Wipmolen_vastgesteld_1_Toelichting.pdf
Tekst van het document
TOELICHTING PROJECT
Wipmolen
STATUS
vastgesteld
PROJECTNUMMER
NL.IMRO.0482.bpwipmolen121-va01
DATUM
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer
info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 - 744 08 38 085 - 744 08 37 Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 2
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
6 Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Coördinatie bestemmingsplan Leeswijzer
6 6 7 8 8
Planbeschrijving
9
2.1
Plan
9
Beleidskader
13
3.1 3.2 3.3 3.4
13 15 21 21
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
Omgevingsaspecten
24
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
24 25 26 28 29 32 35 36 39 42 47
Ladder voor duurzame verstedelijking Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water (VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING
Uitvoerbaarheid
48
5.1 5.2 5.3
48 48 48
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procedure Economische uitvoerbaarheid
Juridische vormgeving
49
6.1 6.2
49 49
Inleiding regels Bestemmingsrels
Bijlagen Bijlage 1
Archeologisch onderzoek
Bijlage 2
Verkennend bodemondezoek
Bijlage 3
Akoestisch ondezoek (wegverkeerslawaai)
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek (industrielawaai)
Bijlage 5
Ecologisch onderzoek
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 3
Bijlage 6
Memco quickscan flora en fauna
Bijlage 7
Stikstofdepositierapport
Bijlage 8
Stikstofdepositieberekening (bouwfase)
Bijlage 9
Stikstofdepositieberekening (gebruiksfase)
Bijlage 10
Parkeerstudie
Bijlage 11
Watertoets
Bijlage 12
Aanmeldnotitie
Bijlage 13
Nota zienswijzen
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 4
Toelichting
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De gronden gelegen ter plaatse van het plangebied zijn bestemd als 'Maatschappelijk', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Centrum -1'. Het betreft de locatie die bekend is als de Wipmolenlocatie en het ontleent haar naam aan het voormalig cultureel centrum De Wipmolen. Voorliggend bestemmingsplan biedt ruimte aan de ontwikkeling van 36 woningen ter plaatse van het plangebied. Het nieuwe bestemmingsplan is nodig omdat het huidige bestemmingsplan "Herstelplan Alblasserdam" (vastgesteld op 31 maart 2015) het woningbouw initiatief niet mogelijk maakt.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied, bekend als de Wipmolenlocatie, is gelegen aan de Zeevaartschoollaan/ Wilde Woutstraat te Alblasserdam. In de huidige situatie zijn de gronden braakliggend. Het plangebied wordt begrensd door de Wilde Woutstraat aan de noordzijde, de Wipmolenstraat aan de oostzijde, de Dam aan de zuidzijde en het Bos Rijkee aan de westzijde. Daarnaast bevindt het centrum van Alblasserdam zich in westelijke richting op circa 500 meter afstand van het plangebied. Om invulling te geven aan de parkeerbehoefte van het woningbouwinitiatief waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt, inclusief de compensatie van parkeerplaatsen als gevolg van de herontwikkeling van het terrein, bestaat het plangebied tevens uit een deel van de Wilde Woutstraat, Cornelis Smitstraat en de hoek van de Lelsstraat. Op onderstaand figuur is het plangebied weergegeven. Figuur 1. Begrenzing plangebied.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 6
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Herstelplan Alblassersdam”, vastgesteld door de gemeenteraad van Alblasserdam op 31 maart 2015. Het plangebied kent de bestemmingen 'Maatschappelijk – 1', 'Verkeer – Verblijfsgebied' en 'Centrum -1'. Nagenoeg de gehele locatie kent de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 5'. Binnen de maatschappelijk bestemming geldt een bouwvlak met een maximale bouw- en goothoogte van 13,5 en 9 meter. Daarnaast kent een gedeelte van het gebied de gebiedsaanduiding 'geluidzone – industrie' en is het gehele gebied gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone – beschermd dorpsgezicht'. Figuur 1.1. Uitsnede bestemmingsplan.
De gronden waar parkeerplaatsen beoogd worden buiten het plangebied zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Maatschappelijk - 1'. Tevens geldt ter plaatse het bestemmingsplan “Parapluherziening Geluid Aan de Noord – Alblasserdam", vastgesteld op 24 januari 2017, het voorbereidingsbesluit “Voorbereidingsbesluit hyperscale datacenters”, vastgesteld op 12 juli 2023 en tot slot het bestemmingsplan "Parapluherziening Wonen en parkeernormen", vastgesteld op 9 mei 2023.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 7
1.4
Coördinatie bestemmingsplan
In het kader van de realisatie van de woningbouwontwikkeling wordt de coördinatieregeling toegepast. Met de coördinatie van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning vinden de voorbereiding, de terinzageleggingen voor de zienswijzenprocedure en de beroepsprocedure gelijktijdig plaats (zie onderstaand figuur). Dit leidt niet alleen tot snellere besluitvorming, maar voor belanghebbenden heeft deze coördinatie als voordeel dat exact duidelijk is op welke wijze het bouwplan is uitgewerkt binnen de kaders die het bestemmingsplan biedt.
1.5
Leeswijzer
Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: Hoofdstuk 2: Planbeschrijving en stedenbouwkundige onderbouwing; Hoofdstuk 3: Beleidskaders; Hoofdstuk 4: Omgevingsaspecten; Hoofdstuk 5: Uitvoerbaarheid; Hoofdstuk 6: Juridsche vormgeving.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 8
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1
Plan
Het doel is om ter plaatse van het plangebied 36 woningen te realiseren. De grootte van de woningen varieert en de woningen zijn verdeeld over meerdere woonblokken. Een aanzienlijk deel van de koopwoningen in het plan bestaat uit een betaalbare koopwoning. Deze woningen zijn specifiek gericht op de doelgroep 'starters en doorstromers op de woningmarkt'. Tevens biedt voorliggend bestemmingsplan ruimte aan de realisatie van 91 parkeerplaatsen. Hiervan zijn in totaal circa 51 parkeerplaatsen beoogd aan de Wipmolenstraat en 13 aan de Wilde Woutstraat. Daarnaast worden 2 langsparkeerplaatsen voorzien aan de Wilde Woutstraat en 24 op de hoek van de Lelsstraat. Tot slot is één parkeerplaats beoogd aan de Cornelis Smitstraat. Op basis van het woningbouwprogramma waar het bestemmingsplan ruimte aan biedt en de daarbij behorende parkeernorm dienen er 52 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Op grond van de uitgevoerde parkeerdrukmeting dienen er 39 parkeerplaatsen gecompenseerd te worden om de bestaande parkeervraag uit de omgeving op te vangen. Derhalve biedt voorliggend bestemmingsplan ruimte aan de realisatie van 91 parkeerplaatsen en bestaat het plangebied uit een drietal locaties. Hiervoor wordt tevens verwezen naar paragraaf 4.9 van onderhavig bestemmingsplan. In onderstaand figuur is hier situatietekening van weergegeven. Figuur 2.0. Situatietekening plangebied.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 9
In de figuren 2.1 en 2.2 zijn impressies van de toekomstige situatie opgenomen. Drieëndertig procent van de woningen betreffen woningen in het sociale huur segment, waarbij de woningen speciaal bestemd zijn voor starters. De overige woningen betreffen woningen in de vrije sector. Figuur 2.1 Impressie toekomstige situatie
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 10
Figuur 2.2 Impressie toekomstige situatie
2.1.1 Stedenbouwkundige inpassing De Wipmolenlocatie kenmerkt zich door zijn ligging tussen een dijklichaam met centrumbebouwing aan de zuidzijde in een nauwe opzet en dorpse stempelbebouwing in een ruimte opzet aan de noordzijde. De westzijde wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van het Bos Rijkee, een monumentaal park. Aan de oostzijde is het tweede dijklichaam aanwezig. De aanwezigheid van de dijklichamen zorgen voor een groot hoogteverschil van 2-4 meter tussen het dijklichaam en het plangebied. Daarnaast is de aanwezige bebouwing sterk gericht op respectievelijk de Cortgene en de Plantageweg. Dit resulteert in een dominante achterkant situatie richting het plangebied met weinig kwaliteit. Positief aan deze situatie zijn de diverse doorsteekjes voor voetgangers tussen de locatie en Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 11
de Plantageweg en Cortgene met zijn vele winkels en horeca. Het winkelgebied dat ten noordwesten van het plangebied is gelegen is goed per auto, fiets en lopend te bereiken via de weg of door het bos Rijkee. Figuur 2.3 Impressie toekomstige situatie
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 12
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 3.0 Uitsnede NOVI
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 13
beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot het plangebied Uit de uitwerking van prioriteit 3 (Sterke en gezonde steden en regio's) volgt onder andere dat sprake dient te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling en dat het woningaanbod moet aansluiten bij de vraag. Daarnaast is één van de beleidskeuzes (beleidskeuze 3.3.) onder prioriteit 3 “Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio, toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op ruimte- en mobiliteitsefficiënte wijze ingepast. Het woningaanbod in de regio's sluit daarbij aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse”. Onderhavig plan sluit aan op prioriteit 3 en de beleidskeuze door woningen te realiseren binnen het bestaand stedelijk gebied, conform een programma waar grote behoefte naar bestaat en is afgestemd op de vraag.
Verder worden in de NOVI onder andere de nationale belangen “Waarborgen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” (4) en “Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte” (5) benoemd. In onderhavig plan wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke aspecten en inpassing van het plan zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (fysieke leefomgeving) wordt gerealiseerd, zie hiervoor hoofdstuk 4. De opgave bij Nationaal belang 5 is het vergroten van de woningvoorraad in een fijne leefomgeving om te voorzien in de huidige behoefte aan woningen. De ontwikkeling draagt bij aan de woningbehoefte naar grondgebonden woningen. Daarnaast wordt voorzien in sociale woningbouw (speciaal voor starters), binnen de gemeente. De ontwikkeling waar voorliggend bestemmingsplan ruimte aan biedt is niet in strijd met een van de 21 nationale belangen. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt.
Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel), aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Relatie tot het plangebied Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 14
3.1.3.1 Relatie tot het plangebied Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Het bestemmingsplan biedt ruimte aan de ontwikkeling van 36 woningen en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. De gemeente Alblasserdam vormt samen met de gemeenten Dordrecht, Hendrik-Ido Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht de woningmarkt regio Drechtsteden. Binnen deze regio vindt onderlinge afstemming plaats over woningbouwontwikkelingen. De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. Het Onderzoekcentrum Drechtsteden heeft de demografische ontwikkeling van de regio Drechtsteden tot 2040 inzichtelijk gemaakt in de rapportage 'Komt de krimp?'. Uit de demografische gegevens is af te leiden dat de Drechtsteden de komende jaren een positieve huishoudensontwikkeling kennen. De verwachting is dat het aantal huishoudens tot aan 2040 met circa 14.000 zal toenemen. In 2017 is een woningmarktonderzoek voor de regio Drechtsteden uitgevoerd door RIGO.
In dit onderzoek is niet alleen de situatie voor de gehele regio onderzocht, ook bevat het onderzoek een factsheet per gemeente. Hieruit is af te leiden dat, ongeacht welk economisch scenario, de algemene woningbehoefte in de gemeente Alblasserdam zal toenemen in de periode 2016-2031. Enkel de woningbehoefte voor corporatiewoningen en particuliere woningen worden negatieve ontwikkelingen geprognosticeerd. Aangezien de voorgenomen plannen voorzien in de toevoeging van koopwoningen (betaalbaar en duur) en tevens sociale huur, wordt aangesloten bij de positieve woningbehoefte van alle type woningen. Het Onderzoekcentrum Drechtsteden heeft in haar rapportage 'Wonen in de Drechtsteden 2017' een actueel beeld gegeven van het thema wonen binnen de regio. Ook in dit onderzoek komt naar voren dat er enkel voor het woningtype huur eengezins' geen sprake is van een behoefte. Voor de overige woningtypen is wel sprake van een kwalitatieve behoefte. Ook wanneer de diverse prijscategorieën behorende bij koopwoningen worden bekeken, geldt dat sprake is van een kwalitatieve behoefte, ongeacht de prijscategorie. Voor onderhavig plangebied is door de raad besloten dat er goedkope huurhuizen gebouwd moeten worden. Het bestemmingsplan biedt ruimte aan sociale woningen evenals woningen bestemd voor de vrije sector.
Geconcludeerd kan worden dat zowel kwalitatief als kwantitatief behoefte is aan het plan waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt. Aan de eisen uit de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta Het inrichten van de fysieke leefomgeving op een manier waarop deze klimaatbestendig blijft. Voorbeelden daarvan zijn: meer ruimte bieden aan water en het rekening houden met de impact van klimaatverandering bij nieuwe ruimtelijke projecten.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 15
2. Naar een nieuwe economie: the next level De stap naar een circulaire economie in 2050, met grote gevolgen voor onder andere het haven-industrieel complex en de glastuinbouw. Er wordt ingezet op bijvoorbeeld digitalisering en een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. 3. Naar een levendige meerkernige metropool De stap naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Er moet een fors aantal woningen worden gerealiseerd en de woonvoorraad dient te worden verduurzaamd. Ook zullen steden met elkaar verbonden moeten worden tot één metropolitaan gebied. In dit gebied zullen we moeten inzetten op het versterken van het leef- en vestigingsklimaat. 4. Energievernieuwing Zuid-Holland wil de fossiele bronnen vervangen door hernieuwbare bronnen. Er worden maatregelen genomen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Ook wordt ingezet op innovatie: nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. 5. Best bereikbare provincie De provincie moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra. Er worden verkeersknelpunten aangepakt en de mobiliteitssector kan schoner worden gemaakt en verduurzamen. Ook wordt ingezet op OV, gebruik van de fiets en vervoer over water. 6.
Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Een groene leefomgeving draagt bij aan een gezonde leefstijl van de inwoners van de provincie, maar het landschap en de biodiversiteit staat ook onder druk door het groeiend aantal inwoners, economische ontwikkeling en klimaatverandering. De kwaliteit van de leefomgeving kan worden versterkt door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 16
ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat.
De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Figuur 3.1 Uitsnede omgevingsverordening
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Bestaand stads- en dorpsgebied De provincie wil bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), ofwel de bebouwde ruimte, beter
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 17
benutten. De provincie verstaat daaronder: 'het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. Bodem- en watersysteem De Omgevingsvisie omvat het wettelijk verplichte regionale waterplan (artikel 4.4 van de Waterwet (Ww). Klimaatverandering, toenemende verzilting, inklinking en het veranderend ruimtegebruik (ook in de ondergrond) vergen aanpassingen van en keuzes in het bodem- en watersysteem, die in veel gevallen invloed hebben op de ruimtelijke ordening. 3.2.1.1 Relatie tot het plangebied Het plangebied behoort niet tot een provinciaal gebiedsprofiel en/of een beschermingscategorie. Conform de provinciale kwaliteitskaart zijn de kenmerken Rivierdeltacomplex (laag van de ondergrond), Steden en dorpen, bouwwerken voor energie-opwekking (laag van stedelijke occupatie) van toepassing. Figuur 3.2 Uitsnede kwaliteitskaart van Zuid - Holland.
Bij de ontwikkeling zal op grond van de geldende richtpunten, onder andere rekening moeten worden gehouden met de impact op klimaatverandering, de bereikbaarheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 36 woningen juridisch planologisch mogelijk. Het plangebied is gelegen in de binnenstad van Alblasserdam en de directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit wonen. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief een inpassing betreft passend bij de aard en schaal van de omgeving. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie Zuid – Holland.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 18
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. De relevante regels worden hieronder nader toegelicht. Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (bsd). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen bsd. Alleen als binnen bsd geen ruimte is voor een specifieke stedelijke ontwikkeling kan een nieuw uitleglocatie buiten bsd in gebruik worden genomen.
De Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is hierbij van toepassing. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze Ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. De Ladder zoals opgenomen in het Bro is een motiveringseis voor de toelichting van het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Om een vrijblijvend karakter te vermijden, heeft de ladder zoals opgenomen in de verordening daarom niet alleen betekenis voor de toelichting van het bestemmingsplan maar ook voor de inhoud. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening Zuid-Holland gaat in op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het artikel luidt als volgt: 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: 1. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; 2.
indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Stedelijke ontwikkelingen Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 19
3.2.2.1 Relatie tot het plangebied Er zijn diverse regels uit de Omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. Een samenvatting van deze regels met de relevante voorwaarden voor de voorgenomen ontwikkeling is onderstaand weergegeven. Artikel 6.9 Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. In artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening is opgenomen aan welke voorwaarden een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. In geval van het type ontwikkeling 'inpassing' (zie ook 3.2.1 Provinciale omgevingsvisie) speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel. Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, zoals eerder beschouwd in voorgaande paragraaf.
Het betreft een inpassingsontwikkeling die past bij de aard en schaal van de omgeving en is niet gelegen binnen een beschermingscategorie. Artikel 6.10 Indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dient eveneens te worden voldaan aan artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening. Bij een stedelijke ontwikkeling in het bestaand stads- en dorpsgebied dient in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking. Bij de onderbouwing van de ladder voor duurzame verstedelijking kan verwezen worden naar een regionale visie waar de behoefte van de stedelijke ontwikkeling al is gemotiveerd. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking, zoals opgenomen in het Bro, ook opgenomen in de verordening om het provinciaal belang bij de toepassing van de ladder te benadrukken. Indien de ontwikkeling niet binnen bestaand stads- of dorpsgezicht kan worden voorzien kan gebruik worden gemaakt van de aangewezen locaties in het Programma ruimte. Op grond van de provinciale Omgevingsverordening dient ingegaan te worden op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij dient zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Het plangebied is gelegen in het bestaand stads- en dorpsgebied.
Daarnaast wordt in paragraaf 4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking van het plan de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling aangetoond. Het plan voldoet hiermee aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Artikel 6.27a In artikel 6.27a van de omgevingsverordening staat dat er rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: A. wateroverlast door overvloedige neerslag; B. overstroming; C. hitte; D. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In navolgende paragrafen wordt op het duurzaamheidsaspect nader ingegaan. Verder gelden vanuit de Omgevingsverordening geen beperkingen. Het plan is niet in strijd Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 20
met de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Regionale woonvisie 2017 - 2031 De regionale woonvisie 'Goed wonen in de Drechtsteden' is vastgesteld in oktober 2017. Met deze woonvisie wil de regio zich positioneren als 'de Drechtsteden voor Rotterdam'. Daarnaast geldt dat de regio een kwalitatief hoog woningaanbod wil realiseren voor een doelgroep die in een duurder segment, goed bereikbaar, met meer ruimte en met moderne stedelijke voorzieningen in of direct bij Dordrecht, een traditioneel Hollandse stad, wil wonen. Deze ambitie is vertaald in 20 kernpunten. Deze kernpunten hebben onder andere betrekking op de kwantitatieve woonopgave voor de regio en richten zich op aspecten als betaalbaarheid en duurzaamheid. 3.3.1.1 Relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan biedt ruimte aan realisatie van 36 grondgebonden woningen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave voor de regio om te kunnen voorzien in de autonome groei van het aantal huishoudens. Tevens is in de regionale woonvisie een inspanningsverplichting beschreven waarbij wordt gestreefd om naast de autonome groei, nog zo'n 15.000 extra woningen te realiseren. Tevens geldt dat het initiatief ook kwalitatief bijdraagt aan de ambities uit de regionale woonvisie, aangezien het plan zowel voorziet in woningen in het sociale huur segment als de vrije sector.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Op 29 oktober 2013 heeft de gemeenteraad van Alblasserdam de Structuurvisie Alblasserdam 2040 vastgesteld. Binnen deze structuurvisie zet Alblasserdam in op de volgende ambitie: “Alblasserdam is een dorp met een menselijke maat waar aangenaam wonen en ruimte voor ontmoeting vanzelfsprekend zijn. Alblasserdam koestert haar groene en dorpse karakter waar de lijnen kort zijn, de sociale infrastructuur hecht en de voorzieningen op het huidige niveau blijven. De economische kracht zit in de marktplaatsfunctie die Alblasserdam vanouds door haar ligging heeft en in de samenwerking met haar omgeving. De houding van de gemeente is er één van netwerken, faciliteren, kansen zien, flexibiliteit en ruimte geven. Vanuit deze basis richt Alblasserdam zich op een veilige en duurzame toekomst.” Op het gebied van wonen zet de structuurvisie in op het volgende: Zorg dragen voor voldoende en betaalbare woningen voor ouderen, starters en eenoudergezinnen. Realiseren van bijzondere woonvormen op kleine schaal. Op peil houden van de kwaliteit van het groen in het dorp. Op peil houden van de voorzieningen voor winkels, verenigingen, sport en vrije tijd. Bevorderen van de leefbaarheid in de woongebieden.
3.4.1.1 Relatie tot het plangebied De gemeente geeft aan in de structuurvisie zich in te zetten op het toevoegen van middeldure woningen in de koop- en huursector, evenals op bijzondere woonvormen. Onderhavig bestemmingsplan biedt hier ruimte aan. Zo worden woningen voorzien in het sociale- en vrije sector. Het draagt zodoende bij aan de differentiatie in woningtypologie.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 21
3.4.2 Lokaal uitvoeringsprogramma wonen 2018 - 2031 De lokale uitvoeringsparagraaf concretiseert het woningbouwprogramma en geeft invulling aan de lokale inzet binnen de regionale woonvisie. De regionale Woonvisie Drechtsteden 2018 vormt hierbij de leidraad. In het uitvoeringsprogramma zijn de volgende kernpunten vastgelegd: Ruimte bieden aan autonome groei. Bijdragen aan de extra groeiopgave van Drechtsteden. Toepassing van maatregelen voor een energie neutrale omgeving. Wat gaan we bouwen? De sociale huurwoningvoorraad. Aandacht voor bijzondere en kwetsbare doelgroepen. Regionale samenwerking. 3.4.2.1 Relatie tot het plangebied Onderhavig bestemmingsplan biedt ruimte aan de realisatie van 36 woningen. Zo wordt bijgedragen aan de autonome groei van de gemeente. Daarnaast wordt voldaan aan de inspanningsverplichting uit de regionale woonvisie om naast de autonome groeiopgave te zoeken naar locaties om zo'n 15.000 woningen te realiseren. De gemeente heeft geen grote uitbreidingslocaties en dus dienen de woningbouwontwikkelingen met name gevonden worden door te transformeren (bedrijven)locaties. Onderhavig plagebied, aan de Zeevaartschoollaan, ligt al sinds het vertrek van sociaal cultureel centrum De Wipmolen, dat ruim tien jaar geleden is verhuisd naar Landvast, braak. Het biedt derhalve bij uitstek ruimte voor de extra binnenstedelijke bouwopgave in de regio.
3.4.3 Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan Alblasserdam Het GVVP Alblasserdam bevat de visie op het gebied van Verkeer en Vervoer (V&V), waarbij voldaan wordt aan landelijke c.q. regionale normen en (als afgeleide van die normen) een leidraad is voor gemeente Alblasserdam bij de ontwikkeling en uitvoering van lokaal beleid op V&V-gebied. In dit GVVP wordt, rekening houdend met aspecten die voor de gemeente van groot belang zijn (veiligheid, duurzaamheid, leefbaarheid en bereikbaarheid), ingezoomd op o.a. de prioriteiten uit de structuurvisie Alblasserdam 2040 (bijv. het waar mogelijk terugdringen van verkeersdruk en het stimuleren van andere vervoersvormen (vervoer over water) en fietsverkeer (nieuw fietspad)). 3.4.3.1 Relatie tot het plangebied In paragraaf 4.9 van het plan wordt nader ingegaan op het aspect verkeer- en parkeren. 3.4.4 Energietransitie Drechtsteden Energieneutraal 2050 Op 28 november 2017 heeft de gemeenteraad van Alblasserdam de Energiestrategie 'Drechtsteden, Energieneutraal 2050' vastgesteld. De doelstelling is om samen met partners te komen tot 'Drechtsteden Energieneutraal 2050'. De Energiestrategie 'Drechtsteden, Energieneutraal 2050' wordt als leidraad gehanteerd voor het in gang zetten van deze beweging en voor het uitwerken van lokale maatregelen.
De Energiestrategie 'Drechtsteden, Energieneutraal 2050' gaat uit van de volgende vijf richtinggevende ontwikkellijnen: 1. Gefaseerd los van aardgas; bij nieuwbouw en waar mogelijk bij verouderde bestaande aardgasnetten; 2. Afgaan van benzine, diesel en andere fossiele energie, zodra dat redelijkerwijs kan; 3. Sterk inzetten op energiebesparing; 4. Duurzaam opwekken van elektriciteit; met opbouw in tijdsstaffels; 5. Realisering van de hoogst maatschappelijke opbrengst.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 22
3.4.4.1 Relatie tot het plangebied De woningen zullen gasloos worden gebouwd. Bij de technische uitwerking wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. De woningen zullen minimaal BENG gerealiseerd worden.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 23
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Artikel 3.1.6 van het Bro: Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. 4.1.1 Relatie tot het plangebied Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling waar voorliggend bestemmingsplan ruimte aan biedt, omvat de realisatie van maximaal 36 woningen en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, getypeerd worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro.
In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. De gemeente Alblasserdam vormt samen met de gemeenten Dordrecht, Hendrik-Ido Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht de woningmarkt regio Drechtsteden. Binnen deze regio vindt onderlinge afstemming plaats over woningbouwontwikkelingen. De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. Het Onderzoekcentrum Drechtsteden heeft de demografische ontwikkeling van de regio Drechtsteden tot 2040 inzichtelijk gemaakt in de rapportage 'Komt de krimp?'. Uit de demografische gegevens is af te leiden dat de Drechtsteden de komende jaren een positieve huishoudensontwikkeling kennen. De verwachting is dat het aantal huishoudens tot aan 2040 met circa 14.000 zal toenemen. Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 24
In 2017 is een woningmarktonderzoek voor de regio Drechtsteden uitgevoerd door RIGO. In dit onderzoek is niet alleen de situatie voor de gehele regio onderzocht, ook bevat het onderzoek een factsheet per gemeente. Hieruit is af te leiden dat, ongeacht welk economisch scenario, de algemene woningbehoefte in de gemeente Alblasserdam zal toenemen in de periode 2016-2031. Enkel de woningbehoefte voor corporatiewoningen en particuliere woningen worden negatieve ontwikkelingen geprognosticeerd. Aangezien de voorgenomen plannen voorzien in de toevoeging van koopwoningen (midden en duur) en tevens sociale huur, wordt aangesloten bij de positieve woningbehoefte van alle type woningen. Het Onderzoekcentrum Drechtsteden heeft in haar rapportage 'Wonen in de Drechtsteden 2017' een actueel beeld gegeven van het thema wonen binnen de regio. Ook in dit onderzoek komt naar voren dat er enkel voor het woningtype huur eengezins' geen sprake is van een behoefte. Voor de overige woningtypen is wel sprake van een kwalitatieve behoefte. Ook wanneer de diverse prijscategorieën behorende bij koopwoningen worden bekeken, geldt dat sprake is van een kwalitatieve behoefte, ongeacht de prijscategorie. Voor onderhavig plangebied is door de raad besloten dat er goedkope huurhuizen gebouwd moeten worden. Bij de planvorming is hier invulling aangegeven. Er worden woningen in de sociale- en vrije sector.
Een aanzienlijk deel van de koopwoningen in het plan, 20 van de 25 koopwoningen, bestaat uit een betaalbare koopwoning die valt onder de NHG-grens. Deze woningen zijn gericht op starters en doorstromers en zijn bedoeld om binnen Alblasserdam verhuisbewegingen op gang te brengen en deze doelgroep, waar veel vraag naar is, te bedienen. Op deze manier draagt het project bij aan de doorstroming op de woningmarkt die zo hard nodig is. Geconcludeerd kan worden dat zowel kwalitatief als kwantitatief behoefte is aan het initiatief waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt. 4.1.2 Conclusie Aan de eisen uit de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. 4.2.1 Relatie tot het plangebied Archeologie Op basis van het bestemmingsplan "Herstelplan Alblasserdam" blijkt dat aan het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde – Archeologie 5' is toegekend. Dit houdt in dat bouwen alleen onder de voorwaarden is toegestaan. Ten behoeve van het plan is door Synthegra B.V. een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een karterend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 1 toegevoegd. De resultaten van het onderzoek worden hieronder beschreven. Op basis van de resultaten van het booronderzoek is er mogelijk een archeologische vindplaats in het plangebied aanwezig.
Wanneer de geplande graafwerkzaamheden binnen het westelijke deel van het plangebied dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. In het oostelijke deel van het plangebied is dit niveau waarschijnlijk al verstoord en zijn eventueel aanwezige archeologische resten verdwenen. Er wordt geadviseerd om voor Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 25
het westelijke deel een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. Het oostelijke deel van het plangebied wordt vrij gegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Het benodigd vervolgonderzoek zal voorafgaand aan de bouwactiviteiten zijn afgerond. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie niet aan vaststelling van het plan in de weg staat. Cultuurhistorie Het plangebied kent op grond van het bestemmingsplan “Herstelplan Alblasserdam” (2015) de gebiedsaanduiding 'overige zone – beschermd dorpsgezicht'. Het is verboden op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beschermd dorpsgezicht' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning) de bestaande bouwwerken te slopen. Daarnaast gelden ter plaatse van deze aanduiding voor beeldbepalende zaken de volgende bepalingen: 1. de goot- en/of bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande goot- en/of bouwhoogte; 2.
het uiterlijk van de beeldbepalende zaken mag niet worden gewijzigd zonder positief advies van de monumentencommissie; 3. burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde onder a na een positief advies van de monumentencommissie. Ten zuiden van het plangebied aan de Cortgene en Dam zijn diverse beeldbepalende objecten gelegen. Het betreft onder andere Cortgene 1. Tevens betreft het de Dam 143 en 145. Het beoogd initiatief is niet van invloed op de hiervoor genoemde beeldbepalende objecten. Daarnaast gelden verder geen beperkingen vanuit het vigerende bestemmingsplan. 4.2.2 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het plan.
4.3
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 26
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Gebieden langs een hoofdinfrastructuur betreffen eveneens een gemengd gebied. 4.3.1 Relatie tot het plangebied Het plangebied kent hoofdzakelijk de bestemming 'Maatschappelijk- 1'. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend 'Wonen', 'Centrum – 1' en Groen'. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van gemengd gebied. Aan de noordzijde van het plangebied, aan de overzijde van de Wilde Woutstraat zijn woningen gelegen. Ten oosten, aan de Wipmolenstraat geldt de bestemming 'Gemengd – 1', waar onder andere detailhandel, dienstverlenende bedrijven, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, banken en wonen is toegestaan. Dergelijke bestemmingen kunnen grotendeels gekwalificeerd worden als milieucategorie 1 (SBI – 2008: 47, 471, 64, 65, 66), met een te hanteren richtafstand van 0 meter binnen het omgevingstype 'gemengd gebied'.
Onder maatschappelijke voorzieningen wordt op grond van de begripsbepalingen bij het geldende bestemmingsplan verstaan: “educatieve, (para)medische, (sociaal-)culturele, levensbeschouwelijke, religieuze voorzieningen, onderwijsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en voorzieningen voor sportbeoefening, kinderdagverblijven en kinderopvang.” Hiervoor geldt maximaal milieucategorie 2 (SBI – 2008: 8891, 852, 8531, 8532, 854) met een te hanteren richtafstand van 10 meter binnen het omgevingstype gemengd gebied. De afstand tussen de te realiseren woningen en de als 'Gemengd – 1' bestemde gronden bedraagt meer dan 10 meter en derhalve wordt aan de geldende richtafstand voldaan. Ten zuiden van het plangebied, aan de Cortgene en de Dam, zijn de gronden bestemd als 'Centrum – 1'. Hierbinnen is onder andere detailhandel, horeca, dienstverlenende bedrijven, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, banken, wonen en lichte bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 1 en 2 toegestaan. De afstand van de te realiseren woningen en de als 'Centrum – 1' bestemde gronden bedraagt meer dan 10 meter en derhalve kan geconcludeerd dat de geldende richtafstanden voldaan wordt en dat dit aspect geen belemmering vormt. 4.3.2 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 27
4.4
Bodem
Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. 4.4.1 Relatie tot het plangebied De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Equipe (voorheen BK Ingenieurs). De rapportage d.d. 19 april 2021 is opgenomen in als bijlage 2 bij het plan. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Opbouw en zintuiglijke waarnemingen De bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv) bestaat uit zand met plaatselijk bijmengingen baksteen. De ondergrond bestaat variërend uit zintuiglijk schone zand-, klei- en veenlagen.
Grond De bovengrond ter plaatse van de oostelijke parkeerplaats is licht verontreinigd met zink, kwik, PCB en hexachloorbutadieen. De overige bovengrond binnen de onderzoekslocatie is niet tot maximaal licht verontreinigd met zink. De kleiige ondergrond is licht verontreinigd met kwik en lood. De venige ondergrond is licht verontreinigd met zink, kwik, lood, PAK en minerale olie. Hergebruik grond (indicatief) De bovengrond ter plaatse van de parkeerplaats voldoet aan klasse 'Industrie'. De overige licht verontreinigde bovengrond en kleiige ondergrond voldoet aan bodemfunctieklasse 'Achtergrondwaarde'. De venige ondergrond voldoet aan bodemfunctieklasse 'Industrie'. Met oog op PFAS is geen sprake van toepassingsbeperkingen voor zowel het landelijke als lokale beleid. Asbest Op de locatie is zowel op het maaiveld als in de contactzone (0,0 – 0,5 m -mv) visueel geen asbest aangetroffen of analytisch aangetoond. Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) wordt niet overschreden. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met barium en naftaleen. PAK en/of minerale olie' is juist gebleken. De verdenking ten aanzien van PFAS is niet terecht. De PFAS-gehaltes voldoen aan de klasse 'Landbouw/natuur'. De hypothese 'locatie verdacht op het voorkomen van een asbestverontreiniging in de puinhoudende lagen' is niet correct gebleken.
Er is zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetroffen. Hoewel de vooraf gestelde hypothese voor asbest niet correct is gebleken, wordt aanvullend asbestonderzoek met een aangepaste hypothese niet noodzakelijk geacht. Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet benodigd. 4.4.2 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het plan. Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 28
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. 2. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.
Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd. 4.5.1 Relatie tot het plangebied Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de risicokaart. Op de risicokaart is te zien dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of inrichting waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het beoogd woningbouwplan. Tevens kan geconcludeerd worden op grond van de risicokaart dat er in de nabijheid van het plangebied geen buisleidingen gelegen zijn die in het kader van externe veiligheid relevant zijn. Figuur 4.0 Uitsnede risicokaart, plangebied ter plaatse van ster.
Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen
Pagina | 29
Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes Transport gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Wel dient opgemerkt te worden dat de oostelijke ingang van de Sophiaspoortunnel in de Betuweroute (spoortraject Route 202, Kijfhoek - Meteren) op circa 3,0 kilometer ten zuidoosten van het plangebied is gelegen. Over dit traject vindt het transport van gevaarlijke als toxische vloeistoffen plaats. Het invloedsgebied van dit spoortraject bedraagt 4,0 kilometer en derhalve zal nader worden ingegaan op het aspect zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De snelweg A15 en bijbehorende omleidingsroute N915 liggen op circa 500 meter, respectievelijk 550 meter, ten zuiden van het plangebied. Over deze wegen vindt, met uitzondering van de Noordtunnel in de A15, hoofdzakelijk vervoer van brandbare gassen (GF3) plaats. Echter kan over deze wegen ook incidenteel transport van toxische vloeistoffen (LT1, LT2) of -gassen (GT3) plaatsvinden. Deze stofcategorieën kennen een invloedsgebied van 560 meter (GT3), 730 meter (LT1) tot 880 meter (LT2) en derhalve wordt ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen. De Noord ligt op ongeveer 600 meter ten westen van het plangebied.