beheer 1.

Indien een beheerder het beheer in de openbare inrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester.

2.

Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder kan aantonen dat de nieuwe beheerder op de exploitatievergunning is bijgeschreven.

3.

In afwijking van het tweede lid, kan het beheer tot op de aanvraag is beslist, tijdelijk worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder een bevestiging van de burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat die nieuwe beheerder ten behoeve van bijschrijving op de exploitatievergunning is aangemeld.

Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.

Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 01.30 uur en 07.00 uur.

2.

Terrassen zijn gesloten tussen 23.00 en 08.00 uur.

3.

Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

5.

Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

6.

Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

7.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.

de orde te verstoren;

b.

zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

c.

op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34 (vervallen) [vervallen]

Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: -

alcoholhoudende drank,

-

horecabedrijf,

-

horecalokaliteit,

-

inrichting,

-

paracommerciële rechtspersoon,

-

sterke drank,

-

slijtersbedrijf;

-

zwak-alcoholhoudende drank,

dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.

Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank verstrekken van 12.00 uur tot uiterlijk 24.00 uur.

2.

Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt (zoals wijk-, buurt, en jongerencentra) kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12.00 uur tot uiterlijk één uur voor de sluitingstijd als bedoeld in artikel 2:29.

3.

Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12.00 tot 24.00 uur.

4.

Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 1.

2.

Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in inrichtingen van de volgende aard: 1°.

Snackbars

2°.

Scholen

3°.

Sportaccommodaties

4°.

Speeltuinverenigingen

5°.

Jeugdcentra

De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank.

Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden (gereserveerd)

Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven (gereserveerd)

Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37 Nachtregister 1.

De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

2.

De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester voor te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities 1.

In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

2.

In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

4.

a.

naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

b.

de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.

In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

2.

In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade. Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.

Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2.

Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3.

Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2.

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.

een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b.

met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3.

Het verbod bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4.

Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

5.

Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

6.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

7.

De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.

Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.

2.

Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke (vervallen) [vervallen]

Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke (vervallen) [vervallen]

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.

2.

Het is verboden op een openbare plaats: a.

te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

b.

zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen 1.

Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het gebruik van een eenvoudig kampeermiddel tijdens het beoefenen van de hengelsport.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.

Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken.

2.

Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

3.

Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor: a.

een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

b.

een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

c.

het gebied, waarbinnen een 0-activiteit als bedoeld in artikel 2:24, derde lid, valt.

Artikel 2:48a Lachgasverbod 1.

Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

2.

Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.

3.

Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.

2.

Het is verboden zonder redelijk doel: a.

zich in een portiek, brandgang of poort op te houden;

b.

in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan

waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen 1.

Het is verboden op een openbare plaats, met inbegrip van daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en de daarbij behorende erven, messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

2.

Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn.

3.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties [vervallen]

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke (vervallen) [vervallen]

Artikel 2:53 Bespieden van personen (gereserveerd) [gereserveerd]

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (gereserveerd) [gereserveerd]

Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (gereserveerd) [gereserveerd]

Artikel 2:56 Alarminstallaties (gereserveerd) [gereserveerd]

Artikel 2:57 Loslopende honden 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.

op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

b.

binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

c.

buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

d. 2. 3.

op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden en paarden 1.

De eigenaar of houder van een hond of een paard of degene aan wiens zorg een hond of een paard kennelijk is toevertrouwd, is verplicht ervoor te zorgen dat die hond of dat paard zich niet van uitwerpselen ontdoet op de weg.

2.

De eigenaar of houder van een hond of degene aan wiens zorg een hond kennelijk is toevertrouwd, is verplicht, indien hij zich met een hond op de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen.

3.

Een doeltreffend hulpmiddel is: a. een schep of schepje, voldoende stevig om de uitwerpselen te kunnen opnemen, of b. een plastic zakje, voldoende stevig om de uitwerpselen te kunnen opnemen, of c. een ander ten behoeve van het verwijderen van uitwerpselen ontworpen hulpmiddel.

4.

De eigenaar of houder van een hond of degene aan wiens zorg een hond kennelijk is toevertrouwd, is verplicht dit doeltreffend hulpmiddel op eerste vordering te laten zien aan de toezichthoudende ambtenaar.

5.

De eigenaar of houder van een paard of degene aan wiens zorg een paard kennelijk is toevertrouwd, is verplicht, indien hij zich met een paard op de weg bevindt, het paard te hebben voorzien van een zak voor het opvangen en verzameld houden van de uitwerpselen van het paard.

6.

De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder de uitwerpselen onmiddellijk verwijdert met het doeltreffend hulpmiddel en de uitwerpselen meeneemt of deponeert in een afvalbak casu quo aan de in het vijfde lid vermelde verplichting is voldaan.

7.

De geboden zoals gesteld in het eerste, tweede en vierde lid gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond vanwege zijn handicap niet in staat moet worden geacht om aan het gebod te voldoen.

Artikel 2:59 Gevaarlijke en blaffende honden 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3652/documents/31765