WABO Beschikking 46 flexwoningen Pieter de Hoochplaats1 d.d. 3 juni 2025 (003).pdf
Tekst van het document
Z-23-437019
Omgevingsvergunning Documentnummer: D-24-2482872 Aanvraag Wij hebben op 20 december 2023 een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen van H. Meijwaard, Stichting Woonkracht10, met omschrijving: "het tijdelijk realiseren van 46 flexwoningen voor de duur van maximaal 15 jaar". Deze aanvraag gaat over de locatie: Pieter de Hoochplaats 1, kadastraal bekend sectie C, nummer 1661. Toekomstige adressering, conform separaat adresbesluit; Pieter de Hoochplaats 1 t/m 91 (oneven) U diende deze aanvraag in met nummer 8288349 via het Omgevingsloket online. Wij hebben deze aanvraag geregistreerd onder nummer: Z-23-437019 De volgende activiteiten zijn aangevraagd: -
Bouwen (art. 2.1, lid 1 onder a Wabo)
-
Planologisch afwijken (art. 2.1, lid 1 onder c Wabo)
-
Wet natuurbescherming flora- en fauna-activiteit (art. 2.1, lid 1 onder i Wabo)
In de aanvraag wordt voor het project een gebruikstermijn van maximaal 15 jaar aangegeven. Bevoegd gezag Wij zijn bevoegd om op deze aanvraag te beslissen. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo in samenhang met hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Beschikking Wij zijn gelet op de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wabo, voornemens om aan de aanvrager voor de in de aanvraag aangegeven locatie een omgevingsvergunning te verlenen voor de volgende activiteiten: - Bouwen (art. 2.1, lid 1 onder a Wabo) - Planologisch afwijken (art. 2.1, lid 1 onder c Wabo) - Wet natuurbescherming flora- en fauna-activiteit (art. 2.1, lid 1 onder i Wabo) Het vergunde project kan als volgt worden omschreven: De te realiseren tijdelijke woningen bestaan uit verschillende woonblokken, te weten 1)
Woonblok A; dit bouwblok bestaat uit 6 tweelaagse woningen met een breedte van ca. 3,70 meter, een
2)
Woonblok B; dit bouwblok bestaat uit in totaal 10 tweelaagse woningen met een breedte van ca. 3,70 meter,
diepte van ca. 7, 97 meter en een bouwhoogte van ca. 6,65 meter; 9 woningen met een diepte van ca. 7,97 meter en 1 woning met een diepte van ca. 10,50 meter. Alle woningen hebben een maximale bouwhoogte van ca.6,65 meter; 3)
Woonblok C; dit bouwblok bestaat uit in totaal 6 tweelaagse woningen met een breedte van ca. 3,70 meter, 5 woningen met een diepte van ca. 7,97 meter en 1 woning met een diepte van ca. 10,50 meter. Alle woningen hebben een maximale bouwhoogte van ca. 6,65 meter;
4)
Woonblok D; dit bouwblok bestaat uit in totaal 6 tweelaagse woningen met een breedte van ca. 3,70 meter, 5 woningen met een diepte van ca. 7,97 meter en 1 woning met een diepte van ca. 10,50 meter. Alle woningen hebben een maximale bouwhoogte van ca. 6,65 meter;
1
Z-23-437019
5)
Woonblok E; in dit drielaagse woonblok worden in totaal 18 studio's gerealiseerd. Het gebouw heeft een totale breedte van ca. 20,22 meter, een diepte van ca. 12.38 meter en een bouwhoogte van ca. 9,13 meter.
Daarnaast worden er bijbehorende voorzieningen gerealiseerd, waaronder 33 (auto)parkeerplaatsen, 28 bergingen, 1 gezamenlijke bering en een gezamenlijke buitenruimte. Wij hebben verder besloten om de daarbij benodigde afwijkingen te verlenen zoals benoemd in de activiteitgebonden bijlagen. Wij hebben verder besloten om aan deze vergunning voorschriften te verbinden. Deze voorschriften zijn opgenomen in de activiteitgebonden bijlagen. Aan deze vergunning verbinden wij een maximale instandhoudingstermijn van 15 jaar, ingaande de dag na de oplevering van de woningen. Wij doen dit mede op grond van artikel 6 Besluit Crisis- en herstelwet in samenhang met het besluit, d.d.4 juli 2023 en bekendgemaakt in de Staatcourant d.d. 12 juli 2023, dat onderhavige project is aangewezen als project onder de Crisis- en herstelwet. Gezien dit besluit is afwijken voor een periode van 15 jaar mogelijk. Bijlagen Wij hebben ons besluit gebaseerd op de bij de aanvraag ingediende stukken. In bijlage A zijn de stukken vermeld die onderdeel uitmaken van deze beschikking. Naast dit generieke deel van de beschikking hebben wij voor elke beoordeelde activiteit een bijlage gemaakt. In bijlage B (en volgende) zijn de activiteitgebonden overwegingen beschreven en zijn, voor zover van toepassing, de activiteitgebonden voorschriften, verplichtingen en mededelingen opgesomd.
Al deze bijlagen zijn onderdeel van deze beschikking. Procedure Op grond van artikel 8:4, tweede lid en 8:6 van de Awb moet ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Loopplank is met het wijzigingsbesluit van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet (drieëntwintigste tranche) toegevoegd en is voor de inwerkingtreding van de omgevingswet als aanvraag bij het college ingediend. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3 aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Awb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Op grond van bijlage 2 van de Awb, artikel 2, Crisis – en herstelwet onder a zoals deze gold op 31 januari 2023 moet rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2
Z-23-437019
Voorbereidingsprocedure De aanvraag heeft betrekking op o.a. de activiteit 'Wet natuurbescherming flora- en fauna-activiteit' waarvoor de uitgebreide voorbereidingsprocedure volgens paragraaf 3.3. van de Wabo moet worden gevolgd. De beschikking is daarom voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Volledigheid aanvraag De Regeling omgevingsrecht (Mor) bepaalt welke stukken er ten minste bij een aanvraag omgevingsvergunning moeten worden ingediend. Bij indiening van de aanvraag waren die stukken in onvoldoende mate aanwezig. Wij hebben de aanvrager daarom op 28 december 2023 schriftelijk verzocht om de aanvraag aan te vullen. Op 22 juli 2024 hebben wij voldoende aanvulling ontvangen om de aanvraag verder te behandelen. Daarnaast ontbreken er nog stukken die, op grond van de Mor, weliswaar vereist zijn maar later ter beoordeling mogen worden ingediend. Deze "uitgestelde indieningsvereisten" hebben wij uitgewerkt in de activiteitgebonden bijlagen. Beoordeling vergunningplicht op grond van Natuurbeschermingswet (Stikstofdepositie) In het kader van de Wet natuurbescherming is de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling door middel van het stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn een AERIUS berekening voor de aanlegfase (d.d. 16-04-2025 en kenmerk RmmqPEv5oWuY), een AERIUS berekening van de gebruiksfase (d.d.
16-04-2025 en kenmerk Rv8u1wLAzYfT) en een Memo stikstofdepositie 3.1 van 17-04-2025 bij het college aangeleverd. De stukken maken onderdeel uit van deze omgevingsvergunning. Uit de uitgevoerde berekeningen, voor de aanleg- als gebruiksfase, blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige en (bijna) overbelaste habitattypen in de omliggende Natura 2000gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het project is daarom niet vergunningplichtig op grond van de Wet natuurbescherming. Terinzagelegging ontwerp-beschikking en gelegenheid indienen zienswijzen Vanaf 9 oktober 2024 is de ontwerp beschikking zes weken ter inzage gelegd. In deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen en kon eenieder aangeven of men het al dan niet eens is met ons voorgenomen besluit. Ingevolge artikel 4:8 Awb stelt een bestuursorgaan namelijk een derde-belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen tegen de beschikking. Indien er een afwijking van het bestemmingsplan nodig is om tot verlenen van de vergunning over te kunnen gaan is het voorstelbaar, dat de belangen van een of meer buren voor de beslissing relevant worden en zij in dat geval gehoord moeten worden (Memorie van Toelichting, parlementaire geschiedenis Awb 1, p.
254). Artikel 4:8 Awb ziet niet toe op de rechtsbescherming van de belanghebbenden (daar is immers de mogelijkheid tot het instellen van beroep voor bedoeld), maar heeft als strekking om de zorgvuldige voorbereiding van de beschikking te bevorderen. Van deze gelegenheid is wel gebruik gemaakt. Tegen de beschikking is één zienswijze, namens 14 cliënten, ingediend. Deze zienswijze is schriftelijk ingediend binnen de periode van terinzagelegging. In verband met de privacy zijn de gegevens van privépersonen niet opgenomen. Wij hebben getracht de gehele zienswijze in hoofdpunten te categoriseren en samen te vatten. Hieronder hebben wij deze zienwijze opgenomen en onze beantwoording/ reactie hierop vermeld.
3
Z-23-437019
1)
Onlosmakelijke samenhang Gesteld wordt dat niet alle onlosmakelijke activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.7 van Wabo, zijn aangevraagd. In dit geval is er geen activiteit aangevraagd die bestaat uit het slopen van de bestaande bebouwing of het verplaatsen van bestaande speeltoestellen naar andere locaties en het verder voorbereiden van alle bouwactiviteiten, waaronder het inrichten van een tijdelijke bouwplaats, waar inmiddels apart een omgevingsvergunning voor is aangevraagd. Dit terwijl die wel degelijk onderdeel uitmaken van het project als bedoeld in de zin van de Wet natuurbescherming. Ook is onderdeel van het project het in gebruik nemen van de bebouwing, en de daarbij horende gebruiksfuncties zoals bewoning, verhuizing en begeleiding. Beantwoording Het college is van mening dat alle onlosmakelijke activiteiten door de aanvrager zijn ingediend. Voor het slopen van de bestaande bebouwing bestaat geen vergunningsplicht, ook het verplaatsen van bestaande speeltoestellen is niet vergunningsplichtig. Daarnaast merkt het college op dat de inrichting van de bouwplaats op grond van artikel 2, onderdeel 20 Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht vergunningsvrij is. Verder is bij de berekening van de stikstofdepositie rekening gehouden met zowel de aanleg als de gebruiksfase.
In het kader van de ruimtelijke onderbouwing bij de onderhavige vergunningaanvraag voor alle ingrepen in de fysieke leefomgeving, waaronder de activiteit sloop, alle overige vanuit de Wet natuurbescherming vereiste gegevens ingediend en door het bevoegd gezag beoordeeld. Het college is voorts niet bekend met een verleende vergunning op grond van de Algemene plaatselijke verordening voor het inrichten van de bouwplaats. Wel heeft het college op grond van artikel 7.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving besloten om ontheffing te verlenen en maatwerkvoorschriften te stellen voor het toestaan voor sloopwerkzaamheden met een verhoogd geluidsniveau. Voor de sloop is daartoe een melding gedaan.
2)
Cumulatie Uit de redactie van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming volgt dat ook moet worden beoordeeld of een plan in combinatie met andere plannen geen significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat de stikstofgevolgen tot 25 kilometer moeten worden beoordeeld. Indiener van de zienswijze is van mening dat uit de beschikbare gegevens bij de verleende omgevingsvergunning niet volgt dat een dergelijke beoordeling is gemaakt, maar dat slechts delen van dit project in aanmerking zijn genomen bij het beoordelen van de stikstofdepositie. Beantwoording Bij de beoordeling van de stikstofdepositie tot 25 kilometer wordt hier in de AERIUS Calculator al rekening mee gehouden. Uit de relevante versies van het handboek "Werken met AERIUS Calculator" volgt dat de AERIUS Calculator in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) bij de keuze voor ‘Wnb-methode’ (nu de Wn2000-methode) in de rekentaak de berekeningen uitrekent op een vooraf vastgelegd vast rekengrid, eventueel aangevuld met eigen rekenpunten van de gebruiker zelf. Het vaste rekengrid in AERIUS bestaat in de basis uit een raster van regelmatig neergelegde rekenpunten dat alle Natura 2000-gebieden dekt en als het ware over de kaart van Nederland wordt gelegd. De berekening in de Calculator vindt op de rekenpunten die relevant zijn.
Met andere woorden op de punten in de Natura2000-gebieden waar sprake is van stikstofoverbelasting. Uit de berekening welke als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd blijkt dat er gebruik is gemaakt van de Wnb-methode. Bij het definitieve besluit heeft een actualisatie plaatsgevonden op grond van de Wn2000-methode. Deze verschilt niet met de Wnb-methode.1
1 Zie Handboek "Werken met AERIUS Calculator" Versie 2023.1 V1
Handboek "Werken met AERIUS Calculator" Versie 2023.2 V1 Handboek "Werken met AERIUS Calculator" Versie 2024. V2
4
Z-23-437019
Tot slot merken wij op dat (zoals al onder het kopje "Beoordeling vergunningplicht op grond van Natuurbeschermingswet (Stikstofdepositie) is overwogen) de rekenresultaten van de uitgevoerde AERIUSberekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase geen stikstofdepositie laten zien.
3)
Flora – en fauna
Aanvullend kan met betrekking tot de zienwijze i.r.t. de verklaring van geen bedenkingen Wet natuurbescherming flora- en fauna-activiteit worden verwezen naar pagina 6 en 7 van het document 'verklaring van geen bedenkingen Wet natuurbescherming, zaaknummer 01136935 met kenmerk ODH1388650, d.d. 28 mei 2025' waarin Omgevingsdienst Haaglanden tevens ingaat op de ingediende zienwijze en beantwoording op dit punt. a)
Natuurvergunning Er had een natuurvergunning aangevraagd moeten worden, dan wel een voorschrift in de ontwerpbeschikking moeten worden opgenomen om de verstoring van nestplaatsen te voorkomen. Beantwoording In de aangeleverde Quickscan Flora en Fauna, d.d. 16 juni 2023 van Ecoresult B.V. welke onderdeel uitmaakt van het besluit staat dat potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten met jaarrond beschermde nesten in het plangebied niet aanwezig zijn. Wel maakt de oostelijke haag mogelijk deel uit van essentieel functioneel leefgebied van de huismus. Deze haag wordt gehandhaafd. Daardoor zullen door de voorgenomen herontwikkelingen binnen het plangebied (sloop en nieuwbouw) geen permanente schadelijke effecten optreden. Verbodsbepalingen zoals in artikel 3.1 lid 2 van de Wnb worden niet overtreden. Gelet hierop bestaat er dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een vergunningsplicht op grond van de Wet natuurbescherming noch om voorschriften hierover op te nemen in het besluit. Met de klankbordgroep wordt gewerkt aan een gezamenlijk groeninrichtingsplan en mocht n.a.v. dit plan wijzigingen optreden welke vergunningplichtig zijn zal daarvoor een vergunning voor moeten worden aangevraagd.
b) Verklaring van bedenkingen onvolledig Het is onduidelijk welke stukken ten behoeve van de ontwerp - verklaring van geen bedenkingen (hierna: de ontwerp – verklaring) zijn ingediend. Daarnaast ziet de ontwerp – verklaring alleen maar op de gewone dwergvleermuis terwijl de andere diersoorten en de onvolledige stikstofonderzoeken buiten beschouwing blijven. Beantwoording Zoals al onder de beantwoording van punt a Natuurvergunning staat aangegeven volgt uit de Quickscan van 16 juni 2023 dat er in het plangebied (op een haag, grenzend aan het oostelijk gedeelte van dit plangebied na) geen potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. De haag zal tijdens de sloop – en bouwactiviteiten blijven staan zodat er ook geen permanente schadelijke effecten te verwachten zijn. Ook is door de aanvrager een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied (zie hiervoor zie blz. 16 van de ruimtelijke onderbouwing van BRO en bijlage 4 van deze onderbouwing). Uit de resultaten van dit onderzoek is gebleken dat er 3 verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis zijn aangetroffen.
Andere soorten (rosse vleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis) zijn weliswaar waargenomen in het plangebied maar vaste rust – of verblijfplaatsen, (essentieel) foerageergebied of (essentiële) vliegroutes voor deze soorten zijn afwezig in het plangebied. De verklaring van geen bedenkingen is daarom alleen noodzakelijk voor de gewone dwergvleermuis.
5
Z-23-437019
c)
De ontwerp – verklaring van geen bedenkingen is niet voorafgaand aan de terinzagelegging van de ontwerp – omgevingsvergunning ter inzage gelegd. De ontwerp - verklaring is niet voorafgaand aan de inzagelegging maar gelijktijdig met de ontwerpomgevingsvergunning ter inzage gelegd Beantwoording Hoewel de ontwerp – verklaring formeel voorafgaand aan de terinzagelegging van de ontwerpomgevingsvergunning had moeten worden gelegd, is het college van mening dat de belangen van partijen hier niet door worden geschaad. Een ieder, dus ook belanghebbenden, heeft immers kennis kunnen nemen van de ontwerp – verklaring en zijn in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen in te brengen.
4)
De kruimelgevallenregeling is ten onrechte toegepast Uit de ontwerp-omgevingsvergunning volgt dat wordt afgeweken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, lid 1 onder a, onder 2o Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht wordt toegepast: "ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar". Nu voor 15 jaar van het bestemmingsplan wordt afgeweken wordt gesteld dat de juridische grondslag van de ontwerpomgevingsvergunning onjuist is en had het college uit moeten gaan van de grondslag zoals bedoeld in artikel 2:12, lid 1 onder a onder 3o Wabo. Het college had voor het afwijken van het bestemmingsplan de uitgebreide procedure zoals bedoeld in artikel 3.10, lid 1 onderdeel a Wabo moeten toepassen. Beantwoording Het college had inderdaad uit moeten gaan van de grondslag, zoals bedoeld in artikel 2:12, lid 1 onder a onder 3o Wabo. Dit zal het college dan ook in haar definitieve besluit herstellen. Echter op grond van artikel 6 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet is er in het kader van dit project voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor een periode langer dan tien jaar artikel 3.10, lid 1 onderdeel a van de Wabo niet van toepassing. Het college zal dit in zijn beantwoording op punt 5 van de zienswijzen nader toelichten.
5)
Grondslag voor de tijdelijke instandhouding van 15 jaar ontbreekt Voor zover wordt verwezen naar artikel 6 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: het Besluit) wordt opgemerkt dat dit besluit geen grondslag kent voor een afwijkingsmogelijkheid voor de duur van vijftien jaar. Eerdere versies van artikel 6 van het Besluit voorzagen wel in een expliciete afwijkingsmogelijkheid voor de duur van vijftien jaar, maar die zijn opgevolgd door het huidige artikel 6 van het Besluit dat deze afwijkingsmogelijkheid niet (meer) kent. Artikel 6 van het Besluit voorziet dus sowieso niet in de mogelijkheid om een ruimtelijke ontwikkeling voor de duur van vijftien jaar te vergunnen. Beantwoording Hoewel er in artikel 6 van het Besluit niet expliciet 15 jaar (meer) staat aangegeven wil dat nog niet zeggen dat er geen grondslag is om af te wijken voor de duur van 15 jaar. In artikel 6, lid 1 van het Besluit staat dat op de aanvraag om een omgevingsvergunning, waarbij ten behoeve van het bevorderen van duurzame en innovatieve toepassingen voor een activiteit voor een bepaalde termijn toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van die wet niet van toepassing is. Het 3e lid van dit artikel verklaard de aanvragen die voor de inwerkingtreding van de omgevingswet zijn ingediend van toepassing.
De Loopplank is met het wijzigingsbesluit van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet (drieëntwintigste tranche) toegevoegd en is voor de inwerkingtreding van de omgevingswet als aanvraag bij het college ingediend.
6
Z-23-437019
De termijn van 15 jaar, zoals deze voorheen in artikel 6 van het Besluit stond, is gewijzigd naar "voor een bepaalde termijn". Hoewel er niet meer expliciet 15 jaar staat aangegeven moet artikel 6, lid 1 van het Besluit worden gelezen als het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor een periode langer dan tien jaar. Hier wordt geen maximale termijn aangegeven, maar het moet wel duidelijk zijn dat het om tijdelijk gebruik gaat. Het college leidt vorenstaande af uit de artikelsgewijze toelichting van de Regeling uitvoering Crisis - en herstelwet (23e tranche). Bij de artikelsgewijze toelichting staat het project "De Loopplank" als volgt beschreven2: Op de locatie van een voormalige basisschool is de gemeente voornemens om circa 40–60 flexibele woningen toe te staan voor statushouders, spoedzoekers en jongeren. De flexibele woningen worden door Woonkracht10, een woningcorporatie, gerealiseerd en geëxploiteerd. Door op deze locatie tijdelijk flexwonen toe te staan, wil de gemeente bijdragen aan een gezamenlijke huisvesting voor deze doelgroepen. Doordat de woningen grotendeels in de fabriek worden geproduceerd, is de CO2- en stikstofuitstoot lager dan bij traditioneel bouwen op de bouwplaats, dit als gevolg van een geringer aantal verkeersbewegingen.
De woningen zullen worden vervaardigd uit circulaire materialen, hebben een levensduur van minimaal dertig jaar en zijn in hun geheel op een andere locatie weer in te zetten of kunnen worden gedemonteerd voor hergebruik van losse onderdelen. Daarnaast zijn de flexwoningen all-electric. Op het moment van het vervaardigen van de woningen zal gekeken worden welke innovatieve duurzame maatregelen nog meer toegepast kunnen worden. De flexwoningen zullen vijftien jaar blijven staan. 6
Het bouwplan is in strijd met de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland In het bijzonder met de artikelen 6.9 en 6.10 van de Omgevingsverordening. Beantwoording Paragraaf 6.2.2 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening bevat bepalingen ten aanzien van bestemmingsplannen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor zover hier relevant is hierin het volgende opgenomen: -
Artikel 6.9 (Ruimtelijke kwaliteit) Lid 1.
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
Lid 2.
Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap.
Lid 3.
Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid.
Lid 4.
Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a.
een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of
b.
sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid.
2 zie toelichting op Regeling uitvoering Crisis - en herstelwet (23e tranche), Stb. 12-07-2023-nr18603, artikelsgewijze toelichting onderdeel C de
Loopplank
7
Z-23-437019
Lid 5.
Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen;
b.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen;
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
Verder schrijft artikel 6.10 van de Omgevingsverordening voor dat, een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen dient te voorzien in voldoende sociale huurwoningen. Onder nadere gronden wordt gesteld wordt dat het bouwplan in strijd is met de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland. Hierop heeft aanvrager aan de hand van de relevante bepalingen uit de Omgevingsverordening dit standpunt ten behoeve van de beantwoording van de zienswijzen uitgebreid laten toetsen door het Bureau BRO. Het rapport, gedateerd 17 januari 2025, is bijgevoegd als bijlage bij dit besluit. Uit dit rapport volgt dat: 1.
Nu met de realisatie van de onderhavige flexwoningen op grond van het ter zake gevoerde beleid van de Provincie sprake is een kleinschalige ontwikkeling met weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten. In combinatie gezien met al aanwezige bebouwing op deze planlocatie leidt dit tot de conclusie dat de onderhavige activiteit ruimtelijk als passend kan worden beschouwd en dat derhalve weinig of geen provinciale betrokkenheid benodigd is.
2.
Ter plaatse van het plangebied is er in de Omgevingsverordening Zuid-Holland is geen beschermingscategorie of gebiedstype aangewezen. Toets aan lid 2 van artikel 6.9 is daarom niet aan de orde en derhalve niet nodig.
3.
Gelet op de toepasselijkheid van lid 4 jo. lid 5, onder b en c wordt erop gewezen dat nu het hier het inpassen van een ruimtelijke ontwikkeling betreft (en geen aanpassing dan wel transformatie) dat de onderhavige (tijdelijke) ontwikkeling moet worden beoordeel naar het bepaalde in lid 5, onder a, dat zich richt tot het inpassen van een ruimtelijke ontwikkeling. Vastgesteld wordt dat de ontwikkeling sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad en dat daarmee voldaan wordt aan het gestelde in lid 5, onder a.
8
Z-23-437019
4.
Het beheer van de woningen zal worden uitgevoerd door woningcorporatie Woonkracht10 aangezien zij eigenaar zijn van de woningen, het beheer van de grond zal door de gemeente worden opgenomen aangezien de grond in eigendom blijft van de gemeente. Tussen Woonkracht10 en de gemeente wordt een anterieure overeenkomst opgesteld waarin ook de verdeling van woontypen (inclusief sociale huur) wordt vastgelegd.
Daarnaast wordt in dit besluit, als onderdeel van bijlage C, ingegaan op de stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan. Op grond van het hiervoor overwogene is er geen aanleiding voor de conclusie dat niet voldaan wordt aan de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland.
7)
De onderbouwing en berekening van het aantal parkeerplaatsen is onjuist Beantwoording Naar aanleiding van deze zienswijze heeft aanvrager het bureau Goudappel de opdracht gegeven tot een nadere parkeeronderbouwing. Dit heeft geresulteerd in een rapport gedateerd 31 januari 2025, dat bij dit besluit is gevoegd. Beoordelingskader onderhavige tijdelijke flexwoningen Bij de vraag of bij een woonontwikkeling voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd zijn dient in eerste instantie te worden gekeken naar het geldende bestemmingsplan "Parapluherziening Wonen en parkeernormen" en de gemeentelijke beleidsregels opgenomen in de parkeernormen het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan Alblasserdam van 29 oktober 2019 (GVVP) en de CROW-publicatie 744. Op grond van het bestemmeningsplan is bij sociale huurwoningen evenwel afwijking van de gemeentelijke beleidsregels mogelijk is, indien bij de vergunningsaanvraag afdoende is onderbouwd met een goede ruimtelijk onderbouwing en motivering waaruit blijkt dat de afwijking niet leidt tot onevenredige overlast in de omgeving. Gelet op het type woningen waar het hier om gaat en alsmede in aanmerking genomen de beoogde doelgroepen van bewoners (1/3 starters, 1/3 spoedzoekers, 1/3 statushouders) is aanleiding om de benodigde parkeergelegenheid te beoordelen volgens de norm van voormelde afwijkingsbepaling.
Hierbij is relevant dat het GVVP en de CROW publicatie geen specifieke parkeernormen hebben voor de beoogde tijdelijke huisvesting van de betrokken doelgroepen. Alblasserdam beschikt naast het GGVP evenwel ook over een parkeervisie. Deze is in november 2024 door de Gemeenteraad vastgesteld. In de parkeerstrategie wordt beschreven dat het streven is om een kwalitatief woonmilieu te creëren met een duurzame, gezonde leefomgeving. Om hieraan te voldoen is er derhalve een bredere belangenafweging nodig. Gelet op het bovenstaande alsmede gekeken naar de aard van doelgroepen en het beoogde gebruik van de flexwoningen, te weten: 1/3 starters (15-16 woningen), 1/3 spoedzoekers (15-16 woningen) en 1/3 statushouders (15-16 woningen), wordt voor wat betreft de te verwachten parkeerbehoefte aangesloten bij bekende informatie voor wat betreft autobezit en bestaande passende parkeernormen.
9
Z-23-437019
Conclusie bureau Goudappel Uit het onderzoek dat het bureau Goudappel heeft uitgevoerd volgt dat op basis van een analyse naar autobezit per doelgroep wordt geconcludeerd dat op het maatgevende moment 0,53 parkeerplaats per flexwoning benodigd is. Zodoende resulteert dit in 24 benodigde parkeerplaatsen. Op eigen terrein is een ruimtereservering opgenomen voor de realisatie van maximaal 33 parkeerplaatsen. Daarmee is ruim voldoende parkeergelegenheid opgenomen in het plan om in de parkeerbehoefte van de flexwoningen te voorzien. Er is in de gegeven situatie geen aanleiding om de in het rapport van Goudappel gegeven analyse en de daaruit volgende conclusie, zoals hierboven beschreven, niet te volgen.
8)
De onderbouwing voor de verkeersafwikkeling is onjuist Beantwoording In de ruimtelijke onderbouwing, opgenomen in het rapport van het Bureau BRO gedateerd 12 december 2023, is in paragraaf 4.1.2 de onderzoekssystematiek weergegeven. Hierbij wordt de verkeersaantrekkende werking in nieuwe situatie vergeleken met die in de oude situatie, waarbij de school nog werd gebruikt. Verwarrend is dat het kopje waaronder uitwerking van de verkeersaantrekkende werking van die voormalige situatie is weergegeven, "huidige situatie" vermeldt. Dit betreft een kennelijke verschrijving. Uit de analyse volgt dat er te rekenen is met een per saldo afname per etmaal van 144 aan voertuigbewegingen. Gelet hierop alsmede in aanmerking genomen dat het plangebied wordt ontsloten op de Pieter de Hoochplaats en vervolgens de Rembrandtlaan, wordt geconcludeerd dat er geen knelpunten in de verkeersafwikkeling (en veiligheid) zijn te verwachten. In de zienswijzen zijn geen argumenten aangevoerd waarom deze systematiek en de daaruit volgende conclusie niet juist zouden zijn en dat daarvan niet mag worden uitgegaan. Ook anderszins is daarvan niet gebleken.
9)
Gesteld wordt dat de locatiekeuze onjuist tot stand is gekomen Beantwoording De keuze voor de locatie De Loopplank is na een zorgvuldig proces tot stand gekomen. Om tot de keuze te komen is gebruik gemaakt van het inzicht dat het locatieonderzoek 'Haalbaarheidsstudie kansrijke locaties (HKG)' biedt. In de eerste fase van dit onderzoek zijn bijna 50 locaties verkend en onderzocht. Daarbij is gekeken naar de volgende criteria: -
Geschiktheid voor de doelgroep; Afmeting/grootte;
-
Toegang tot voorzieningen en bereikbaarheid;
-
Beschikbarheid op relatief korte termijn;
-
Accentcheck fit en groen;
-
Eigenaarschap locatie;
-
Kosten om locatie geschikt te maken.
Uit dit onderzoek kwam locatie De Loopplank al naar voren als kansrijke locatie. De gemeenteraad heeft zelf nog locaties ingebracht. Al de locaties zijn daarna volgens dezelfde criteria beoordeeld. Uit de beoordeling blijkt locatie De Loopplank het meest geschikt te zijn omdat de locatie: -
Groot genoeg is;
-
In eigendom van de gemeente is en daarmee relatief snel gerealiseerd kan worden;
-
Al voorzien is van (nuts)voorzieningen;
10
Z-23-437019
-
Goed bereikbaar is;
-
Een al bebouwd perceel is en niet ten koste van groen gaat;
-
In het kader van integratie gunstig ligt;
-
Al bekend is als ontwikkellocatie en de bestaande gebruikers op de hoogte zijn van de tijdelijkheid van het huidige gebruik.
In maart 2023 is er ook nog een Due Dilligence onderzoek uitgevoerd waarbij de twee meest kansrijke locaties nader zijn onderzocht. Ook uit dit onderzoek kwam locatie De Loopplank als voorkeurslocatie naar voren.
10) Onvoldoende onderbouwing op welke wijze de sociale veiligheid wordt gewaarborgd Beantwoording Woonkracht10 en de Gemeente Alblasserdam houden rekening met de (sociale) veiligheid van omwonenden. In de zienswijze wordt aangegeven dat jongeren zich in de omgeving ophouden en vermoedelijk drugs dealen. Een leegstaand pand helpt niet bij het bestrijden van het gevoel van onveiligheid en trekt juist mensen aan die duisternis en leegstand nodig hebben voor hun gedrag. Het plaatsen van woningen op de locatie van de huidige Loopplank zorgt voor meer ogen in de wijk, meer verlichting en meer sociale controle. Daarnaast zijn we gezamenlijk in gesprek met een partij die het beheer, ook in de avond en het weekend, namens Woonkracht10 en de gemeente voor haar rekening gaat nemen. Zij zullen naast beheer ook zorgen voor verbinding in de wijk. Hiervoor zullen zij samenwerking zoeken met het al bestaande project Buurtkracht. Hierin werken gemeente en Woonkracht10, samen met de bewoners aan onderlinge verbinding. Dit alles om het gevoel van veiligheid te versterken. Het beheerplan wordt momenteel vormgegeven door Woonkracht10 en gemeente en hier wordt ook een externe partij voor ingeschakeld. Er is overleg hoe de bewoners van de flats en de andere omwonenden betrokken worden bij het beheerplan en de op te richten beheercommissie. Dat is tevens aangekondigd in diverse nieuwsbrieven.
11) Er zijn zeer ernstige zorgen over de brandveiligheid a)
Voorschriften zouden ten onrechte niet in de ontwerpbeschikking zijn geformuleerd (als dat bedoeld wordt ten minste, want de zin is geen correct Nederlands en daardoor niet eenduidig). Beantwoording Indien er aan de geldende regelgeving wordt voldaan, dan wordt er verder geen voorschrift voor elke eis opgenomen, want deze voorschriften hebben een rechtstreekse werking.
b)
Er zijn geen voorschriften opgenomen die toezien op de brand- en rookmelders. Beantwoording In de rapportage van Nelissen is aangegeven dat de rookmelders voldoen aan de primaire inrichtingseisen volgens NEN 2555. Dit is geheel correct, en uit die primaire inrichtingseisen van de NEN 2555 volgt of er aanvullende rookmelders noodzakelijk zijn. Dit wordt in de uitvoeringsfase bepaald, niet vooraf. Indien na oplevering blijkt dat er niet wordt voldaan aan de primaire inrichtingseisen, dan is dat grond voor handhaving. Daar zijn geen aanvullende voorschriften voor nodig welke opgenomen moeten worden in de beschikking.
c)
Gesteld wordt dat er een brandmeldinstallatie vereist zou zijn indien er niet is aangetoond dat er een voldoende laag (omgevings-) geluidsniveau is.
11
Z-23-437019
Beantwoording Wanneer bij oplevering van de woningen blijkt dat het geluidsniveau in de verblijfsruimten te laag is, kan dit opgelost worden door rookmelders te koppelen en eventueel gekoppelde rookmelders bij te plaatsen. Dat kan binnen de randvoorwaarden van de NEN 2555. Het is niet noodzakelijk om in die situatie over te gaan naar een brandmeldinstallatie conform de NEN 2535. d)
Gerefereerd wordt naar het NIPV rapport ‘Brandveiligheid van verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen’ gesteld dat er expliciet aandacht geschonken behoort te worden aan het grilliger en onvoorspelbaarder verloop van een brand in dat type woning. Beantwoording Hoewel de in het rapport genoemde aspecten reden geven om kritischer naar de brandveiligheid te kijken, levert dit bouwtechnisch geen weigeringsgrond voor een vergunning op indien er aan de geldende voorschriften wordt voldaan. Wel is, met het rapport indachtig, naar de brandveiligheid van het onderhavige bouwplan gekeken. Met de hoogst berekende warmtestralingsflux van 7,6 kW/m2 wordt er ruim onder het maximum van 15 kW/m2 gebleven, waarbij er dus een (positieve) marge van bijna 100% aanwezig is. Hierdoor is beoordeeld dat het mogelijk te verwachten grilliger brandverloop ruim voldoende is gecompenseerd.
e)
Het rapport van Nelissen bevat geen dergelijke beschrijving naar aanleiding van de publicatie van het NIPV Brandveiligheid van verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen. Beantwoording Het rapport van Nelissen is op 18 april 2024 opgesteld, volgens de toen beschikbare kennis en informatie ten aanzien van het plaatsen van flexwoningen. Dat op deze datum er ook een publicatie uitkomt van het NIPV is een gelijktijdigheid. Hier kan worden opgemerkt dat het rapport al opgesteld en ingediend is bij het bevoegd gezag alvorens de publicatie uitkwam. Ook wordt er verwezen naar een persbericht van Brandweer Nederland van 29 april 2024 over dit onderwerp. Het rapport van Nelissen was toen al opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag. Derhalve konden de bevindingen van Brandweer Nederland hier niet meer in meegenomen worden. Daarnaast hebben de bevindingen van Brandweer Nederland geen rechtsgeldige rechtstreekse werking en worden niet als wet – en regelgeving gezien door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan zich enkel baseren op bestaande wet – en regelgeving om een besluit te nemen op de aanvraag. Het bevoegd gezag kan enkel de punten van Brandweer Nederland meegeven als advies aan de initiatiefnemer. Maar hier kunnen geen voorschriften aan verbonden worden.
f)
In het rapport van Nelissen wordt aan een onjuist toetsingskader gerefereerd, te weten het Besluit bouwwerken leefomgeving en niet het Bouwbesluit 2012. Beantwoording Bij het opstellen van het adviesrapport van Nelissen d.d. 18 april 2024 is er voor gekozen door het ingenieursbureau om de eisen te benoemen zoals gesteld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij het opstellen van het adviesrapport was het Bouwbesluit 2012 niet meer in werking. Met het in werking treden van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is het Bouwbesluit 2012 over gegaan naar het Bbl. Onderdelen waarnaar in het Besluit bouwwerken leefomgeving verwezen wordt door Nelissen hebben geen andere inhoud dan eerder gesteld werden in het Bouwbesluit 2012. Dit is geen onjuist toetsingskader. Maar de geldende wet – en regelgeving op het moment van opstellen van de rapportage.
12
Z-23-437019
g)
De bestaande woningen zouden gevaar lopen door de nabijheid en plaatsing van de flexwoningen. Beantwoording Bij de brandoverslagberekeningen in de aanvraag is inderdaad alleen gerekend aan brandoverslag naar andere woningen binnen het project. Reden hiervoor is dat hiertussen veel kortere afstanden aanwezig zijn, te weten 5,5 m. De afstand tussen de flexwoningen en de bestaande bebouwing is ongeveer 12,5 m. Omdat er tussen de flexwoningen onderling maximaal 7,6 kW/m2 is berekend (met 5,5 m. afstand), valt er redelijkerwijs niet te verwachten dat er met de grotere afstand tot de omliggende bebouwing (met 12,5 m. afstand) een hógere warmtestralingsflux berekend zou worden. Aanvullend geldt dat bij het beoordelen van het risico op brandoverslag naast de voorschriften uit het Bouwbesluit/Besluit bouwwerken leefomgeving ook gekeken wordt naar de bereikbaarheid van het kavel. Het betreffende kavel is aan alle zijden goed bereikbaar is voor de brandweer. Indien het brandverloop anders is dan vooraf ingeschat zijn er voor de brandweer voldoende mogelijkheden om brandoverslag naar de omliggende bestaande bebouwing tegen te gaan.
h)
Er wordt gesteld dat de kwetsbare senioren in de nabijgelegen flat een aanzienlijk groter risico lopen dan de gemiddelde persoon, in het geval zij geëvacueerd moeten worden bij brand. Beantwoording Deze stelling onderschrijven we als Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid indien dit betrokken wordt op een brand in hun eigen bouwwerk. In het onderhavige geval beschouwen we brand in een ander bouwwerk, namelijk de flexwoningen. In dat scenario zal het flatgebouw niet (direct) ontruimd worden, en is dit aspect dus niet relevant.
12) Er is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld Beantwoording Gebruik termen Klankbordgroep, BAG en Beheercommissie De termen Klankbordgroep, Beheercommissie en BAG (Bewoners Advies Groep) worden door elkaar gebruikt. Zoals op de website van Woonkracht10 is te lezen richt Woonkracht10 een BAG op wanneer het uitsluitend om huurwoningen van Woonkracht10 gaat. In dit specifieke geval wilden Woonkracht10 en de gemeente alle omwonenden betrekken. Hiervoor is in juni 2023 een Klankbordgroep opgericht en de rollen en verantwoordelijkheden van de Klankbordgroep zijn besproken. De Beheercommissie komt in beeld als de woningen zijn opgeleverd. Oprichten Beheercommissie De beheercommissie wordt derhalve pas in tweede instantie (na de oplevering) opgericht. Eerst zijn de plannen voor het inrichten van het gebied met de Klankbordgroep besproken en als dat gebeurd is, na de realisatie en oplevering, volgt het bij elkaar brengen van een Beheercommissie. De voorbereidingen worden getroffen en zijn naar verwachting in het 1e kwartaal van 2025 gereed. Een oproep voor deelname aan die commissie staat gepland en verschijnt in de laatste nieuwsbrief van dit jaar (2024).
13
Z-23-437019
De Combiraad Woonkracht10 wordt gecontroleerd door de huurdersverenigingsorganisatie. Zij ondersteunt huurders, zittende- en toekomstige huurders en behartigen hun belangen. Daarnaast is zij sparringpartner voor het bestuur en management van Woonkracht10. Bij iedere stap die Woonkracht10 samen met de gemeente zet, was de Combiraad betrokken. Dit is de huurdersvereniging die toeziet op de wettelijkheid en de afspraken met betrekking tot onze huurders. Er zijn bij de Combiraad geen bezwaren of vragen binnengekomen met betrekking tot de flexwoningen in Alblasserdam vanuit de huurders van de Pieter de Hoochplaats, noch van andere huurders uit de omgeving. De Combiraad is ook vertegenwoordigd in de Klankbordgroep. Voortzetten Klankbordgroep Bij de start van de Klankbordgroep is afgesproken dat de Klankbordgroep advies geeft vanaf fase 1 tot en met realisatie van het project. Na vaststelling van het stedenbouwkundig plan is hier een misverstand over ontstaan. Hier is met de Klankbordgroep over gecommuniceerd en is duidelijk gemaakt dat zij, naast het adviseren over de flexwoningen, ook betrokken zijn bij de inrichting van het groen in de omgeving van de flexwoningen. Bouwkundig Plan Het merendeel van de klankbordgroep heeft positief gereageerd op het stedenbouwkundig plan zoals dat nu planologisch is ingebracht.
Veel omwonenden reageerden positief op de verschijningsvorm van de woningen en hoe het bouwplan aansluit op de buurt. Zij konden dit afgelopen voorjaar tijdens een inloopbijeenkomst bekijken en bespreken. Betrokkenheid Klankbordgroep In eerste instantie zou de Klankbordgroep alleen adviseren. Dit advies was niet dwingend. Woonkracht10 en de gemeente hebben ervoor gekozen om de Klankbordgroep mee te laten denken en hebben hun adviezen en vragen serieus genomen. We hebben daartoe drie verschillende plannen ontwikkeld. Hieruit is een keuze gemaakt en het merendeel van de Klankbordgroep vond dit een goed voorstel. Hierover is in een bijeenkomst gestemd. Het voorstel werd met meerderheid van stemmen aangenomen. Informatie naar omwonenden De Klankbordgroep heeft een stem gehad in de ontwikkeling en werd geïnformeerd over alle plannen voor de flexwoningen. Daarnaast hebben we regelmatig inloopmiddagen gehouden en informatiebijeenkomsten georganiseerd. De opkomst was nihil in vergelijking met het aantal huurders in de Pieter de Hoochflats I, II en III. Per keer waren er gemiddeld 3 bewoners, behoudens de eerste keer. Er kwamen toen meer dan 35 bewoners om over het plan in gesprek te gaan.
Ondersteuning bij het informeren omwonenden aan Klankbordgroep Ook heeft Woonkracht10 de leden van de Klankbordgroep regelmatig aangeboden om hen te ondersteunen bij het informeren van andere omwonenden en bij het ophalen van meningen van andere huurders en kopers. Dat is zowel vanuit de gemeente als vanuit Woonkracht10 gedaan. In het Hoochhuys, een gemeenschappelijke ruimte voor huurders, worden regelmatig koffieochtenden gehouden. Klankbordgroepleden zijn geadviseerd om hier aan te sluiten en in gesprek te gaan. Deze raad is niet opgevolgd. Er zijn geen aparte bijeenkomsten georganiseerd, noch zijn er nieuwsbrieven uitgebracht door de Klankbordgroep. Voor al deze mogelijkheden is steeds ondersteuning aangeboden.
14
Z-23-437019
Inwerkingtreding beschikking De beschikking treedt in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepschrift. De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a van de Awb ter inzage is gelegd. Beroep instellen Belanghebbenden en een ieder die een zienswijze naar voren heeft gebracht naar aanleiding van het ontwerp van het besluit kunnen beroep instellen. Dat kan door een beroepschrift in te dienen binnen zes weken na de dag waarop deze ter inzage is gelegd. Dit kan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA DEN HAAG. Het beroepschrift moet zijn voorzien van een handtekening en in elk geval bevatten: de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht en de gronden van het beroep. Voor de behandeling van het beroep wordt door de Afdeling Bestuursrechtspraak een bedrag aan griffierecht geheven. Voorlopige voorziening De beschikking treedt in werking nadat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken. Het indienen van een beroepschrift houdt de werking van het besluit niet tegen.
Bij een spoedeisend belang dat dit besluit niet in werking treedt, kan een belanghebbende, die een beroepschrift heeft ingediend, de Voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Postbus 20019, 2500 EA DEN HAAG) verzoeken om een voorlopige voorziening (tijdelijke beslissing) te treffen. Voor de behandeling van het verzoek wordt een bedrag aan griffierecht geheven. Wijziging en intrekking omgevingsvergunning Op grond van paragraaf 2.6 en 5.4 van de Wabo bestaat de bevoegdheid om deze beschikking geheel of gedeeltelijk in te trekken of de aan deze beschikking verbonden voorschriften te wijzigen. In de activiteitgebonden bijlage(n) hebben wij daarover, voor zover relevant, nadere informatie opgenomen. Ondertekening Burgemeester en wethouders van Alblasserdam, namens dezen, A.D.L. Vink Wnd. manager Unit Regulering Bouw en Brandveiligheid van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid
Deze beschikking is digitaal vastgesteld en is daarom niet ondertekend.
Besluitdatum: 3 juni 2025
15
Z-23-437019
Bijlage A
Deze bijlage is onderdeel van de beschikking op de aanvraag die is geregistreerd onder nummer: Z-23-437019
Gegevens en bescheiden Onderstaande stukken maken onderdeel uit van deze beschikking. Omdat deze stukken bij u bekend en aanwezig zijn, worden deze niet gewaarmerkt en niet met de beschikking meegezonden. De stukken die bij de behandeling van de aanvraag zijn vervallen, zijn vervangen of niet ter zake doen, worden hieronder niet vermeld. Algemene gegevens en rapportages -
verklaring van geen bedenkingen Wet natuurbescherming, zaaknummer 01136935 met kenmerk
-
aanvraagformulier/ aanvraaggegevens, d.d.; 20 december 2023;
-
brief, machtiging aanvrager-gemachtigde, d.d. 18 december 2023;
-
regiekaart variant 2b, d.d. 8 februari 2024;
-
rapportnummer 5250.001.ur.jdu, rapportage brandveiligheid en omgevingsveiligheid, d.d. 18 april 2024;
-
rapportnummer 5250.002.ur.rwi, bouwfysica en akoestiek, d.d. 25 april 2024;
-
berekening energieprestatie Blok A, d.d. 8 april 2024;
-
berekening energieprestatie Blok B, d.d. 8 april 2024;
-
berekening energieprestatie Blok C, d.d. 8 april 2024;
-
berekening energieprestatie Blok D, d.d. 8 april 2024;
-
berekening energieprestatie Blok E, d.d. 8 april 2024;
-
planstudie V6, Pieter de Hoochplaats Alblasserdam, d.d. 21 februari 2024;
-
ruimtelijke motivering De Loopplank Alblasserdam, d.d. 16 mei 2024;
-
ruimtelijke onderbouwing tijdelijke flexwoningen Pieter de Hoochplaats 1, d.d. 12 december 2023;
-
rapportnummer 22575.004-D4, onderzoek wegverkeerslawaai, d.d. 28 maart 2024 (bijlage 1);
-
rapportnummer ER20230424v01, quickscan flora en fauna, d.d. 16 juni 2023 (bijlage 2);
-
rapportnummer Rc9epTNgBubD, stikstofonderzoek, d.d. 9 november 2023 (bijlage 3);
-
memo stikstofdepositie 3.1 van 17 april 2025;
-
AERIUS-bestand van aanleg- en gebruiksfase (d.d. 16 april 2025 en kenmerk RmmqPEv5oWuY);
-
AERIUS-bestand van gebruiksfase (d.d. 16 april 2025 en kenmerk Rv8u1wLAzYfT);
-
rapportnummer ER20231101v01, vervolgonderzoek vleermuizen, d.d. 7 november 2023 (bijlage 4);
-
rapportnummer ER20231106v01, ecologisch werkprotocol, d.d. 17 november 2023 (bijlage 5);
-
rapportnummer 22575.003-D1, verkennend bodemonderzoek, d.d. 24 januari 2024 (bijlage 6);
-
watertoets, d.d. 17 oktober 2023 (bijlage 7);
-
rapportnummer 22575.002, archeologisch onderzoek, d.d. 24 november 2023 (bijlage 8);
-
notitienummer 20230686NERv01, aanvullingen (Wnb) vergunning omgevingswet, d.d. 22 april 2024;
-
memo input beantwoording zienswijze BRO, d.d. 17 januari 2025;
-
notitie Goudappel 'Parkeeronderzoek flexwoningen Alblasserdam', d.d. 31 januari 2025;
ODH1388650, d.d. 28 mei 2025;
Bouwkundige tekeningen; -
tekeningnummer B01, situatie-terreininrichting, d.d. 7 mei 2024;
-
tekeningnummer B02, woonblok A (6 woningen), d.d. 25 april 2024;
-
tekeningnummer B03, woonblok B (10 woningen), d.d. 5 april 2024;
-
tekeningnummer B04, woonblok C (6 woningen), d.d. 25 april 2024;
-
tekeningnummer B05, woonblok D (6 woningen), d.d. 25 april 2024;
-
tekeningnummer B06, woonblok E (18 studio's), d.d. 25 april 2024;
-
set tekeningen, detailboek- versie A, d.d. 25 april 2024;
16
Z-23-437019
Constructieve gegevens Onderstaande documenten beoordeelden wij op constructieve uitgangspunten. Deze documenten keurden wij goed ten behoeve van de bouwaanvraag. Vóór uitvoering moeten deze constructieve uitgangspunten nog uitgewerkt worden tot definitieve uitvoeringsdocumenten; -
tekeningnummer CT-01A, blok A fundering CONSTRU, d.d. 26 april 2024;
-
rapportnummer SB-01A, statische berekening 28 woningen CONSTRU, d.d. 26 april 2024;
-
tekeningnummer CT-02A, blok A unit CONSTRU, d.d. 26 april 2024;
-
tekeningnummer CT-32A, blok E unit-1e en 2e vv CONSTRU, d.d. 26 april 2024;
-
tekeningnummer CT-31A, blok E fundering en Unit-bgv CONSTRU, d.d. 26-04-2024
-
tekeningnummer CT-22A, blok C&D unit CONSTRU, d.d. 26 april 2024;
-
tekeningnummer CT-13A, blok B unit-vv CONSTRU, d.d. 26 april 2024;
-
tekeningnummer CT-11A blok B fundering CONSTRU, d.d. 26 april 2024;
-
rapportnummer SB-31A, statische berekening woongebouw CONSTRU, d.d. 26 april 2024;
-
tekeningnummer CT-12A, blok B unit-bgv CONSTRU, d.d. 26 april 2024;
-
tekeningnummer CT-21A, blok C&D fundering CONSTRU, d.d. 26 april 2024.
Alle overige niet genoemde constructiedocumenten kunt u als niet goedgekeurd beschouwen.
17
Z-23-437019
Bijlage B
Deze bijlage is onderdeel van de beschikking op de aanvraag die is geregistreerd onder nummer: Z-23-437019
In deze bijlage worden de activiteitgebonden overwegingen met de daarbij behorende voorschriften, verplichtingen en/of mededelingen vermeld voor de activiteit:
Bouwen (art. 2.1, lid 1 onder a Wabo) Overwegingen BOUWBESLUIT De aanvraag en de daarbij ingediende stukken hebben wij getoetst aan het Bouwbesluit 2012. Met inachtneming van artikel 1.14 van dit besluit is naar ons oordeel in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat de aanvraag voldoet aan de van toepassing zijnde voorschriften. Voor het bouwplan is tevens advies gevraagd m.b.t. het aspect brandveiligheid aan de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Zij hebben ons op 4 juni 2024, onder voorwaarden positief geadviseerd (kenmerk VRZHZ_2024-00001748). De door hen gestelde voorwaarden en aanbevelingen zijn in de besluit opgenomen onder de hieronder genoemde verplichtingen. BESTEMMINGSPLAN De aanvraag en de daarbij ingediende stukken hebben wij getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Parapluherziening Wonen en parkeernormen" en "Herstelplan Alblasserdam". De aanvraag is in strijd met deze bestemmingsplannen. De activiteit 'Planologisch afwijken' maakt daarom onderdeel uit van deze aanvraag. Uit de beoordeling van die activiteit blijkt dat de strijdigheden kunnen worden weggenomen. De overwegingen waaruit blijkt, dat kan worden afgeweken van deze bestemmingsplannen, staan vermeld in bijlage C. BOUWVERORDENING De aanvraag en de daarbij ingediende stukken hebben wij getoetst aan de geldende Bouwverordening.
Naar ons oordeel is in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat de aanvraag voldoet aan de van toepassing zijnde voorschriften. REDELIJKE EISEN VAN WELSTAND De welstandsbeoordeling blijft ingevolge het bepaalde in artikel 2.10, lid 1, sub d. van de Wabo juncto artikel 12a, lid 3, sub a. van de Woningwet achterwege, omdat het een tijdelijk bouwwerk betreft. CONCLUSIE Er bestaat, gelet op het voorgaande, geen grond om omgevingsvergunning voor deze activiteit te weigeren.
Voorschriften
Onderstaande regels zijn direct verbonden aan deze beschikking. U kunt zich daartegen verzetten middels bezwaar of beroep tegen deze beschikking.
1.
Na het verstrijken van de in deze beschikking aangegeven instandhoudingstermijn is de vergunninghouder gehouden het bouwwerk terstond te slopen c.q. in de oorspronkelijke toestand terug te brengen (artikel 2.23 Wabo juncto artikel 5.16, lid 1. Bor (artikel 2.23 Wabo juncto artikel 5.16, lid 1. Bor).
18
Z-23-437019
Verplichtingen
Onderstaande regels staan in de wetten en regels waarop deze beschikking is gebaseerd. Deze hebben rechtstreekse werking. In verband met deze beschikking is daartegen geen bezwaar of beroep mogelijk.
1.
Het project moet worden uitgevoerd volgens de stukken die deel uitmaken van de beschikking.
2.
De hieronder opgesomde stukken dienen, op grond van artikel 2.7 van de Mor, uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van desbetreffende handeling worden overgelegd: a.
Stukken ten aanzien van de constructieve veiligheid: 1.
Definitieve geotechnische gegevens, funderingsadvies incl. sonderingen;
2.
Zettingsberekening;
3.
Bouwveiligheidsplan;
4.
Monitoringsplan;
5.
Definitieve statische berekening, gewichts- en stabiliteitsberekening;
6.
Brandcompartimentering (stabiliteit gebouwdelen onder brandomstandigheden), weerstand tegen brand;
7.
Paalspecificaties en –berekening;
8.
Definitieve tekening palenplan op details- en uitvoeringsniveau;
9.
Constructie overzichtstekeningen en details van de fundering, alle bouwlagen en het dak;
10. Wapeningstekening en berekening van de in het werk gestorte betonconstructies; 11. Wapeningstekening en berekening van de geprefabriceerde betonelementen; 12. Stekkenplan en berekening van de stekken resp. verankeringen van de prefab elementen; 13. Tekening en berekening van de staalconstructies en details; 14. Tekening en berekening van de houten constructies; 15. Berekening van de brandwerendheid van beton / staal -constructies 16. Berekeningen en – tekeningen van de gevelconstructie; 17. Berekeningen en – tekeningen van de noodoverlaten van het dak; 18. Specificaties en berekening van overige constructiedelen: a.
Isokorf of gelijkwaardige verbindingen;
b.
Metselwerkondersteuningen en verankeringen;
c.
Balusters en verankeringen;
d.
Berekeningen doorvalbeveiliging veiligheidsglas;
19. Detailtekeningen en berekening van niet genoemde (onder-)delen; 20. Indien van toepassing: verlijmde (gevel) elementen (zoals bijv. constructief verlijmd glas, steenstrips) dienen verwerkt te worden met het plan van aanpak volgens protocol: https://www.vereniging-bwt.nl/centraal-overleg-bouwconstructies/documenten. Stukken ten aanzien van de Omgevingsveiligheid van bouw- en sloopwerkzaamheden: 1. 2.
Het (bouw)veiligheidsplan zoals bedoeld in artikel 2.2, lid 6 van de Mor. Hoofdstuk 7 van Besluit bouwwerk leefomgeving (Bbl) Toelichting: Uit het oogpunt van het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het bouwen: een (bouw) veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012 / hoofdstuk 7 uit het Bbl. Onderdelen van een (bouw)veiligheidsplan zijn bijvoorbeeld: omgevingsveiligheid, een monitoringsplan, bemalingsplan ter voorkoming van schade aan belendingen.
Mededelingen: Indien van toepassing: Let op dat u bestaande funderingspalen inclusief eventuele betonoplangers niet uit de grond verwijdert. Het toepassen van (stalen) verlengstuk voor de heimachine is niet toegestaan. Levert u uiterlijk 1 week voor aanvang van de stortwerkzaamheden van de fundering de volgende
19
Z-23-437019
gegevens in: 1.
Heirapportage met kalenderstaten;
2.
Kwaliteitsverklaring van de in de grondgevormde palen door een gespecialiseerd bureau op basis van akoestische doormetingen van 5 – 100% (invulling constructeur) van de palen na het koppensnellen;
b.
3.
Revisie palenplan "as-built " waarop de significante paalmisstanden staan aangegeven/ingetekend;
4.
Tekeningen en berekeningen van de constructieve voorzieningen in verband met paalmisstanden;
5.
Ankerplan en –berekening van de ankers die in de fundering opgenomen moet worden;
Stukken ten aanzien van bouwfysica/ geluid: 1.
De plaats van buitenunits warmtepompen zijn niet aangeven op tekening. De posities van de buiten units van de warmtepompen op de dak-tekeningen aangeven en aangetoond moet worden dat één van de buiten units (meest kritische) aan de gestelde eisen voldoet (zie BB2012 artikelen 3.8 - 3.9 en 3.11).
Deze "later in te dienen stukken" dienen 3 weken voor aanvang bouwwerkzaamheden (digitaal) via het Omgevingsloket Online te worden ingediend. Wij verzoeken u om elk document als een zelfstandig PDFbestand toe te voegen. Hierbij dient de bestandsomschrijving overeen te komen met de documentomschrijving. Voordat tot uitvoering wordt overgegaan, moet de vergunninghouder een schriftelijk verklaring hebben ontvangen waarmee de stukken van desbetreffende handeling zijn goedgekeurd. 3.
Bouwbesluit 2012- brandveiligheid Zoals eerder aangegeven heeft de Veiligheidsregio Zuid- Holland Zuid, onder voorwaarden, een positief geadviseerd. De volgende verplichtingen en aanbevelingen worden in relatie tot het aspect brandveiligheid gesteld; a)
Buitenoppervlak De buitengevels worden bekleed met Thermowood planken met brandklasse B. Omdat het een "open" constructie is behoren de achterliggende horizontale en verticale constructie-/ bevestigings-latten ook te voldoen aan brandklasse B. Dit is van toepassing op grond van de hoogte van de verblijfsvloer en vanwege de toepassing van de NEN 6068 (brandoverslagberekeningen) i.r.t. Besluit bouwwerken leefomgeving artikel 4.44.
b)
Rapportage Brandveiligheid In de rapportage brandveiligheid van Nelissen Ingenieursbureau datum 18 april 2024 met kenmerk 5250.011.ur.jdu wordt de brandveiligheid beschreven. Dit rapport maakt dus ook deel uit van de beoordeling en behoort opgenomen te worden in de vergunning.