CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan Oost Kinderdijk 139-141.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 9 februari 2021, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 9: Ontwerpbestemmingsplan Oostkinderdijk en Pijlstoep - Raadsinformatiebrief25.100 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Beoogde inrichting plangebied (Bron: Kolpa architecten).

De parkeernormen zijn in de regels van dit bestemmingsplan juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan daadwerkelijk voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.12

Kabels en leidingen Er zijn binnen het plangebied en haar directe omgeving geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die mogelijk een beperking kunnen vormen bij de herontwikkeling van het plangebied. Uiteraard is een melding bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (een zogenaamde KLIC-melding) noodzakelijk in geval van bodemingrepen.

32

5 5.1

Juridische planbeschrijving Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De wijze van bestemmen in voorliggend bestemmingsplan is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) die door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is uitgegeven en het vigerende bestemmingsplan voor de locatie.

5.2

Verbeelding Binnen het plangebied hebben alle gronden een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens).

5.3

Regels De regels zijn ondergebracht in een viertal hoofdstukken:  Hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten.  Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), met daarin per bestemming een bestemmingsomschrijving en bouwregels.  Hoofdstuk 3 (algemene regels), met daarin een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels.  Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels), met daarin het overgangsrecht en de slotbepaling.

5.3.1

Bestemmingen De regels in verband met de bestemmingen kennen alle een min of meer gelijke opbouw en bestaan in ieder geval uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels. De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. In een aantal gevallen is een specificering opgenomen van de toegestane functie, welke correspondeert met aanduidingen op de verbeelding.

33

De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om bouwvergunning. Voorliggend bestemmingsplan kent de bestemmingen ’Tuin’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’, ‘Wonen’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2, 3 en 4’ en ’Waterstaat - Waterkering’. Tuin De gronden direct langs de Oost Kinderdijk zijn voorzien van de bestemming ‘Tuin'. Hier zijn tuinen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water toegestaan. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Alleen aan de zij- en voorgevel van een woning is het toegestaan om onder voorwaarden een erker of toegangsportaal te bouwen. Tot slot zijn er bouwregels verbonden aan erf- en terreinafscheidingen. Verkeer - Verblijfsgebied De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woonerven, wijkontsluitingswegen (30 km/u), pleinen; voet- en fietspaden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging; speelvoorzieningen; straatmeubilair; kunstwerken, beeldende kunst; nutsvoorzieningen; ambulante detailhandel en evenementen.

Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn, onder voorwaarden, wel toegestaan. Wonen Het beoogde appartementengebouw is de bestemming ‘Wonen’ toegekend met aanduiding ‘gestapeld’. Hier zijn maximaal 18 gestapelde woningen toegestaan. Naast deze functie zijn aan-huis-verbonden beroepen bij de woningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water, erven en tuinen en paden en wegen toegestaan. Voor de aan-huis-verbonden beroepen gelden specifieke gebruiksregels waaraan bij uitoefening voldaan moet worden. Het gebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’. In dit geval gaat het om een maximum bouwhoogte van 14 meter. Daarnaast zijn bouwregels opgenomen voor bijgebouwen, garageboxen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Waarde - Archeologie 2, 3 en 4 De gemeente Alblasserdam heeft voor haar grondgebied ten aanzien van archeologie beleid vastgesteld. Op basis van de bij dit beleid behorende kaart is voor het gehele grond gebied van de gemeente Alblasserdam in beeld gebracht of sprake is van archeologische verwachtingswaarden en welk beschermingsniveau bij deze waarde hoort.

Conform de archeologische beleidskaart zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Herstelplan Alblasserdam’ dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie opgenomen. De dubbelbestemmingen beogen de archeologische waar-

34

den te beschermen. Op de gronden met een dubbelbestemming mag alleen onder voorwaarden worden gebouwd. Dit geldt als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat geen sprake is van archeologische (verwachtings)waarden, het vergunningsvrije bouwwerken betreft of voldaan wordt aan het beschermingsniveau dat bij een bepaalde (verwachtings)waarde hoort. Van de desbetreffende bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken. Voor bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig. In dit bestemmingsplan zijn de geldende archeologische dubbelbestemmingen en haar regelingen overgenomen. Waterstaat - Waterkering De Oost Kinderdijk betreft een waterkering. De beschermingszone van deze waterkering is bestemd als ‘Waterstaat - Waterkering’. De voor ‘Waterstaat - Waterkering’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering. Op de gronden mag alleen ten dienste van de waterkering worden gebouwd. Via een afwijkingsbevoegdheid kan hiervan worden afgeweken. 5.3.2

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier, met uitzondering van de overige regels, verder niet toegelicht. Overige regels In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. Deze verplichting houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform de parkeernormen uit de basisnota van de GVVP. Deze parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden. Het bevoegd gezag kan onder voorwaarden van de parkeerregeling afwijken.

35

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid In het kader van deze ontwikkeling wordt een exploitatieovereenkomst gesloten tussen gemeente en initiatiefnemer, zodanig dat de door de gemeente te maken kosten worden verhaald op de ontwikkelaar. Op basis van artikel 6.12 lid 1 Wro dient de gemeenteraad in het kader van onderhavige ontwikkeling een exploitatieplan vast te stellen. Omdat echter een exploitatieovereenkomst wordt gesloten, zijn de kosten van de grondexploitatie conform artikel 6.12 lid 2 Wro ‘anderszins verzekerd’. De verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan vervalt hiermee. De economische haalbaarheid van het plan is gewaarborgd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg en inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschappen en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien

6.2.2

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

36

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

Alblasserdam, Oost Kinderdijk

Gemeente Alblasserdam

Datum: 11 december 2019 Projectnummers: 180192/180193

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De plannen Leeswijzer

3 3 4

2

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

5

2.1 2.2 2.3 2.4

Stedelijke ontwikkeling Marktgebied Behoefte Bestaand stedelijk gebied

5 5 7 15

3

Conclusie

17

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.

Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.

1.2

De plannen Het voornemen bestaat om op een tweetal locaties in Alblasserdam woningen te realiseren. Het betreft de locaties: 1 Oost Kinderdijk 137-145 2 Oost Kinderdijk 187a Voor alle locaties geldt dat de ter plaatse geldende juridisch-planologische kaders de beoogde woningbouw momenteel niet toestaan. Daarom worden voor de locaties nieuwe bestemmingsplannen opgesteld. In deze bestemmingsplannen moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkelingen in lijn zijn met een goede ruimtelijke ordening. Eén van de aspecten die onderdeel uitmaakt van een goede ruimtelijke ordening is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets vindt in dit rapport plaats. Hierna worden de beoogde woningbouwontwikkelingen besproken.

SAB

3

1. Oost Kinderdijk 137-145 Het voornemen bestaat om de bestaande leegstaande bebouwing aan de Oost Kinderdijk 137-145 ter plaatse te slopen en hier een appartementengebouw, bestaande uit maximaal 18 woningen, te realiseren. Het beoogde appartementengebouw kent een speelse opzet door gebruik te maken van verspringingen in het gevelbeeld, de toepassing van diverse kleuren en hoogteverschillen. Aan de zijde van de Oost Kinderdijk is sprake van een representatief straatbeeld. Dit sluit aan bij de karakteristieken van het Dijklint. Al met al zal het gebouw niet hoger worden dan 14 meter ten opzichte van de 2 Oost Kinderdijk. De appartementen variëren qua grootte tussen de circa 60 en 115 m . De appartementen bevinden zich in de koopsector en gelet op de grootte van de appartementen zullen de appartementen zich in de middeldure sector bevinden. Als gevolg van de aanwezigheid van een lift is sprake van een levensloopbestendig karakter. 2. Oost Kinderdijk 187a Op het adres Oost Kinderijk 187a bevindt zich een kassencomplex. De gronden bevinden zich tussen het Dijklint van de Oost Kinderdijk en de ‘Groene Long’ van Alblasserdam. Met de herontwikkeling van het kassencomplex tot woningbouwlocatie worden kansen gezien om een uniek woonmilieu te realiseren en nieuwe recreatieve verbindingen in het gebied te maken. Het gaat om maximaal 18 grondgebonden woningen.

Het bestemmingsplan staat enkel de realisatie van vrijstaande woningen toe, zodat de groene opzet van de woningbouwontwikkeling wordt gewaarborgd. De beoogde woon2 kavels variëren qua grootte tussen de circa 250 en 750 m . Dit maakt dat de woningen zich voornamelijk in de dure koopsector bevinden.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst bepaald worden of en, zo ja, waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toetsing of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.

SAB

4

2

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

2.1

Stedelijke ontwikkeling

2.1.1

Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Nota van Toelichting (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.

2.1.2

Toetsing De voorgenomen ontwikkelingen voorzien in de realisatie van maximaal 36 woningen in de bebouwde kom van Alblasserdam. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken 1 als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarente2 gen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling . Gelet op het woningbouwprogramma van de plannen (36 woningen) wordt gesteld dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

2.1.3

Conclusie Gelet op het voorgaande is voorliggende ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.

2.2

Marktgebied

2.2.1

Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie.

1

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921).

2

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953).

SAB

5

2.2.2

Toetsing Inleiding De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsverordening opgenomen dat gemeenten op regionaal niveau afspraken moeten maken over de kwantitatieve en kwalitatieve regionale behoefte van in ieder geval de functies wonen en kantoren. Gedeputeerde Staten geven bij de aanvaarding van de regionale visie aan in hoeverre daarmee op regionaal niveau de ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen, zodat bij individuele bestemmingsplannen daar naar kan worden verwezen. De gemeente Alblasserdam vormt samen met de gemeenten Dordrecht, Hendrik-IdoAmbacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht de woningmarkt regio Drechtsteden. Binnen deze regio vindt onderlinge afstemming plaats over woningbouwontwikkelingen. Verhuisbewegingen De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende regio of gemeente. In 2016 heeft het Onderzoekscentrum van de gemeenten binnen de regio Drechtsteden een verhuisonderzoek opgesteld. In dit onderzoek zijn onder andere de verhuispatronen binnen de regio nader bekeken. Uit deze verhuisbewegingen blijkt dat het merendeel (57%) van de verhuizingen plaatsvindt binnen de eigen gemeente.

Nog eens 14% van de verhuisbewegingen is naar een andere gemeente binnen de regio. Dit maakt dat 29% van de verhuizingen naar een gemeente buiten de regio betreft. Wel gaat het vaak om een gemeente binnen de provincie Zuid-Holland, voornamelijk de regio Rotterdam. Per saldo is sprake van een licht negatief binnenlands migratiesaldo. Dit betekent dat er meer mensen uit de regio Drechtsteden verlaten dan dat er zich vestigen. De verhuisbewegingen zijn in onderstaand figuur voor het jaar 2015 weergegeven.

Verhuisbewegingen in huishoudens naar richting in 2015 (Bron: Onderzoekscentrum Drechtsteden).

SAB

6

2.2.3

Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat het marktgebied zich primair richt op de gemeente Alblasserdam. Gelet op de aard, omvang en ligging van de beoogde ontwikkelingen, geldt de verwachting dat de woningbouwontwikkelingen geen bovengemeentelijke aantrekkingskracht hebben.

2.3

Behoefte

2.3.1

Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.

2.3.2

Kwantitatieve behoefte Kwantitatieve huishoudensontwikkeling De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. Het Onderzoekcentrum Drechtsteden heeft de demografische ontwikkeling van de regio Drechtsteden tot 2040 inzichtelijk gemaakt in de rapportage ‘Komt de krimp?’. De bevolkings- en huishoudensprognose in de Drechtstreden voor de periode 2000 – 2040 ziet er als volgt uit:

Bevolkings- en huishoudensontwikkeling Drechtsteden 2010-2040 (index 2010=100) (Bron: Onderzoekcentrum Drechtsteden).

Uit de demografische gegevens is af te leiden dat de Drechtsteden de komende jaren een positieve huishoudensontwikkeling kennen. De verwachting is dat het aantal huishoudens tot aan 2040 met circa 14.000 zal toenemen.

SAB

7

Volgens de Primos-prognose (2016) geldt op gemeentelijk niveau dat iedere gemeente binnen de Drechtsteden tot aan 2031 een positieve prognose ten aanzien van de huishoudensontwikkeling kent. De gemeente Alblasserdam vertoont daarbinnen een gemiddeld beeld.

Ontwikkeling huishoudens 2016 t/m 2020 en 2021 t/m 2031 gemeenten in regio Drechtsteden volgens Primos 2016 (Bron: RIGO).

Woningmarktonderzoek Drechtsteden 2016-2031 RIGO heeft in 2017 een woningmarktonderzoek voor de regio Drechtsteden uitgevoerd. In dit onderzoek is niet alleen de situatie voor de gehele regio onderzocht, ook bevat het onderzoek een factsheet per gemeente. Voor de gemeente Alblasserdam geldt de volgende trend ten aanzien van de woonbehoefte:

Trend woningbehoefte gemeente Alblasserdam (Bron: RIGO).

Hieruit is af te leiden dat, ongeacht welk economisch scenario, de algemene woningbehoefte in de gemeente Alblasserdam zal toenemen in de periode 2016-2031. Enkel de woningbehoefte voor corporatiewoningen en particuliere woningen worden negatieve ontwikkelingen geprognosticeerd. Aangezien de voorgenomen plannen voorzien in de toevoeging van koopwoningen wordt aangesloten bij de positieve woningbehoefte van dit type woning. Wonen in de Drechtsteden 2017 Het Onderzoekcentrum Drechtsteden heeft in haar rapportage ‘Wonen in de Drechtsteden 2017’ een actueel beeld gegeven van het thema wonen binnen de regio. In deze rapportage is onder andere gebruik gemaakt van het hiervoor genoemde woningmarktonderzoek. Uit de onderzoeksrapportage volgt dat binnen de regio Drechtsteden sprake is van een kwantitatieve woonbehoefte. Zowel op de korte termijn (tot 2021) als op de lange termijn (tot 2031) geldt dat er behoefte is om nieuwe woningen aan de woning-

SAB

8

voorraad binnen de regio Drechtsteden toe te voegen. Deze kwantitatieve woningbehoefte bestaat vrijwel geheel uit koopwoningen. Tabel: Woningbehoefte Drechtsteden

Bron: Onderzoekcentrum Drechtsteden

Wanneer de woningbehoefte uit het Woningmarktonderzoek Drechtsteden 2016-2031 wordt afgezet tegen de plancapaciteit die binnen de regio aanwezig is, volgt dat nog ruimte is voor de toevoeging van ruim 1.600 woningen aan de plancapaciteit om te kunnen voorzien in de kwantitatieve woonbehoefte.

Woningbouwprogramma versus behoefte tot 2031 Drechtsteden (Bron: Onderzoekcentrum Drechtsteden).

Woonvisie Drechtsteden 2017-2031 De regionale woonvisie geeft inzicht in de verhouding van de plancapaciteit per gemeente en de kwantitatieve groeiopgave die iedere gemeente heeft. Deze kwantitatieve woonopgave bestaat uit de autonome groeisituatie, zoals bepaald in woningmarktonderzoek van RIGO. Uit de confrontatie volgt dat er regionaal gezien per saldo (plannen minus sloop) een tekort aan plannen bestaat. De gemeente Alblasserdam heeft ruimschoots voldoende capaciteit om in de kwantitatieve woonopgave te kunnen voorzien. Opgemerkt dient te worden dat onder plannen ook ‘zachte’ plannen vallen. Dit betekent dat een deel van de genoemde plancapaciteit nog geen juridisch-planologische status kent en het daarmee deels nog onzeker is of de volledig weergegeven plancapaciteit uiteindelijk gerealiseerd zal worden.

(Sloop)plannen regio Drechtsteden medio 2017 (Bron: Regio Drechtsteden).

SAB

9

Om in 2031 de autonome huishoudensgroei te kunnen faciliteren, dient rekening te worden gehouden met een grotere kwantitatieve opgave dan de geprognosticeerde 9.560 woningen. Er is immers altijd sprake van vertraging in de realisatie van plannen, bijvoorbeeld vanwege grondverwerving en de benodigde juridisch-planologische procedures. De regio Drechtsteden zet dan ook in op het verhogen van de plancapaciteit van 9.560 (autonome groei) + 2.000 (compensatie sloop) + 20% (vertraging) naar 13.800 woningen. Dit betekent dat alle zeven gemeenten de ambitie hebben uitgesproken om op zoek te gaan naar nieuwe locaties om extra plancapaciteit te kunnen realiseren. Daar bovenop wil de regio nog zo’n 15.000 extra woningen realiseren om te kunnen voorzien in de extra groeiopgave van de Drechtsteden als gevolg van de groeiende aantrekkingskracht van de regio. Al met al is dus sprake van een grote kwantitatieve woonopgave in de Drechtsteden. Hittekaart woningmarkt De afgelopen tijd is er in de media steeds meer aandacht voor de toenemende druk op de woningmarkt, voornamelijk in het Randstedelijk gebied. Zo is ook een ‘hittekaart’ van de woningmarkt 2019 verschenen.

Hittekaart van de woningmarkt 2019 (Bron: BPD).

Een hoge score (rood is hoog, blauw is laag) op de hittekaart kenmerkt zich door hoge prijzen en of veel huizenverkopen, maar ook een sterke (verwachte) huishoudensgroei. Amsterdam, Utrecht en Rotterdam zijn traditioneel gezien de meest populaire woonlocaties. Aangrenzende gemeenten kleuren rood mee, maar de hittekaart laat ook zien dat de vraag op de woningmarkt zich geleidelijk als een olievlek uitbreidt van de Randstad richting de provincie. De regio Drechtsteden is op de hittekaart ook een regio met een hoge score en kent dan ook een hoge druk op de woningmarkt.

SAB

10

Conclusie Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de Drechtsteden en de gemeente Alblasserdam, het feit dat de woonbehoefte de komende jaren op regionaal en gemeentelijk niveau blijft toenemen en er op regionaal én gemeentelijk niveau extra kwantitatieve plancapaciteit nodig is om in de kwantitatieve woonopgave/behoefte te kunnen voorzien, wordt geconcludeerd dat het plan plast binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. 2.3.3

Kwalitatieve behoefte Kwalitatieve huishoudensontwikkeling Naast de kwantitatieve behoefte, bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijke. Deze behoefte is sterk afhankelijk van de huishoudenssopbouw qua samenstelling en leeftijd. De hieronder weergegeven grafiek laat zien dat vrijwel alle huishoudensgroepen in de Drechtsteden een positieve dan wel stabiele prognose kennen. Met name de huishoudensgroepen van 65+ jaar kennen een grote geprognotiseerde groei. Binnen de groep 45-65 jaar geldt een negatieve prognose.

Aantal huishoudens naar leeftijd en type regio Drechtsteden in 2016, 2021 en 2031 (Uit: RIGO, bron: Primos 2016).

Huishoudensontwikkeling naar leeftijd en type gemeente Alblasserdam en regio Drechtsteden in de perioden 2016-2021 en 2016-2031 (Uit: RIGO, bron: Primos 2016).

SAB

11

Op gemeentelijk niveau geldt dat Alblasserdam voor de lange termijn (2031) voornamelijk te maken zal krijgen met een krimp van kleinere huishoudens onder de 45 jaar. In algemene zin geldt dat voor de huishoudens in de leeftijdsgroepen 65+ een groei wordt geprognosticeerd, evenals voor de ‘gezinnen’. Woningmarktonderzoek Drechtsteden 2016-2031 RIGO heeft in 2017 een woningmarktonderzoek voor de regio Drechtsteden uitgevoerd. In dit onderzoek is niet alleen de situatie voor de gehele regio onderzocht, ook bevat het onderzoek een factsheet per gemeente. Voor de gemeente Dordrecht geldt de volgende trend ten aanzien van de woonbehoefte ten aanzien van woningtypen en prijsklassen:

Trend woningbehoefte naar woningtypen gemeente Alblasserdam (Bron: RIGO).

Trend woningbehoefte naar prijsklassen gemeente Alblasserdam (Bron: RIGO).

Hieruit is af te leiden dat, ongeacht welk economisch scenario, de algemene woningbehoefte in de gemeente Alblasserdam zal toenemen. Enkel de woningbehoefte voor het woningtype ‘huur eengezins’ kent op lange termijn (2031) een negatieve geprognosticeerde ontwikkeling, ongeacht het economisch scenario. Aangezien voorliggend plan voorziet in de toevoeging van een- en meergezins koopwoningen wordt aangesloten bij de positieve woningbehoefte van deze woningtypen. Ten aanzien van de prijsklassen geldt dat binnen de koopsector voor alle prijsklassen op de lange termijn (2031) sprake is van behoefte aan nieuwe woningen. Binnen de huursector is daar geen sprake van, dan wel in veel mindere mate. Wonen in de Drechtsteden 2017 Het Onderzoekcentrum Drechtsteden heeft in haar rapportage ‘Wonen in de Drechtsteden 2017’ een actueel beeld gegeven van het thema wonen binnen de regio. In deze rapportage is onder andere gebruik gemaakt van het hiervoor genoemde woningmarktonderzoek. Ook in dit onderzoek komt naar voren dat er enkel voor het woningtype

SAB

12

‘huur eengezins’ geen sprake is van een behoefte. Voor de overige woningtypen is wel sprake van een kwalitatieve behoefte. Ook wanneer de diverse prijscategorieën behorende bij koopwoningen worden bekeken, geldt dat sprake is van een kwalitatieve behoefte, ongedacht de prijscategorie. Tabel: Woningbehoefte Drechtsteden

Bron: Onderzoekcentrum Drechtsteden

Wanneer de woningbehoeften van een- en meergezins koopwoningen uit het Woningmarktonderzoek Drechtsteden 2016-2031 worden afgezet tegen de plancapaciteit die binnen de regio aanwezig is, volgt dat er in principe voldoende plancapaciteit is om te kunnen voorzien in de kwalitatieve woonbehoefte ten aanzien van meergezins koopwoningen. Voor de eensgezins koopwoningen geldt dat er onvoldoende capaciteit aanwezig is om te kunnen voorzien in de kwalitatieve woonbehoefte binnen de regio.

Woningbouwprogramma versus behoefte tot 2031 Drechtsteden (Bron: Onderzoekcentrum Drechtsteden).

SAB

13

Woonvisie Drechtsteden 2017-2031 In de regionale woonvisie is aan de hand van de toekomstige woningbehoefte van RIGO in combinatie met de demografische ontwikkelingen een regionaal woningbouwprogramma naar woningtypen opgesteld om in de kwantitatieve autonome groei te kunnen voorzien. Daaruit volgt dat de regio Drechtsteden ruimschoots inzet op de toevoeging van eengezins koopwoningen, maar volgt ook dat sprake is van een behoefte in het toevoegen van meergezins koopwoningen aan de woningvoorraad.

Woonbehoeftetabel 2031met verdeling woontypen (Bron: Regio Drechtsteden).

Daarnaast geldt dat de gemeenten in de regio de ambitie hebben om meer nieuwbouwplannen in de in het duurdere koopsegment te realiseren, zodat er een evenwichtige bevolkingssamenstelling kan worden bereikt. Ook bestaat er vraag om nieuwe koopwoningen in het middeldure segment te realiseren, hetgeen niet geldt voor het goedkope segment. Structuurvisie Alblasserdam De gemeentelijke structuurvisie geeft aan in te zetten op het toevoegen van middeldure woningen in de koop- en huursector, evenals op bijzondere woonvormen op kleine schaal, bijvoorbeeld langs historische linten. Naast een variatie aan woningen ambieert de gemeente Alblasserdam ook een variatie in leefmilieus. In het rustig stedelijke leefmilieu is sprake van grote functiemenging, hoge dynamiek en hoge(re) dichtheden; in het rustig groene leefmilieu wordt voornamelijk gewoond in lage dichtheden.

Variatie in leefmilieus (Bron: Gemeente Alblasserdam).

SAB

14

Conclusie Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling (vrijwel alle gezinnen in de diverse leeftijdsgroepen groeien) in de regio Drechtsteden en Alblasserdam kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de demografische ontwikkelingen. Het programma zet in op een- en meergezins koopwoningen in de middeldure en dure sector, hetgeen aansluit bij de kwalitatieve woningbehoeften op regionaal en gemeentelijk niveau. Ondanks het feit dat er voldoende meergezins koopwoningen binnen de huidige plancapaciteit zijn, is de toevoeging van extra woningen in deze categorie verantwoordbaar gezien de kwantitatieve woonopgave en ambities die de regio Drechtsteden heeft. Tevens geldt op regionaal en gemeentelijk niveau de volkshuisvestelijke ambities om het aanbod middeldure en dure koopwoningen te vergroten. Daarbij komt dat de locaties middels herontwikkeling een kwaliteitsimpuls ter plaatse geven en leegstands- en verpauperingsproblemen worden opgelost/voorkomen. Dit tezamen maakt dat de ontwikkelingen voorzien in een kwalitatieve behoefte van het marktgebied. 2.3.4

Conclusie De beoogde woningbouwontwikkelingen voorzien in een behoefte van het marktgebied. Voor de ontwikkeling is kwantitatief gezien ruimte, gelet op de huishoudenontwikkeling en de woonopgave die de regio en gemeente Alblasserdam hebben. Daarnaast anticipeert de ontwikkeling op de demografische ontwikkelingen en kwalitatieve woonbehoefte binnen Alblasserdam door in te zetten op een- en meergezins koopwoningen in de middeldure en dure sector. Dit tezamen maakt dat de ontwikkelingen voorzien in een behoefte van het marktgebied.

2.4

Bestaand stedelijk gebied

2.4.1

Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied.

2.4.2

Toetsing De plangebieden maken onderdeel uit van de bebouwde kom van Alblasserdam. Momenteel kennen de plangebieden diverse bestemmingen, namelijk ‘Detailhandel - 2’, ‘Wonen’ en ‘Agrarisch - 1' met functieaanduiding ‘glastuinbouw’. Feitelijk gezien zijn de gronden ook als zodanig ingericht. De omgevingen van de planlocaties zijn vrijwel volledig gevormd door woningen en andere bebouwing/stedelijke functies. Dit tezamen maakt dat, gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom de plangebieden en de ter plaatse geldende bestemmingen, wordt geconcludeerd dat de plangebieden in het bestaand stedelijk gebied liggen.

SAB

15

Bovendien kan gezien de heersende functies in de omgeving van de plangebieden en het karakter van de beoogde ontwikkelingen gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkelingen op deze locaties passen. Er wordt immers ingezet op woonontwikkelingen in een woonomgeving. Ook worden de ontwikkelingen ruimtelijk gezien ingepast in de ruimtelijke structuren van de omgeving, bijvoorbeeld door qua maat en schaal aan te sluiten bij de bebouwing in de omgeving en nieuwe recreatieve verbindingen met de nabijgelegen ‘Groene Long’ van Alblasserdam te maken. 2.4.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkelingen worden voorzien in bestaand stedelijk gebied. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkelingen op deze locaties passen. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.

SAB

16

3

Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkelingen voorzien in een behoefte en vinden binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee worden de ontwikkelingen als haalbaar geacht voor wat de betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.

SAB

17

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Alblasserdam, 3 locaties

Gemeente Alblasserdam

Datum: 2 juni 2020 Projectnummer: 180191/180192/180193

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer

3 4 6

2

Kenmerken van het project

7

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving project Omvang van het project Overige kenmerken van het project

7 7 8 9

3

Plaats van het project

10

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

10 10 12

4

Kenmerken van het potentiële effect

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Inleiding Archeologie Cultuurhistorie Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit

17 18 20 22 24 25 26

5

Conclusie

29

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Het voornemen bestaat om op een drietal locaties in Alblasserdam ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. Het betreft de locaties: 1. Pijlstoep 31: saneren voormalige wasserij en behoud burgerwoning 2. Oost Kinderdijk 137-145: realisatie maximaal 18 appartementen 3. Oost Kinderdijk 187a: realisatie maximaal 18 grondgebonden woningen De drie locaties liggen allen in elkaars nabijheid, op de navolgende topografische kaart is de ligging van de locaties globaal aangeduid:

Het projectgebied globaal aangeduid op een topografische kaart (bron: opentopo.nl)

Voor alle locaties geldt dat de ter plaatse geldende juridisch-planologische kaders de beoogde ontwikkeling momenteel niet toestaan. Daarom worden voor de locaties nieuwe bestemmingsplannen opgesteld. De beoogde ontwikkelingen zijn aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r, namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige project (de ontwikkeling van de 3 locaties samen) blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden. Om die reden is formeel een vormvrije m.e.r.-beoordeling vereist. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.rbeoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag (college of raad) voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen.

3

In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld voor de 3 locaties samen. Deze notitie kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het project en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit project.

1.2

De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegde gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegde gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegde gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sinds een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden

4

ingediend bij het bevoegde gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegde gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig project (de herontwikkelingen van Pijlstoep 31, Oost Kinderdijk 137-145 en Oost Kinderdijk 187a te Alblasserdam) past binnen een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 2 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.” Onderhavig project betreft zoals gesteld kortweg de realisatie van drie kleinschalige plannen, waarbij in totaal maximaal 36 nieuwe woningen worden gerealiseerd en één bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning.

De locaties zijn samen in totaal circa 1,5 ha groot. Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit ver onder de drempelwaarde en is uitsluitend een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegde gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee aan de gemeenteraad een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggende rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde project ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r., ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:  kenmerken van de activiteit;  plaats waar de activiteit wordt verricht;  kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan niet belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

5

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige project en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de kenmerken van het project, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het project beschreven en in hoofdstuk 4 komen de kenmerken van het potentiële effect aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

6

2 2.1

Kenmerken van het project Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en de omvang van het project worden in beeld gebracht. Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving project Het project valt uiteen in drie deellocaties. Deze komen hierna aan de orde. 1. Pijlstoep 31 Ten eerste bestaat het voornemen om de voormalige wasserij op het adres Pijlstoep 31 te slopen, de gronden te saneren, de bestaande bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere burgerwoning en de overige gronden in te zetten als tuin.

Topografische kaart ligging plangebied

2. Oost Kinderdijk 137-145 Het voornemen bestaat om de bestaande leegstaande bebouwing aan de Oost Kinderdijk 137-145 ter plaatse te slopen en hier een appartementengebouw, bestaande uit maximaal 18 woningen, te realiseren.

Topografische kaart ligging plangebied

Impressie beoogde situatie 7

3. Oost Kinderdijk 187a Op het adres Oost Kinderdijk 187a bevindt zich een kassencomplex. De gronden bevinden zich tussen het Dijklint van de Oost Kinderdijk en de ‘Groene Long’ van Alblasserdam. Met de herontwikkeling van het kassencomplex tot woningbouwlocatie worden kansen gezien om een uniek woonmilieu te realiseren. Het gaat om maximaal 18 grondgebonden woningen. Het bestemmingsplan staat enkel de realisatie van vrijstaande woningen toe, zodat de groene opzet van de woningbouwontwikkeling wordt gewaarborgd. Tevens wordt de waterstructuur versterkt en wordt met een landschappelijke inpassing een goede en geleidelijke overgang gemaakt met de Groene Long van Alblasserdam.

Topografische kaart ligging plangebied

2.3

Globale inrichtingstekening

Omvang van het project De oppervlakte van het totale projectgebied bedraagt circa 1,5 hectare. Het project beslaat kortweg maximaal 36 nieuwe woningen. Dit kan als volgt gepreciseerd worden: 1. Locatie Pijlstoep 31: Het betreft saneren van de voormalige wasserij en behoud van de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning. Dit deelgebied is circa 1.300 2 m groot. 2. Locatie Oost Kinderdijk 137-145: Het betreft 18 appartementen in een appartementengebouw met een bouwhoogte van maximaal 14 meter. Dit deelgebied is 2 circa 2.200 m groot. 3. Locatie Oost Kinderdijk 187a: Het betreft 18 nieuwe grondgebonden woningen met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 7 en 13 meter. Dit deelgebied is in totaal ca 1 ha groot. Het project is aan te merken als een inbreiding / herstructurering binnen de bestaande kern Alblasserdam.

8

2.4

Overige kenmerken van het project

2.4.1

Cumulatie met andere projecten De drie locaties worden in samenhang ontwikkeld en daarom reeds in totaal en gecumuleerd met elkaar beoordeeld. Cumulatie met andere projecten is voor het overige niet aan de orde. Er wordt dus verder geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het projectgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruikgemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en de te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het project maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het projectgebied. In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.

2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de realisatie van de nieuwbouw wordt tijdelijk gewerkt met stikstof- en fijnstofemitterende materieel (machines, et cetera.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De nieuwe woningen hebben een beperkte verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

9

3 3.1

Plaats van het project Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Algemeen Het projectgebied bevindt zich binnen het bestaande stedelijke gebied van Alblasserdam. Het plangebied en haar omgeving maken onderdeel uit van het ‘Dijklint’ van Alblasserdam. Dit gebied kenmerkt zich door haar ligging langs de rivier de Noord. De Oost Kinderdijk bevindt zich op de dijk langs de Noord en vormt de doorgaande verkeersstructuur binnen het Dijklint. De bebouwing kent hier oriëntatie richting de Noord. Er is sprake van een afwisseling tussen oude bebouwing, maar ook nieuwere bebouwing die later de ‘gaten’ in het lint heeft gevuld. Dit maakt dat er geen eenduidige stedenbouwkundige structuur langs het Dijklint aanwezig is. Wel geldt dat de woonfunctie hier de overheersende functie is. Achter het bebouwingslint bevindt zich een ‘Groene Long’, bestaande uit de groen-, recreatie- en natuurgebieden het ’Lammetjeswiel’, het park ’Huis te Kinderdijk’ en de groene zone tussen de Blokweerweg en de Touwbaan.

Luchtfoto met globale aanduiding plangebied

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/143/documents/2110