CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

nota van beantwoording bodemregels Alblasserdam.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 23 september 2025, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 6: Vaststelling wijziging 'Omgevingsplan gemeente Alblasserdam' op thema bodemkwaliteit - Voorstel11.707 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeente Alblasserdam

Nota zienswijze Wijziging ‘Omgevingsplan Alblasserdam’ op thema bodemkwaliteit

Juli 2025

1.Inleiding ................................................................................................................ 3 1.1 Wet bescherming persoonsgegevens ................................................................ 3 1.2 Leeswijzer ....................................................................................................... 3 2. Beantwoording zienswijzen.................................................................................... 4 2.1 Zienswijze 1 ..................................................................................................... 4 2.2 Zienswijze 2 ..................................................................................................... 8 2.3 Zienswijze 3 ................................................................................................... 11 2.4 Zienswijze 4 ................................................................................................... 21 3. Ambtshalve wijzigingen ....................................................................................... 27 Bijlage 1 ................................................................................................................. 36 Beleidsregel hergebruik PFOA houdende grond en baggerspecie gemeente Alblasserdam 2025................................................................................................. 36

2

1.Inleiding Deze nota heeft als doel om de indieners van de zienswijzen en belangstellenden kennis te laten nemen van de ingediende reacties en van het standpunt van de gemeenteraad hierover. De wijziging omgevingsplan gemeente Alblasserdam op thema bodemkwaliteit heeft van 31 januari tot en met 14 maart 2025 ter inzage gelegen. Er zijn vier zienswijzen tegen het plan ingediend. Deze zienswijzen zijn binnen de wettelijke termijn van zes weken binnengekomen, c.q. verzonden en tijdig ontvangen. In deze nota zienswijze wordt aangegeven hoe met de zienswijzen is omgegaan en of de zienswijzen aanleiding hebben gegeven om het omgevingsplan om thema bodemkwaliteit aan te passen. De reacties zijn samengevat weergegeven.

1.1 Wet bescherming persoonsgegevens Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens is het niet toegestaan om persoonsgegevens (zogenaamde NAW-gegevens: naam, adres en woonplaats) van natuurlijke personen te verwerken zonder bijvoorbeeld een wettelijke grondslag, dringende noodzaak of toestemming van de betreffende personen. Er is geen wettelijke grondslag of dringende noodzaak om de NAW-gegevens van natuurlijke personen te vermelden. Om die redenen zijn geen NAW-gegevens vermeld.

1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn de zienswijzen samengevat en voorzien van een beantwoording. In de conclusie wordt aangegeven of de zienswijzen ontvankelijk en gegrond zijn en leiden tot wijzigingen in het omgevingsplan op thema bodemkwaliteit. De aard van de ambtshalve wijzigingen zijn weergegeven in hoofdstuk 3.

3

2. Beantwoording zienswijzen 2.1 Zienswijze 1 HVC Samenvatting

Antwoord

Aanpassing

Indiener geeft aan dat in deze zienswijze uitgelegd zal worden dat een algeheel verbod om AVIbodemassen toe te passen als bouwstof niet nodig én niet wenselijk is.

Naar aanleiding van deze zienswijze is de regeling voor bouwstoffen uit het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van reclamant, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen en met beoordelingsregels duidelijk te maken onder welke voorwaarden een activiteit vergunbaar is. Aan de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en dragen we hiermee bij aan de doelen van de omgevingsvisie. In onze omgevingsvisie stellen wij namelijk dat wij mensen zo min mogelijk willen blootstellen aan negatieve milieueffecten.

Deze zienswijze heeft tot de volgende aanpassingen geleid voor het toepassen van thermische gereinigde grond. Het verbod is omgezet naar een binnenplanse vergunningplicht. Hierom zijn de volgende artikelen aangepast of toegevoegd: - Artikel 11.7 aanwijzing vergunningplichtige gevallen thermisch gereinigde grond - Artikel 11.8 Aanvraagvereisten vergunning thermisch gereinigde grond - Artikel 11.9 Beoordelingsregels thermisch gereinigde grond Deze zienswijze heeft ook geleid tot aanpassingen bij het toepassen van aandachtsbouwstoffen. Hierbij is ook verandering geweest van een verbod naar binnenplanse vergunningplicht: - Artikel 11.21 Aanwijzing vergunningplichitge gevallen AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken - Artikel 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVIbodemassen,

4

Indiener geeft aan dat de landelijke overheid voorstander is van het reinigen van bodemassen en dat deze gereinigde bodemassen adequaat kunnen worden toegepast Indiener geeft aan dat een verbod op thermisch gereinigde grond bovendien strookt met het landelijke beleid voor gereinigde bodemassen en met het ontwerp Circulair Materialenplan.

Wij zijn ons daarvan bewust en steunen de ontwikkelingen en doelen op het gebied van circulaire toepassing van bouwstoffen. Gereinigde bodemas heeft daarbij zonder meer de voorkeur boven niet-gereinigde bodemas. Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Zoals hierboven aangegeven zijn wij van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekortschieten. Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente.

De indiener meent dat artikel 11.19 of op een andere wijze moet worden voorzien in een uitzondering op het verbod op het toepassen van AVIbodemassen als bouwstof voor zover het gaat om gereinigde bodemassen

Wij begrijpen dat wij daarmee niet helemaal tegemoetkomen aan het verzoek van de indiener, waarin gevraagd wordt om een uitzondering voor gereinigde bodemassen. Deze bouwstoffen zijn, als voldaan wordt aan het Bal en de Regeling Bodemkwaliteit 2022, vrij toepasbaar. In de praktijk heeft dat in een aantal gevallen tot incidenten geleid waarbij de bodem, het grondwater en/of het oppervlaktewater verontreinigd is geraakt. Daarnaast zijn er meerdere onderzoeksrapporten verschenen die een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels schetsen. De regels schieten naar onze mening te kort. Dat geldt ook voor de

immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken. - Artikel 11.23 Beoordelingsregels vergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Zie eerdergenoemde aanpassingen in deze zienswijze.

Specifieke uitzondering voor AVI-bodemas is er niet gekomen. Aanpassingen zoals hierboven zijn besproken, geven meer ruimte om deze bouwstoffen te gebruiken.

5

regels voor gereinigde bodemassen. Wij zien daarom geen mogelijkheid om een uitzondering voor deze categorie te maken. In de gewijzigde motivering bij de regeling (bijlage 4 & 5) wordt uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen. Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is om fysieke veiligheid te verbeteren en mensen zo min mogelijk willen blootstellen aan negatieve milieueffecten (Omgevingsvisie Alblasserdam). De indiener geeft aan dat een verbod en daarmee vergunningplicht tot gevolg zal hebben dat gereinigde bodemassen niet meer gebruikt zullen worden als ophoogmateriaal. De afzet van deze bodemassen komt dan in gevaar. Indiener geeft aan dat een verbod bovendien strookt met het landelijke beleid voor gereinigde bodemassen

De indiener geeft aan als er geen wijziging komt op het geheel verbod gebied AVIbodemas dat het lastiger wordt voor de

Wij zijn ons ervan bewust dat een vergunningprocedure extra tijd en kosten oplevert voor de praktijk en dat alternatieven dan aantrekkelijker worden waardoor het product van indiener mogelijk niet meer wordt afgenomen. Daarom stappen wij over naar een binnenplanse vergunningplicht. Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om grip te krijgen op deze problematiek.

Zie eerdergenoemde aanpassingen in deze zienswijze.

Het landelijke Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Een maatwerkregel kan ook een verbod of vergunningplicht inhouden. De wetgever heeft daar niet gekozen voor een landelijke aanpak. Alleen de basis is door de wetgever geregeld. Wij zijn ons bewust van en steunen wij de ontwikkelingen en doelen op het gebied van circulaire toepassing van bouwstoffen. Gereinigde bodemas heeft daarbij zonder meer de voorkeur boven niet-gereinigde bodemas. Voor alle

Zie eerdergenoemde aanpassingen in deze zienswijze.

Zie eerdergenoemde aanpassingen in deze zienswijze.

6

indiener om haar doelstelling zal halen

Indiener meent dat in artikel 11.19 of op een andere wijze moet worden voorzien in een uitzondering op het verbod op het toepassen van AVIbodemassen als bouwstof voor zover het gaat om gereinigde bodemassen.

toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Zoals hierboven aangegeven zijn wij van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekortschieten. Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente. Wij zijn ons ervan bewust dat een vergunningprocedure extra tijd en kosten oplevert voor de praktijk en dat alternatieven dan aantrekkelijker worden waardoor het product van reclamant mogelijk niet meer wordt afgenomen. Door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen wordt duidelijk via beoordelingsregels wanneer de gemeente de vergunning verleend. Het uitgangspunt is dus niet weigering, maar meewerken aan een zorgvuldige toepassing. Daarmee wordt de onzekere factor kleiner.

Zie eerdergenoemde aanpassingen in deze zienswijze.

7

2.2 Zienswijze 2 Zienswijze gemeente Molenlanden Samenvatting Indiener verzoekt, zoals ook door de indiener is opgenomen in het omgevingsplan, op te nemen in het omgevingsplan: De eigenaar dient ten genoegen van het bevoegde gezag (= de gemeente) aan te tonen, dat hij in staat is om de negatieve gevolgen van het toepassen van stoffen in het kader van activiteiten, zoals bedoeld in Afdeling 1.5 Toepassen van bouwstoffen, Artikel 1.10 Verbod toepassen van de bouwstoffen immobilisaten, AVIbodemassen en staalslakken, Afdeling 1.6 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 1.11 Verbod op toepassen thermisch gereinigde grond, te voorkomen en eventuele uit die toepassing voortvloeiende milieudan wel gezondheidsschade volledig te vergoeden.

Antwoord Wij begrijpen dat de indiener bij onverhoopte schade de eigenaar verantwoordelijk wil stellen en de eigenaar in staat moet zijn de kosten voor sanering te dragen. Om diverse redenen stellen wij een alternatieve aanpassing van de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 11.7 en 11.19 voor. Daarbij is het verbod gewijzigd in een binnenplanse vergunningplicht. Bij de aanvraagvereisten van de binnenplanse vergunningplicht zullen wij de volgende informatie eisen: - het akkoord van de opdrachtgever - de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase

Aanpassing Informatie eisen opgenomen bij de aanvraagvereisten namelijk: - het akkoord van de opdrachtgever - de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase

Met deze informatie is het mogelijk om de verantwoordelijke partijen aan te schrijven/aan te spreken en te wijzen op de zorgplicht. Het voorstel van de indiener voor aanvulling in de artikelsgewijze toelichting over financiële zekerheidsstelling kan in onze ogen in eerste instantie het doel niet bereiken. Ten eerste zal het doel niet gehaald worden als het in de toelichting komt, omdat een artikelsgewijze toelichting formeel geen status heeft, maar een uitleg van een regel is. Het is niet bindend. Ten tweede is er geen praktische invulling te bedenken. Het is niet duidelijk op welke manier een eigenaar aantoont dat hij eventuele schade kan vergoeden. De schade is niet vooraf bekend, waardoor er geen bedrag kan worden bepaald. Daarnaast leidt eventuele schade over het algemeen tot maatregelen die worden opgelegd en niet tot geld dat uitbetaald moet worden. Bij uitbetaling is niet duidelijk aan wie geld wordt uitbetaald en of die dan ook

8

verantwoordelijk wordt gehouden voor de schade. Ook is niet altijd de eigenaar aansprakelijk voor schade maar kan dit ook de erfpachter, initiatiefnemer, toepasser of andere partij zijn. Ten derde zijn er betere alternatieven voorhanden. Onder andere zou een beroep kunnen worden gedaan op de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet.

Indiener vraagt rekening te houden met de gemaakte regionale afspraken en uniformiteit te hanteren rondom het bodembeleid. En de regel in de artikelsgewijze toelichting op Afdeling 1.5 Toepassen van bouwstoffen, Artikel 1.10 Verbod toepassen van de bouwstoffen immobilisaten, AVIbodemassen en staalslakken, Afdeling 1.6 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 1.11 Verbod op toepassen thermisch

Verder mag in onze ogen de gewenste bepaling niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Wat je als gemeenteraad wel en niet mag opnemen in je omgevingsplan staat in artikel 2.7 Omgevingswet en is verder uitgewerkt in artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit. De volgende regels mogen niet worden opgenomen in het omgevingsplan: 1. Regels die buiten de reikwijdte van de Omgevingswet vallen, 2. Regels op grond van bijzondere wetten en 3. regels genoemd in artikel 2.1, tweede lid van het Omgevingsbesluit. Regels over vergoedingen en financiële zekerheidstelling vallen onder 2 Regels op grond van bijzondere wetten. Wegens bovenstaande uitleg zal er niet Geen aanpassing wegens worden voldaan wens om de genoemde bovenstaande uitleg op voorgestelde manier artikelen te veranderen

9

gereinigde grond op te nemen.

10

2.3 Zienswijze 3 AKD in naam van Heros Samenvatting Deze zienswijze gaat over paragraaf 11.1.3 en in het specifiek artikel 11.19. De indiener geeft dat de indiener al jaren AVIbodemassen tot bouwstoffen verwerkt. Indiener meent dat de maatregel niet voldoet aan de noodzakelijkheid en evenwichtigheid wordt voldaan.

De indiener meent dat de onderbouwing van het volstrekt onvoldoende is voor het ingrijpend verbod. Indiener constateert dat er geen uitleg wordt gegeven

Antwoord Wij begrijpen de zorgen. In de verdere beantwoording van deze zienswijze wordt ingegaan op deze belemmeringen en strijdigheden. Daarbij nemen wij in acht wat de gevolgen zijn voor het bedrijf van reclamant en dat zonder verbod ook een verantwoorde toepassing mogelijk is. Wij hebben daardoor onze regeling in het ontwerpbesluit voor bouwstoffen en de motivering hiervoor heroverwogen. Daarbij hebben wij geconstateerd dat een iets minder vergaand instrument, namelijk de binnenplanse vergunningplicht in de plaats van het verbod, ook kan volstaan. In onze ogen is dit instrument geschikt om het doel te bereiken. Lees hiervoor de aangepaste motivering bij de regeling, specifiek bijlage 4 & 5. Daar wordt duidelijk dat wij met een binnenplanse vergunningplicht duidelijker kunnen aangeven wanneer meegewerkt wordt aan een toepassing van deze bouwstoffen. En van de andere kant is er voldoende beoordelingsruimte voor het bevoegd gezag om de fysieke veiligheid te verbeteren en mensen zo min mogelijk willen blootstellen aan negatieve milieueffecten. In onze ogen laat de praktijk zien dat zorgvuldige toepassing nodig is om mee te kunnen werken. Wij beroepen ons hiermee op het voorzorgbeginsel. In onze ogen wordt met de gewijzigde motivering bij de regeling voldaan aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid.

Terecht wordt opgemerkt dat de onderbouwing voor de regeling bouwstoffen in het ontwerpbesluit onvoldoende is. Dit is hersteld in de vorm van een aanvulling op de motivering. In bijlage 4 & 5 in de motivering wordt stilgestaan bij de

Aanpassing

Artikel 11.19 Verbod toepassen AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken is weggehaald daarvoor zijn de volgende artikelen terug gekomen: - Artikel 11.21 Aanwijzing vergunningplichit ge gevallen AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken - Artikel 11.22 Aanvraagvereiste n vergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken. - Artikel 11.23 Beoordelingsrege ls vergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Dit heeft geleid tot aanpassingen in de motivering zoals te lezen is in bijlage 4 & 5 van de motivering

11

waaruit de opspraak zou bestaan. Verder wordt er volgens de indiener noch geduid op welke rapportages en publicaties van RIVM en ILT en welke ontwikkelingen bedoeld in de sector wordt gedoeld. Niet is onderbouwd waarom een verbod op de toepassing van AVIbodemassen nodig zou zijn. De indiener meent dat ten onrechte allerlei verschillende bouwstoffen als "aandachtsbouwstoffen" over een kam geschoren worden. De indiener meent dat voor elke bouwstof afzonderlijk moet worden beoordeeld of de regelgeving evenredig is. Indiener meent dat er iedere onderbouwing ten aanzien van de 20% gewichtsprocenten als bovengrens voor het gehalte AVI-bodemassen in bouwstoffen ontbreekt.

De indiener meent door de extra stappen en onzekerheid of de omgevingsvergunning wordt verleend dat er minder AVI-bodemas wordt afgenomen

beweegredenen voor een regeling voor deze specifieke bouwstoffen. In dit onderdeel van de motivering wordt uitleg gegeven over de risico’s van deze bouwstoffen, onderbouwd met voorbeelden, en worden rapportages van onderzoeken duidelijker aangehaald (inclusief bronvermelding). Op deze manier wordt duidelijker gemotiveerd waarom deze bouwstoffen in opspraak zijn.

Om de volgende reden is voor een grens Heeft niet tot van 20% gekozen: De grens van 20% aanpassingen geleid wordt vaker gehanteerd in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld bij bodemvreemd materiaal bij grond of baggerspecie. Bij grond waarbij minder dan 20% AVI-bodemas in een bouwstof valt, geldt geen vergunningplicht voor het toepassen. In deze gevallen achten wij dit niet nodig omdat mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant zijn. Naar aanleiding van dit onderwerp uit de zienswijze is de regeling voor bouwstoffen in het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij constateren dat een verbod een ingrijpend en zwaar instrument is en daarmee niet in het omgevingsplan vastgelegd kan worden onder welke voorwaarden bouwstoffen wel toegepast kunnen worden. Daarom

Zie de eerdergenoemde aanpassing van een verbod naar binnenplanse vergunningplicht.

12

is het voorstel om deze zienswijze tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt gemaakt wanneer meegewerkt kan worden met een toepassing van bouwstoffen. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen. In onze omgevingsvisie stellen wij namelijk dat wij mensen zo min mogelijk willen blootstellen aan negatieve milieueffecten en dat wij ervoor zorgen dat veel verschillende planten en dieren goede leefomstandigheden vinden in ons dorp. Het probleem bij deze bouwstoffen is dat als voldaan wordt aan het Besluit activiteiten leefomgeving en de Regeling Bodemkwaliteit deze stoffen vrij toepasbaar zijn. Ondanks deze regels vinden in de praktijk incidenten plaats die verontreiniging veroorzaken van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. En verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels die tekort schieten. In de motivering wordt er in bijlage 4 & 5 uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen. Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is een gezonde en veilige leefomgeving (omgevingsvisie).

Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om grip te krijgen op deze problematiek. In de gewijzigde motivering (bijlage 4 & 5) zijn de verschillende instrumenten afgewogen. Daarin wordt duidelijk dat een informatieplicht of meldplicht onvoldoende is.

13

Indiener meent dat het effect van het verbod juist belang van het milieu schaadt, doordat de circulaire doelstellingen niet worden gehaald.

Wij begrijpen de zorgen over een afname van de afzet en begrijpen dat aannemers deze weg mogelijk vermijden. Tot nu toe met het voorbereidingsbesluit is dit nog niet onze ervaring en hebben wij een aantal BOPA’s in behandeling. Toch komen wij de praktijk tegemoet want via de beoordelingsregels wordt duidelijk voor de buitenwereld wanneer de vergunning wordt verleend. We hebben in relatie tot dit bezwaar ook de eisen/voorwaarden herzien en anders geformuleerd in de beoordelingsregels t.o.v. het verbod. Wij streven zo veel mogelijk naar het halen van de circulaire doelstellingen. Daarom zijn ook onze circulaire doelstellingen van toepassing op deze bouwstoffen. In artikel 11.1 (oogmerken) is na te lezen dat de regels zijn gesteld met oog op duurzaam bodembeheer. In de artikelsgewijze toelichting leggen wij uit dat dit gaat over hergebruik. Andere regels in het omgevingsplan dragen hieraan bij.

Heeft niet tot aanpassingen geleid

De indiener geeft aan dat het verbod haaks staat op landelijke beleid en in het specifiek op het ontwerp Circulair Materialenplan ("CMP”). Het CMP geeft aan dat als minimumstandaard voor toepassing van AVIbodemas als bouwstof voldoet aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022.

Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid. Het rijk als wetgever heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving.

Heeft niet tot aanpassingen geleid

De indiener geeft aan dat er al landelijke wetgeving is rondom toepassing van AVI-bodemassen en immobilisaten in de Omgevingswet. De indiener meent dat de landelijke wetgever specifiek gekozen heeft

Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid. Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor

Heeft niet tot aanpassingen geleid

14

voor informatieplicht een niet een verbod.

Indiener geeft aan als de gemeente meer maatregelen wil de gemeente dan ten onrechte het zwaarste middel kiest.

bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Wat wel landelijk geregeld is, is de basis. Op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is geen maatwerk mogelijk door gemeenten. Zoals hiervoor aangegeven zijn voorbeelden van incidenten beschreven in de gewijzigde motivering, eveneens de noodzaak. Op rijksniveau is een informatieplicht als basis voldoende geacht, maar dat vinden wij niet voldoende en daarom pakken wij de ruimte om hier maatwerkregels te stellen. De informatieplicht (eveneens een meldplicht) bieden onder andere geen ruimte om de toepassing en de risico’s ervan te beoordelen. Het bevoegd gezag kan alleen aanschrijven op gegevens die missen. De toepassing willen wij op de locatie kunnen afwegen. Ook een maatwerkvoorschrift, dat achteraf wordt opgelegd, biedt geen ruimte om deze zorgvuldigheid te toetsen en/of voorwaarden aan te verbinden. Zoals aangegeven zien wij wel een noodzaak voor een regeling voor bouwstoffen. Alternatieven voor instrumenten zijn afgewogen door de gemeente. Daaruit blijken dat een informatie- of meldplicht onvoldoende is. Om het bezwaar gedeeltelijk tegemoet te komen is gekozen om in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen.

De noodzaak hiervoor is aangetoond en opgenomen in de gewijzigde motivering (bijlage 4 & 5). De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming. In de praktijk vinden incidenten plaats die leiden tot verontreiniging van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. Verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid. Daarom beroepen wij

Zie de eerdergenoemde aanpassing van een verbod naar verplichte omgevingsvergunning.

15

ons op het voorzorgbeginsel, in lijn met ons doel om mensen zo min mogelijk bloot te stellen aan negatieve milieueffecten. De indiener geeft aan de landelijke ontwikkeling en gesprek met de minister af te wachten

Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Wij zijn van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekortschieten. Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente. De zorgelijke signalen die wij door krijgen zijn reden om ons te beroepen op het voorzorgbeginsel en een binnenplanse vergunningplicht door te voeren. Dit biedt volgens ons voldoende bescherming tot er mogelijk landelijk een alternatief wordt doorgevoerd in de landelijke wetgeving.

Heeft niet tot aanpassingen geleid

De indiener meent dat de vier maatregelen ter voorkoming niet worden onderbouwd dan wel aanvaardbaar is. Deze vier maatregelen zijn; 1. De bouwstof wordt boven de grondwaterstand toegepast 2. De bouwstof ligt onder gesloten verharding 3. Het werk dient binnen 1 jaar na toepassing te zijn afgerond; en 4. De bouwstoffen worden minimaal toepast over een oppervlakte van minimaal 1000 m2

Er is gekozen om het verbod te wijzigen naar een binnenplanse vergunningplicht. Dit betekent dat de maatregelen die reclamant aanhaalt terugkomen als beoordelingsregels bij deze binnenplanse vergunningplicht. Als hieraan wordt voldaan, wordt de omgevingsvergunning verleend. De noodzaak voor deze maatregelen (nu beoordelingsregels) volgt in de gewijzigde motivering (bijlage 4 & 5).

Zie de eerdergenoemde aanpassing van een verbod naar verplichte omgevingsvergunning.

Er zijn beoordelingsregels toegevoegd om zo goed als mogelijk vooraf duidelijk te maken op welke punten een aanvraag wordt beoordeeld. Vanwege de naar onze mening verouderde en onvolledige uitlogingsnormen is in de beoordelingsregels opgenomen dat de bouwstoffen nu en in de toekomst niet in contact mogen komen met het grondwater en ook niet met hemelwater. Daarnaast moet het project onder meer voldoende schaalgrootte hebben en moet ook bij de aanleg uitloging of

In artikel 11.23 is de grens van 1.000 m2 is deze vervangen door de eis dat ‘de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte’ (artikel 11.23 lid g)

16

verontreiniging van de onderliggende bodem, het grondwater of het oppervlaktewater voorkomen worden. De grondwaterstand wordt gedefinieerd als gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Dit is, naar aanleiding van de opmerking van indiener hierover, opgenomen in de toelichting van de aanvraagvereisten. Naar aanleiding van de opmerking van indiener over de grens van 1.000 m2 is deze vervangen door de eis dat ‘de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte’. Voldoende schaalgrootte is flexibeler en nader toegelicht in de toelichting bij de beoordelingsregel. Het doel van de schaalgrootte is dat de toepassing herkenbaar en beheersbaar is. In de artikelsgewijze toelichting bij de beoordelingsregels en aanvraagvereisten is een extra toelichting toegevoegd over deze maatregelen, in lijn met het verzoek van de indiener. Als indiener meent dat een toepassing die niet past binnen onze beoordelingsregels wel zou moeten worden toegestaan, kan hiervoor alsnog een verzoek via een buitenplanse omgevingsvergunning worden aangevraagd. De indiener geeft aan als de raad de vier maatregelen als nodig achten dat de vier maatregelen kunnen worden meegenomen als maatwerkregel of meer informatie opvragen dan de BAL al doet in plaats van een algeheel verbod.

Naar aanleiding van dit onderwerp is de regeling voor een verbod op het toepassen van bouwstoffen in het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van indiener, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt wanneer meegewerkt wordt met een toepassing door de gemeente. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen.

Zie de eerdergenoemde aanpassing van een verbod naar verplichte omgevingsvergunning.

17

Daarmee is het beoordelingskader veranderd. Bij een verbod geldt het beoordelingskader dat het moet bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij een binnenplanse vergunningplicht vormen de beoordelingsregels in het omgevingsplan het beoordelingskader. Op deze manier kan vooraf beter ingeschat worden of aan de toetsingscriteria in de beoordelingsregels voldaan kan worden. Wanneer hier sprake van is, wordt de omgevingsvergunning verleend door het bevoegd gezag. Een binnenplanse vergunningplicht geeft meer rechtszekerheid dan een verbod. De indiener vindt het onbegrijpelijk dat de keuze op een verbod komt omdat de regels dan simpeler zijn dan via een andere maatregel niet op een coherente wijze uitvoering wordt gegeven aan het Nederlandse bouwstoffenbeleid.

Naar aanleiding van dit onderwerp is de regeling voor een verbod op het toepassen van bouwstoffen in het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van indiener, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt wanneer meegewerkt wordt met een toepassing door de gemeente. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen.

Zie de eerdergenoemde aanpassing van een verbod naar verplichte omgevingsvergunning.

De indiener geeft aan dat het belangrijk is dat vooraf kan worden ingeschat of aan de geldende toetsingscriteria kan voldaan, dit rechtszekerheid geeft en secundaire bouwstoffen zullen worden gekozen waar dat ook volgens de gemeente aanvaardbaar wordt gevonden. De indiener meent dat

Door de verandering van het verbod naar een binnenplanse vergunningplicht is het beoordelingskader veranderd. Bij een verbod geldt het beoordelingskader dat het moet bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij een binnenplanse vergunningplicht vormde beoordelingsregels in het omgevingsplan het beoordelingskader. Op deze manier kan vooraf beter ingeschat worden of aan de toetsingscriteria in de beoordelingsregels voldaan kan worden. Wanneer hier sprake van is, wordt de

In lijn met de aanpassingen van een verbod naar een verplichte binnenplanse omgevingsvergunning is er beoordelingskader gemaakt, zie artikelen 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken en 11.23 Beoordelingsregels

18

meent dat deze aanvullende informatie op het Bal niet gevraagd hoeft te worden. De noodzaak is ook niet beschreven en zal alleen maar leiden tot onnodige onderzoeksverplichtingen en belemmeringen. Deze verplichting kan eenvoudig in het omgevingsplan opgenomen worden en daarom is geen vergunningplicht nodig.

omgevingsvergunning verleend door het bevoegd gezag. Een binnenplanse vergunningplicht geeft meer rechtszekerheid dan een verbod.

vergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken

Indiener geeft aan dat veel onduidelijk is over de concrete informatie overlegd zou moeten worden en wat daarvan de waarde is. De indiener geeft dat onder sub n nog meerdere onduidelijkheden zitten in kritische aspecten

In lijn met het verzoek van reclamant over de gevraagde informatie en andere onduidelijkheden zijn de beoordelingsregels en aanvraagvereisten aangepast. Ook zijn deze beter afgestemd op de vereiste informatie vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving.

De reclamant wijst erop dat een verbod geen geschikte maatregel is omdat daarmee niet op een coherente wijze uitvoering wordt gegeven aan het Nederlandse bouwstoffenbeleid.

In onze ogen is onderbouwd waarom een regeling voor bouwstoffen noodzakelijk en evenredig is. Daarbij zien wij af van een verbod, maar stellen in de plaats een binnenplanse vergunningplicht voor. Een binnenplanse vergunningplicht biedt meer rechtszekerheid naar de buitenwereld, gedeeltelijk tegemoet komt aan deze zienswijze en tegelijk voldoende beoordelingsruimte biedt voor het bevoegd gezag om op basis van het voorzorgbeginsel haar preventieve taken uit te voeren. Op deze manier worden mens en milieu beschermd en

In lijn met de aanpassingen van een verbod naar een verplichte binnenplanse omgevingsvergunning is er beoordelingskader gemaakt, zie artikelen 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken en 11.23 Beoordelingsregels vergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Zie de eerdergenoemde aanpassing van een verbod naar verplichte omgevingsvergunning.

Reclamant verwijst naar de eerdere onderwerpen: - Rijksbeleid richt zich op toepassing van secundaire

19

bouwstoffen ten aanzien van circulariteit en voorziet in toepassingsmoge lijkheden, haaks op de gemeentelijke regelgeving. Daarmee dreigt een lappendeken van verschillende regels voor de toepassing van bouwstoffen, of vergelijkbare regels met procedures.

wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit verslechterd.

20

2.4 Zienswijze 4 Waterschap Rivierenlanden Samenvatting Indiener constateert door de aanscherping van het bodembeleid zal minder grond bruikbaar zijn voor hergebruik in onze projecten. In plaats daarvan moet de indiener meer grond afvoeren naar een verwerker voor reiniging. De kosten voor de verwerking van grond met verhoogde concentraties aan PFAS zijn aanzienlijk hoger. Indiener geeft aan dat de aanscherping ook strijdig is met de doelstelling voor duurzaam grondstoffengebruik van het bodembeleid. De indiener stelt op basis van redelijkheid en billijkheid van de terugsaneerwaarde van 2,3 µg/kgds voor PFOA voor wegbermen en moestuinen ter discussie Indiener vraagt of de extra maatschappelijke kosten opwegen tegen de te realiseren winst voor de bescherming van het milieu en de omgeving. De indiener vindt dat andere aspecten zoals herverontreiniging doordat de bron niet wordt weggenomen, uitstoot, energie en beschikbaarheid van primaire grondstoffen,

Antwoord De gemeente heeft inderdaad gekozen om sommige dingen te verstrengen. De gemeente heeft in haar omgevingsvisie opgenomen dat men zo min mogelijk wordt blootgesteld aan de negatieve milieueffecten. Op basis met overleggen met de regio en de omgevingsdienst heeft de gemeente deze normen opgesteld. De gemeente heeft nog steeds ruimte gecreëerd voor hergebruik van PFAS-houdende grond. De landelijke normen zouden zorgen dat er inderdaad veel grond naar de verwerker zou moeten gaan door het maatwerkbeleid kan dit regionaal binnen de perken blijven.

Aanpassing Heeft niet tot aanpassingen geleid

De gemeente heeft gezocht naar een goede balans van tussen aan de ene kant de veiligheid, gezondheid en het milieu en aan de andere kant zuinig gebruik van energie en grondstoffen. De gemeente weet dat verscherping het soms lastig maakt om duurzaam grondstoffengebruik te bewerkstelligen. Echter dit is nodig ter bescherming van de veiligheid, gezondheid en milieu. Bij het ontgraven en toepassen van grond heeft het waterschap over het algemeen niet te maken met terugsaneerwaarden. Er is namelijk over het algemeen geen sprake van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem. Er is sprake van de milieubelastende activiteit graven < I of > I of toepassen van grond/bagger, daarbij gelden geen terugsaneerwaarden.

Heeft niet tot aanpassingen geleid

Waterschap heeft geen saneringsopgave. Bij toepassen van grond komt het waterschap wel in aanraking met de verscherpte normen voor toe te passen grond.

Heeft niet tot aanpassingen geleid

Heeft niet tot aanpassingen geleid

21

onvoldoende zijn meegewogen. Indiener verzoekt om wegbermen, mede gelet op het gebruik, voor wat betreft de terugsaneerwaarde voor PFOA gelijk te stellen aan groenzones binnen woongebieden (bodemfunctie ‘Wonen’) met bijbehorende terugsaneerwaarde van 7 µg/kgds (0,007 mg/kgds). De indiener vraagt om de criteria voor toepassing van grond hier ook op aan te passen.

Indiener vraagt duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheid van tijdelijk uitnemen, dat wil zeggen het ontgraven en op of nabij en onder dezelfde condities terugplaatsen van grond, bij concentraties boven de toepassingswaarde Indiener vraagt om geen onderscheid te maken in bermen binnen de bebouwde kom en wegbermen buiten de bebouwde kom, aangezien de mate van bescherming van het milieu niet wezenlijk

Zoals eerder aangegeven zijn de terugsaneerwaarden Heeft niet tot niet van toepassing op graafwerkzaamheden en aanpassingen geleid toepassen van grond. Bij toepassen van grond zijn wel lokale maximale waarden voor PFOA van toepassing. Deze zijn voor wegbermen die volgens de bodemfunctiekaart in de zone landbouw/natuur liggen 2,3 ug/kgds. Maar eerder aangegeven gaat het volgens het waterschap om hergebruik van grond binnen een project, zodat afvoer wordt voorkomen. Binnen een project is het op basis van rijksregels toegestaan om grond die niet sterk verontreinigd is her te gebruiken. Hiervoor heeft het rijk regels gesteld in artikel 4.1222a van het Bal (tijdelijke uitnemen). Deze regels worden verder uitgelegd door het iplo: https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruikbouwstoffen-grond-baggerspecie/tijdelijk-uitnemengrond-baggerspecie/. Voor het eventueel niet onder dezelfde omstandigheden terugplaatsen van grond (dit is een afwijking op artikel 4.1222a Bal) kan een maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften worden aangevraagd. Dit maatwerk is gezien de situatie acceptabel: Het wijzigt de samenstelling van en emissie uit de bodem nauwelijks en leidt niet tot (extra) aantasting van de bodem. En er wordt zodoende zuinig omgaan met energie en grondstoffen. Zoals bij het vorige punt aangegeven voorziet het Geen verandering rijksbeleid hierin.

Zie in het besluit activiteiten leefomgeving de regels voor de milieubelastende activiteit "Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" (paragraaf 3.2.21 en paragraaf 4.119. En zie het iplo: https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruikbouwstoffen-grond-baggerspecie/tijdelijk-uitnemengrond-baggerspecie/. Als de gemeente geen onderscheid maakt, dan zou de kwaliteitseis uit het rijksbeleid (Bal, artikel 4.1272) gelden. Op basis daarvan mag in wegbermen buiten de bebouwde kom, met uitzondering van bermen bij enkele lintbebouwingen, alleen grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur worden toegepast. Bij sommige lintbebouwing mag volgens rijksbeleid de kwaliteitsklasse wonen worden toegepast. Zie ook

Geen verandering

22

verschilt. Indiener vraagt mede gelet op de blootstelling, om de toepassingswaarden voor toe te passen grond gelijk te stellen aan de bodemfunctieklasse ‘wonen’.

Indiener vraagt om een uitzonderingsbepaling op te nemen voor situaties die ontstaan als gevolg van de bestrijding van gladheid.

de toepassingskaart op website OZHZ: geo.ozhz.nl/?@Bodeminformatie. Ons lokale beleid is een versoepeling ten opzichte van het rijksbeleid en stelt dat in alle wegbermen buiten de bebouwde kom grond van de kwaliteitsklasse wonen (of schoner) mag worden toegepast. Wegbermen binnen de bebouwde kom liggen volgens de bodemfunctiekaart veelal in de zone wonen of industrie. Voor wegbermen in deze zones geld het landelijke beleid, die aangeeft dat de toe te passen grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie of schoner moet zijn als de bodemkwaliteit in die zone volgens de bodemkwaliteitskaart schoner is. Dan geldt de kwaliteit van de bodemkwaliteitskaart voor de toe te passen grond. De noodzakelijke kwaliteit is te zien op de toepassingskaart op de website van OZHZ: https://geo.ozhz.nl/?@Bodeminformatie. In sommige gevallen betekent dat dat de grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur moet zijn en in andere gevallen klasse wonen of industrie. De gebieden waarin de kwaliteit landbouw/natuur geld dat deze zones die kwaliteit ook hebben en kwaliteitsverslechtering gaat in tegen de belangen in van de gemeente. Een versnippering van de bodemkwaliteit is in deze zones niet wenselijk.

Met het opnemen van een uitzonderingsbepaling gaat de gemeente ervan uit dat u bedoelt of er mogelijkheden bestaan voor de gemeente om een maatwerkregel op te nemen voor een bodemverontreiniging als gevolg van de gladheidsbestrijding. Een maatwerkregel is een lokale uitwerking van een algemene regel van het Rijk of de provincie. Decentrale bestuursorganen kunnen alleen maatwerkregels stellen als ze daarvoor de bevoegdheid krijgen van een hoger bestuursorgaan. Allereerst merkt de gemeente op dat u (zoals u zelf al stelt) als wegbeheerder op grond van de Omgevingswet een zorgplicht heeft om alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd te nemen om de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen, dan wel zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Naast de algemene zorgplichten is er nog een specifieke zorgplicht op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Op grond van artikel 2.12 van het Bal kan een gemeentemaatwerkregels opnemen in het Omgevingsplan. Het is echter niet mogelijk om met een maatwerkregel af te wijken van deze specifieke zorgplicht (deze mag niet versoepeld

Heeft niet tot aanpassingen geleid

23

worden). Uitzonderingsbepalingen opnemen door middel van een maatwerkregel is dus niet mogelijk.

Indiener vraagt om bevestiging of tijdelijk uitnemen zonder aanvullend bodemonderzoek of partijkeuring nog steeds mogelijk is

Dat is nog steeds mogelijk. Dit valt onder de activiteit graven en niet onder de activiteit toepassen. Bij het verrichten van de activiteit “Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit”, bedoeld in artikel 4.1219 Bal, moet worden voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal.

Heeft niet tot aanpassingen geleid

De indiener geeft aan dat extra bewijsmiddel voor werken waar tijdelijk uitnemen niet toereikend of mogelijk is. Dit leidt tot extra kosten.

Het is inderdaad kostenverhogend. In het werkgebied van WSRL dat binnen de regio Zuid-Holland Zuid (met uitzondering van een deel van de Hoeksche Waard) valt, is de bodem verdacht op het voorkomen van PFOA. Daardoor is onderzoek vanuit de rijks onderzoeksprotocollen ook al verplicht. Zie hiervoor ook het Besluit activiteiten leefomgeving paragraaf 5.2.2 (voorafgaand bodemonderzoek) en de onderliggende NEN5725, NEN5740. En ook het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit met onderliggende BRL1000 SIKB protocol 1001. Daarnaast vindt de gemeente de bodemkwaliteitskaart weinig betrouwbaar, aangezien deze de gemiddelde kwaliteit van grond in een gebied aangeeft en niet de daadwerkelijke kwaliteit van een partij toe te passen grond. Om die reden is tenminste een verkennend onderzoek verplicht gesteld. Voor tijdelijk uitnemen zijn rijksregels geldig, hieraan moet u voldoen. Nieuw toe te passen grond valt niet onder tijdelijke uitnemen maar betreft de milieubelastende activiteit toepassen van grond. Hiervoor zijn ook rijksregels van toepassing ten aanzien van onderzoek en daarbij de lokale regel die een minimum aan onderzoek verplicht. Voor concentraties PFOA boven de waarden behorende bij de kwaliteitsklasse kan een maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften worden aangevraagd. Voor de maatwerkmogelijkheden/ruimte is lokaal beleid ontwikkeld.

Deze is nog in concept en is toegevoegd als bijlage.

Heeft niet tot aanpassingen geleid

De statistische eisen aan de onderbouwing zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit. Deze gaan uit van een gemiddelde per zone. De kans is dus groot dat een partij grond niet aan de kwaliteit voldoet die in die zone is vastgesteld als

Heeft niet tot aanpassingen geleid

Indiener vraagt om voldoende ruimte te bieden voor het tijdelijk uitnemen (ontgraven en op of nabij dezelfde plek en onder dezelfde omstandigheden terugbrengen) van grond bij concentraties boven de toepassingswaarde voor nieuw toe te passen

Indiener vraagt gelet op de eisen aan de statistische onderbouwing van bodemkwaliteitskaarten,

Heeft niet tot aanpassingen geleid

24

hergebruik van grond binnen het samenwerkingsverband beheergebied Omgevingsdienst ZuidHolland Zuid zonder aanvullend bodemonderzoek mogelijk te maken Indiener vraagt om te bevestigen dat het vigerende beleid ten aanzien van ‘verspreiden op de kant’ van baggerspecie en het inrichten van zogeheten ‘weilandbaggerdepots’ niet wijzigt. Indiener verzoekt om te verwijzen naar actuele norm documenten naar de normdocumenten. Verder verzoekt de indiener om de verwijzingen naar de normdocumenten niet in het decentrale omgevingsplan op te nemen, maar daarvoor het landelijke juridische kader als verwoord in de Regeling bodemkwaliteit 2022 te hanteren.

(gemiddelde) bodemkwaliteit. Vanwege deze statistische onderbouwing en om de kwaliteit van de (buiten)gebieden te beschermen tegen verslechtering (schoon houden wat schoon is) gaan wij niet in op uw verzoek. Wij merken op dat voor PFOA geen bodemkwaliteitskaart is of wordt vastgesteld, dit omdat de gehalten binnen de zones heterogeen zijn en een gemiddelde weinig zegt. Dat vrijwel geheel correct, enige wijziging (artikel 11.10) die wij hebben aangebracht voor verspreiden van baggerspecie is het vaststellen van een norm voor chloride. Deze norm geldt niet als sprake is van verspreiding op een naastgelegen perceel.

Heeft niet tot aanpassingen geleid

In bijlage 1 staan geen normdocumenten genoemd. Dit wordt wel genoemd bij de begripsbepaling voor een bodemonderzoek (Bodemonderzoek: onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving). In de regels wordt met een bodemonderzoek bedoelt een onderzoek zoals aangegeven in de begripsbepaling. Indien hiermee een ander bodemonderzoek wordt bedoeld dan staat dit aangegeven in de regel waarin het bodemonderzoek genoemd staat. De Regeling bodemkwaliteit is alleen van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie bij een milieubelastende activiteit. In de artikelen 11.10 lid 2, 11.15, 11.18 lid 2a en 11.18 lid 2b die gaan over deze milieubelastende activiteit staat ook een bodemonderzoek genoemd. Alleen in artikel 11.18 lid 2b wordt naar een bodemonderzoek gerefereerd als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit. Dit is mogelijk niet geheel duidelijk en wordt toegevoegd in lid 2 van deze regel (een rapport van een bodemonderzoek als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit). Dit wordt aangepast in artikel 11.18 lid 2b.

Artikel 11.18 lid2b is aangepast naar 1. In aanvulling op

het eerste lid wordt het verkennend bodemonderzoek: a. verricht overeenkomstig de onderzoeksstrategi eën voor (grootschalige) onverdachte locaties, als bedoeld in NEN 5740; b. gebaseerd op een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725 is verricht waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken 25

locatie kunnen worden verwacht; c. niet gedaan naar de kwaliteit van het grondwater.

26

3. Ambtshalve wijzigingen Naast ingediende zienswijzen, zijn er ook nog wijzigingen doorgevoerd die voortkomen uit gewijzigde of nieuwe inzichten binnen de ambtelijke organisatie. De redactionele wijzigingen, die niks aan de inhoud van het plan doen, zullen niet worden benoemd. 3.1 Delegatiebepalingen Twee delegatiebepalingen met betrekking tot bodem in artikel 29.1 zijn niet meegenomen in de omzetting van conceptversie naar de versie die in het DSO zijn gezet. Om in lijn te blijven met de bodemregels van de andere gemeenten worden deze ambtshalve meegenomen. In artikel 29 zullen de volgende twee delegatiebepalingen worden meegenomen: 3.1.1 Delegatiebepaling in artikel 29.1: Deze geeft delegatie geeft mogelijkheid aan het college om af te wijken van artikel 11.13 wanneer bijvoorbeeld de gemeente andere ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit heeft. Het college van burgemeester en wethouders kan voor bedrijventerreinen binnen het ‘bodembeheergebied grond en baggerspecie bepalen dat het eerste lid van artikel 11.13 niet van toepassing is. 3.1.2 Delegatiebepaling in artikel 29.2 Delegatie locaties nazorg aanwijzen Het college krijgt de machtiging om de kaart locatie nazorg Omgevingswet te wijzigen. Hierdoor kan dit effectiever worden gedaan.

Het college van burgemeester en wethouders kan de ‘locatie nazorg omgevingswet’ wijziging Reikwijdte Het college kan alleen wijzigingen in de kaarten: 'locaties nazorg Omgevingswet', doorvoeren voor het eigen beheergebied.

3.2.1 Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem Langere toelichting waarin het artikel uitgebreider wordt toegelicht. Dit zorgt voor meer duidelijkheid. In dit artikel is vastgelegd dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan opstellen of een verzoek tot maatwerkvoorschrift door een initiatiefnemer gedaan kan worden. Een maatwerkvoorschrift is vergelijkbaar met een vergunningvoorschrift. Het is een apart 27

besluit waarin in specifieke gevallen specifieke regels worden gesteld (vaak voor onvoorziene lokale omstandigheden) in aanvulling of afwijking van de algemene regel.

3.2.2 Artikel 11.3 Aanwijzing bodembeheergebied met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten Toevoeging van toelichting bij het artikel op basis van overleggen Geonovum om bodemkwaliteitskaarten in het DSO te borgen. In het omgevingsplan moet de geometrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied worden vastgesteld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 44 om specifiek te zijn). Het bodembeheergebied betreft hier de 10 gemeenten van Zuid-Holland Zuid. De bodemkwaliteitskaarten en toepassingskaarten zijn te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart

3.2.2 Artikel 11.4 Aanwijzing bodemfunctieklassen binnen bodembeheergebied Toevoeging van toelichting bij het artikel op basis van advies van Geonovum om bodemfunctiekaart in het DSO te borgen. In het omgevingsplan moet de gemeente de landbodem van het grondgebied indelen in bodemfunctieklassen. De landbodem wordt ingedeeld in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 55 om specifiek te zijn). De bodemfunctiekaart is te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart

3.2.3 artikel 11.10 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie Toevoeging tweede lid om in lijn te blijven conform te blijven met de regio. Deze toevoeging is voortgekomen uit de zienswijze van Boskalis ingediend bij Dordrecht. Lid 2: Het eerste lid is niet van toepassing op een grootschalige toepassing, als bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de afdeklaag als bedoeld in het vierde lid van dat artikel. 3.2.4 artikel 11.10 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie Toevoeging op de toelichting van artikel 11.8 om in lijn te blijven conform te blijven met de bodemregels van de regio. Deze toevoeging is voortgekomen uit de zienswijze van Boskalis ingediend bij Dordrecht. Alleen bij een partijkeuring wordt het percentage bodemvreemd materiaal daadwerkelijk aangegeven bij de keuring door de veldwerker. Dit is niet zo bij (water)bodemonderzoeken. Dit is ook niet in het protocol hiervoor vastgelegd (protocol 28

2001). Hier wordt praktisch mee omgegaan. Matig, sterk of uiterst steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als meer dan 5%. Sporen en licht steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als minder dan 5%.

3.2.5 artikel 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom Aanpassingen van de reikwijdte om in lijn te blijven conform te blijven met de regio. Deze toevoeging is voortgekomen uit de zienswijze van Boskalis ingediend bij Dordrecht Reikwijdte Het betreft het toepassen van grond en baggerspecie vanuit de regio en van buiten de regio in wegbermen. Het is niet van toepassing op grootschalige toepassingen. Bij tijdelijke uitname van grond gelden de regels uit paragraaf 3.2.21 (Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit) van het Besluit activiteit leefomgeving. 3.2.6 artikel 11.16 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS Aanpassing van eisen voor grondwatergebieden op basis van vooroverleg met Evides en om in lijn te blijven met de regels van de rest van de gemeente. In grondwaterbeschermingsgebieden gelden ook eisen vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Op dit moment voldoen de eisen ook aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. 3.2.7 artikel 11.17 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie Toevoeging op de uitleg van het artikel 11.15 over onderzoek conform NEN5740. Dit is toegevoegd om in lijn te blijven met de regels van de rest van de gemeente. Een onderzoek conform NEN5740 betreft ook grondwateronderzoek.

Omdat het om toepassen van grond of baggerspecie gaat, hoeft de kwaliteit van het grondwater niet te worden onderzocht. Dit is dan ook uitgesloten in het derde lid van dit artikel. 3.2.8 artikel 11.18 maartwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie Verwijzing is aangepast wegens wijziging in van het artikel in de Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 4.1267, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet is niet van toepassing 29

3.2.9 artikel 11.26 Afscherming bij opslaan grond Toevoeging aan het lid b en toevoeging lid 2 van lid b op artikel 11.22 na vooroverleggen met K3 en Boskalis en de zienswijze van Boskalis. Verduidelijkt wanneer sprake is van asbesthoudende grond. Door middel van lid 2 zijn inrichtingen (die voor opslag en bewerken van grond een vergunning hebben) nu uitgezonderd. 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen wordt, in aanvulling op paragraaf 4.122 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie: a. het depot grond afgeschermd van de omgeving, en b. indien sprake is van asbesthoudende grond: de bovenzijde van het depot met een zeil afgedekt. Er is sprake van asbesthoudende grond als meer dan 10 mg/kg ds asbest aanwezig is in de grond of als asbesthoudend materiaal zichtbaar aanwezig is in de partij grond. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3.2.10 artikel 11.26 afscherming bij opslaan grond Specificatie wanneer er wordt gesproken van asbesthoudende grond c. indien sprake is van asbesthoudende grond: de bovenzijde van het depot met een zeil afgedekt.

Er is sprake van asbesthoudende grond als meer dan 10 mg/kg droge stof asbest aanwezig is in de grond of als asbesthoudend materiaal zichtbaar aanwezig is in de partij grond. 2. het eerste lid is nie van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving 3.2.11 artikel 11.27 maatwerkregel bodem en afval: tijdelijk uitnemen van grond Artikel 11.27 vervalt volledig. Ten tijde van het opstellen van de bodemregel (2021) was nog niet bekend wat "op of nabij" bij tijdelijke uitname betekende. Dit is later door het rijk pas aangegeven: https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruik-bouwstoffengrond-baggerspecie/tijdelijk-uitnemen-grond-baggerspecie/ Het rijk geeft zelf een zeer ruime uitleg aan "op of nabij" bij tijdelijk uitname en maakt grondverzet, van niet sterk verontreinigde grond, binnen een project/ werkgebied mogelijk. De regel was bedoeld als versoepeling en duidelijke uitleg ten aanzien van de rijksregel. De regel werkt nu beperkend ten opzichte van de uitleg die aan de rijksregel wordt gegeven en is overbodig geworden doordat het rijk zelf een duidelijk uitleg heeft gegeven. Omdat artikel 11.27 overbodig is, wordt deze geschrapt. 30

3.2.12 artikel 11.28 Maatwerkregel gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit Lid 1 en 2 worden verwijderd omdat het een doorwerking was van het nu geschrapte artikel 11.27 maatwerkregel bodem en afval: tijdelijk uitnemen van grond 3.2.13 Paragraaf 11.2.5 graven in de bodem De artikelen zijn herschreven, zodat deze niet langer een maatwerkregel zijn, want deze maatwerkregels pasten het toepassingsbereik van het Bal aan, wat niet mag met een maatwerkregel. Het zijn daarom algemene regels geworden. Artikel 11.30 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 11.33 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit 3.2.14 artikel 11.31 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit In dit artikel lid 3 wordt aangegeven welke gegevens nog meer als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit moeten worden verstrekt. De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals of sprake is van verschillende kwaliteiten grond. In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico’s bij het graven in de bodem.

3.2.15 artikel 11.35 Maatwerkregel gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit In het Bal wordt een uitzondering gemaakt voor het tijdelijk uitnemen van grond. Hier geldt in plaats van vier weken een termijn van één week. De regel in het omgevingsplan kan nu onbedoeld ook voor het tijdelijk uitnemen van grond verplichten deze informatie eerder aan te leveren. Dat is niet de bedoeling. In lijn met de regels van het rijk wordt voor het tijdelijk uitnemen van grond de uitzondering opgenomen. Dit betekent dat in artikel 11.32 een extra lid is toegevoegd dat aansluit bij de termijnen in het Bal.

1. In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico’s bij het graven in de bodem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/766/documents/16320