CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Voorstel Vaststelling Bestemmingsplan Uitbreiding Oceanco - Voorstel.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 23 september 2025, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 4: Vaststelling Bestemmingsplan Uitbreiding Oceanco - Voorstel27.713 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het Waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen.

De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

20

Projectgerelateerd

onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Watertoets Omdat het aspect water in ruimtelijke plannen een mede ordenend principe is, is de watertoets geïntroduceerd. Deze watertoets is verplicht gesteld in november 2003 voor ruimtelijke plannen. De watertoets is een procedure waarbij de initiatiefnemer in overleg met de waterbeheerders de waterhuishouding van een te ontwikkelen gebied inricht. Belangrijkste inhoudelijke doel van de watertoets is dat initiatiefnemers ‘waterneutraal’ bouwen. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Bovendien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden.

6.1.2

Provinciaal beleid

Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2022 - 2027 Op 9 maart 2022 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2022-2027 in werking getreden. Voorheen gold het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Op hoofdlijnen wordt het beleid uit het regionale waterplan voortgezet in het regionaal waterprogramma, maar op punten is het ook aangepast. Aanleidingen daartoe waren: 1. kwaliteitsverbetering; 2. klimaatadaptatie; 3. verandering van wetgeving. Het provinciaal Waterplan Zuid-Holland geeft antwoord op de vraag wat er in de periode 2022-2027 moet gebeuren, om de provincie Zuid-Holland ook in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om de volgende opgaven: • waterveiligheid • mooi en schoon water; • beperken maatschappelijke kosten door bodemdaling; • sport, recreatie en water- en groenbeleving • goed functionerende provinciale infrastructuur • toekomstbestendige infrastructuur Omgevingsverordening Zuid-Holland In 2019 is de omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Daarin is onder andere vastgelegd dat, voor bebouwing in de bebouwde kom, de norm voor de gemiddelde overstromingskans maximaal 1 keer per 100 jaar is. Deze norm is van toepassing vanuit het oogpunt van berging en afvoer van regionale wateren.

In de omgevingsverordening staan verder normen opgenomen voor regionale waterkeringen en zijn regels opgenomen ten aanzien van grote grondwateronttrekkingen.

6.1.3

Beleid waterbeheerder

De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Waterschap Rivierenland. De langetermijnvisie van het Waterschap is beschreven in de Watervisie 2050. Deze langetermijnvisie is concreter uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma (WBP) 2022-2027. Hierin worden voor de komende jaren de doelen van het waterbeheer beschreven en hoe die te bereiken. Het waterbeheer richt zich op de volgende speerpunten: • Beschermen tegen overstromingen • Water eerlijk verdelen • Voorbereiden op extreem weer 30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

21

Projectgerelateerd

• • • •

Werken aan schoon water Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit Toewerken naar circulariteit

Keur De keur van het Waterschap Rivierenland 2014 is op 1 januari 2015 vastgesteld. In de keur staan onder meer de regels om schade aan dijken en oevers te voorkomen, regels voor onderhoud van onder andere sloten en beken en regels om watertekort, wateroverlast en vervuiling te voorkomen. Legger In de legger van het Waterschap staan de wateren en waterkeringen die zij in het beheer hebben. Aan de hand van de legger kan bepaald worden welke wateren en waterkeringen er binnen het plangebied liggen en aan welke regels uit de keur moet worden voldaan. De wateren in de legger van Waterschap Rivierenland zijn verdeeld in 3 categorieën: A-wateren: van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het Waterschap onderhouden. B-wateren: van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. C-wateren: wateren die van tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt.

6.1.4

Waterplan Alblasserdam

In 2006 is het Waterplan Alblasserdam opgesteld door de gemeente en het Waterschap. Het Waterplan verschaft zowel de gemeente als het Waterschap inzicht over het functioneren van het watersysteem in Alblasserdam. Bovendien wordt in het plan de gezamenlijke visie op het water en het waterbeleid tussen de partijen vastgelegd. Met het opstellen van het Waterplan Alblasserdam realiseren de bij het waterbeheer betrokken partners een aantal doelen, te weten: -

het ontwikkelen van een gezamenlijke visie op het waterbeheer op lange termijn (2020) en het formuleren van concrete maatregelen voor de korte termijn (2010); het afstemmen van waterbeleid en het verdelen van taken tussen de betrokken partijen en zorgen dat de uitvoering van maatregelen verwerkt wordt in de uitvoeringsprogramma’s van de betrokken organisaties; het maken van afspraken voor de goede afstemming van water en ruimtelijke ordening; bekendheid geven aan het Waterplan om de betrokkenheid van externe partijen bij duurzaam waterbeheer te vergroten.

6.2

Huidige watersysteem

6.2.1

Waterbergingsvermogen

Het waterbergingsvermogen van het plangebied in de huidige situatie en toekomstige situatie blijft hetzelfde. De toetsing op basis van de Keur zal worden uitgevoerd in een latere vergunningsfase.

6.2.2

Waterafvoer

De ambitie van het Waterschap Rivierenland is om het hemelwater zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Het hemelwater vloeit net als in de bestaande situatie af op het oppervlaktewater via een

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

22

Projectgerelateerd

olie- en bezineafscheider. Alleen huishoudelijk afvalwater zal via het gemeentelijk rioleringssysteem worden afgevoerd.

6.2.3

Waterkeringen

De legger waterkeringen van het Waterschap Rivierenland, evenals de digitale watertoets, geven aan dat het plangebied binnen de primaire beschermingszone van een waterkering ligt. Om de inhoudstandhouding, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering te kunnen waarborgen is de dubbelbestemming ‘waterstaat – waterkering’ uit het voorgaande bestemmingsplan overgenomen. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling in dit deel van het plangebied niet eerder kan worden gerealiseerd dan nadat is aangetoond dat het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies bij de waterbeheerder is ingewonnen. Met het overnemen van de dubbelbestemming ‘waterstaat – waterkering’ is het waterveiligheidsbelang in voorliggend plan in voldoende mate gewaarborgd. Bij de verdere uitwerking van de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de aanwezige waterveiligheidsbelangen. De initiatiefnemer heeft hiervoor afstemming gezocht met het Waterschap.

6.2.4

Stroming risico

De relatie met het water is fundamenteel voor de bedrijfsvoering van Oceanco. Er zijn momenteel drie actieve kades in gebruik, waarvandaan kranen en werknemers de schepen kunnen bedienen. Ten westen van Loods 1 is de waterzijde niet actief in gebruik, omdat de scheepsloods richting het oosten is georiënteerd. Hier is sprake van een talud, enkele bomen en opslag. Verder zit aan de zuidzijde van het Oceanco terrein momenteel een extra aanlegsteiger, die niet actief en onderhouden is. De geplande bouwwerken liggen voor een gedeelte in de beschermingszone van het dijklichaam. Als de bodem van de nieuw te bouwen loods niet dieper komt dan de bestaande diepte, is de inschatting dat er wat betreft stabiliteit geen issue is. Wel vormen de verkorting van het intredepunt binnendijks en daarmee risico’s op piping nog punten die nader onderzocht en uitgewerkt moeten worden. Bij het vergraven van de uiterwaarden wordt er massa en weerstand in het voorland weggenomen. Hierdoor wordt het intredepunt voor piping dichter bij de waterkering gelegd en neemt de kans op stroming (piping) onder de waterkering toe. Door de diepwanden te realiseren kunnen potentiële effecten worden voorkomen. Op basis van de nieuwe beschikbare informatie heeft het Waterschap Rivierenland kennen gegeven dat het ontgraven geen negatieve effecten heeft op piping.

Dit dient verder uitgezocht te worden bij de uitvoer van het plan.

6.2.5

Watertoets

De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In dit kader is op 30 mei 2023 de digitale watertoets ingevuld. Hieruit is gebleken dat de normale procedure gevolgd kan worden. Dit betekent dat het Waterschap Rivierenland in overleg met de gemeente zal bekijken hoe in het plan rekening kan worden gehouden de waterhuishoudkundige belangen. 30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

23

Projectgerelateerd

6.3

Conclusie

Voor de uitvoering van het plan dient een watervergunning aangevraagd te worden. In het kader van het bestemmingsplan vormt het aspect Water geen belemmering.

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

24

Projectgerelateerd

7

Omgevingsaspecten

7.1

Inleiding

In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De relevantie van de verschillende milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. Ter voorbereiding van het bestemmingsplan dient onderzocht te worden welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

7.2

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. Resultaten Het planvoornemen betreft extra ontwikkelruimte voor werkplaatsen, een kantoor en parkeervoorzieningen. Deze voorzieningen behoren niet tot een categorie beschreven in de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.. De activiteiten zijn passend binnen de heersende activiteiten bestemd op de locatie. De overschrijdingen met de vigerende planologische situatie zijn minimaal, waardoor het niet beschouwd hoeft te worden als stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.

Binnen de nieuw te realiseren scheepsbouwhal vinden werkzaamheden plaats die vallen onder categorie D32.6 van het besluit m.e.r., te weten: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor het bouwen, onderhouden, repareren of behandelen van de oppervlakte van metalen schepen. Hiervoor is een aanmeldnotitie m.e.r opgesteld, waarin wordt beschreven dat geen nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van de activiteiten. De aanmeldnotitie is bijgevoegd als bijlage 2. Conclusie Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van het planvoornemen. Er zijn daarom in het kader van de m.e.r. geen verdere stappen noodzakelijk.

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

25

Projectgerelateerd

7.3

Mobiliteit

7.3.1

Verkeer

Verkeersprognose Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Goudappel heeft een verkeersonderzoek (kenmerk 014381.20230524.N1.01, d.d. 26 mei 2023, zie bijlage 3) uitgevoerd naar de uitbreiding van Oceanco. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Berekening verkeersgeneratie uitbreiding Oceanco Het extra verkeer dat wordt gegenereerd door de uitbreiding van Oceanco op het zuidelijk havengebied is berekend op basis van de bij Oceanco beschikbare informatie over voorzieningen en gedrag. De berekening hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. De totale verkeersgeneratie van de uitbreiding binnen bestemmingsplan komt daarmee op 507 mvt/etm voor een werkdag. De totale verkeersgeneratie van de uitbreiding zoals inmiddels beoogd komt daarmee op 849 mvt/etm voor een werkdag.

Tabel: Berekening verkeersgeneratie per werkdag

Prognosesituatie 2030 met uitbreiding Oceanco cf. eindbeeld Wanneer Oceanco uitbreidt naar het eindbeeld dat in hun toekomstvisie is opgenomen, dan neemt de verkeersgeneratie toe van circa 507 mvt/etm naar 850 mvt/etm die via de Marineweg worden afgewikkeld. Dit extra verkeer volgt dezelfde verdeling over de noord en zuidrichting van de Dam als dat wat binnen het 30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

26

Projectgerelateerd

bestemmingsplan is vergund. Kijkend naar de totale intensiteiten op De Helling en Dam, dan is de bijdrage van deze extra uitbreiding zeer beperkt. Op de Helling neemt het verkeer met bijna 400 mvt/etm toe tot 22.700 mvt/etm, wat neerkomt op een toename van nog geen 2 procent. Verkeersafwikkeling In de toekomst zal het autoverkeer in de gemeente Alblasserdam toenemen als gevolg van autonome groei en planontwikkelingen. Dit betekent dat de druk op de verkeersafwikkeling van de Dam (die een belangrijke ontsluitingsroute vormt voor Alblasserdam en Kinderdijk) ook toeneemt. De ontwikkeling van het zuidelijk havengebied sluit via de Marineweg aan op de Dam. Kijkend naar de bijdrage van de ontwikkeling in het zuidelijk havengebied aan de problematiek op de Dam, is de conclusie dat deze beperkt is. De vertraging die wordt ondervonden bij het passeren van het kruispunt neemt gemiddeld met ongeveer 5 seconden toe ten opzichte van de huidige situatie. De grootste toename van verliestijden voor de kruispunten nabij het plangebied vindt namelijk plaats ten gevolge van de autonome groei van het wegverkeer. De lange verliestijden op met name de nabijgelegen kruispunten Dam- Haven en Zuiderstek-Dam-Polderstraat zijn dus in basis niet toe te rekenen aan de ontwikkeling van het zuidelijk havengebied.

De oplossingen voor de afwikkelingsproblematiek en bereikbaarheid dienen dan ook in breder verband gezocht te worden door de gemeente. De voorziene ontwikkelingen van Oceanco zijn dusdanig klein dat dit geen significante nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling, ten opzichte van de bestaande verkeersgeneratie. Conclusie De verkeerstoename levert geen significante belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

7.3.2

Parkeren

De gemeente Alblasserdam heeft in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) Alblasserdam haar visie op het gebied van verkeer en vervoer opgenomen. Het parkeerbeleid is een onderdeel van het GVVP. De gemeente onderscheidt de navolgende parkeernormen, waarbij geldt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van ‘centrum’. Functie Uitbreiding

oppervlakte m²

Hal IIB, dok/hal Werkplaats en opslag

7.400 15.344

Kantoren Totaal Tabel: parkeereis

12.600

parkeernorm per 100 m² 1,6 50% 1,6 50% 0,7 1,6

eis

parkeerplaatsen gepland 118 112 + 54 = 166 201 495

500

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er in totaal 495 parkeerplaatsen vereist zijn. Voorliggend plan voorziet in 500 parkeerplaatsen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de parkeereis. Conclusie De toename in de parkeerbehoefte vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

7.4

Milieuzonering

Bij nieuwe ontwikkelingen dient voldoende afstand in acht genomen te worden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Voor het bepalen van deze afstand 30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

27

Projectgerelateerd

wordt de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gebruikt. Deze publicatie geeft voor vele bedrijfstypen, opslagen en installaties aan welke milieuaspecten (geur, stof, geluid en/of gevaar) een rol kunnen spelen en biedt een handreiking ten aanzien van welke gemiddelde afstanden tot woonbebouwing vanuit een goede ruimtelijke ordening 'passend' zijn. In de publicatie worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in zes categorieën, variërend van lichte tot zeer zware milieuhinder. Per milieucategorie zijn richtafstanden tot hindergevoelige functies opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstypen: een rustige woonwijk en een gebied met een menging van functies. In de tabel hierna zijn deze richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur.

Tabel: richtafstanden per milieucategorie Plantoetsing Afgezet tegen de bestaande bedrijvigheid uit het huidige bestemmingsplan, geldt dat er op het vlak van milieuzonering niets wijzigt. De huidige planlocatie valt onder milieucategorie 2. Deze milieucategorie wordt niet verhoogd, dus dit heeft geen nadelige effecten op omliggende milieugevoelige functies. De milieubelasting naar buiten toe verandert niet ten opzichte van de vigerende situatie. Conclusie Er is geen sprake van nadelige effecten op gevoelige bestemmingen in de omgeving.

7.5

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Onderzoeksresultaten Antea Group heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd (projectnummer 0479556.100, d.d. 13 april 2023). De rapportage is opgenomen in bijlage 4 van dit bestemmingsplan. Oceanco is gesitueerd op het geluidgezoneerde industrieterrein "Aan de Noord”. Oceanco beschikt over een vigerende vergunning ingevolge de Wabo (revisievergunning PZH-2010-233819745 van 4 januari 2011).

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

28

Projectgerelateerd

Uit het uitgevoerde onderzoek volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op alle beoordelingspunten gelijk is aan of lager is dan de grenswaarden van 50/40 dB(A) in de dag/nachtperiode inzake een nieuwe aanvraag revisievergunning. In de avondperiode is er op enkele beoordelingspunten sprake van een overschrijding van 1 dB als gevolg van installaties op het dak. In het kader van de omgevingsvergunning voor het realiseren van de nieuwe ontwikkelingen zullen maatregelen worden getroffen om de overschrijding teniet te doen. Uit de resultaten volgt tevens dat de maximale geluidbelasting in de dag-, avond en nachtperiode niet hoger is dan de grenswaarden van het gestelde toetsingskader. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn door de omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) doorgerekend in het zonemodel van het plangebied, waarmee een controle op overschrijdingen van immissiewaarden is uitgevoerd. De toename van het verkeer als gevolg van de uitbreiding van Oceanco is dusdanig gering (2%) dat het effect op de geluidimmissies op omliggende gevoelige functies te verwaarlozen zal zijn. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.6

Luchtkwaliteit

Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden. Tot slot heeft het bevoegd gezag volgens Algemene wet bestuursrecht (Awb) als taak om belangen op een evenwichtige wijze af te wegen (art. 3.4) en besluiten deugdelijk te onderbouwen (art. 3.46). Luchtkwaliteitseisen De Wet milieubeheer (Wm) biedt de volgende grondslagen voor de onderbouwing dat een plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit: 1. het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden (art. 5.16 lid 1 sub a); 2. het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub c); 3. er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van het project is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art.

5.16 lid 1 sub b onder 1); 4. er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van een door het project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 2); 5. het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub d). Wanneer een plan voldoet aan één van bovenstaande grondslagen, kan het wat luchtkwaliteit betreft doorgang vinden. De Wet milieubeheer maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

29

Projectgerelateerd

projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³.

Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Toetsing aan bestaande luchtkwaliteit Het voorgenomen plan maakt verschillende bedrijfsondersteunende functies mogelijk. Binnen het plangebied zal de realisatie plaatsvinden van een hal voor werkplaatsen en opslagruimten met een totaal vloeroppervlakte van ca. 15.000 m². Een deel van dit vloeroppervlak, ca. 1.000 m2, zal worden benut voor gebouw gebonden installaties.

Daarnaast vindt de realisatie plaats van een kantoorgebouw met een totaal vloeroppervlakte van ca. 12.500 m² en een parkeergebouw voor max. 1.000 voertuigen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16,0 μg/m³, 9,0 μg/m³ en 25,0 µg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Voor de planlocatie kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan.

NIBM-toets

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

30

Projectgerelateerd

Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekende mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO² en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor de ontwikkeling is aan de hand van de verkeersgeneratiecijfers onderzocht of voldaan wordt aan het Besluit NIBM. Het resultaat is terug te vinden in onderstaande tabel.

Tabel: NIBM-toets Uit de NIBM-toets blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is; er is geen nader onderzoek nodig. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

7.7

Bodem

In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet 30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

31

Projectgerelateerd

kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Onderzoeksresultaten Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient in het kader van de RO-procedure en het bouwrijp maken de actuele milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem in beeld te worden gebracht. In opdracht van Oceanco zijn de afgelopen jaren de volgende onderzoeken verricht naar de bodemgesteldheid en de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem: 1. Onderzoeken t.b.v. Raamsaneringsplan, AMH Poly, 2009; 2. Interim evaluatie bodemsanering, Antea Group, oktober 2014; 3. Eindrapportage bodemsanering, Antea Group, maart 2015 Op de locatie was sprake van een licht tot sterk, immobiel met zware metalen, PAK, minerale olie, PCB en/of EOX historisch verontreinigde ophoog laag en plaatselijk waren er mobiele historische verontreinigingen met minerale olie en/of vinylchloride in de grond en het grondwater aanwezig. Voor de volledige locatie is door het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland ("GS") ingestemd met achtereenvolgens een raamsaneringsplan en een daaraan gekoppeld plan van aanpak.

Van 2012 t/m 2015 is op de locatie vervolgens een bodemsanering uitgevoerd. Daarbij zijn de hiervoor beschreven mobiele verontreinigingen verwijderd tot een voor het gebruik acceptabel niveau. Door GS is geconstateerd dat de locatie na de sanering is geschikt voor de functie Industrie. Bureau Houthoff heeft beoordeeld dat de bedrijfsvoeringsmaatregelen van Oceanco gecombineerd met de specifieke gebruiksbeperkingen en nazorg verplichten en de zorg- en meldingsplicht uit de Wet bodembescherming waarborgen dat zich geen ontwikkelingen konden voordoen die maken dat de gegevens uit een bodemonderzoek niet langer representatief zijn. De voorhanden zijnde onderzoeken zijn dus bruikbaar ter onderbouwing van voorliggend bestemmingsplan. Oceanco heeft haar bedrijfsvoering dusdanig ingericht dat er geen nieuwe bodemverontreinigingen kunnen ontstaan. Oceanco heeft daartoe een 'Bodemrisico-Inventarisatie' verricht waarbij voor alle bodembedreigende activiteiten (beheers)maatregelen zijn opgenomen. Deze beheersmaatregelen zijn vervolgens verwerkt in de revisie(milieu)vergunning van Oceanco uit 2011. Conclusie De voorhanden zijnde bodemonderzoeken zijn bruikbaar ter onderbouwing van het bestemmingsplan. Hieruit volgt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Het aspect bodem levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.

7.8

Externe veiligheid

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het BRZO vallen, LPG-tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR). Het verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen hiermee rekening te houden. Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) In de regeling staan regels over de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op grond van het Bevi zijn in de Revi voor een aantal bedrijfscategorieën (zoals LPGtankstations, ammoniakkoelinstallaties, opslagplaatsen) vaste veiligheidsafstanden opgenomen. 30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

32

Projectgerelateerd

Onderzoeksresultaten In het kader van externe veiligheidsrisico’s heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezige risicobronnen. Er dient rekening gehouden te worden met belemmeringen en beperkingen van bouwmogelijkheden door de N915, A15 en aardgasleidingen. Navolgende afbeelding laat de risicokaart zien. In het EV onderzoek is ook transport van gevaarlijke onderzoeken over de Noord beschouwd en de spoorlijnen Betuweroute en Kijfhoek – Dordrecht. Hieruit volgen geen belemmeringen en geldt enkel een beperkte verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

Figuur 6: risicokaart planlocatie (bron: Oceanco) Voor de N915 geldt dat het een omleidingsroute van de Noordtunnel in de A15 (in verband met tunnelcategorie C.) Hier is sprake van een plaatsgebonden risico contour van 10-6, weergegeven als paarse lijn van ca. 93 meter. Het is niet toegestaan om binnen de plaatsgebonden risico contour 10-6 een kwetsbaar object (zoals kantoren of woningen) te realiseren. De A15 kent ter hoogte van het plangebied (wegvak Z76) een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Deze bedraagt 30 meter, conform lid 2 van Artikel 16 van de Regeling basisnet. Hiermee overlapt dit PAG niet de bebouwing in dit plangebied. De N915 kent overigens geen PAG, dit conform de Regeling Basisnet. Voor de aardgasleiding W530-01 (roze lijn) geldt dat er rekening gehouden moet worden met de 1%letaliteitgrens van de buisleiding. Wanneer het binnen de 1%-letaliteit valt is een risicoberekening op groepsrisico verplicht. De Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid heeft de analyse transportroutes inclusief RMB-II berekeningen voor het plangebied Oceanco Alblasserdam uitgevoerd (Z-23-420004, d.d. 5 mei 2023, zie bijlage 7). Als aanvulling op het onderzoek is een oplegnotitie geschreven d.d. 28 februari 2024, welke aan bijlage 7 is toegevoegd. Uit het volledige onderzoek is het volgende gebleken: 1. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6 contour van 93 meter (N915) of 13 meter (A15);

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

33

Projectgerelateerd

2. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter (A15); 3. Het berekende groepsrisico voor N915 (Omleidingsroute) in de huidige situatie bedraagt maximaal 40,1%. Voor de toekomstige situatie is het groepsrisico op maximaal 80,5% van de oriëntatiewaarde berekend. Het groepsrisico neemt hierdoor met meer dan 10% toe als gevolg van dit planvoornemen. Dit betekent dat het groepsrisico, dat binnen de 200 meterzone van de N915 in dit plangebied ontstaat, volledig moet worden verantwoord; 4. De ligging aan de rivier de Noord vormt geen belemmering voor externe veiligheid. Dit ondanks dat het plangebied volledig binnen de 200 meterzone van deze vaarroute ligt. De geprojecteerde gebouwen liggen niet binnen de vrijwaringszone van 25 meter die geldt vanwege de CEMT-klasse VI categorisering van de Noord. De rivier kent een PR10-6 contour van 0 m, conform de regeling basisnet. Omdat de Noord is ingedeeld in CEMT-klasse VI kan vuistregel 1 voor vervoer per water worden toegepast: een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico kan alleen ontstaan wanneer binnen 200 meter van de oever personendichtheden voorkomen groter dan 500 personen/ha én de vervoershoeveelheden van LT2 en GT3, zoals genoemd in de Regeling basisnet (Bijlage III) tezamen groter zijn dan 1.000 transporten per jaar.

Over de Noord vindt geen LT2-transport plaats. Jaarlijks vinden weliswaar 196 GT3-transporten plaats, maar dit aantal blijft ver onder de bovengenoemde 1.000 transporten. Daarnaast is geen sprake van personendichtheden van meer dan 500 personen/ha in of rondom het plangebied. Het plangebied ligt wel geheel binnen het invloedsgebied van de Noord. Voor deze vaarroute volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico (zie punt 6); 5. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee spoortrajecten. Dit zijn Route 35 (Kijfhoek – Dordrecht) op ongeveer 3,5 kilometer ten zuidwesten en Route 202 (Kijfhoek – Betuweroute Meteren) op ongeveer 3 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Voor deze spoortrajecten volstaat eveneens een beperkte verantwoording van het groepsrisico (zie punt 6); 6. Het groepsrisico hoeft voor de transportroutes (N915 en A15, rivier de Noord en twee spoortrajecten) alleen volledig verantwoord te worden binnen de 200 meterzone/ explosieaandachtsgebied. Aandachtspunten zijn hierbij de mogelijkheden voor bouwkundige maatregelen die beschermen tegen de effecten van een explosie (o.a. explosiewerend glas), rampenbestrijding (bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen) en zelfredzaamheid (installeren uitschakelbare ventilatie in gebouwen).

De Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid heeft ook de Carola-berekeningen voor buisleidingen in plangebied Oceanco Alblasserdam uitgevoerd (Z-23-420004, d.d. 5 mei 2023, zie bijlage 6). Hieruit is het volgende gebleken: 1. Het plangebied ligt niet binnen de 100%-letaalzone (65 meter) of de belemmeringenstrook (4 meter) van buisleiding W-530-01; 2. Binnen het plangebied worden geen contouren van het plaatsgebonden risico (verder: PR) van PR 10-6 en PR 10-7 berekend. Dit betekent dat geen bouwkundige maatregelen voor gebouwen vanwege de nabijheid van buisleidingen in het plangebied benodigd zijn. 3. Het berekende groepsrisico voor zowel de huidige- als toekomstige situatie is laag en bedraagt maximaal 6% van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt bovendien niet (significant) toe als gevolg van dit planvoornemen. 4. Het groepsrisico hoeft voor de buisleidingen nabij dit plangebied alleen beperkt verantwoord te worden. Aandachtspunten zijn hierbij de mogelijkheden voor rampenbestrijding (bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen) en zelfredzaamheid (uitschakelbare ventilatie). In het kader van de groepsrisicoverantwoording is advies ingewonnen bij de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Dit zit bijgevoegd in bijlage 6. Er wordt geadviseerd om gebouwen te voorzien van uitschakelbare

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

34

Projectgerelateerd

mechanische ventilatie, conform Artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld. Dit is noodzakelijk bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). In het kader van voldoende beschermingsniveau in explosieaandachtsgebied van een Basisnetroute is advies ingewonnen bij de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Dit zit bijgevoegd in bijlage 7. Hierin staat vermeld door welke factoren een ‘voldoende beschermingsniveau’ wordt bepaald In deze bijlage wordt de invulling van dit begrip beschreven in relatie tot het plangebied dat is gelegen binnen een explosieaandachtsgebied van een basisnetroute.

In dit document komen de volgende toepassingen van maatregelen aan bod die invloed hebben op een voldoende beschermingsniveau en uitsluitend van toepassing zijn op nieuwbouw en verbouw waarbij sprake is van functiewijziging: • scherfvrij glas; • brandwerend- en scherfvrij glas; • dakbedekkingsmaterialen; Daarnaast komen de volgende toepassingen van maatregelen aan bod, die invloed hebben op een voldoende beschermingsniveau en van toepassing zijn op verbouw en nieuwbouw. • vluchten onder externe veiligheidsomstandigheden; • schuilen; • gebiedsinrichting/openbare ruimte; • organisatorische maatregelen. Benadrukt dient te worden dat de grens tussen, met name de maatregelen in de laatste categorieën, niet scherp te trekken is. De maatregelen lopen in elkaar over en beïnvloeden elkaar. Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

7.9

Ecologie

De bescherming van natuur is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soorten- en gebiedsbescherming is in Nederland geregeld in Wet natuurbescherming. Bescherming van Natura 2000gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), die op 1 januari 2017 in werking is getreden. De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen en bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en Natura 2000-gebieden (belangrijke natuurgebieden). Naast een algemeen geldende zorgplicht voor alle voorkomende soorten gelden verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'principe; alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden. Met een door het bevoegd gezag te verlenen ontheffing kan worden afgeweken van de 30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

35

Projectgerelateerd

verbodsbepalingen. Daarnaast bevat de wet nog andere bepalingen, waaronder over houtopstanden. In het kader van de gebiedsbescherming, is ook 'externe werking' een relevante opgave. Niet alleen directe ingrepen in Natura 2000-gebieden kunnen schadelijk zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen, ook kan sprake zijn van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van geluid, licht, abiotiek (verdroging, verontreiniging) en andere verstorende factoren. Een heel actueel onderwerp is de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) dient bij nieuwe activiteiten getoetst te worden of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden. De nieuwe Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), die op 1 juli 2021 in werking is getreden, vereist het doen van onderzoek naar eventuele stikstofdepositie voor de definitieve fase van het planvoornemen Sinds de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 dienen ook effecten van tijdelijke bouw- en sloopactiviteiten (aanlegfase) onderzocht te worden. Uit een (AERIUS-)berekening moet blijken of de waarde van 0,00 mol N/ha/jaar wordt overschreden, en indien dat het geval is, of sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

6.9.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 gebieden Hoofdstuk 2 van de Wnb richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Met deze Europese richtlijnen worden habitats en soorten van Europees belang beschermd. Deze gebieden staan bekend als Natura 2000-gebieden. Om schade aan de natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen (of momenteel nog zijn aangemeld), te voorkomen, bepaalt de Wnb dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (conform artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wnb). Het plangebied ligt in de nabijheid van enkele Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is Boezems Kinderdijk en ligt op ongeveer 1,4 km afstand van het plangebied (zie onderstaande figuur). De overige Natura 2000-gebieden binnen een afstand van 10 km zijn de Donkse Laagten (6,2 km), Oude Maas (7,8 km) en Biesbosch (8,0 km). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Biesbosch.

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

36

Projectgerelateerd

Figuur 7: projectlocatie (rode cirkel) in relatie tot Natura 2000-gebieden (bron: aerius.nl)

Antea Group heeft een stikstofdepositieonderzoek (projectnummer 0479556.100, d.d. 10 november 2023, revisie 02, zie bijlage 9) uitgevoerd. Met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator (versie 2023) is de mogelijke toename van de stikstofdepositie in beeld gebracht. Realisatiefase Uit de projectberekening blijkt dat de aanleg van de scheepsbouwhal, het kantoorgebouw en de parkeergarage zoals weergegeven in de realisatiefase niet leiden tot een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar bij een uitvoeringstijd van 4 jaar en met het voorgenomen besluit voor het gebruik van elektrische mobiele voertuigen. De resultaten van de AERIUS-berekening voor de realisatiefase zijn opgenomen in het stikstofdepositieonderzoek (bijlage 9). Gebruiksfase Naast de realisatiefase is ook de mogelijke toename van de stikstofdepositie bij de gebruiksfase van de nieuwe situatie met behulp van AERIUS Calculator (versie 2022) in beeld gebracht. Uit de projectberekening blijkt dat de gebruiksfase zoals weergegeven in de berekening zal leiden tot een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar. De resultaten van de AERIUS-berekening zijn opgenomen in het stikstofdepositieonderzoek (bijlage 9). Natuurnetwerk Nederland (NNN) De projectlocatie ligt binnen de bebouwde kom van Alblasserdam. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland ligt op ca. 0,5 km vanaf de projectlocatie, zie de afbeelding hierna.

Gezien het tussenliggende netwerk aan infrastructuur en water ontbreekt een relatie met NNN. Daarnaast is toetsing aan de NNN niet nodig wanneer een plangebied buiten het NNN ligt, wat hier het geval is. Er zijn dus geen effecten op NNN-gebied als gevolg van het plan te verwachten.

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

37

Projectgerelateerd

Figuur 8: Natuurnetwerk Nederland (groen) in relatie tot het plangebied (rood) (bron: Atlas Leefomgeving) 6.9.2 Soortenbescherming Er is een onderzoek gedaan naar de eventuele aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden in de nabijheid van het projectgebied. Daarbij is onderzocht of de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op deze soorten en gebieden of er mogelijk bepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Dit onderzoek (Blom ecologie, kenmerk 2022-1323, d.d. 1 mei 2023) is bijgevoegd in bijlage 8 van dit rapport. Hieruit is gebleken dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect ecologie levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

38

Projectgerelateerd

8

Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid

Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Gelet op het voorgaande wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

(Voor)overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het Waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het voorontwerp is toegestuurd aan de vooroverlegpartners. Hierop is een reactie binnengekomen van het Waterschap Rivierenland en Rijkswaterstaat. De binnengekomen reacties zijn verwerkt in de toelichting, de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan. Participatie In hetr kader van participatie zijn twee inloopavonden georganiseerd voor geïnteresseerden. De opmerkingen die tijdens deze avonden zijn ingebracht zijn zoveel als mogelijk geïntegreerd in de verdere planuitwerking. Reacties op ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 21 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegd voor belanghebbenden. Naar aanleiding van de ter inzagelegging zijn een aantal zienswijzen ontvangen, van te weten: • Rijkswaterstaat • Provincie Zuid-Holland De zienswijzen hebben geleid tot kleine wijzigingen in de toelichting, in de planregels en in de verbeelding.

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

39

Projectgerelateerd

De wijzigingen hebben betrekking op onderstaande: • Voor de nieuwe kantoren is in de planregels opgenomen dat alleen bedrijfsgebonden kantoren zijn toegestaan (art. 3.1, onder e) en ter plaatse van de aanduiding ‘kantoor’ daarvoor een maximum geldt van 12.500 m2, waarbij zelfstandige kantoren niet zijn toegestaan (art. 3.4, onder c en d). • Ten aanzien van de constructieve veiligheid van de Noordtunnel is in de planregels opgenomen dat een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten alleen mag worden verleend wanneer Rijkswaterstaat schriftelijke instemming heeft verleend (art. 3.2.1, onder a en art. 7.3 onder c). • Het onderzoek externe veiligheid (bijlage 7) is verduidelijkt op het onderdeel vervoer van gevaarlijke stoffen over het water en dit is tevens opgenomen in de toelichting in paragraaf 7.8. • Ten aanzien van nautische belangen is de ligging van het plangebied aan de rivier de Noord uitgebreider beschreven en getoetst aan de vrijwaringszones uit het Barro en de Richtlijn Vaarwegen 2020 (paragrafen 1.2 en 3.1.2 van de toelichting). • Het water van de rivier de Noord binnen de plangrenzen is in tegenstelling tot het voormalig bestemmingsplan ‘Herstelplan Alblasserdam’ (vastgesteld d.d. 31-03-2015) nu bestemd als ‘Water – Vaarweg’. Relevante planregels en en aanduidingen zijn afgestemd en opgenomen op de verbeelding en in de planregels.

Binnenhavens blijven toegerekend aan de bedrijfsbestemming bedoeld voor Oceanco. De wijzigingen zijn tevens terug te vinden in bijlage 10 Nota van beantwoording zienswijzen, waarin ook is vermeld hoe met de reactie van het Waterschap Rivierenland op het concept ontwerpbestemmingsplan is omgegaan. Met bovenstaande wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd.

30 mei 2024

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BJ2481-RHD-XX-XX-RP-X-0001

40

BESTEMMINGSPLAN OCEANCO

Nota van beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan ‘bp Oceanco’

Pagina 1 van 7 Nota van beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan ‘bp Oceanco’

Nota van beantwoording zienswijzen

1. Inleiding Op 21 december 2023 hebben burgemeester en wethouders conform het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening bekend gemaakt dat voor een ieder het ontwerpbestemmingsplan ‘bp Oceanco’met planidentificatienummer NL.IMRO.0482.obpoceanco-on01 ter inzage ligt. De kennisgeving is gepubliceerd in De Klaroen (20 december 2023), op de gemeentelijke website Alblasserdam.nl en in het Gemeenteblad (21 december 2023, nummer 552431). De ter inzage termijn is gestart op donderdag 21 december 2023 en heeft gelopen tot en met woensdag 31 januari 2024. Alle stukken waren raadpleegbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl en via de website van de gemeente Alblasserdam. Daarnaast werd de mogelijkheid geboden om op afspraak stukken fysiek op het gemeentehuis in te zien. Binnen genoemde termijn heeft eenieder zienswijzen (zowel schriftelijk als mondeling) naar voren kunnen brengen tegen het ontwerpbestemmingsplan.

2. Zienswijzen 2.1 Ingekomen zienswijzen De gemeente heeft een zienswijze ontvangen van: • •

Provincie Zuid-Holland, d.d. 29-01-2024, kenmerk PZH-2024-848338372 Rijkswaterstaat, d.d. 1-02-2024, kenmerk RWS-2024/2650

2.2 Ontvankelijkheid zienswijzen De ingekomen zienswijzen zijn tijdig ingediend en zijn ontvankelijk

2.3 Beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan De zienswijze is per punt samengevat en voorzien van een reactie. De zienswijze is in zijn totaliteit beoordeeld. Daarbij geven wij aan of het punt wel of geen aanleiding geeft om het bestemmingsplan aan te passen. Daarbij zijn in dit verband alleen de planregels en de planverbeelding van belang omdat deze onderdelen het juridische bindende deel van het bestemmingsplan vormen. In voorkomend geval zal naar aanleiding van de zienswijze ook de plantoelichting op onderdelen worden aangevuld of verduidelijkt.

Zienswijze 1 – Provincie Zuid-Holland Zienswijze De zienswijze heeft betrekking op het onderdeel kantoren. De provincie geeft aan dat het bestemmingsplan mede voorziet in 12.500 m2 kantoren. Op de verbeelding is een aanduiding kantoor aangegeven, maar in de planregels ontbreken de bijbehorende regels. Binnen de bestemming ‘Bedrijf – Scheepswerf’ worden geen kantoren mogelijk gemaakt. Wanneer de kantoormogelijkheden worden opgenomen in de planregels wordt verzocht door de provincie om dit te beperken tot bedrijfsgebonden kantoren en om zelfstandige kantoren uit te sluiten.

Pagina 2 van 7 Nota van beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan ‘bp Oceanco’

Antwoord Op de verbeelding zijn kantoren toegestaan middels een functieaanduiding ‘kantoren’ behorende bij de enkelbestemming ‘Bedrijf – Scheepswerf’. De provincie stelt terecht dat hiervoor de benodigde planregels ontbreken. De planregels omtrent het onderdeel kantoren zullen daarom alsnog worden opgenomen in de planregels. Conclusie De planregels zijn aangepast.

Zienswijze 2 – Rijkswaterstaat Zienswijze 2.1: randvoorwaarden constructief invloedsgebied Noordtunnel Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid ziet als tunnelbeheerder erop toe dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen geen belemmeringen opwerpen voor het gebruik en beheer van de in het plangebied gelegen Noordtunnel. In paragraaf 4.3 van het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning afstemming plaats zal vinden tussen Rijkswaterstaat en Oceanco om het gebruik en beheer van de Noordtunnel in de toekomst te garanderen. Dit betreft afstemming over gestelde randvoorwaarden door Rijkswaterstaat die gelden binnen het constructieve invloedsgebied van de tunnel. Als niet voldaan wordt aan de voornoemde randvoorwaarden stemt Rijkswaterstaat niet in met deze bouwontwikkelingen en kan de omgevingsvergunning niet verleend worden. Rijkswaterstaat verzoekt om in het bestemmingsplan te borgen dat de bouw die in het constructieve invloedsgebied van de tunnel komt, zoals van een parkeergarage, kantoor en de verlegging van de kade, enkel kan plaatsvinden na instemming van Rijkswaterstaat. Antwoord Met Rijkswaterstaat is afstemming geweest over hoe de constructieve veiligheid van de Noordtunnel kan worden gegarandeerd.

Besloten is om in artikel 3.2.1, onder a en in artikel 7.3 onder c van de planregels op te nemen dat een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten alleen kan worden verleend na schriftelijke instemming van Rijkswaterstaat. Conclusie De planregels zijn aangepast

Zienswijze 2.2: externe veiligheid Vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water is het van belang dat wordt aangegeven in hoeverre de rivier de Noord onderdeel uitmaakt van het Basisnet (regeling Basisnet), welke PRplafonds er gelden voor deze risicobron (vaarroute) en hoe die zich verhouden tot het bouwplan en de daarbij behorende uitwerking van de verantwoording van het groepsrisico. De toetsing van het plan aan deze externe veiligheidsaspecten dient in de plantoelichting te worden toegevoegd. Pagina 3 van 7 Nota van beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan ‘bp Oceanco’

Antwoord In het kader van externe veiligheid m.b.t. vervoer van gevaarlijke stoffen is een onderzoek uitgevoerd door de omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid. Deze is bijgevoegd als bijlage 7 bij het ontwerp bestemmingsplan. Hierin is de rivier de Noord meegenomen in de toetsing. Naar aanleiding van de zienswijze is het onderzoek externe veiligheid aangepast met betrekking tot de transportroutes, waaronder de Noord. De aanpassing is te vinden op pagina 5 onder het kopje “toelichtingen” onder punt 4., het tweede sub punt. In paragraaf 7.8 van de toelichting van het ontwerp bestemmingsplan zijn de uitkomsten van het aspect Externe Veiligheid beschreven. De aanpassing aan het onderzoek externe veiligheid wordt opgenomen in de toelichting. Voor de ligging aan rivier de Noord blijft de conclusie dat er geen belemmering is voor externe veiligheid. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat, welke eveneens zal worden opgenomen in paragraaf 7.8 van de toelichting van het ontwerp bestemmingsplan. Conclusie Het EV-onderzoek en de toelichting zijn aangepast. De conclusie blijft dat er geen belemmeringen zijn in het kader van externe veiligheid. Zienswijze 2.3: Nautische belangen Rijkswaterstaat is nautisch beheerder van de rivier de Noord en draagt zorg voor een vlot en veilig scheepvaartverkeer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/766/documents/16330