CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-BP-62012811-TL-ON07.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 18 mei 2021, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 8: Ontwerp bestemmingsplan Kloos - Raadsinformatiebrief31.475 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

56

Afbeelding 5.6: Overzicht parkeerplaatsen langs de dijk in de huidige situatie, de situatie in het voorgaande stedenbouwkundig plan van KuiperCompagnons en de nieuwe situatie in het huidige stedenbouwkundig plan (Bosch Slabbers). Parkeerplaatsen t.a.v. de ontwikkeling Kloos (noordelijk deel) Het parkeren is in de buurt van de woningen en voorzieningen gesitueerd in gebouwde voorzieningen, zodat de bewoners aan de dijk daarvan geen overlast ondervinden. Door het parkeren volledig in een gebouwde voorziening onder te brengen worden ook toeristen (die voor het Werelderfgoed naar het gebied komen) ontmoedigd om in het gebied te parkeren. Enkel de bewoners/gebruikers en hun bezoek hebben toegang tot de parkeervoorziening. De parkeervoorzieningen worden zoveel mogelijk onttrokken aan het zicht, waarschijnlijk middels een aangebracht grondlichaam. Omdat de parkeergarage natuurlijk geventileerd zal worden, zal op gezette punten wel zicht zijn op een gedeelte opengewerkte muur / constructie, zodat licht en lucht de parkeergarage in kan. De exacte situatie omtrent de parkeergarage wordt momenteel nog verder uitgewerkt in een inrichtingsplan openbare ruimte. In afbeelding 5.6 is een plattegrond van de parkeergarages opgenomen.

In de noordelijke parkeergarage (deel A/B/C) worden 325 parkeerplaatsen ondergebracht en in het zuidelijke deel (deel D) 184 plaatsen, waarmee in totaal 509 parkeerplaatsen in de gebouwde parkeervoorzieningen worden ondergebracht. Hiermee is de totale parkeervraag van de Kloos-ontwikkeling (m.u.v. het zuidelijke appartementengebouw en de 8 vrije kavels) in de garage opgelost. Er worden geen parkeerplaatsen toegewezen in het gebied; dat wil zeggen: de bewoners krijgen geen eigen parkeerplaats in de garage. Alle parkeerplaatsen in de garage zijn voor alle bewoners toegankelijk. Daarnaast krijgen de bewoners van de nieuwe ontwikkeling geen parkeervergunning voor het parkeren op de weg.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

57

Programma garage deel A/B/C ▪ aanwezig: 325 pp (incl. 4 mindervalide pp) en: ▪ 568 fietsparkeerplaatsen aanwezig op basis van enkellaagse stalling ▪ uitgangspunt: 568 fietsen in stalling: o 5 fietsen per dijkwoning o 3 fietsen per appartement ▪ stalling voor bakfietsen/elektrische fietsen (n.t.b.)

Programma garage deel D ▪ aanwezig: 184 pp (incl. 4 mindervalide pp) ▪ uitgangspunt: min. 3 fietsparkeerplaatsen per appartement ▪ 268 fietsparkeerplaatsen aanwezig op basis van enkellaagse stalling ▪ stalling voor bakfietsen/elektrische fietsen (n.t.b.)

Totaal Parkeeropgave: Deel A/B/C: Deel D: Totaal aanwezig:

505 parkeerplaatsen 325 parkeerplaatsen 184 parkeerplaatsen 509 parkeerplaatsen

Afbeelding 5.7: Overzicht parkeerplaatsen in de parkeergarages ter hoogte van het Kloosterrein, bron: Van Aken architecten

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

58

Parkeerplaatsen t.a.v. de zuidelijke appartementen en 8 vrijstaande woningen Voor het zuidelijke appartementengebouw (8 appartementen) en de 8 vrijstaande woningen vindt het parkeren op eigen terrein plaats, conform de GVVP-normen die horen bij de betreffende woningtypologie. Dit houdt in dat voor de acht villawoningen bij elke kavel 3 voertuigen op eigen terrein moeten kunnen parkeren. Voor de appartementen is de norm afhankelijk van het type woningen. Ook deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd, al dan niet in een (half-)verdiepte parkeergarage. Belangrijke voorwaarde voor alle woningen is dat het ‘blik’ uit het zicht wordt geplaatst. Voor de appartementen geldt dat een verdiepte parkeervoorziening moet worden aangelegd. Ter plaatse van de 8 vrije kavels is het verplicht om het autoparkeren uit het zicht vanaf het openbaar toegankelijk gebied op te lossen; ofwel door middel van een gebouwde parkeervoorziening, ofwel door middel van een groene omzoming. Parkeerbalans Autoparkeerplaatsen Het parkeerbeleid is berekend op basis van de normen uit de GVVP 2019. Het uitgangspunt is het gemiddelde tussen de gegeven minimale en maximale norm. In bijlage 5 is een parkeerberekening opgenomen voor de benodigde parkeerplaatsen. De 259 woningen hebben een totale parkeerbehoefte van 486 parkeerplaatsen.

Hierbij is de volgende onderverdeling te maken tussen de woningtypen: ▪

44 parkeerplekken voor de 23 dijkwoningen

▪

170 parkeerplekken voor de 85 rivierappartementen

▪

90 parkeerplekken voor de 50 kadeappartementen

▪

182 parkeerplekken voor de 101 loodsappartementen.

Minimaal 78 van deze parkeerplaatsen moeten openbaar toegankelijk zijn. De parkeerbehoefte van de horecavoorziening en/of sportschool behoeft nog eens 19 parkeerplaatsen, allen openbaar toegankelijk. De totale parkeerbehoefte voor de ontwikkeling van de woningen, horecavoorziening en/of sportschool komt daarmee neer op 505 parkeerplaatsen, waarvan minimaal 97 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk moeten zijn voor bezoekers (zie bijlage 5). In de parkeerbalans is nog aangegeven dat een tekort optreedt van -96 plaatsen, maar naderhand is de parkeergarage vergroot. In de garage worden nu de benodigde 505 plaatsen ondergebracht, zoals hierboven reeds is toegelicht. De 8 villawoningen moeten voldoen aan de norm van 3 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein. De appartementen worden nader ingedeeld in een categorie (duur, midden of koop). Daarbij moeten ook de normen worden aangehouden, te weten resp. 2, 1,8 of 1,6 parkeerplaatsen per woning. Naar verwachting dienen circa 15 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Laadinfrastructuur

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

59

Vanaf 10 maart 2020 gelden nieuwe regels voor laadinfrastructuur bij woning- en utiliteitsbouw. Bij woningbouw waarvoor minstens tien parkeerplaatsen worden aangelegd – ongeacht of deze zich binnen of buiten het gebouw bevinden – dient elk parkeervak voorzien te zijn van een leidinginfrastructuur (loze leidingen). Daadwerkelijke plaatsing is dus nog niet verplicht. Hier dient bij de ontwikkeling van bouwplannen dus nu al rekening mee te worden gehouden. Ter plaatse van de ontwikkellocatie Kloos wordt voorzien in de benodigde leidinginfrastructuur voor de ondergrondse parkeergarage. Toepassing deelmobiliteit i.r.t. het aantal parkeerplaatsen Wanneer er door de bewoners conform het mobiliteitsplan gebruik wordt gemaakt van deelmobiliteit, kan het aantal bewonersparkeerplaatsen afnemen met 25%. Daarbij wordt 1 auto per 7 parkeerplaatsen gerekend, dus in totaal worden er 16 parkeerplaatsen voor deelauto’s verrekend. Het aantal totale bewonersparkeerplaatsen wordt dan, gerekend op basis van de GVVP-norm, 342 stuks. Het aantal bezoekersparkeerplaatsen blijft gelijk. Vooralsnog wordt niet uitgegaan van het toepassen van deelmobiliteit. Het stedenbouwkundig plan voldoet aan de gestelde normen op basis van het GVVP en gaat daarmee uit van een worst case scenario.

Fietsparkeren Verder zijn naar verwachting tussen de 689 en 956 fietsparkeerplaatsen benodigd, met daarbij 10 elektrische deelfietsen. Het is aanbevolen op minimaal 701 fietsparkeerplaatsen te realiseren. In het plan is voorzien in de gemiddelde norm, te weten 743 fietsparkeerplekken. Bij de inrichting wordt rekening gehouden met het parkeren van bakfietsen, elektrische fietsen en deelfietsen. Minstens 10 fietsparkeerplaatsen beschikken over een elektrische laadvoorziening en er zijn 2 fietsparkeerplaatsen voor bakfietsen. De elektrische fietsen vallen onder deelmobiliteit. Dit wordt mogelijk in een later stadium toegepast en heeft een positief (verlagend) effect op het aantal benodigde fietsparkeerplaatsen. Bestemmingsregeling Toetsing aan de actuele GVVP-normen is bindend voorgeschreven in de regels van het bestemmingsplan (artikel 24.2 Parkeren), zodat hier te allen tijde aan moet worden voldaan. Specifiek voor de Kloos-ontwikkeling zijn de normen letterlijk voorgeschreven én is aanvullend bepaald dat dit in een gebouwde parkeervoorziening moet worden opgelost, en dat voor de zuidelijk gelegen vrije kavels ook een groene omzoming mogelijk is. Trends en ontwikkelingen rondom mobiliteit Door de komst van COVID-19 hebben mensen gedwongen een digitaliseringsslag moeten maken in de manier van werken.

De verwachting is dat men in de nabije toekomst enkele dagen thuis blijft werken, zodat de onnodige verkeersbewegingen worden voorkomen. De (mobiliteits-)wereld ontwikkelt naar een meer service georiënteerde samenleving, waarin steeds meer services en diensten, zoals pakketservices en taxiservices op afroepbare basis beschikbaar zijn. Ook deelmobiliteit, waaronder het gebruik van deelauto’s en deelfietsen, is in opkomst.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

60

In het verkeersonderzoek is gebruik gemaakt van een automodel. Dit automodel houdt geen rekening met verbeteringen in het OV-aanbod (zoals de verbeterde R-net lijnen en de waterbus), het aanbod alternatieven, zoals de elektrische deelauto’s en elektrische deelfietsen, in combinatie met het lagere autobezit en de aangeboden faciliteiten op locatie, zoals hoogwaardige thuiswerkplekken. De genoemde alternatieven dragen positief bij aan de voorspellingen uit het verkeersmodel, alsook het aantal benodigde parkeerplaatsen. In de parkeerbalans is echter worst-case uitgegaan van de ‘oude’ conservatieve normen. 5.3

Conclusie

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat zorgvuldig is omgegaan met de inpassing van de verkeersstructuur. De toename aan verkeer ten behoeve van de ontwikkeling Kloos leidt niet tot onaanvaardbare verkeershinder. Het parkeerbeleid voldoet aan de gestelde parkeernormen. Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

61

Hoofdstuk 6 Natuur en landschap 6.1

Kader

6.1.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen.

Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Alblasserdam is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. De provincie Zuid-Holland handhaaft in haar Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland (die per 1 januari 2017 in werking is getreden) de vrijstelling voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden voor de soorten die vielen onder de vrijstelling in de Flora- en faunawet voor algemeen voorkomende soorten (Ffwet - tabel 1 AMvB art. 75).

Alleen voor de soorten molmuis, ondergrondse woelmuis en tweekleurige bosspitsmuis is deze vrijstelling komen te vervallen, omdat blijkt dat deze soorten niet of nauwelijks voorkomen in Zuid-Holland zodat een provinciale vrijstelling voor die soorten niet opportuun is. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

62

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 6.1.2 Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitat-toets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

6.1.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 6.2

Onderzoek

Soortenbescherming Methodiek Onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten start met een globaal onderzoek (quick scan), waarin gekeken wordt of er een reële kans is op het al dan niet voorkomen van beschermde soorten in of net buiten het ontwikkelgebied Kloos. Indien blijkt dat die kans aanwezig is, zal een uitgebreid veldonderzoek moeten plaatshebben op het moment dat er kans is op (negatieve) effecten op de mogelijk aanwezige beschermde soorten als gevolg van werkzaamheden die voortvloeien uit het plan. Als daarbij wordt aangetoond dat inderdaad beschermde soorten aanwezig zijn, zal een effectenstudie moeten worden gedaan. Indien daaruit blijkt dat er handelingen gaan plaatshebben die nadelige gevolgen hebben voor de aanwezige beschermde soorten, is mogelijk een ontheffing van de Wnb aan de orde. Daarvoor moet in beeld worden gebracht hoe de voorgenomen werkzaamheden zodanig worden aangepast dat dergelijke gevolgen niet of in mindere mate zullen optreden.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

63

Onderzoeksresultaten quick scan In het kader van de voorliggende ontwikkeling is door NWC onderzoek uitgevoerd naar de in het plangebied (te weten ontwikkelgebied Kloos) aanwezige flora en fauna. In dit onderzoek is onderscheid gemaakt tussen de verschillende gebouwen. De verschillende gebouwen zijn aangeduid in afbeelding 6.1. Onderstaand is per gebouw de inventarisatie van flora en fauna toegelicht. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 6. Gebouw 1 Dit gebouw betreft een elektriciteitsgebouw. Het gebouw heeft spouwgaten dus is geschikt voor vleermuizen. Er dient aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de aanwezigheid van vleermuizen. Gebouw 2 Dit gebouw is geschikt bevonden voor vleermuizen en marterachtigen. Er bevinden zich namelijk gaten in de muren en het glas die toegang verlenen tot het gebouw. Er zijn geen spouwgaten aanwezig, maar vleermuizen kunnen via de andere gaten het gebouw betreden. Voor dit gebouw dient er vervolgonderzoek gedaan te worden naar de aanwezigheid van vleermuizen en marterachtigen. Gebouw 3 Dit gebouw is geschikt bevonden voor marterachtigen en uilen. Hiervoor dient er vervolgonderzoek gedaan te worden naar marterachtigen en uilen. Gebouw 4 Dit gebouw is ook geschikt bevonden voor marterachtigen en uilen. Tevens zijn er braakballen aangetroffen bij dit gebouw van een Kerkuil.

Voor dit gebouw dient er ook vervolgonderzoek gedaan te worden naar marterachtigen en uilen. Op basis van bovenstaande bevindingen dient vervolgonderzoek plaats te vinden voor marterachtigen voor alle gebouwen en vervolgonderzoek naar uilen bij gebouw 3 en 4. Daarnaast dient er vervolgonderzoek naar vleermuizen gedaan te worden bij de gebouwen 1 (als die gesloopt wordt) en gebouw 2.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

64

Afbeelding 6.1.: Aanduiding gebouwen binnen plangebied ontwikkelgebied Kloos, NWC Onderzoeksresultaten Aanvullend onderzoek flora en fauna Voor enkele specifieke faunagroepen en -soorten is aanvullend onderzoek uitgevoerd en gerapporteerd. Het rapport is opgenomen als bijlage 7. De conclusies uit het rapport zijn hieronder beknopt toegelicht. Het plangebied van het flora en fauna onderzoek is ontwikkelgebied Kloos (zie rode contour afbeelding 6.1). Vleermuizen Uit de inventarisaties blijkt dat er geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de gebouwen 3 en 4 (zie afbeelding 6.1). Om deze reden zullen er, ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen, in deze fase geen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden en zijn er ook geen ontheffing of maatregelen nodig. Uit het tot nu toe uitgevoerde onderzoek (quick scan en aanvullende inventarisaties) kan afgeleid worden dat het plangebied maar zeer beperkt door vleermuizen gebruikt wordt om te foerageren. De aantallen waargenomen vleermuizen zijn zeer klein en in de directe omgeving zijn voldoende alternatieve en geschikte foerageergebieden aanwezig zoals het openbaar groen en de tuinen van de omliggende woningen aan de West Kinderdijk.

Bovendien blijft het plangebied in de toekomstige situatie geschikt als foerageergebied en wordt het zelfs aantrekkelijker door de te realiseren woningen en tuin- en wijkbeplanting.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

65

Op basis van de waarnemingen uit het vleermuisonderzoek kan ook gesteld worden dat er binnen of in de directe omgeving van het plangebied geen vliegroutes aanwezig zijn; er zijn kleine aantallen vleermuizen waargenomen die vanuit verschillende richtingen aan kwamen vliegen en hierbij geen gebruikmaakten van lijnvormige landschapselementen binnen of op de grenzen van het plangebied. Om deze redenen zullen er, ten aanzien van vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen, in het deel van het gebied met de gebouwen 3 en 4 geen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden en zijn voor deze onderdelen van het leefgebied van vleermuizen geen ontheffing of maatregelen nodig. Wel wordt aangeraden om in de nieuwe situatie zo min mogelijk verlichting te gebruiken of maatregelen te nemen waardoor (licht)verstoring van vleermuizen zoveel mogelijk voorkomen wordt. Voorbeelden hiervan zijn het gebruik van amberkleurige verlichting en lichtbronnen die naar beneden gericht zijn. Grondgebonden zoogdieren De Egel, Huisspitsmuis, Bosmuis en Bunzing worden in de Wet natuurbescherming weliswaar als zogenaamde “overige beschermde soorten” genoemd, maar zij zijn door de Provincie Zuid-Holland vrijgesteld van actuele bescherming, waardoor deze soorten in Zuid-Holland niet vergunningplichtig zijn. Uiteraard moet wel worden voldaan aan de zorgplicht.

Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen vogels met een vaste verblijfplaats aangetoond. Voor Torenvalk en Zwarte roodstaart geldt dat volstaan kan worden met mitigerende maatregelen, zoals speciale nestkasten die graag door deze soorten gebruikt worden en die aan of nabij de nieuw te realiseren bebouwing of voorzieningen geplaatst kunnen worden. Aanbevolen wordt dit door een ecologisch deskundige te laten doen. Gebiedsbescherming Onderzoeksresultaten Natuurtoets Mercon Kloos-terrein Er is een natuurtoets uitgevoerd, die inzichtelijk maakt maken welke effecten de voorgenomen plannen eventueel op de aanwezige beschermde natuurwaarden en gebieden kunnen hebben en of een ontheffing en/of vergunning noodzakelijk is. Het rapport dateert van december 2018 en is uitgevoerd door het NWC. Het rapport is opgenomen als Bijlage 8 bij deze toelichting. Hieronder volgt een samenvatting Beschermde gebieden Het dichtstbijzijnde gebied dat onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt is Natura 2000-gebied “Boezems Kinderdijk”. Dit Natura 2000-gebied bevindt zich op minder dan één kilometer afstand van de planlocatie. Vanwege deze geringe afstand kan er sprake zijn van nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied. Om deze reden is het uitvoeren van deze habitattoets verplicht.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

66

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Omdat er, als gevolg van de voorgenomen plannen, geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaat, is er geen verdere toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN nodig. Effecten van de activiteiten De locatie waar het te ontwikkelen terrein zich bevindt, grenst aan de West Kinderdijk met bebouwing, die op haar beurt weer grenst aan de Hooge Boezem van de Nederwaard. In het beheersplan van Boezems Kinderdijk wordt gesteld dat de Hooge Boezem van de Nederwaard enige betekenis heeft voor de aangewezen broedvogel-soorten Porseleinhoen en Snor. De ontwikkeling van het Mercon/Kloos-terrein zal naar verwachting geen significant nadelige invloed hebben op de aantallen van Porseleinhoen en Snor, vanwege het ontbreken van geschikt habitat op het te ontwikkelen terrein zelf en de aanwezigheid van de West Kinderdijk en haar bebouwing als buffer tussen het te ontwikkelen terrein en het Natura 2000-gebied. Ook voor de wintergasten (Smient, Krakeend, Slobeend), waarvoor een instandhoudings-doelstelling geldt zullen, vanwege de genoemde bufferwerking, naar verwachting geen nadelige effecten optreden. Als gevolg van de voorgenomen plannen kunnen nadelige effecten van geluid, licht, trilling en beweging op alle aangewezen vogelsoorten met voldoende zekerheid worden uitgesloten.

Herziening aandachtspunten Purperreiger en Zwarte Stern In de Natuurtoets is benoemd dat de Purperreiger en Zwarte Stern niet (meer) in de Hooge Boezem, onderdeel van het Natura 2000-gebied, voorkomen als broedvogel. Deze stelling uit de natuurtoets is onjuist. Het monitoringsverslag van de Vogelwerkgroep Natuur- en Vogelwacht ‘de Alblasserwaard’ geeft aan dat zowel de Zwarte stern als Purperreiger in 2019 gebroed hebben in de Nederwaard. Echter kan voor beide soorten, net als voor de Snor en de Porseleinhoen, gesteld worden dat de ontwikkeling van het Kloos-terrein naar verwachting geen significant nadelige effecten zal hebben op de aantallen van deze soorten. Het te ontwikkelen terrein bevat geen geschikt habitat voor zowel de Zwarte stern als de Purperreiger waardoor beide soorten hier niet zullen gaan broeden. Mogelijk vliegen de Zwarte stern over het terrein heen om te foerageren in/boven de rivier de Noord. Vanwege de nu reeds aanwezige bebouwing zal de nieuwbouw hier geen negatief effect op hebben. Daarnaast zal de West Kinderdijk met het aanwezige verkeer en de bebouwing aan de andere zijde van de dijk als buffer fungeren voor geluid, licht, trilling en bewegingen op de vogelsoorten. Nadelige effecten van de ontwikkeling op de Zwarte stern en Purperreiger kunnen zodoende met voldoende zekerheid uitgesloten worden.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

67

Stikstofdepositie Tot slot wordt in het beheersplan vermeld dat activiteiten binnen of buiten de Natura 2000begrenzing, die leiden tot stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het leefgebied van de zeven vogelsoorten. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van stikstofdepositie werden daarmee uitgesloten. Door diverse ontwikkelingen rondom stikstofdepositie en de verstreken tijd sinds het voorontwerpbestemmingsplan, is het stikstofonderzoek herzien. Door BK bouw- en milieuadvies is in februari 2021 een nieuwe beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie uitgevoerd. Het rapport, inclusief AERIUS-berekeningen, is opgenomen als bijlage 18 bij deze toelichting. Uit de stikstofanalyse blijkt dat de NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase 779,35 kg bedraagt en er 525,18 kg NOx wordt uitgestoten tijdens de aanlegfase (per jaar). De Aerius calculator laat zien dat in zowel de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura-2000 gebieden. Er zijn namelijk geen rekenresultaten, hoger dan 0,00 mol/ha/j. Voor dit plan is daarom geen vergunning noodzakelijk voor de Wet natuurbescherming.

Conclusie toetsing gebiedsbescherming Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk, als gevolg van de ontwikkelingen op het Kloos-terrein, kunnen met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet vereist. Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag, de omgevingsdienst Haaglanden, noodzakelijk. 6.3

Conclusie

De mitigerende maatregelen worden in acht genomen. In het inrichtingsplan worden de lichtarmaturen verder uitgewerkt. Er kan worden gesteld dat het aspect Natuur en landschap geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

68

Hoofdstuk 7 Water 7.1

Kader

7.1.1 Rijksbeleid Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op basis van de Waterwet voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).

Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: 1. integraal waterbeheer: het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen; 2. afwenteling voorkomen: het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthoudenbergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken; 3. ruimte en water verbinden: bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

69

grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

7.1.2 Beleid Waterbeheerder In het bestemmingsplangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterbeheerplan 2016 - 2021 Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn:  Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie);  Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie;  Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

Verordening ‘de Keur’ De Keur geeft de regelgeving voor het Waterschap. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

70

beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de waterloop. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de waterloop of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunningen/of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Waterschap Rivierenland legt essentiële informatie over wateren vast in de legger. In de legger wateren wordt onder andere weergegeven welke wateren een A-, B-, C- status hebben.

De status is van belang voor:  het verlenen van een watervergunning  het bepalen wie een onderhoudsplicht heeft voor een water in het kader van de jaarlijkse Schouw watergangen. Naast de algemene toelichting op de legger wateren is per deelgebied een aparte toelichting beschikbaar over de ligging van het deelgebied en de voor het gebied specifiek afwijkende onderhoudsverplichtingen. Uit de deellegger Water stroomgebied Alblasserwaard blijkt dat de wateren met de status A gedeeld onderhoud, qua functie gelijk zijn aan wateren met een A-status in het overige beheergebied van Waterschap Rivierenland. De uitzondering op de onderhoudsuitgangspunten is dat de aangrenzende eigenaren bij dit type water onderhoudsplichtig zijn voor het talud, gerekend vanaf de insteek tot de teen van het onderwatertalud. Deze onderhoudsverplichting blijft van kracht van de gebiedseigenschappen.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

71

Afbeelding 7.1.: Uitsnede leggerkaart Waterschap Rivierenland Voorliggend bestemmingsplangebied omvat de oostzijde van rivier de Noord. Verder zijn er geen watergangen aanwezig. Met voorliggend bestemmingsplan worden ontwikkelingen in de beschermingszone van rivier de Noord mogelijk gemaakt. Voor activiteiten binnen deze beschermingszone is een watervergunning verplicht.

Afbeelding 7.2.: Uitsnede leggerkaart kaartlaag waterkeringen, Waterschap Rivierenland

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

72

Het ontwikkelgebied Kloos is tevens gelegen in de beschermingszone van een primaire waterkering. Voor activiteiten binnen deze beschermingszone is een watervergunning verplicht. Zonder watervergunning is het verboden om gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Deze waterkering dient beschermd te worden en voorzien te zijn van een passende juridischplanologische regeling. 7.2

Onderzoek

Huidige situatie Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland ligt het ontwikkelgebied Kloos op bestaand stedelijk gebied. Hierdoor zijn de ondergrond en bijbehorende grondwaterstanden binnen Kloos niet aangegeven op de Bodemkaart. Wel blijkt uit onderzoek van het waterschap dat de Molenkade, op korte afstand van het ontwikkelgebied Kloos, volgens de laatste meting op -2,13 m NAP is gelegen. In overleg met het Waterschap Rivierenland is een dijkprofiel vastgesteld met een dijkhoogte van 5.10 + NAP en een kruinbreedte van 6 meter waarop het fietspad zijn plek heeft. Waterkwantiteit Alle gebieden binnen Waterschap Rivierland hebben een (streef)peilbesluit. De peilbesluiten zijn gebaseerd op de systematiek van het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR). Het GGOR is een middel voor een goede afweging en vertaling van de ruimtelijke en waterhuishoudkundige functies. De oppervlaktewaterpeilen zijn dus gebaseerd op gewenste grondwaterstanden. Uit de kaart behorende bij het GGOR (afbeelding 7.3) blijkt dat het noordelijk deel van het ontwikkelgebied Kloos een zomerpeil heeft van -0,16 en winterpeil van 0,10. Het zuidelijk deel van het Kloos-terrein heeft een zomer- en winterpeil van resp. -2,02 / -2,1.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

73

Afbeelding 7.3.: Uitsnede GGOR, Waterschap Rivierenland Afvalwaterketen Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Met betrekking tot de woningen is de volgende waterafvoer berekend ten aanzien van vuil water en hemelwater: •

Totaal gelijktijdig vuil water afvoerdebiet voor de grondgebonden woningen en de appartementen : 24, 95 l/s

•

Totaal gelijktijdig hemelwaterafvoer debiet voor de grondgebonden woningen en de appartementen : 244,2 l/s

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

74

Waterkeringen Het ontwikkelgebied Kloos ligt binnen de beschermingszone van een primaire waterkering. Binnen deze beschermingszone gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden. De kwaliteit en het functioneren van de naastgelegen waterkering is juridisch beschermd door middel van de aanduiding "Waterstaat - Waterkering". De vrijwaringszone van de vaarweg en het waterstaatswerk zijn opgenomen op de verbeelding. Op grond hiervan is het voor de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan noodzakelijk om een watervergunning aan te vragen. Veiligheid Ontwikkelgebied Kloos is aangemerkt als buitendijks gebied, zoals verbeeld op Kaart 13 Veiligheid van de Omgevingsverordening (afbeelding 7.4). Een bestemmingsplan voor gronden binnen het buitendijks gebied, dat nieuwe bebouwing mogelijk maakt, bevat in de toelichting een inschatting van het slachtofferrisico bij een eventuele overstroming en een verantwoording van de afweging die is gemaakt voor het toelaten van nieuwe bebouwing. In paragraaf 9.4.2 is de verantwoording van het groepsrisico zorgvuldig afgewogen. In aanvulling hierop is in de planuitwerking van Kloos rekening gehouden met eventuele overstromingen. Het huidige kadeniveau blijft gehandhaafd. Dit is het niveau van het centrale park en de parkeervoorzieningen. Op die manier blijft de relatie met het water optimaal.

Het nieuwe dijkniveau heeft een hoogte van 5.10 boven NAP (na inklinking); de dijk wordt in eerste instantie op 5,40 m + NAP opgehoogd. Voor alle deelplannen geldt dat de begane grondvloer van de eerste gebruikslaag op deze hoogte (5,40 m + NAP) zal worden aangelegd. De bewoners wonen daarmee wel buitendijks, maar vooral “boven de dijkhoogte”. De onderliggende bouwlagen worden gebruikt voor parkeren en/of bergingen (niet-verblijfsruimten). Ook voor de dijkvilla’s geldt dat de verblijfsruimten bij de woning pas zijn toegestaan vanaf de 2e bouwlaag en hoger.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

75

Afbeelding 7.4.: Uitsnede Kaart 13 Veiligheid, Omgevingsverordening, ter hoogte van het ontwikkelgebied Kloos Afvalwater en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Ontwikkelingen Het waterschap schrijft in de Keur voor wanneer, waar en welke compensatiemaatregelen noodzakelijk zijn voor ontwikkelingen waarbij het verhardingsoppervlak toeneemt in zowel het stedelijk als het landelijk gebied. In onderhavig plan betreft het een ontwikkeling in stedelijk gebied.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

76

In de huidige situatie is het ontwikkelgebied Kloos voor het overgrote deel verhard: totaal 53.964 m2 (afbeelding 7.5). In de toekomstige situatie blijft een deel verharding aanwezig ten behoeve van bebouwing en infrastructuur. Daarnaast is in het ontwikkelgebied Kloos veel ruimte gereserveerd voor groen. Als de parkeergarage en halfverharding worden meegeteld als volledig verhard, vindt nog steeds een toename van 14.212 m 2 groen plaats. Omdat het verhard oppervlak afneemt ten opzichte van de huidige situatie is watercompensatie niet benodigd. Hemelwater wordt opgevangen en de kades en daken van parkeergarages worden grotendeels groen ingericht. Verder zijn in het stedenbouwkundig plan oplossingen bedacht die ervoor zorgen dat, ook bij hoog water, de gebouwen niet onderlopen.

Afbeelding 7.5.: Oppervlakte verharding en groen in de bestaande en nieuwe situatie ter hoogte van het ontwikkelgebied Kloos

7.3

Conclusie

Voor de ontwikkeling van het plan Kloos gelden geen belemmeringen ten aanzien van het aspect water.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

77

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

78

Hoofdstuk 8 Archeologie en cultuurhistorie 8.1

Archeologie

8.1.1 Kader Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022.

Het gaat daarbij om de volgende zaken:  Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten  Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie  Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument "Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)". In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende "Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland" zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Gemeentelijk archeologiebeleid "Van donk tot dam" De gemeente Alblasserdam heeft in 2012 gemeentelijk archeologisch beleid 'Van Donk tot Dam' vastgesteld, waarvan de Archeologische Waarden- en Beleidskaart een belangrijk instrument vormt. De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen het gemeentelijk grondgebied en geeft aan hoe de gemeente daarmee wenst om te gaan. De ligging van het plangebied bepaalt de geldende vrijstellingsgrens voor de oppervlakte.

Op de beleidskaart van de gemeente Alblasserdam komen voor de oppervlakte van een bestemmingsplangebied negen verschillende waarden met een specifieke vrijstellingsgrens voor. In tabel 8.1 zijn de vrijstellingsgrenzen van de gemeente

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

79

Alblasserdam weergegeven. Er bestaat hier een onderscheid tussen gebieden met een medebestemming archeologisch waarden (AW); gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden of vindplaats(en) aanwezig zijn en gebieden met te verwachten archeologisch waarden (VAW): gebieden waarvoor een bepaalde verwachting geldt voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast kennen enkele medebestemmingen een grotere vrijstellingsgrens voor de diepte.

Afbeelding 8.1: Tabel archeologische vrijstellingsgrenzen gemeente Alblasserdam 8.1.2 Onderzoek Archeologie Uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Alblasserdam (afbeelding 8.2) blijkt dat de ontwikkelingslocatie Kloos gelegen is in een zone 'VAW2'. De West-Kinderdijk heeft de waarde 'AW3'. Voor gebieden met de te verwachten archeologische waarde 2 geldt een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen tot 30 cm -Mv en een plangebied tot maximaal 500 m2. Voor de historische dijk zijn geen vrijstellingsgrenzen van toepassing. Voor de gebieden ten oosten van de dijk, die in dit bestemmingsplan conserverend zijn bestemd, gelden andere vrijstellingsgrenzen.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

80

Afbeelding 8.2: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Alblasserdam ter hoogte van het bestemmingsplangebied Door de provinciaal archeoloog van de provincie Zuid-Holland, dhr. Drs. Proos, is bij brief van 6 september 2004 aan Planoform uitslag gedaan van de bevindingen inzake het archeologisch onderzoek van het plangebied. Het ontwikkelgebied Kloos is een buitendijkse locatie, in het midden van de 19 e eeuw ingericht als een scheepswerf en nadien gestaag uitgebreid. Een beknopte studie van kaartmateriaal aanwezig op het provinciehuis, alsmede raadpleging van de AMK, CHS en IKAW-kaarten, geeft aan dat binnen het ontwikkelgebied Kloos geen waarden van enige betekenis verwacht mogen worden. Ook de archeologische database ARCHIS II van de ROB in Amersfoort bevat geen vondsten/vindplaatsen in het gebied. Nader archeologisch onderzoek wordt op dit terrein niet nodig geacht, evenmin als het opnemen van archeologische dubbelbestemmingen. Het vorengaande is in november 2020 bevestigd door de gemeentelijk archeoloog. Voor de delen uit dit plan die conserverend zijn bestemd, zoals toegelicht en afgebeeld in paragraaf 1.2, blijven de huidige archeologische verwachtingen van kracht. Hiervoor zijn dubbelbestemmingen opgenomen. 8.1.3 Conclusie Voor de ontwikkeling van het plan Kloos gelden geen belemmeringen ten aanzien van de archeologische aspecten.

Voor de overige gronden zijn de archeologische dubbelbestemmingen opgenomen overeenkomstig de voorgaande bestemmingsplannen.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

81

8.2

Cultuurhistorie

8.2.1 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ (juni 2011) In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Regioprofiel Alblasserwaard / Vijfheerenlanden De Alblasserwaard/Vijfheerenlanden is in historisch landschappelijk opzicht een geheel van open en gave veenweideontginningen met daarin aanwezig een staalkaart aan waardevolle verkavelingen en inrichtingselementen (polderkades, weteringen en tiendkaden, molencomplexen, langgerekte boerderijlinten). Dat het topgebied Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden kwaliteit heeft is evident. Verschillende onderdelen van het landschap hebben een beschermende status gekregen: het gebied maakt deel uit van het Nationaal Landschap Groene Hart, het molencomplex van Kinderdijk is Unescowerelderfgoed en de donken van Hoornaar staan op de ‘tentatieve lijst’ van Unesco (potentieel werelderfgoed). Het topgebied bestaat uit twee ruimtelijke eenheden met elk een eigen karakter: enerzijds de Alblasserwaard met een duidelijk veenweidekarakter en anderzijds de Vijfheerenlanden die liggen op een overgang van veen- naar rivierengebied.

Ruimtelijk uit zich dat in de Vijfheerenlanden in een minder regelmatige opbouw van het landschap, een kleinschaliger karakter (minder open, meer beplanting) en een veelzijdiger gebruik van de grond. De structuur van het gebied als geheel is helder. De begrenzing wordt gevormd door rivieren: de Lek, de Merwede en de Linge. Zeer lange, vooral oostwest gerichte, structuren fungeren als ruimtelijke dragers: deze vormen het afwateringsstelsel

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

82

(Grote of Achterwaterschap, Alblas/Graafstroom, Giessen) op het ‘ventiel’ van de Alblasserwaard: het molencomplex met boezems bij Kinderdijk. De poldergrenzen (voor- zij- en achterkades) om de historische ontginningseenheden zijn intact waardoor de samenhang in het landschap groot is. Bijzonder voor de Alblasserwaard is het contrast tussen de regelmatig verkavelde veenweidecomplexen enerzijds en anderzijds de grilliger, natuurlijke vormen van stroomruggen, donken (in het Pleistoceen gevormde rivierduinen; de omvang van het donkencomplex is uniek in Nederland) en kronkelige veenstromen. Het bestemmingsplangebied valt deels binnen het hierboven beschreven regioprofiel. Molengebied Kinderdijk De belangrijkste molenconcentratie van Zuid-Holland ligt bij Kinderdijk. De cultuurhistorische betekenis van Mercon-Kloos is gelegen in de relatie met het molengebied. Het molengebied is in 1993 op grond van de Monumentenwet aangewezen tot het beschermd dorpsgezicht West Kinderdijk-Elshout. Dit gebied staat ook op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Voor traditionele windmolens, die aangemerkt zijn als Rijksmonument, moet de vrije windvangen het zicht op de molen voldoende zijn gegarandeerd.

Daartoe dienen ruimtelijke plannen aan een aantal voorwaarden te voldoen:  binnen een straal van 100 m gerekend vanuit het middelpunt van de molen mag geen bebouwing worden opgericht of beplanting aanwezig zijn, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;  binnen een straal van 100 tot 400 m gerekend vanuit het middelpunt van de molen mag geen bebouwing worden opgericht of beplanting aanwezig zijn, hoger dan 1/30 van de afstand tussen bouwwerk/beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (1 op 30-regel). 8.2.2 Onderzoek Beoordeling Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Het plan is in het voortraject uitvoering besproken met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de provincie en de gemeentelijke erfgoedcommissie. Deze partijen zijn allen positief over de herontwikkeling van het terrein, waarbij het industrieel verleden zichtbaar blijft. Er is een HIA (heritage impact assesment) uitgevoerd, die door de RCE en de provincie is getoetst. Zoals in hoofdstuk 2.5 reeds is beschreven, is naar aanleiding van het vooroverleg wel een bouwlaag van de nieuwbouw afgehaald. Zowel de RCE alsook de provincie hebben schriftelijk een akkoord gegeven over aangepaste plan en zijn zeer positief over en vinden het plan qua bouwhoogte acceptabel.

Vervolgens is een aangepaste HIA is opgesteld met een definitief advies. De provincie heeft op 9 mei 2019 ingestemd met het aangepaste plan.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

83

Na verkoop van de gronden aan een nieuw ontwikkelaar zijn, in samenspraak met omwonenden en overige stakeholders, enkele verfijningen en optimalisaties in het stedenbouwkundig plan doorgevoerd. Op hoofdlijnen blijft het plan gelijk aan het voorgaande stedenbouwkundig plan, waarover een positief advies is verkregen. Ook de eerder opgestelde en door de RCE geaccordeerde stedenbouwkundige uitgangspunten die toezien op de maximale bouwhoogten in het plan blijven onveranderd (afbeelding 8.1 en 8.2). Het nieuwe stedenbouwkundig plan voorziet daarmee niet in een hogere bouwhoogte dan de oorspronkelijke bedrijfsbebouwing, in lijn met de getoetste situatie in het Addendum. Ook blijft, in tegenstelling tot de eerder geplande sloop, de noordelijke oudste hal als staalconstructie behouden. Deze wijzigingen hebben een positief effect op de eerdere beoordeling.

Afbeelding 8.1.: Stedenbouwkundig plan Mercon Kloos uit 2018 (KuiperCompagnons)

Afbeelding 8.2.: Stedenbouwkundig plan Kloos uit 2021 (BoschSchlabbers). NB de verkeersstructuur is nadien aangepast, zie hoofdstuk 5.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

84

Behoudenswaardige objecten De gemeentelijke commissie heeft aangegeven dat de bestaande muren langs de dijk van de Merconhallen behoudenswaardig zijn, en dat moet worden onderzocht of deze in de nieuwbouwplannen (deels) behouden kunnen blijven of in de nieuwe vorm terug kunnen komen. De noordelijke oudste hal blijft als staalconstructie behouden, de dijk- en kadewoningen worden hier omheen geplaatst waardoor de hal als het ware als een pergola gaat functioneren boven de gezamenlijke binnentuin. Ook de staalconstructie van de Merconhal aan de dijkzijde blijft bewaard: hiérachter worden drie blokken met huurappartementen geplaatst waardoor de contour van de hal overeind blijft, maar meer doorzicht op het water wordt gerealiseerd. In het voorgaande plan was juist een gedeelte van de bestaande metselwerkmuur tussen deze 2 hallen hergebruikt. Door de dijkverzwaring valt deze muur gedeeltelijk uit het zicht. Daarbij is de huidige muur in zeer slechte staat. Daarom is dit onderdeel is vervallen en de identiteit wordt uit de 2 kenmerkende staalconstructies gehaald. Molenbiotoop Het (ontwikkelingsgerichte deel van het) plangebied, ontwikkelgebied Kloos, ligt buiten de in het gebied aanwezige molenbiotoop (afbeelding 8.3).

Afbeelding 8.3.: Uitsnede kaart 15 – cultureel erfgoed met ligging molenbiotoop ten opzichte van het ontwikkelgebied Kloos (Bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland)

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

85

Beoordeling welstandscommissie Op verzoek van de gemeente Alblasserdam heeft de welstandscommissie op 16 februari 2021 advies uitgebracht over het aangepaste stedenbouwkundig plan. De commissie heeft met waardering kennis genomen van de ontwikkeling. Uit het plan spreekt een hoog ambitieniveau en de commissie ziet een verdere uitwerking van het plan met belangstelling tegemoet. Het plan biedt voldoende basis voor een positief welstandsadvies bij verdere uitwerking. In collegiaal overleg heeft de commissie de volgende aandachtspunten genoemd: ▪

aandacht wordt staalconstructie;

▪

de plint langs het water oogt erg gesloten, mede omdat op dit buitendijks gelegen niveau geen gebruiksruimten kunnen worden gerealiseerd. De gebouwen doen daardoor weinig met de kade; de overweging is gegeven de plint niet over de volle lengte te laten doorlopen, maar de gebouwen tot op de kade door te zetten (met bijvoorbeeld een geperforeerde invulling);

▪

aan de dijkzijde is de parkeergarage begrensd met een lange opstand; deze zou niet teveel de aandacht moeten trekken;

▪

tenslotte is de suggestie gedaan om met afbeeldingen ter versiering niet te verwijzen naar de molens, maar meer naar het industriële verleden van het gebied.

gevraagd

voor het conserveren

van

de

overblijvende

De aandachtspunten worden meegenomen in de verdere uitwerking en detaillering van het plan. 8.2.3 Conclusie Voor de ontwikkeling van het plan Kloos gelden geen belemmeringen ten aanzien van de cultuurhistorische aspecten.

Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting Ontwerp, 30 maart 2021

86

Hoofdstuk 9 Milieu In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen. 9.1

M.e.r.-beoordeling

9.1.1 Kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. 9.1.2 Afweging en conclusie In het kader van dit bestemmingsplan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, in de vorm van een aanmeldnotitie. Deze is opgenomen als bijlage 14 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat er sprake is of kan zijn van nadelige milieueffecten. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/153/documents/2458