Visie sociaal domein gemeente Alblasserdam_versie BIO 20 januari 2026.pdf
Tekst van het document
Visie sociaal domein gemeente Alblasserdam Toekomstbestendig met behulp van drie doordachte speerpunten
Zelf- en samenzorg
Ontwikkelingsgericht
Vanuit de samenleving
Verantwoordelijk wethouder: Margreet de Deugd Auteur: Wilfred Boele, in samenwerking met team Maatschappelijke Ontwikkeling 1
Inhoudsopgave Samenvatting ..........................................................................................................................3 Voorwoord ..............................................................................................................................5 1. Inleiding ..............................................................................................................................6 1.1 Uitvoering van de drie decentralisaties ............................................................................6 1.2 Zorgen en uitdagingen ....................................................................................................7 1.3 Drie speerpunten ...........................................................................................................8 1.4 Opbouw .........................................................................................................................8 2. Drie factoren die sterk bijdragen aan overbelasting ...............................................................9 2.1 Ontmoedigen zelf- en samenzorg .................................................................................. 10 2.2 Focus op specialistische ondersteuning ........................................................................
11 2.3 Afbreuk particulier initiatief ........................................................................................... 12 3. De drie speerpunten .......................................................................................................... 14 3.1 Speerpunt zelfredzaamheid en onderlinge steun ........................................................... 14 3.2 Speerpunt ontwikkelingsgericht .................................................................................... 15 3.3 Speerpunt vanuit de samenleving ................................................................................. 16 4. Wat betekent het concreet ................................................................................................. 18 4.1 Inkomenszekerheid en participatie ................................................................................ 18 4.2 Wmo en welzijn ............................................................................................................ 19 4.3 Jeugdhulp .................................................................................................................... 20 Literatuur .............................................................................................................................. 22
2
Samenvatting Grenzen systeem komen in zicht In het lokaal sociaal domein wordt met veel deskundigheid veel bereikt. Tegelijkertijd zijn er grote zorgen. Steeds meer mensen maken namelijk gebruik van zorg en ondersteuning. Als het beleid niet verandert, blijft dit aantal sterk stijgen. Hierdoor komen de grenzen in zicht van wat het systeem nog aan kan. De toename van het aantal jongeren en ouderen in ondersteuning leidt ook tot grote financiële uitdagingen. En dat in een tijd dat er in de gemeentebegroting al zoveel krapte is. Ook leidt het tot problemen ten aanzien van de beschikbaarheid van personeel. Als er niets verandert, moet op termijn maar liefst een derde van de beroepsbevolking in de zorg werken. Dat is waarschijnlijk niet haalbaar, en als het al zou lukken heeft dat een enorme impact. Daar bovenop blijkt dat de ondersteuning die wordt geboden niet altijd effectief is. Drie beïnvloedbare factoren die sterk bijdragen aan overbelasting Door de vele wetten, partijen, afspraken en historisch gegroeide gebruiken is het niet gemakkelijk de overbelasting te verminderen. Maar het verleden leert ons dat verandering wel degelijk mogelijk is. Om de situatie goed in beeld te krijgen en als gemeente duidelijk in beeld te krijgen waar we invloed hebben, is een grondige analyse gemaakt. Die heeft geleid tot een focus op drie factoren.
Deze factoren dragen bij aan de druk op het systeem, en zijn tegelijk beïnvloedbaar. 1. Factor één is dat momenteel op onderdelen onnodig zelfzorg en samenzorg (met samenzorg bedoelen we zorg door familie en andere naasten) wordt ontmoedigd. Hiervan is sprake bij overaanbod: er wordt dienstverlening aangeboden die niet persé nodig is. Dit vermindert de prikkel om zaken zelf of in samenwerking met familie en andere naasten op te pakken. 2. Factor twee is de focus op specialistische ondersteuning. Er wordt op dit moment vaak vanuit gegaan dat mensen één of meer duidelijke problemen hebben die met gespecialiseerde hulp opgelost moeten worden. Daar tegenover staat dat andere en meer basale en meer nabije vormen van ondersteuning vermoedelijk ook kunnen volstaan of zelfs passender zijn. 3. Factor drie is de vermindering van het particuliere initiatief, dat is hulp van mensen aan anderen die geen familie of naasten zijn. Dat de rol van de civil society is verminderd, hangt samen met het feit dat de overheid veel dienstverlening biedt, en met de mate waarin er actief een appel wordt gedaan op de samenleving. Overigens is dit particuliere initiatief in Alblasserdam momenteel zeker niet afwezig, en dat waarderen we zeer. Drie speerpunten Uit deze analyse volgen drie speerpunten. Deze geven richting aan hoe we het sociaal domein willen invullen.
Elk van de speerpunten is een antwoord op één van de factoren. 1. We zetten meer in op een toename van zelfredzaamheid en onderlinge steun binnen het eigen netwerk. Dit betekent onder meer dat er in gevallen waar het gaat om pech en ongemak die gewoon bij het leven horen, er geen ondersteuning vanuit de overheid wordt geboden. 2. Waar passend zetten we nog meer in op ontwikkelingsgerichte ondersteuning. Deze is ondersteuning gericht op het leren omgaan met problemen. Dit maakt het mogelijk om dure specialistische ondersteuning te verminderen, ten gunste van andere en meer 3
nabije vormen van ondersteuning. Zoals duidelijk wordt uit de visie vergt dit speerpunt een sterke lokale sociale basis, en actieve inzet van de gemeente om die te beschermen, uit te breiden, of daarin samen met anderen aanpassingen door te voeren. Denk bij die sociale basis aan uiteenlopende zaken als voldoende lokale ontmoetingsplekken, een gevarieerd en toegankelijk aanbod van activiteiten en een andere werkwijze van huisartsen. 3. Het derde speerpunt is ‘vanuit de samenleving’. We zetten erop in dat meer ondersteuning invulling krijgt door ondersteuningsinitiatieven vanuit de samenleving die gericht zijn op ‘niet-naasten’. Wat betekent het concreet Aan het einde van de visie geven we een indruk van concrete beleidsmatige veranderingen die in lijn zijn met de speerpunten. Om een tipje van de sluier op te lichten: het betreft onder meer het behouden en versterken van de lokale participatieplekken, het inzetten van basale en nabije alternatieven voor specialistische jeugdhulp en het verder ontwikkelen van de al bestaande lokale vrijwillige vervoersvoorziening.
4
Voorwoord Een lokale visie op het sociaal domein We voelen het aan alle kanten: onze verzorgingsstaat is waardevol, maar niet toereikend, niet houdbaar en niet betaalbaar. Van verjaardagsborrel tot formatietafel; overal wordt erover gesproken. “Is er straks nog voldoende zorg als ik oud ben?” “Het is schandalig dat er in ons land zoveel daklozen zijn.” “Door het eigen risico in de zorg gaan mensen zorg mijden.” Overheden staan voor bijna onmogelijke keuzes. Terwijl de kosten in het sociale domein blijven stijgen, is er ook geld nodig voor het verdedigen van ons land. En dit gesprek is al jaren gaande. Dat er iets moet veranderen is duidelijk De situatie is complex. Het risico bestaat dat als je op de ene plek maatregelen neemt, de meerkosten als water in een waterbed naar de andere kant rollen. Daarom is deze visie gebaseerd op een omvangrijke analyse. Wat is er precies gebeurd, hoe zit de verzorgingsstaat in elkaar, waar kunnen we niets aan doen en waar kunnen we wél iets aan doen. Want dat er iets moet veranderen, is duidelijk. Hoe blijven we voor onszelf en elkaar zorgen Raad en college hebben stevige financiële uitdagingen waarbij de uitgaven voor het sociaal domein een grote rol spelen.
Nu er minder geld beschikbaar is, we ouder worden en onze jeugd in een complexe samenleving opgroeit, moeten we bepalen op welke manier we toch goed voor onszelf en elkaar kunnen blijven zorgen en wat de rol van de overheid daarbij is. Drie speerpunten Wat kunnen we doen om van koers te veranderen? Uit de analyse komen drie belangrijke oorzaken voor de overbelaste verzorgingsstaat naar voren. Deze oorzaken zijn te beïnvloeden. We zien ook drie speerpunten die de toekomstige beweging mogelijk maken. Ze geven houvast en sturing bij het bepalen van de toekomstige inrichting van het lokaal sociaal domein. In deze visie staan deze speerpunten omschreven. Het werken aan de speerpunten betekent dat er op onderdelen meer van mensen zelf en van de samenleving wordt gevraagd. Maar hier krijgen ze ook iets voor terug: regie, ruimte voor eigen keuzes en betekenisvolle relaties. En de speerpunten betekenen niet alleen dat we een stap terugdoen, maar ook dat we investeren in wat we in deze visie de sociale basis noemen. De visie biedt een kompas om toekomstige keuzes mee te maken. Het inspireert, geeft richting, en is een volgende stap in hoe we er met elkaar voor zorgen dat iedereen een zo zelfstandig en volwaardig mogelijk bestaan leidt. We kunnen en moeten de omslag maken We zijn ervan overtuigd dat het anders kan. In de afgelopen jaren hebben we ook gezien dat het anders moet.
En we wensen ons allemaal toe dat we deze omslag kunnen maken zodat oog hebben voor elkaar gewoon is en bereikbaar blijft in Alblasserdam. College van burgemeester & wethouders
5
1. Inleiding 1.1 Uitvoering van de drie decentralisaties De decentralisaties in het sociaal domein zijn ruim tien jaar geleden van start gegaan. Vanaf 1 januari 2015 traden namelijk drie wetten in werking die het lokale niveau veel verantwoordelijkheid geven. Dit zijn de Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 en de Jeugdwet. De Participatiewet en de Wmo 2015 breidden bestaande taken van gemeenten verder uit. De grootste verandering kwam door de Jeugdwet. Voor 2015 hadden gemeenten hierin een beperkte rol. Sindsdien zijn zij verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp, voor jeugdbescherming en voor jeugdreclassering. Regionale organisaties Het was destijds een forse opgave om alle nieuwe taken georganiseerd te krijgen. Maar het is gelukt. In de uitvoering van de taken is een grote rol weggelegd voor de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) en Dienst Gezondheid en Jeugd (DG&J), die beide op regionaal niveau opereren. De SDD voert taken uit op het gebied van de Participatiewet en de Wmo. Hierbij geldt dat ze bij de Participatiewet een uitvoerende rol hebben. Ze voert inkomenszekerheidsregelingen, zoals de bijstand, uit en helpt mensen met een bijstandsuitkering om meer mee te doen in de samenleving. Voor de Wmo is ze vooral een inkooporganisatie: na het vaststellen van de indicatie zorgt ze ervoor dat de juiste maatwerkvoorzieningen worden uitgevoerd.
Het zijn de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagbesteding, woonvoorzieningen en vervoer. De uitvoering gebeurt door partijen zoals Aafje, Actief Zorg B.V., Tzorg en Vlijtig Liesje Thuishulp (huishoudelijke ondersteuning) en Rivas, Waardeburgh, Werkvisie de Hoop, Yulius en Zorgboerderij de Molenhoeve (dagbesteding). De Dienst Gezondheid & Jeugd (DG&J) houdt zich bezig met het het leveren van jeugdhulp. Zij koopt deze hulp in bij verschillende aanbieders. Daarnaast houdt DG&J zich bezig met publieke gezondheid (via GGD ZHZ), de handhaving van de leerplicht en het tegengaan van voortijdig schoolverlaten (via LVS ZHZ). Ook is DG&J verantwoordelijk voor de aanpak van huiselijk geweld en mishandeling van kinderen en ouderen (via Veilig Thuis). Lokale voorzieningen Er zijn ook lokale organisaties actief in het sociaal domein. Vanaf 2022 zijn verschillende partijen gevestigd in het Brughuis.
Sinds 1 januari 2026 zijn drie kernpartijen van het Brughuis samengegaan: het voormalige Stichting Jeugdteams (verzorgt taken als het bieden van toegang, het analyseren van de vraag, het opstellen van een perspectiefplan en het toeleiden naar jeugdhulp), Stichting De Sociale Basis (uitvoeren maatschappelijk werk en ondersteuning en begeleiding aan kwetsbare inwoners) en de Stichting Welzijn Alblasserdam (verzorgt brede variëteit aan welzijnsactiviteiten en -ondersteuning en geeft invulling aan Bureau Sociaal Raadslieden). Een vierde organisatie die actief is in het Brughuis is het zojuist genoemde Jong JGZ. Verder is het Brughuis een werkplek voor medewerkers van de Sociale Dienst die lokaal actief zijn. Daarnaast biedt het Werkcentrum in het Brughuis een variëteit aan dienstverlening aan werkgevers en werknemers. Naast het Brughuis zijn er diverse andere lokale organisaties actief. Verschillende daarvan werken voor een groot deel of volledig met vrijwilligers. Denk daarbij onder meer aan
6
SchuldHulpMaatje, de Voedselbank, en aan het Odensehuis dat per eind 2022 in Alblasserdam is gevestigd.
1.2 Zorgen en uitdagingen Er is dus een rijk palet aan organisaties die zich bezighouden met ondersteuning in het sociaal domein. Dat neemt echter niet weg dat er ook zorgen en uitdagingen zijn. En deze zijn niet gering. Systeem raakt overbelast Wat het meest opvalt is dat de vraag naar zorg en ondersteuning enorm is toegenomen. Zo blijkt uit een ambtelijke monitor dat het aantal mensen met huishoudelijke hulp sinds 2019 met 25 procent is gestegen (van 475 naar 593). Het aantal inwoners dat gebruikmaakt van Wmodagbesteding is zelfs verdubbeld (van 29 naar 64). Vanwege de vergrijzing zal dit bij ongewijzigd beleid nog fors toenemen. Daarnaast valt op dat er een enorme toename is van het aantal jongeren dat gebruikmaakt van jeugdhulp. Een belangrijk deel van de groei vond plaats vóór de decentralisaties. Zo ging het landelijk in 2000 om 1 op de 27 jongeren. In 2015 was dit meer dan twee keer zoveel: 1 op de 12 (Teisman, 2024: 21; Bakker, 2025). Na de decentralisaties is de groei doorgegaan. Ondertussen gaat het landelijk – en ook in Alblasserdam – om ongeveer 1 op de 9 jongeren. Dit leidt er ook toe dat de hoeveelheid middelen die naar het sociaal domein gaan, enorm zijn gegroeid.1 Ter relativering kan worden opgemerkt dat ook in andere gemeenten de kosten sterk zijn gestegen. Maar dat neemt niet weg dat de toename erg groot is.
Dit heeft gevolgen voor andere gemeentelijke uitgaven. Geld dat naar het sociaal domein gaat, kan immers niet aan andere zaken worden besteed. Dat is extra vervelend in een periode van financiële krapte. De groei van de zorgvraag heeft ook ingrijpende gevolgen voor de behoefte aan personeel. In dat verband merkt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in haar rapportage ‘Kiezen voor houdbare zorg’ (2021) over de zorg in den brede, waar ook de Wmo en jeugdhulp onder vallen, het volgende: “gegeven de toenemende zorgvraag (en de stagnerende groei van de beroepsbevolking) zou, onder redelijke aannames, over veertig jaar één op de drie werknemers in de zorg moeten werken, vergeleken met één op de zeven nu” (2021: 11). Dit is problematisch. Dit niet in het minst omdat het, aldus de WRR, “leidt tot competitie om schaars personeel met andere (publieke) sectoren, tot tekorten in die sectoren en daarmee waarschijnlijk ook tot druk op de competitiviteit van de economie” (2021:11). Ondersteuning kan beter In het sociaal domein wordt met veel deskundigheid en inzet elke dag veel bereikt. Dat neemt niet weg dat er ten aanzien van de geboden ondersteuning ook nog van alles voor verbetering vatbaar is.
Zo hebben veel bijstandsgerechtigden, landelijk, en ook bij ons, te maken gehad met dienstverlening die gebaseerd is op wantrouwen, en die geen rechtdoet aan de problemen waarmee ze te maken hebben. Volgens emeritus-hoogleraar Teisman worden in de jeugdzorg te veel jongeren niet geholpen, maar juist verder beschadigd (2024:21). Aansluitend hierbij merken diverse rapporten (bijv. Plaisier e.a., 2025) op dat de doelen van de decentralisaties zeker nog niet zijn behaald. #In de definitieve versie en BIO geven we cijfermatig inzicht in de kostentoename in de afgelopen 10 jaar, die we dan uitsplitsen naar de drie beleidsterreinen inkomenszekerheid en participatie, Wmo en jeugdhulp. 1
7
1.3 Drie speerpunten De zorgen en uitdagingen vragen om duidelijke keuzes. Deze visie biedt daarbij inspiratie en richting. We gaan dan ook bewust niet uitgebreid in op alle afzonderlijke onderdelen van het sociaal domein. In plaats daarvan werken we drie speerpunten uit. Die geven namelijk richting aan waar we in het sociaal domein op willen inzetten. Het uitwerken van speerpunten vergroot ook de kans dat de visie wordt herkend en ondersteund door de mensen die ermee aan de slag moeten. Voor elk van de speerpunten geldt dat ze een antwoord zijn op overbelasting van het systeem. Tegelijkertijd zorgt het werk maken van de speerpunten ervoor dat de ondersteuning op onderdelen beter wordt. De drie speerpunten zijn: ‘zelfredzaamheid en onderlinge steun’, ‘ontwikkelingsgericht’ en ‘vanuit de samenleving’. De speerpunten zijn gebaseerd op een grondige analyse van de oorzaken van overbelasting. Uit onder meer historische voorbeelden wordt duidelijk gemaakt dat die oorzaken beïnvloedbaar zijn.
1.4 Opbouw In hoofdstuk 2 maken we eerst duidelijk dat we de kern van de verzorgingsstaat steunen. Vervolgens gaan we in op drie oorzaken voor de grote druk op het systeem. Het gaat om oorzaken waar we als gemeente invloed op hebben, en die de basis zijn voor onze speerpunten. De speerpunten zelf staan omschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 beschrijven we een vertaling van de speerpunten naar beleidsmatige aanpassingen. Zo geven we een beeld van het effect van de speerpunten voor de praktijk.
8
2. Drie factoren die sterk bijdragen aan overbelasting In dit hoofdstuk beschrijven we drie belangrijke oorzaken van de overbelasting van het systeem. Oorzaken die te beïnvloeden zijn. De oorzaken zijn ontmoedigen van zelf- en samenzorg (paragraaf 2.1), focus op specialistische ondersteuning (paragraaf 2.2), en ontmoedigen van particulier initiatief (paragraaf 2.3). De omschrijving van deze oorzaken betekent geen afscheid van het ideaal van de verzorgingsstaat. We zijn ervan overtuigd dat het belangrijk is dat de verzorgingsstaat er kwam en er is. Voordat we ingaan op de drie factoren werken we dat kort uit. Het succes van de verzorgingsstaat Het feit dat er een verzorgingsstaat is, hangt sterk samen met de industrialisering die de tweede helft van de 19e eeuw vorm begon te krijgen (Kuhnle en Sander, 2012: 63). De industrialisering leidde tot grote sociale problemen. Denk aan kinderarbeid en aan armoede en belabberde woonomstandigheden voor grote delen van de bevolking. Er was wel veel particulier initiatief – en dat beschouwen we als waardevol – maar het volstond niet meer. In reactie op de grote sociale problemen ontstond de verzorgingsstaat. De ontwikkeling ervan ging einde 19e en eerste helft 20e eeuw nog langzaam, maar in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog snel.2 Er traden in die decennia veel belangrijke wetten in werking.
Daartoe behoren de Algemene Ouderdomswet (AOW) (1957), de Bijstandwet (1965), die vanaf het begin door gemeenten werd uitgevoerd; de Wet Arbeidsongeschiktheid (WAO) (1967) en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) (1968) (WRR, 2006: 40, 42, 68, 116). De genoemde wetten zijn sociale verzekeringswetten. Ze geven invulling aan de verzekeringsfunctie van de verzorgingsstaat, die als de kernfunctie kan worden beschouwd. Verder was in deze decennia ook sprake van uitbreiding van jeugdzorg, maatschappelijk werk en welzijnswerk (WRR, 2006: 24, 29, 49). De verzorgingsstaat die in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan – niet alleen in Nederland, maar ook elders – beschouwen we als een succes. De omstandigheden van grote delen van de bevolking zijn hierdoor enorm verbeterd. Zo is ook een belangrijke potentiële bron van sociale onrust weggenomen. Verder heeft het mensen enorme mogelijkheden gegeven zichzelf te ontplooien. Ook is gebleken dat een uitgebreid sociaal stelsel economische vooruitgang niet hoeft te belemmeren. Overbelasting We zien de verzorgingsstaat dus als een succes. Maar er is meer. Het systeem staat immers (zie inleiding) ook sterk onder druk (WRR, 2006: 160; Nullmeijer en Kaufmann, 2006: 81). Als gemeente kunnen we op veel van de oorzaken die hebben geleid tot deze toenemende druk geen sterke invloed uitoefenen.
Denk daarbij aan economische en/of financiële crises (leidt tot toename beroep op sociale zekerheid) aan vergrijzing (leidt tot toename beroep op Wmo-voorzieningen) en aan culturele veranderingen (kan leiden tot toename van gebruik van onder meer jeugdhulp). Tegelijkertijd kunnen we als gemeente wel degelijk iets doen. Daarom gaan we in op drie belangrijke factoren die bijdragen aan overbelasting waar we wel wat mee kunnen. Dat er juist toen zo’n sterke uitbouw plaatsvond hangt samen met het feit dat na de Tweede Wereldoorlog breed de analyse werd gedeeld dat specifiek de heftige economische crisis in de jaren ’30 en sociale ontwrichting waartoe dat leidde, mede voedingsbodem was voor de stijgende populariteit van het nationaalsocialisme (Nullmeier en Kaufmann, 2012: 84-85). 2
9
2.1 Ontmoedigen zelf- en samenzorg Hoe werkt het Een eerste belangrijke oorzaak van overbelasting is dat dienstverlening mensen soms minder stimuleert om zichzelf of familie en naasten te helpen. De belangrijkste oorzaak hiervan is misschien wel overaanbod. Er wordt dan dienstverlening aangeboden die niet persé nodig is gelet op de potentie van de cliënt om er zelf of samen met familie en naasten uit te komen. Doordat de dienstverlening toch aangeboden wordt, vermindert dat de prikkel om zaken zelf of in samenwerking met naasten op te pakken. Dat dit mechanisme bestaat blijkt uit de geschiedenis van de verzorgingsstaat. Zo had de vroegere Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die lage toegangsdrempels had, als gevolg dat sommigen wel erg makkelijk stopten met werken. Eind 1990 telde Nederland dan ook bijna 900.000 mensen die ziek thuis zaten en een WAO-uitkering genoten. Toenmalig premier Lubbers deed in dat verband de veel geciteerde uitspraak “Nederland is ziek”. Op andere manieren is het mechanisme ook terug te zien in Wmo en jeugdhulp. Dit mechanisme lijkt momenteel ook sterk te spelen in de jeugdhulp.
Zo merkt de Jeugdautoriteit op dat er een toename lijkt te zijn van partijen die zich richten op lichte vormen van zorg, zoals ondersteuning bij opvoedproblemen of hulp bij het omgaan met angst of stress (Jeugdautoriteit, 2025: 7).3 Die toename lijkt te hebben gezorgd voor een toename van vraag naar betreffende ondersteuning (Jeugdautoriteit, 2025: 7). In dit verband signaleert Tine Molendijk (NRC, 2025) dat momenteel bij velen de neiging bestaat met elkaar herhaaldelijk en uitgebreid negatieve ervaringen en emoties te bespreken, als ook dat woorden als depressie en trauma makkelijk in de mond worden genomen. Volgens haar leidt dit ertoe dat mensen hun problemen buiten zichzelf leggen. Daardoor zien zij minder mogelijkheden om zelf verantwoordelijkheid te nemen of in actie te komen. Waarom het bijdraagt aan overbelasting De ontmoediging van zelf- en samenzorg betekent dat er dienstverlening wordt geboden aan mensen die het in potentie zonder of met minder ondersteuning af kunnen. Dat betekent dat er meer ondersteuning wordt geboden dan nodig is. Dat leidt tot toename van gebruik van het systeem. Bovendien gaat er iets waardevols verloren. Denk aan de voldoening die het geeft om zelf iets te kunnen doen (autonomie en zelfredzaamheid). Bijsturing is mogelijk Het ontmoedigen van zelf- en samenzorg kan worden bijgestuurd. Opnieuw is de sociale zekerheid een goed voorbeeld.
Daarin zijn sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw grote wijzigingen in zijn doorgevoerd: van primair inkomensondersteuning (passief) naar het stimuleren van (her)intreding op de arbeidsmarkt (actief). Hiervoor is het recht op sociale zekerheid gekoppeld aan de plicht zich actief in te spannen om (weer) te gaan werken. Concrete elementen zijn de sollicitatieplicht en het accepteren van werk. Deze grote aanpassingen aan de sociale zekerheid
Passend bij het grote geloof in het marktmechanisme dat vanaf de jaren ’80 onder de kabinetten Lubbers opkwam, wordt veel ondersteuning in het sociaal domein ingekocht op basis van aanbestedingen. Het aantal partijen waarbij ondersteuning wordt ingekocht is hoog. Binnen de Drechtsteden alleen zijn al ongeveer 130 verschillende jeugdhulpaanbieders gecontracteerd voor het bieden van jeugdhulp (Serviceorganisatie Jeugd ZHZ, n.d.). 3
10
hebben effect gehad. Bijvoorbeeld omdat nu veel meer wordt beseft dat het ontvangen van een uitkering ook de plicht betekent om een baan te aanvaarden (bijv. Beerepoot e.a. 2023). Dat er meer gestuurd kan worden op het zelf of samen met naasten actief zaken oppakken, blijkt ook uit veranderingen in beleid met betrekking tot het huisvesting van ouderen. Al langere tijd wordt langer thuis wonen gestimuleerd.4 Deze verandering lijkt echt geland te zijn in de samenleving. Zo was eind 2025 in het nieuws dat ondanks de vergrijzing de wachtrijen voor verpleeghuizen fors zijn gedaald. Caro Verlaan, directeur van een zorgkantoor, constateerde in dit verband dat “de ‘mindset’ van Nederlanders aan het veranderen is: “We maken andere keuzen over de kwaliteit van leven, waarbij we het belangrijker vinden om in de eigen omgeving te blijven, dan om continu gepamperd te worden.” (Van der Geest, 2025). Verder valt op dat er in onze gemeente al veel omzien is naar elkaar. En door de vergrijzing hebben meer mensen tijd hebben. Dit laatste betreft bovendien een generatie die relatief veel uren besteedt aan vrijwilligerswerk (Bekkers en Van Teunenbroek, 2020: 33).
2.2 Focus op specialistische ondersteuning Hoe werkt het Een tweede oorzaak van de hoge druk op het systeem is dat veel ondersteuning bestaat uit gespecialiseerde hulp. Vaak wordt ervan uitgegaan dat mensen een duidelijk afgebakend probleem hebben dat met specialistische behandeling kan worden opgelost. Zo worden gevoelens van angst en somberheid bij jongeren regelmatig aangepakt met individuele behandeltrajecten. Door deze sterke focus op specialistische hulp blijven eenvoudigere en meer algemene oplossingen vaak onderbelicht. De focus op specialistische ondersteuning valt niet los te zien van het feit dat de verzorgingsstaat is uitgebouwd in de naoorlogse decennia. Dat was immers een periode waarin het klassiek professionalisme5 hoogtij vierde. De toename van marktwerking heeft de focus op specialistische ondersteuning niet wezenlijk verandert. Uitvoerende partijen bij wie zorg wordt ingekocht richten zich immers meestal op specifieke producten of doelgroepen. In de Wmo is de focus op specialistische ondersteuning zichtbaar doordat het gros van de ondersteuning valt onder afgebakende specifieke voorzieningen (zogeheten maatwerkvoorzieningen6), waarvoor een indicatie nodig is.
En in de jeugdhulp is het gebruikelijk om de hulpvraag op te knippen in deelproblemen, waar vervolgens verschillende expertises aan worden gekoppeld, zoals een jeugdhulpverlener, een ouderbegeleider, een psycholoog en een schoolondersteuner.
Wat betreft dat stimuleren is 2013 een belangrijk jaar. Want vanaf dat jaar vallen mensen met een Zorg Zwaarte Pakket (ZZP) 1 t/m 3 indicatie niet meer onder de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz), waardoor opvang in een verzorgingshuis voor hen niet meer mogelijk is (Actiz, 2023). Aansluitend daarbij worden gemeenten al langere tijd gestimuleerd tot het treffen van voorzieningen die langer thuis wonen faciliteren. De Wmo 2015 is een kernonderdeel van het huidige juridisch kader. 5 Professionals werden gezien als kennisdragers die problemen konden identificeren en oplossen. En dit professionalisme ging al uit van afgebakende probleemgebieden (zie bijvoorbeeld Wilensky, 1964). 6 Zoals in de inleiding omschreven zijn maatwerkvoorzieningen die door de SDD worden geboden huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagbesteding, woonvoorzieningen en vervoer. 4
11
Waarom het bijdraagt aan overbelasting De focus op specialistische zorg leidt tot veel druk op het systeem. Dit omdat de ondersteuning vaak intensief, duur en langdurig is. Ook brengt de fragmentatie allerlei administratieve last met zich mee voor zowel inwoners als uitvoeringsorganisaties. Bovendien is de effectiviteit niet altijd hoog. In dit verband wijzen we opnieuw naar de uitspraak van emeritus-hoogleraar Teisman (2024: 21), die opmerkt dat er in de jeugdhulp veel te veel jongeren zijn die niet worden geholpen, maar juist verder beschadigd raken. Bijsturing is mogelijk Ook aan de focus op specialistische ondersteuning kan wat worden gedaan. Om dat te onderbouwen kan niet verwezen worden naar bekende voorbeelden. Dit komt vooral doordat veel van deze aanpakken nog vrij nieuw zijn. Op casusniveau is er wel bewijs beschikbaar. Zo vertelt deskundige Wienen (20247) over een project waarbij het aanpakken van angst en depressiviteit onder jongeren bewust anders is aangepakt dan het toepassen van individuele behandelingstrajecten. In plaats daarvan is ruimte en tijd gecreëerd voor echt contact met leerkrachten en tussen jongeren onderling. Daarmee zijn positieve resultaten behaald.
2.3 Afbreuk particulier initiatief Hoe werkt het Tot slot noemen we het afnemen van de rol van de civil society als een oorzaak van overbelasting. We bedoelen afname van hulpinitiatieven aan mensen die men niet persoonlijk kent. De afname van het particulier initiatief is duidelijk te zien tijdens de fase waarin de verzorgingsstaat werd uitgebouwd. Daaraan voorafgaand werd er namelijk veel armenzorg georganiseerd door particuliere liefdadigheidsinstellingen en door kerken (diaconieën en caritas-instellingen). Er waren armenfondsen, hofjes en gasthuizen, en er werd onder meer voedsel, kleding en brandstof verstrekt. Maar tijdens de uitbouw van de verzorgingsstaat werden veel particuliere initiatieven op de rijksbegroting ondergebracht (Schuyt, 1991) ofwel verstatelijkt. Of ze verloren rol en betekenis. Hiermee hebben we een belangrijke oorzaak te pakken van hoe particulier initiatief kan verminderen: toename van het aanbod van de verzorgingsstaat vermindert de prikkel tot particulier initiatief. Waarom het bijdraagt aan overbelasting De vermindering van particulier initiatief zorgt voor extra druk op het overheidssysteem. Want doordat mensen elkaar minder helpen, moet de overheid meer doen. En ook hier gaat er iets waardevols verloren. Bijdragen aan ondersteuning van de samenleving geeft mensen namelijk het gevoel dat ze een zinvolle bijdrage leveren en nuttig bezig zijn.
Bovendien heeft particulier initiatief z’n eigen unieke kwaliteiten. De toegepaste kennis is vaak gebaseerd op (eigen) ervaring, en deze initiatieven kunnen sneller, flexibeler en nabijer werken dan formele organisaties. Bijsturing is mogelijk Deskundige Bert Wienen tijdens een bijeenkomst van het Netwerk met andere Ogen op 20 juni 2024. Bron is het verslag van de bijeenkomst. 7
12
Maar ook deze beweging is niet onherroepelijk of onomkeerbaar. Zo zijn er in afgelopen decennia nieuwe particuliere initiatieven ontstaan, ook in onze gemeente. Belangrijke voorbeelden zijn De Voedselbank, SchuldHulpMaatje en het Odensehuis. Over specifiek onze gemeente valt op te merken dat er verschillende vrijwillige ondersteuningsvormen zijn die goed functioneren, ook qua aanbod van vrijwilligers. En in gesprekken met geloofsgemeenschappen merken we dat er interesse is in hoe ze hun rol in het sociaal domein kunnen laten toenemen.
13
3. De drie speerpunten In het vorige hoofdstuk hebben we drie belangrijke oorzaken omschreven voor waarom de verzorgingsstaat overbelast raakt. Ook is duidelijk gemaakt dat bijsturing mogelijk is. In dit hoofdstuk formuleren we ons antwoord hierop. Dit gebeurt aan de hand van drie speerpunten. Dit zijn ‘zelfredzaamheid en onderlinge steun’, ‘ontwikkelingsgericht’ en ‘vanuit de samenleving’. Elk van die speerpunten is een reactie op één van de oorzaken. Samenhang oorzaak en speerpunt in schema Oorzaak overbelasting ontmoedigen zelf- en samenzorg focus op specialistische ondersteuning afbreuk doen aan particulier initiatief
Bijpassend speerpunt zelfredzaamheid en onderlinge steun ontwikkelingsgericht vanuit de samenleving
Voor de eerste twee speerpunten geldt dat het doelen zijn van de ondersteuning in het sociaal domein. We beogen dus dat meer dan nu zelfredzaamheid toeneemt en/of dat inwoners zich meer samen met hun naasten weten te redden. En we beogen dat, meer dan nu, de ondersteuning leidt tot ontwikkeling. Het derde speerpunt is niet zozeer een doel van de ondersteuning, maar heeft betrekking op de organisatie van het sociaal domein. We beogen dat in die organisatie de rol van de samenleving nog groter wordt. De manier waarop de speerpunten het best toegepast kunnen worden in de praktijk is voor een groot deel afhankelijk van hoe het betreffende domein (inkomenszekerheid en participatie, maatschappelijke ondersteuning en welzijn en ten slotte jeugdhulp) er nu voor staat. Dit punt wordt meegenomen in het volgende hoofdstuk. Hieronder werken we de speerpunten nader uit. Daarbij hebben we ook aandacht voor wat het waarmaken van het speerpunt van ons als gemeente vraagt.
3.1 Speerpunt zelfredzaamheid en onderlinge steun We waken ervoor dat er onvoldoende appel wordt gedaan op de zelfredzaamheid van inwoners en hun netwerk. Waar mogelijk zorgen we ervoor dat de zelfredzaamheid juist wordt vermeerderd.
Kenmerken van het bijhorend type ondersteuning • • •
•
In gevallen waar het gaat om pech en ongemak die gewoon bij het leven hoort en mensen eigenlijk voldoende zelfredzaam zijn, geen ondersteuning bieden. Bij het toewijzen van ondersteuning, zorgvuldig in kaart brengen waar de cliënt zelf en samen met zijn omgeving toe in staat is, en dus niet meer ondersteunen dan nodig. Bevorderen dat ondersteuning wordt geboden die is gericht op het weer meer zelf kunnen. Voor de Wmo betekent dit bijvoorbeeld dat we, waar mogelijk, geen huishoudelijke ondersteuning aanbieden, maar mensen helpen hun huishouden weer zelf te regelen. En het betekent dat we in situaties van langdurige ondersteuning kijken of afschalen mogelijk is. Er niet vanuit gaan dat lichte ondersteuning altijd preventief werkt. Lichte ondersteuning kan in bepaalde situaties namelijk zelfredzaamheid en onderlinge steun belemmeren (zie ook Divosa, 2018 en Jeugdautoriteit, 2025: 12).
14
Wat betekent dit voor ons Bewust begrenzen Herbeoordelen of en welke ondersteuning we voor wie aanbieden. In het traject in aanloop naar de perspectiefnota en begroting 2026 is wat dit betreft al veel gebeurd. Lokaal en regionaal Het helpt dat het Brughuis fungeert als lokale toegang tot het sociaal domein. Dit stelt ons in staat te sturen op of er ondersteuning wordt ingezet en zo ja welke. We zullen veel aandacht moeten geven aan deze sturing. Denk bijvoorbeeld aan het zorgvuldig bepalen wanneer ondersteuning niet nodig is, omdat het gaat om tegenslagen en ongemakken die bij het leven horen, en wanneer ondersteuning wél nodig is vanwege ernstigere problemen. Het werken aan dit speerpunt maakt het soms nodig om ondersteuning die nu bij regionale organisaties is belegd lokaal te organiseren. Werken op grotere schaal leidt namelijk relatief vaker tot standaardoplossingen. Dat maakt het lastiger om aan te sluiten bij de persoonlijke situatie, het netwerk of de buurt van inwoners. Tegelijkertijd is het niet altijd nodig om ondersteuning lokaal te organiseren: het kan voldoende zijn om de opdracht aan regionale organisaties aan te passen. Elkaar vasthouden Ondersteuning die past bij dit speerpunt kan tot ontevredenheid leiden. Bijvoorbeeld omdat er minder specialistische dienstverlening wordt geboden dan waar iemand recht op meent te hebben.
Denk aan een situatie waarbij een jongere niet wordt doorverwezen naar specialistische hulp omdat het betreffende gedrag van hun kind er gewoon bij hoort in die levensfase. Het is van belang dat als ouders dan ontevredenheid uiten we onze koers niet direct aanpassen, maar de afgesproken koers blijven varen. Goede communicatie hierover en over de andere speerpunten is nodig.
3.2 Speerpunt ontwikkelingsgericht Hierbij gaat het om het laten toenemen van ondersteuning die niet zozeer uitgaat van genezen of van oplossen, maar van ontwikkeling. Die ontwikkeling betekent onder meer groei in aanpassings- en regievermogen. Een sterke lokale sociale basis is hiervoor van belang. Die basis bestaat onder meer uit lokale ontmoetingsplekken, toegankelijke activiteiten en verenigingen. De basis heeft verder ook betrekking op de werkwijze van scholen en huisartsen en de inzet van ervaringsdeskundigen. Een sterke lokale sociale basis maakt het mogelijk de inzet van specialistische ondersteuning te verminderen, en in plaats daarvan de lokale sociale basis in te zetten. Een sterke lokale sociale basis heeft ook nog eens een preventieve functie. Het draagt namelijk bij aan een dagelijks leven waarin mensen zich gesteund voelen, betekenis ervaren en zelf de regie houden. Dat versterkt hun veerkracht.
Kenmerken van het bijhorend type ondersteuning •
Een concreet voorbeeld van dit type ondersteuning is te vinden in het vorige hoofdstuk: angst en depressiviteit onder jongeren op een school niet aanpakken met potentieel dure en langdurige individuele behandeltrajecten door specialisten, maar door ruimte en
15
•
• • •
tijd te creëren voor echt contact met leerkrachten en tussen jongeren onderling (Wienen, 2024). Werken vanuit een brede kijk op gezondheid, á la het principe van positieve gezondheid. Daarbij is aandacht voor zaken als dagelijks functioneren, sociale relaties, meedoen en zingeving. Verder wordt er niet zozeer uitgegaan van beperkingen, maar van wat iemand al kan, wat iemand nog kan leren en welke context daarbij past. Bij het voorzien in ondersteuning voor inwoners minder gebruikmaken van specialistische ondersteuning en meer van de lokale sociale basis. Een beperkte rol voor specialistische professionals en juist een kernrol voor generalisten en welzijnscoaches. Nauw aansluiten bij de situatie van de persoon: er wordt bekeken wat er nodig is ervoor te zorgen dat iemand zich voldoende verder kan ontwikkelen, op een manier die bij hem/haar past.
Wat betekent dit voor ons Koesteren en bevorderen van de lokale sociale basis Het koesteren van de sterke lokale sociale basis die er lokaal al is. Verder kan het betekenen dat deze op onderdelen gericht wordt verstevigd of uitgebreid. Afhankelijk van de behoefte kan het daarbij bijvoorbeeld gaan over het stimuleren van scholen tot het laten toename van echt contact tussen leerlingen en het in samenspraak met ouderen realiseren van een beweegvoorziening in een wijk waar veel ouderen woonachtig zijn. Naar lokaal en in lokaal Ook voor het speerpunt ‘ontwikkelingsgericht’ is een lokale toegang van belang. Tegelijkertijd kunnen we als gemeente sturen op hoe deze toegang in de praktijk werkt. Samen zullen we zorgvuldig moeten bepalen wanneer specialistische ondersteuning passend is. Daarnaast is het nodig om te ontdekken en te leren hoe de sociale basis een grotere rol kan krijgen. Verder kan het bevorderen van dit speerpunt betekenen dat we dienstverlening voor omlijnde groepen weghalen bij een gemeenschappelijke regeling en naar lokaal verplaatsen. Het gaat dan om groepen die zijn gebaat bij ondersteuning vanuit de sociale basis in plaats van specialistische ondersteuning. Communicatie Ook over dit speerpunt is communicatie nodig. Het is immers belangrijk dat inwoners beseffen dat de toegang tot specialistische ondersteuning minder vanzelfsprekend wordt.
3.3 Speerpunt vanuit de samenleving We zetten erop in dat de rol van bestaande hulpinitiatieven vanuit de samenleving aan mensen die men niet persoonlijk kent, wordt vergroot, en dat nieuwe initiatieven opbloeien.
Kenmerken van het bijhorend type ondersteuning • • •
De motivatie voor ondersteuning vanuit de samenleving is vaak gebaseerd op waarden als solidariteit, barmhartigheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid. In plaats van professionele afstand een meer informele verhouding tot de doelgroep. De inhoud van de ondersteuning is vaak materieel en/of concreet. 16
• • •
Toegepaste kennis is vaak ervaringsgericht. Ondersteuning is vaak relatief weinig bureaucratisch. De initiatieven kunnen relatief snel van kunnen veranderen, verdwijnen en opbloeien. Dit hangt samen met het feit dat de dienstverlening bovengemiddeld afhankelijk is van mensen die het initiatief nemen (kartrekkers).
Wat betekent dit voor ons Bewust begrenzen Het kan voor het opbloeien van hulpinitiatieven vanuit de samenleving bevorderlijk zijn om zelf bewust bepaalde ondersteuning te verminderen of te beëindigen. Stimuleren maatschappelijke partijen We zullen bij maatschappelijke partijen (zoals verenigingen, geloofsgemeenschappen en werkgevers) onder de aandacht brengen waar nog behoefte ligt aan particulier initiatief en hen stimuleren daarin een rol te pakken. Rechtdoen aan het maatschappelijke karakter. • Tot op zekere hoogte aanvaarden dat de werkwijze niet hoeft te stroken met de gemeentelijke logica. Want maatschappelijk initiatief heeft een eigen logica. • Terughoudend zijn met vergaande (financiële) ondersteuning. Want dan wordt het al snel overheidsondersteuning in plaats van ondersteuning ‘vanuit de samenleving’. Bij initiatieven waar we een beperkte subsidie verlenen, hebben we meer invloed. Maar bij het aanwenden ervan zullen we erop moeten letten dat we rechtdoen aan de aard en inhoud van het initiatief. • Constructief meedenken over zaken waar het initiatief en de rol en mogelijkheden van de gemeente elkaar kruisen. Denk aan het faciliteren van huisvesting, het bekend maken van de dienstverlening via onze kanalen en het in verbinding brengen van initiatiefnemers. • Indien we samenwerken, doen we dat volgens het concept ‘responsieve overheid’.
Hierbij gaat de publieke organisatie niet naar buiten om eigen plannen en doelen te verkopen, maar sluit aan bij de beweging die er al is (Van Der Steen e.a., 2015; 2016).
17
4. Wat betekent het concreet In het vorige hoofdstuk hebben we het hart van de visie omschreven. In dit hoofdstuk geven we ten slotte een indruk van wat concrete beleidsveranderingen zijn die in lijn zijn met die principes. We geven die indruk voor de drie beleidsterreinen die met elkaar de kern vormen van het sociaal domein: inkomenszekerheid en participatie, Wmo en welzijn en tenslotte jeugdhulp. Zoals opgemerkt in hoofdstuk 3 is de wijze van toepassing voor een groot deel afhankelijk van hoe het betreffende beleidsterrein er nu voor staat.
4.1 Inkomenszekerheid en participatie Rol samenleving in inkomenszekerheid In onze gemeente hebben initiatieven vanuit de samenleving (zoals De Voedselbank en schuldhulpmaatje) een rol in het voorzien in bestaanszekerheid. Dit past bij het speerpunt vanuit de samenleving. Tegelijk zien we ten aanzien van inkomenszekerheid wel een belangrijke rol voor de overheid. Het voorzien in inkomenszekerheid kan namelijk als de kernfunctie van de verzorgingsstaat worden beschouwd. En inkomenszekerheid is van groot belang voor deelname aan de maatschappij. Nuchter ten aanzien van aanpak fraude Een belangrijke ontwikkeling in het domein van inkomenszekerheid en participatie heeft betrekking op het controleren op fraude. Mede als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire wordt de uitvoering hiervan soepeler. Op landelijk niveau ligt in dit verband het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid voor. Op gemeentelijk niveau wordt hier al op vooruitgelopen. Dit kan ver gaan. Zo geeft zo’n 40 procent van de handhavers in een onderzoek aan dat er in hun gemeente helemaal geen boetes meer worden opgelegd (Enneking, 2024). In deze visie is benadrukt dat beleid van de verzorgingsstaat kán leiden tot het ontmoedigen van zelf- en samenzorg. De afwezigheid van een degelijke fraudeaanpak is een factor die tot deze ontmoediging kan leiden; het maakt het wel erg makkelijk om bewust te profiteren.
Vanuit deze visie geredeneerd is het dus belangrijk om te voorzien in een robuust fraudebeleid, waarbij er geen taboe rust op het opleggen van een boete. Uiteraard moet die robuustheid wel gepaard gaan met zorgvuldigheid in de uitvoering. Activeringsbeleid: lokaal op het goede spoor Zoals geschetst in hoofdstuk 2 is vanaf de jaren ’90 in de sociale zekerheid veel aandacht voor activering. Het recht op sociale zekerheid is namelijk gekoppeld aan de plicht zich actief in te spannen om (weer) te gaan werken. Concrete elementen zijn de sollicitatieplicht en het accepteren van werk. Ook in de bijstand is activeringsbeleid doorgevoerd. Na een eerste start in 1996, ging de Wet Werk en Bijstand (WWB) uit 2004 zo ver dat activering het primaire doel werd van de bijstand. Dit kwam mede tot uiting in veelomvattende verplichtingen voor mensen in de bijstand en in een financiële prikkel van het Rijk aan gemeenten tot het investeren in uitstroom naar werk De Participatiewet 2015 was in veel opzichten een voorzetting van de WWB uit 2004. Vanuit het speerpunt zelf- en samenzorg ondersteunen we dat de sociale zekerheid in ons land veel activerender is geworden. Deze beweging was nodig, en heeft een positief effect gehad (zie ook hoofdstuk 2).
18
Maar specifiek in het domein van bijstand heeft de wijze waarop activeringsbeleid daarin invulling krijgt sterke nadelen. Dat komt omdat de Participatiewet sterk focust op verplichtingen en uitgaat van regulier werk. Dat is op zichzelf zeker niet problematisch, maar wel gelet op kenmerken van een groot deel van de doelgroep. Veel van de mensen in de bijstand hebben namelijk te maken met een combinatie van serieuze problemen (Van Echtelt e.a., 2023). Het hameren op verplichtingen en het focussen op een reguliere baan is in die gevallen niet passend en ook niet effectief.8 De landelijke wetgever realiseert zich dat ondertussen ook, en werkt mede daarom aan de Participatiewet in balans. Een verdere toepassing van het speerpunt zelfredzaamheid en onderlinge steun ligt in het domein van activering dan ook niet voor hand. Vanuit de andere twee speerpunten blijkt dat we lokaal op het goede spoor zitten qua activering. Lokaal hebben we namelijk een passend aanbod voor bijstandscliënten, waarbij nauw wordt aangesloten bij hun situatie. Een belangrijke rol hierin is er voor participatieplekken bij een variëteit aan organisaties, waaronder organisaties die sterk zijn ingebed in de samenleving. Voorbeelden van de organisaties zijn Werkvisie de Hoop, Helpende Handen en De Pion. December 2025 zijn er maar liefst 50 plekken ingevuld.
Verder zijn onlangs zogenaamde Ontwikkelplekken toegevoegd (Regioredactie, 2025). In de lokale praktijk is ook een belangrijke rol weggelegd voor Kansrijk Alblasserdam. Steeds meer inwoners met een bijstandsuitkering worden door de outreachende aanpak van dit initiatief geholpen. De lokale aanpak lijkt ook uitstekend aan te sluiten bij de Participatiewet in balans die in fases in werking gaat treden. Het lokale karakter draagt bij aan het succes. Zo zorgt het voor flexibiliteit bij bijvoorbeeld het realiseren van nieuwe participatieplekken en bij het ontwikkelen van kleinschalige projecten met partijen als De Voedselbank en de brugfunctionaris van het Nokkenwiel. En de doelgroep heeft baat bij de kleinschaligheid van de initiatieven, bij de variatie aan mogelijkheden en bij het feit dat het lokaal (dus beperkte reisafstand en herkenbaar) wordt aangeboden. De successen op lokaal niveau impliceren vervolgens dat we gereserveerd staan ten opzichte van bestaande en in het bijzonder eventuele aanvullende dienstverlening op regionaal niveau. We zijn niet bij voorbaat overtuigd van de meerwaarde. En we willen voorkomen dat we veel betalen voor dienstverlening dat weinig toevoegt voor onze inwoners.
4.2 Wmo en welzijn Zoals eerder gezegd heeft er in dit domein al een grote omslag plaatsgevonden, namelijk de omslag naar ‘langer thuis wonen’. Dit heeft zelf- en samenzorg sterk bevorderd. Maar dat neemt niet weg dat er door de vergrijzing nog serieuze uitdagingen liggen. Hier laten we zien hoe de speerpunten ons helpen daar een antwoord op te vinden. Van maatwerk naar algemeen Zoals te zien in onderstaand schema is er een sterke toename van het aantal inwoners dat gebruikmaakt van een maatwerkvoorziening. Aantal unieke klanten van maatwerkvoorzieningen per vier peildata Aantal unieke klanten per peildatum Type maatwerkvoorziening 8
01-09-2019
01-09-2021
01-09-2023
01-09-2025
Mede daarom krijgen veel mensen in de bijstand in de praktijk nauwelijks of geen ondersteuning.
19
1. Huishoudelijke ondersteuning 2. Begeleiding 3. Dagbesteding 4. Woonvoorzieningen 5. Vervoer (specifiek Drechthopper)
475
474
528
593
129 29 97 605
140 63 113 645
142 71 146 669
188 64 151 720
Natuurlijk is het gebruik van de maatwerkvoorziening voor veel mensen een adequate oplossing, of kunnen ze zelfs niet zonder. Maar vanuit de speerpunten zelf- en samenzorg en ontwikkelingsgericht geredeneerd zijn er ook genoeg gevallen waarin een alternatief wel denkbaar is. Denk aan huishoudelijke ondersteuning: zoals het initiatief Powerful Ageing heeft geleerd, zijn bij flink wat mensen de spieren nog voldoende trainbaar om het weer zelf te kunnen. Deze visie impliceert dan ook een positieve houding jegens een degelijk initiatief. Gelet op de speerpunten ontwikkelingsgericht en vanuit de samenleving past het om te kijken of het gebruik van de maatwerkvoorziening ‘begeleiding’ kan worden omgebogen door op dit vlak een grotere rol te geven aan lokale organisaties zoals Yulius, De Hoop, Helpende Handen en het Odensehuis. En het past om te kijken of het gebruik van de voorziening vervoer gedempt kan worden door verdere ontwikkeling van lokaal aangeboden vervoersvoorzieningen door vrijwilligers. Actief aan de slag met initiatieven aansluitend bij IZA en AZWA Op landelijk niveau zijn er twee belangrijke akkoorden afgesloten in het domein van zorg en welzijn. Dit zijn het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). De onderliggende filosofie daarvan sluit naadloos aan bij ons speerpunt ontwikkelingsgericht.
Deze visie impliceert dan ook dat we lokaal serieus werk maken van concrete projecten die voortvloeien uit IZA en AZWA. Voorbeelden zijn onder meer Welzijn op Recept en Welzijn op Consult. De gedachte is om huisartszorg te verminderen door het welzijn van inwoners via andere wegen te bevorderen. Die andere wegen zijn het gebruikmaken van wat we in het vorige hoofdstuk de sociale basis hebben genoemd. Het gaat bijvoorbeeld om het meedoen aan wandelingen en het verbinden aan een (sport)vereniging.
4.3 Jeugdhulp Waar zich in de Wmo al een belangrijke verschuiving heeft voltrokken (langer thuis wonen), geldt dat niet in die mate voor jeugdhulp. Het gebruik ervan neemt onophoudelijk toe. Hier geven we een indruk van hoe de speerpunten helpen om daar een lokaal antwoord op te formuleren. Uitleggen dat het erbij hoort Zeker geredeneerd vanuit het speerpunt zelfredzaamheid en onderlinge steun, is de drempel om als ouder jeugdhulp aan te vragen laag geworden. Gedrag dat in een bepaalde levensfase nou eenmaal vaak voorkomt wordt al snel als abnormaal beschouwd. Zoals eerder omschreven wordt dit bevorderd door het grote aanbod van ondersteuning bij relatief lichte problemen. Maar het is bijvoorbeeld niet gek als kinderen bang zijn voor honden, peuters bijten en tieners brutaal zijn en een keer experimenteren met blowen (Weeda, 2025). Het past bij deze visie om in dit soort gevallen geen behandeltrajecten te starten, maar ondersteuning te beperken tot het uitleggen dat dit gedrag erbij hoort. Zo nodig kunnen wel een 20
aantal inzichten en tips aangereikt worden. Het is inspirerend dat hier in Veendam goede ervaringen mee zijn (Weeda, 2025). Verder beschouwen we het Brughuis als de partij die hieraan invulling kan geven. Investeren in, en verwijzen naar, de sociale basis Het speerpunt ontwikkelingsgericht werpt licht op het belang van een stevige sociale basis in onze gemeente, ook waar het jeugdhulp betreft. We zijn al een levendig en vitaal dorp. En er zijn mooie voorzieningen vanuit de samenleving. Daartoe behoort de wekelijkse huiswerkhulp in De Rederij die door vrijwilligers wordt uitgevoerd. En bijvoorbeeld stoeterij Kortland waar jongeren die dat nodig hebben praktisch werk kunnen doen en zo tot zichzelf kunnen komen. De toekomstige invulling van Het ParticiPand – zeker als Jeugd-Punt daar is gevestigd – biedt mooie aanvullende mogelijkheden voor uitwisseling tussen jong en oud. Het past bij deze visie om ervoor open te staan die basis op bepaalde onderdelen te versterken. It takes a village to raise a child De sociale basis heeft niet alleen een preventieve werking, maar bij de visie hoort ook dat deze basis meer dan nu wordt ingezet bij het voorzien in ondersteuning. Dat betekent dat in plaats van doorverwijzen naar specialistische hulp, jongeren worden verbonden met bijvoorbeeld een vereniging of een maatje. Of er wordt een uitlaatklep geboden op een zorgboerderij of stoeterij.
Of denk aan interventies in de omgeving van het dagelijks leven van de jongere in kwestie. Daar kunnen bijvoorbeeld school, wijkagent en jongerenwerker bij betrokken zijn. Ook daarmee zijn positieve ervaringen in het eerdergenoemde Veendam (Weeda, 2025). Het Brughuis kan hier een kernrol vervullen. Onder meer omdat het voor deze lokale partij relatief gemakkelijk is thuis te zijn in de variatie aan mogelijkheden in onze gemeente. Positief over informele gezinssteun De visie – in het bijzonder het speerpunt ‘vanuit de samenleving’ – impliceert ten slotte een positieve houding jegens informele gezinssteun. Een belangrijk initiatief in dit verband dat in veel Nederlandse gemeenten actief is, is buurtgezinnen. Hierbij worden gezinnen die het moeilijk hebben gekoppeld aan een stabiel steungezin in de buurt.
21
Literatuur ActiZ. (2023, 28 november). Hoe staat het met: de wachtlijsten voor verpleeghuizen? Bakker, R. (2025). Jeugdzorg en Veilig Thuis. Longreads Jeugdmonitor 2025. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Beerepoot, R., Heuzels, L., van Huizen, N., ten Den, T., & Douz, S. (2023). Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2023 (Rapport 2023/232), I&O Research / Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelenheid. Bekkers, R., & van Teunenbroek, C. (2020). Generatieverschillen in geefgedrag en vrijwilligerswerk. In R. Bekkers, B. Gouwenberg, & T. Schuyt (Eds.), Geven in Nederland 2020: Huishoudens, nalatenschappen, fondsen, bedrijven, goede doelenloterijen en vrijwilligers (pp. 22–49). Lenthe Publishers. Divosa. (2018). Tijdig en doordacht: De voor- en nadelen van preventie. Kennisbundel. Enneking, K. (2024, 30 september). Handhavers bijstand vrezen te soft beleid. Binnenlands Bestuur. Jeugdautoriteit. (2025). De Stand van de Jeugdzorg 2025: Een terugblik op tien jaar decentralisatie. Kuhnle, S., & Sander, A. (2012). The emergence of the Western welfare state. In F. G. Castles, S. Leibfried, J. Lewis, H. Obinger, & C. Pierson (Eds.), The Oxford handbook of the welfare state (pp. 61–80). Oxford: Oxford University Press. Molendijk, T. (2025, 23 januari). Niet alles is een trauma. NRC. Nullmeier, F., & Kaufmann, F.-X. (2010). Post-War Welfare State Development.
In F. G. Castles, S. Leibfried, J. Lewis, H. Obinger, & C. Pierson (Eds.), The Oxford Handbook of the Welfare State (pp. 81–101). Oxford: Oxford University Press. Regioredactie. (2025, 18 december). Alblasserdam start met ontwikkelplekken voor werkzoekenden. Algemeen Dagblad. Serviceorganisatie Jeugd ZHZ. (z.d.). Gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid Holland Zuid. URL: https://www.jeugdzhz.nl/inkoop-2022-ev/gecontracteerde-jeugdhulpaanbieders. C.J.M. Schuyt (1991). Op zoek naar het hart van de verzorgingsstaat. Leiden / Antwerpen: Stenfert Kroese. Teisman, G. (2024), ‘Alle zorg bij elkaar telt niet op tot een gezond systeem’, in: Voortgangsrapportage 2024 Aanpak Wachttijden. Van der Geest, M. (2025, 11 september). Wachtlijsten van verpleeghuizen dalen spectaculair: hoe kan dat zo opeens? De Volkskrant. Van der Steen, M., Scherpenisse, J. & van Twist, M. (2015). Sedimentatie in sturing: Systeem brengen in netwerkend werken door meervoudig organiseren. Den Haag: Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Van der Steen, M., Boonstra, F. G., Scherpenisse, J., Arnouts, R. C. M. & de Jong, I. (2016). De volgende stap: Sturen met maatschappelijke energie in het natuurdomein. Den Haag: NSOB: Alterra. Van Echtelt, P., Eggink, E., & Sadiraj, K. (2023). Een brede blik op bijstand. Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Weeda, F. (2025, 15 september).
Veendam gooide de marktwerking overboord in de jeugdhulp en zie: de wachtlijsten verdwenen. NRC. Wilensky, H. L. (1964). The professionalization of everyone?. American journal of sociology, 70(2), 137-158. 22
WRR (2006). De verzorgingsstaat herwogen: over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden (WRR rapport nr. 76). Amsterdam: Amsterdam University Press. WRR (2021). Kiezen voor houdbare zorg: Mensen, middelen en maatschappelijk draagvlak (WRRrapport nr. 104). Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
23