CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Wipmolen_vastgesteld_1_Toelichting.pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 24 september 2024, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 8: Vaststelling bestemmingsplan De Wipmolen - Voorstel16.534 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze binnenvaartroute of vaarweg is onderdeel van de 'Corridor Rotterdam - Duitsland'. Over De Noord vindt onder andere vervoer plaats van zowel toxische vloeistoffen (LT1) als - gassen (GT3). Voor LT1 geldt een invloedsgebied van 600 meter en voor GT3 een invloedsgebied van 1.070 meter. Het plangebied is op circa 600 meter vanaf de rand van de vaarweg gelegen en hiermee is geen sprake van een nieuwe bestemming binnen de waterlijn en valt het plangebied buiten het Plasbrand Aandacht Gebied (PAG). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over binnenwater opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Nota van toelichting bij het Bevt is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico achterwege kan blijven. Deze uitzonderingen zijn Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 30

uitgewerkt in de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart). De Noord is een rivier van bevaarbaarheidsklasse (CEMT) 6. Het Basisnet stelt dat over deze vaarweg jaarlijks geen LT2 en 196 transporten GT3 worden vervoerd (LT2+GT3 is dus 196 transporten/jaar). In paragraaf 1.4.2.2 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) is wat betreft de toetsing van het groepsrisico de volgende vuistregel opgenomen: ‘Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico alleen mogelijk overschreden wanneer binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500 /ha en LT2+GT3>1000 per jaar’. Binnen 200 meter van de oever van De Noord ligt de aanwezigheidsdichtheid onder de 500 personen per hectare. Het Basisnet stelt dat over de Noord jaarlijks geen LT2 en 196 transporten GT3 worden vervoerd (LT2+GT3 is dus 196 transporten/jaar). Het groepsrisico is zowel in de bestaande situatie als in de nieuwe situatie minder dan 10% van de oriëntatiewaarde. Een berekening van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid Scenario's brandbare gassen Door een externe beschadiging van een tankwagen met GF3-stoffen (zoals propaan of LPG) kan de tank openscheuren waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt.

Als dit direct ontsteekt ontstaat er een vuurbal en een drukgolf (zogenaamde koude BLEVE 2). Als dit gas later ontsteekt ontstaat er een gaswolkexplosie of wolkbrand. Als een tankwagen met GF3 -stoffen betrokken raakt bij een brand kan na enige tijd de tank bezwijken waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt en ontsteekt (zogenaamde warme BLEVE). Als maatgevend scenario wordt voor wegen (vanwege de hogere kans) uitgegaan van een koude BLEVE. Bij dit scenario kunnen tot een afstand van 200 meter personen die buiten aanwezig zijn komen te overlijden door de optredende (kortdurende) warmtestraling. Het optreden van een koude BLEVE kan door de optredende kortdurende warmtestraling leiden tot onherstelbare schade aan het gebouw in het plangebied (waarbij alle aanwezige personen komen te overlijden). Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagen, of -container met toxische vloeistoffen of gassen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een ongeval. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of direct als gas. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Op grond van het HART wordt voor een toxische wolk van LT2-stoffen een 1% letaliteitsgrens aangehouden van 880 meter.

Dit is de grens waarbij buiten aanwezige personen net nog kunnen overlijden indien zij buiten aanwezig zijn en niet vluchten/schuilen. Afhankelijk van de plaats van het ongeval, de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven en over het plangebied komen te liggen. Bestrijdbaarheid Het optreden van een koude BLEVE is een snel scenario dat direct plaatsvindt. Voor dit scenario zijn er vanuit bestrijdbaarheidsperspectief geen mogelijkheden om dit scenario te voorkomen. Bij de dreiging van een warme BLEVE door brand rondom/nabij een tankwagen met brandbare gassen bestaat er voor de brandweer gedurende enige tijd de mogelijkheid om de tankwagen te koelen met water om een warme BLEVE te voorkomen. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen/gassen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend.

De inrichting van het plangebied heeft geen Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 31

invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. De planvorming betreft de realisatie van woningen. Uitgangspunt is dat de personen in de woningen zelfredzaam zullen zijn. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. In geval van een ramp op het water (bv. een plasbrand, gifwolk of explosie) is men veilig in de woning als men de ramen en deuren sluit en de ventilatie uitzet. De woningen worden voorzien van een uitschakelbare mechanische ventilatie, waardoor het handmatig uitgeschakeld kan worden. Daarnaast hebben de bewoners de mogelijkheid om via de (hoofd)entree(s) van hun woning en omliggende wegen te vluchten. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in meerdere richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. 4.5.2 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

4.6

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: 3. woningen; 4. onderwijsgebouwen; 5. ziekenhuizen; 6. verpleeghuizen; 7. verzorgingstehuizen; 8. psychiatrische inrichtingen; 9. kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen 4.6.1 Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen binnen de zone van verschillende wegen en het gezoneerde industrieterrein Aan de Noord. Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een trein, tram, metro of luchthaven. Door Equipe (voorheen BK Ingenieurs) is akoestisch onderzoek uitgevoerd in verband met het geluidgezoneerde industrieterrein en wegverkeer. De rapportages (d.d.

23 augustus) zijn als bijlage 3 en 4 toegevoegd aan voorliggend plan. Wegverkeerslawaai De Dam, de Van Eesterensingel en de Plantageweg bestaan uit een gedeelte waar een maximale snelheid geldt van 50 km/uur en een gedeelte waar een maximale snelheid geldt Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 32

van 30 km/uur. In het akoestisch onderzoek is de Dam als één weg, de Van Eesterensingel als één weg en de Plantageweg als één weg beschouwd. In onderstaand figuur zijn de hoogst berekende geluidsniveaus opgenomen inclusief en exclusief aftrek art. 110g Wgh. Figuur 4.1 hoogste geluidbelastingen

ter plaatse van het bouwplan (afgerond naar hele getallen).

Gezoneerde wegen De berekende geluidbelasting ten gevolge van de rijksweg bedraagt ten hoogste 40 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Dam bedraagt ten hoogste 29 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de De Helling bedraagt ten hoogste 34 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Haven bedraagt ten hoogste 43 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Plantageweg bedraagt ten hoogste 29 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Van Eesterensingel bedraagt ten hoogste 32 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. 30 km/uur wegen (niet gezoneerd) De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Havenstraat bedraagt ten hoogste 28 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden.

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Dam bedraagt ten hoogste 36 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Plantageweg bedraagt ten hoogste 50 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB Lden wordt voldaan De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Van Eesterensingel bedraagt ten hoogste 29 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Lelsstraat bedraagt ten hoogste 39 dB Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 33

Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Cornelis Smitstraat bedraagt ten hoogste 40 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Kerkstraat bedraagt ten hoogste 24 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen tezamen (Lcum) bedraagt ten hoogste 55 dB exclusief aftrek. Geluidbeleid Alblasserdam Gemeente Alblasserdam beschikt over geluidbeleid, te weten “Geluidbeleid goede ruimtelijke ordening Gemeente Alblasserdam”, opgesteld door Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, kenmerk D-17-1688784/JAL, van 8 november 2017. De geluidbelasting ten gevolge van de Plantageweg (30 km/uur) overschrijdt ter plaatse van twee woningen de voorkeursgrenswaarde. In het akoestisch ondezoek is onderzocht of redelijkerwijs maatregelen getroffen kunnen worden om een lagere geluidbelasting te realiseren. Voor het verminderen van het wegverkeerslawaai kan gedacht worden aan het verbeteren van het wegdektype en het verlagen van de rijsnelheid.

Het vervangen van het asfalt voor 'stiller' asfalt en het aanpassen van de rijsnelheid stuit op bezwaar van financiële aard en op bezwaar van verkeerskundige aard. Het plaatsen van geluidschermen is om praktische en financiële redenen en vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Daarom worden bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. Tevens de opmerking dat het om 'slechts' twee woningen gaat. De woningen beschikken wel over een geluidluwe zijde. In het planvoornemen wordt rekening gehouden met de vastgestelde geluidbelastingen, zodat voldaan kan worden aan het binnenniveau zoals opgenomen in de Wet geluidhinder en het Bouwbesluit 2012. Bij de omgevingsvergunning activiteit bouwen wordt een onderzoek naar de geluidwering van de gevels gevoegd. Dit aspect staat niet aan vaststelling van onderhavig bestemmingsplan in de weg. Industrielawaai Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van industrieterrein Aan de Noord. Voor geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van het industrieterrein geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) conform de Wet geluidhinder. Voor het toestaan van een waarde hoger dan 50 dB(A), met een maximum van 55 dB(A), moet een hogere waarde procedure worden doorlopen. In onderstaand figuur zijn de rekenresultaten opgenomen. De resultaten zijn inclusief correctie in verbad met de redelijke sommatie (- 1 dB).

Dit is aangegeven door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Er moet worden uitgegaan van aangegeven van 1 dB redelijke sommatie. De aftrek voor redelijke sommatie wordt toegepast op de geluidbelasting op de gevel ten gevolge van het gezoneerd industrieterrein. Het vaststellen van hogere waarden ten gevolge van het gezoneerd industrieterrein is inclusief aftrek van de redelijke sommatie. Daarnaast moet bij het bepalen van de geluidwering van de gevel ook worden uitgegaan van de geluidbelasting na aftrek van de redelijke sommatie. Figuur 4.2 langtijdgemiddeld

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

beoordelingsniveau

LAr,LT in dB(A) inclusief correctie i.v.m. redelijke sommatie

Pagina | 34

De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ter plaatse van de te realiseren woningen bedragen ten hoogste 47 dB(A) in de dagperiode, 44 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode. In de dag-, avond- en nachtperiode wordt voldaan aan de geluideisen uit de Wet geluidhinder. 4.6.2 Conclusie Omdat aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt voldaan, is vanuit industrielawaai (gezoneerd industrieterrein Aan de Noord) geen bezwaar tot de voorgenomen realisatie van de 36 woningen. Voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai kan geconcludeerd worden dat de geluidbelasting voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van de Plantageweg (30 km/uur) overschrijdt ter plaatse van twee woningen de voorkeursgrenswaarde.Het vaststellen van een hogere waarde is niet noodzakelijk omdat dit weggedeelte van de Plantageweg niet gezoneerd is in het kader van de Wet geluidhinder. Bij de omgevingsvergunning activiteit bouwen wordt een akoestisch onderzoek toegevoegd naar de geluidswering van de gevels. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit.

4.7

Luchtkwaliteit

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: 1. woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; 2.

kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. 4.7.1 Relatie tot het plangebied In onderhavig geval biedt het bestemmingsplan ruimte aan de realisatie van 36 woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 35

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaand figuur 4.4 toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het plangebied (geraadpleegd via CIMLK) met bijbehorende grenswaarden. Figuur 4.4 Omliggende Natura 2000 - gebieden.

Uit bovenstaand figuur blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van het plangebied, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. 4.7.2 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

4.8

Natuur

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 36

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. 4.8.1 Relatie tot het plangebied Ten behoeve van de ontwikkeling is door Equipe (voorheen BK Bouw- & milieuadvies) een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. Deze quickscan is uitgevoerd op 2 februari 2021 en als bijlage 5 toegevoegd. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Op grond van de uitgevoerde quickscan kan geconcludeerd worden dat nader onderzoek niet benodigd is. Aangezien de bomen op het terrein niet essentieel zijn voor eventuele foeragerende vleermuizen en vervangen worden door meer bomen, is nader onderzoek niet noodzakelijk. De bomen zijn volgens de ontwerpschets nabij en tussen de parkeerplaatsen voorzien.

Wel dient de periode tussen het rooien en de nieuwe bomen zo kort mogelijk te zijn en dienen er volwassen bomen teruggeplaatst te worden. Als gevolg van nadere planuitwerking na uitvoering van de quickscan flora en fauna is door Equipe beoordeeld wat de gevolgen zijn ten aanzien van de resultaten uit de quickscan. Deze beoordeling is beschreven in een memo welke is toegevoegd als bijlage 6 bij voorliggend plan. De conclusie hiervan luidt dat aangezien bij de wijziging van het projectplan het bouwvlak nagenoeg gelijk blijft en er geen extra natuurwaarden verloren gaan, hetzelfde advies als van de quickscan van 2 februari 2021 van toepassing blijft. Er is daarom geen nieuwe quickscan flora en fauna en/of nader onderzoek nodig. De werkzaamheden kunnen daarom zonder beperking voor beschermde flora en fauna doorgang vinden. Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt op 530 meter van het dichtstbijzijnde NNN gebied. Gezien de stedelijke omgeving met reeds aanwezige verstoringsfactoren als licht, geluid et cetera worden op gebiedsniveau geen nadelige effecten verwacht. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Een project dat significante gevolgen kan hebben, is natuurvergunningplichtig.

Ter beoordeling daarvan is onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het projecteffect van het plan op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige natuur dient bepaald te worden. De berekening is verricht met behulp van de Aerius Calculator, zoals voorgeschreven in artikel 2.1 van de Regeling natuurbescherming. Het projecteffect wordt inzichtelijk gemaakt op twee decimalen nauwkeurig. De rapportage is als bijlage 7 toegevoegd aan voorliggend plan. De berekeningen voor zowel de bouw- als gebruiksfase zijn toegevoegd als 8 en 9. De resultaten worden hieronder beschreven. Het meest nabij gelegen(stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied is (natura2000.nl): Bieschbosch (ca. 6 km). Figuur 4.5 Omliggende Natura 2000 - gebieden.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 37

Bouwfase Relevante emissies tijdens de bouwfase ontstaan door de inzet van mobiele werktuigen en vervoersbewegingen van- en naar het plan. De invoergegevens zijn aangereikt door opdrachtgever. Voor elk van de bouwfasen is in kaart gebracht welke mobiele werktuigen noodzakelijk zijn, het aantal benodigde draaiuren en het te verwachten dieselverbruik. Er wordt uitgegaan van Stage IV materieel. De berekening van het projecteffect van de bouwfase is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator en toegevoegd als bijlage 8 aan voorliggend bestemmingsplan. Hieruit blijkt het projecteffect op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000- gebieden. Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden Gebruiksfase In de beoogde situatie wordt de woning voor de verwarming uitgevoerd middels een gasloos energieconcept. Derhalve zijn gebouwemissies niet relevant. In de gebruiksfase is er sprake van emissies door verkeersgeneratie. Het effect van de verwachte toename in verkeersbewegingen verkeer is berekend door gebruik te maken van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' (2018). De berekening van het projecteffect van de beoogde situatie is verricht met behulp van hetprogramma Aerius Calculator.

De berekening is als bijlage 9 toegevoegd. Het projecteffect bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000- gebieden. Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 38

4.8.2 Conclusie Alle vergaarde gegevens zijn in de AERIUS Calculator ingevoerd. Het projecteffect bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/j. Bij een dergelijke projectbijdrage treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is voor het plan niet noodzakelijk. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het plan.

4.9

Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Parkeren Auto De gemeente heeft in 2019 het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan Alblassrrdam vastgesteld In dit GVVP een nadere uitwerking van de parkeernorm gegeven met het onderscheid naar gebied: centrum, schil om het centrum, rest bebouwde kom en industrieterreinen. Voor wat betreft de woongebieden is onderscheid gemaakt tussen de woning categorieën “duur, gemiddeld en goedkoop”. Voor nieuwbouw in Alblasserdam zijn voor zowel woningen als bedrijven parkeernormen opgesteld. In uitzonderingsgevallen kan het college van Burgemeester en Wethouders gemotiveerd afwijken. Bij afwijking zal de motivering tevens zijn gebaseerd op publicatie 137 van het CROW.) Voor het toepassen van de parkeernormen is voor Alblasserdam een 4-tal gebieden onderscheiden: 1. 2. 3. 4.

Centrum. Schil om centrum. Rest bebouwde kom. Buitengebied.

Figuur 4.6 Uitsnede GVVP

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 39

4.9.1 Relatie tot het plangebied Na sloop van de bioscoop en het cultureel centrum zijn ter plaatse van het plangebied betonnen platen aangelegd. Als gevolg van deze verharding is het terrein nadien in gebruik geweest als tijdelijke parkeervoorziening. Het is een bestuurlijke wens dat het terrein wordt herontwikkeld tot woningbouwlocatie, waarbij ook sociale woningen gerealiseerd. In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan staat dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van de huidige parkeerdruk. Op grond van de geldende parkeernormen van de gemeente, kan geconcludeerd worden dat ten behoeve van het programma waar het bestemmingsplan ruimte aan biedt in totaal 52 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. De parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkeling is weergegeven in onderstaand figuur. Figuur 4.7 Parkeerbehoefte berekening.

Zoals beschreven is de bioscoop en het culturele centrum in 2007 gesloopt. Na de sloop van de bioscoop en het culturele centrum is het Wipmolenterrein eind 2009 inclusief de parkeerplaatsen verkocht aan de woningstichting. De parkeerbehoefte van de vervallen functies komt met gemiddelde kencijfers uit op 57 parkeerplaatsen. Normaal gesproken mag de vervallen parkeerbehoefte afgetrokken worden van de parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkeling. De parkeerbehoefte van de bioscoop is in de loop der jaren na de sloop ingevuld door andere ontwikkelingen in het centrum. De vervallen parkeerbehoefte kan bij de Wipmolenlocatie daarom niet zomaar worden afgetrokken in de berekening van de nieuwe parkeerbehoefte. Het is beter om op basis van de actuele parkeerdruk na te gaan welke overcapaciteit de huidige Wipmolenlocatie heeft en derhalve is een parkeerdrukmeting uitgevoerd. Hiertoe is door Megaborn een parkeerstudie uitgevoerd (zie bijlage 10). De resultaten hiervan worden hieronder samenvattend beschreven. Uit de parkeerstudie van Megaborn kan geconcludeerd worden dat de maatgevende situatie de nachtsituatie is. Dan zijn er op basis van de parkeerdrukmeting 39 extra parkeerplaatsen nodig. Geconcludeerd kan worden dat op basis van de parkeerdrukmeting, 39 parkeerplaatsen nodig zijn om de bestaande parkeervraag uit de omgeving op te vangen.

In totaal dienen er zodoende 91 (52 + 39) parkeerplaatsen gerealiseerd worden in en om het plangebied met een gewenste maximum loopafstand van 100 meter. Binnen het plangebied wordt ruimte geboden aan de realisatie van 64 parkeerplaatsen, 13 aan de Wilde Woutstraat en 51 aan de Wipmolenstraat. Daarnaast worden 27 parkeerplaatsen buiten het plangebied gerealiseerd. Het betreft 2 plekken aan de Wilde Woutstraat, 1 aan de Cornelis Smitsstraat en 24 op de hoek van de Lelsstraat. Deze gronden zijn onderdeel van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan en de gronden ter plaatsen zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat geborgd is dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en het bestemmingsplan niet leidt tot een toename van de parkeerdruk. Verkeersgeneratie en ontsluiting Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 40

plangebied in het centrum van Alblasserdam ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor 'centrum' aangehouden kunnen worden. De gemeente Alblasserdam wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een 'matig stedelijk gebied'. Voor de 25 woningen 'koop, tussen/hoek' geldt een minimale verkeersgeneratie van 6,4 en maximaal 7,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de 11 woningen 'huurhuis, sociale huur' geldt een minimale verkeersgeneratie van 3,9 en maximaal 4,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de totale verkeersgeneratie als gevolg van het plan minimaal 203 motorvoertuigbeweging en maximaal 232 bedraagt. Het plangebied is gelegen aan de Wipmolenstraat die ontsluit op de Wilde Woutstraat, Plantageweg en Dam. In de huidige planologische situatie is tevens sprake van verkeersgeneratie. Zoals beschreven zijn de bioscoop en het culturele centrum in 2007 gesloopt. Het betrof een bioscoop van 1.110 m2 en cultureelcentrum van 1.055 m2. Voor een bioscoop geldt een minimale verkeersgeneratie van 11,0 en maximaal 14,2 en voor een cultureel centum/ theather minimaal 7,8 en maximaal 11,8 per 100 m2 BVO. Hieruit volgt dat op gond van de huidige planologische situatie de verkeersgeneratie minimaal 205 en maximaal 283 bedraagt.

Geconcludeerd kan worden dat de verkeersgeneratie op grond van de huidige planologische situatie hoger is dan de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt. Reeds is beschreven dat na de sloop van de bebouwing ter plaatse, het plangebied in gebruik is genomen als parkeerterrein. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat reeds sprake is van motorvoertuigbewegingen van en naar het plangebied. Dit aantal bedraagt op grond van vier motorvoertuigbewegingen pet etmaal in totaal 256 (64 parkeerplaatsen maal 4 motorvoertuigbewegingen). De netto toevoeging van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het initiatief waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt is zodoende nihil. Op grond van de CIMLK is de stagnatiefactor van de omliggende wegen van het plangebied beschreven. De stagnatiefactor geeft de mate aan waarin de doorstroming wordt verhinderd. In onderstaand figuur is weergegeven dat de stagnatiefactor voor de omliggende wegen (Plantageweg, Dam, Cortegene, De Helling) in overwegende mate in 2030 lager is dan 10%. Aangezien de toename van de verkeersgeneratie als gevolg van het plan ten opzichte van de huidige situatie nihil is, kan geconcludeerd worden dat het plan geen significant negatieve effecten heeft op de verkeersdoorstroming in en rond het plangebied.

Figuur 4.9 Uitsnede CIMLK-kaart weergave omliggende wegen, stagnatiefactor licht verkeer.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 41

4.9.2 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het plan.

4.10

Water

4.10.1 Regelgeving en beleid Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is van kracht. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 42

veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland.

Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2022 – 2027 Op 9 maart 2022 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2022-2027 in werking getreden. Voorheen gold het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Op hoofdlijnen wordt het beleid uit het regionale waterplan voortgezet in het regionaal waterprogramma, maar op punten is het ook aangepast. Aanleidingen daartoe waren: 1. kwaliteitsverbetering; 2. klimaatadaptatie; 3. verandering van wetgeving. Het provinciaal Waterplan Zuid-Holland geeft antwoord op de vraag wat er in de periode 2022-2027 moet gebeuren, om de provincie Zuid-Holland ook in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om de volgende opgaven: • waterveiligheid • mooi en schoon water; • beperken maatschappelijke kosten door bodemdaling; • sport, recreatie en water- en groenbeleving • goed functionerende provinciale infrastructuur • toekomstbestendige infrastructuur. Beleid waterbeheerder en gemeente De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Waterschap Rivierenland.

Waterbeheerprogramma (WBP) Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. De langetermijnvisie staat in de Watervisie 2050. Deze visie is in het WBP uitgewerkt met Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 43

oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn; een planperiode van zes jaar. Voor dit WBP is dat 2022-2027. De maatregelen realiseren we vervolgens in projecten en in het reguliere beheer en onderhoud. De principe van de uit te werken Watervisie 2050 zijn als volgt: 1. De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk. 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied. 3. We zijn zuinig op water en grondstoffen. 4. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus. 5. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. 6. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. 7. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendigrivierengebied. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Voor Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van water. De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig aan te geven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het Waterschap Keur Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening “de Keur”.

Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening “de Keur” is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Legger In de legger van het Waterschap staan de wateren en waterkeringen die zij in het beheer hebben. Aan de hand van de legger kan bepaald worden welke wateren en waterkeringen er binnen het plangebied liggen en aan welke regels uit de keur moet worden voldaan. De wateren in de legger van Waterschap Rivierenland zijn verdeeld in 3 categorieën: A-wateren: van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het Waterschap onderhouden. B-wateren: van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. C-wateren: wateren die van tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt. Nota “Samen door één Buis De nota “Samen door één buis” is primair gericht op het samen (gemeenten en Waterschap) beheersen van lozingen uit de riolering en het zo bijdragen aan een goede waterkwaliteit en leefomgeving.

Het primaire doel van deze Nota is het bieden van een handvat om in samenwerking tussen gemeenten en Waterschap lozingen van afvalwater en hemelwater zodanig te beheersen dat watersysteemdoelen op een doelmatige wijze (blijven) worden bereikt. Waterplan Alblasserdam In 2006 is het Waterplan Alblasserdam opgesteld door de gemeente en het Waterschap. Het Waterplan verschaft zowel de gemeente als het Waterschap inzicht over het functioneren van het watersysteem in Alblasserdam. Bovendien wordt in het plan de gezamenlijke visie op het water en het waterbeleid tussen de partijen vastgelegd. Met het opstellen van het Waterplan Alblasserdam realiseren de bij het waterbeheer betrokken partners een aantal doelen, te weten: - het ontwikkelen van een gezamenlijke visie op het waterbeheer op lange termijn (2020) en het formuleren van concrete maatregelen voor de korte termijn (2010); - het afstemmen van waterbeleid en het verdelen van taken tussen de betrokken partijen en zorgen dat de uitvoering van maatregelen verwerkt wordt in de uitvoeringsprogramma's van de Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 44

betrokken organisaties; - het maken van afspraken voor de goede afstemming van water en ruimtelijke ordening; - bekendheid geven aan het Waterplan om de betrokkenheid van externe partijen bij duurzaam waterbeheer te vergroten. 4.10.2 Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Wilde Woutstraat, Zeevaartschoollaan en Wipmolenstraat te Alblasserdam. Ten behoeve van het plan is de digitale watertoets doorlopen. De resultaten hiervan zijn als rapportage opgenomen bij voorliggende toelichting. Het plangebied bestaat in de huidige situatie grotendeels uit verharding. Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de legger wateren van het Waterschap Rivierenland. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat er nabij het plangebied geen watergangen gelegen zijn. Figuur 4.10 Uitsnede legger wateren Waterschap.

Waterkwaliteit en kwantiteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. De hemelwaterriolering wordt verplicht aangeboden middels het bestaande gemeentelijke rioolstelsel. Het plan zal voldoen aan het rioleringskader 'Samen door een buis'. In het verdere planproces zal nadere afstemming met het Waterschap plaatsvinden hierover. Ter plaatse van het plangebied heeft in de voormalige situatie een cultureel centrum gestaan. De gronden waren toentertijd volledig verhard. Naast het gebouw bestond het plangebied toen uit parkeerplaatsen. Na de sloop van het cultureel centrum is een deel van het terrein braak komen te liggen. De locatie is daarna deels verhard en gebruikt voor opslag en parkeren. Dit was de afgelopen vijf jaar het geval en betreft zodoende de huidige situatie. Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 45

In onderstaand tabel is de huidige situatie en toekomstige situatie voor wat betreft verhard en onverharde gronden weergegeven. Dit is berekend conform de uitgangspunten van het Waterschap Rivierenland. Bij alle woningen (rijwoningen) op perceelniveau is 90% verharding gerekend. In de buitenruimte is gerekend met 100% verharding voor wegen, stoepen en parkeerplaatsen. Voor de parkeerplaatsen met halfverharding is 50% verharding gerekend. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat het verhard oppervlakte als gevolg van het initiatief waar voorliggend bestemmingsplan ruimte aan biedt toeneemt. Het een en ander is weergegeven in onderstaand tabel.

Bij een toename aan verharding geldt de volgende rekensom voor compensatie in open water: 607 x 436/ 10.000 / 0,2 = 132,33 m2. Voor compensatie in een wadi geldt: 607 x 664 / 10.000 / 0,3 = 134,34 m2. Bij de nadere uitwerking van het plan wordt onderzocht hoe invulling kan worden gegeven aan de compensatieplicht zoals die geldt op grond van het beleid van het Waterschap Rivierenland. Voor het creëren van de benodigde waterberging op grond van de compensatieplicht zal een watervergunning worden aangevraagd. Beschermde gebieden Op de kaart vastgestelde legger waterkeringen staan de dijken in het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Deze legger is vastgesteld op 1 juli 2022 en vanaf 21 juli 2022 geldig. Onderstaand figuur betreft een uitsnede van deze legger. Figuur 4.11 Uitsnede legger waterkering Waterschap.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 46

Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat een deel van het plangebied gelegen is binnen de beschermingszone van een waterkering (buitenbeschermingszone). Het is verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Deze waterkering dient beschermd te worden en voorzien te zijn van een passende juridisch planologische regeling. Hiertoe wordt verwezen naar de regels van onderhavig bestemmingsplan. 4.10.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan.

4.11

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. 4.11.1 Relatie tot het plangebied De ontwikkeling omvat de realisatie van 36 woningen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld.

De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd als bijlage 12. Op basis van de aanmeldnotitie heeft het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 47

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In samenspraak met de gemeente worden omwonenden geïnformeerd over het voorgenomen planinitiatief. Het plan is in samenspraak met de gemeenteraad vormgegeven en bij het sluiten van de anterieure overeenkomst is de omgeving daar middels een brief over geïnformeerd. Tevens wordt een informatieavond georganiseerd waarbij de omgeving op basis van de stedenbouwkundig ontwerp wordt geïnformeerd over de specifieke plannen. De eerste bewonersbijeenkomst heeft reeds plaatsgevonden op 23 juni 2022. Tijdens deze informatiebijeenkomst is het beoogd plan gepresenteerd en is informatie uit de buurt opgehaald.

5.2

Procedure

Het ontwerpbestemmingsplan in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening naar meerdere instanties toegezonden. Daarnaast heeft ontwerp-bestemmingsplan van 21 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging was het voor een ieder mogelijk om een zienswijze in te dienen. In totaal is één ontvankelijke zienswijze binnengekomen. In de Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen is deze zienswijze samengevat en voorzien van beantwoording.

5.3

Economische uitvoerbaarheid

Tussen de gemeente en initiatiefnemer is een overeenkomst getekend. Hierin zijn de afspraken vastgelegd over de ontwikkeling. Er is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer. Met het ondertekenen van deze overeenkomst is het verhaal van gemeentelijke kosten afdoende verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 48

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1

Inleiding regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft dan ook een ontwikkelingsplan. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor gekozen is voor directe bouwtitel. 6.1.1 Begrippen In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 6.1.2 Wijze van meten In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwwerk moeten worden gemeten.

6.2

Bestemmingsrels

6.2.1 Groen De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor (openbare) groenvoorzieningen, en waterpartijen en waterlopen die van lokaal belang zijn. Voorts zijn fiets-en/of voetpaden toegestaan door het gebied. Binnen de bestemming 'Groen' zijn alleen gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. 6.2.2 Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' omvat de buurt- en erfontsluitingswegen met de daaraan of daarlangs gelegen paden, woonstraten, parkeervoorzieningen, groen- en waterelementen. Deze wegen zijn uitsluitend van belang voor het buurtverkeer. De bestemming biedt ruimte voor nutsvoorzieningen en fietsenstallingen met een beperkte omvang. 6.2.3 Wonen Binnen de bestemmingen 'Wonen' is op de verbeelding een bouwvlak aangegeven. Dit bouwvlak omvat het hoofdgebouw.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/590/documents/13920