CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Integraal Huisvestingsplan Primair Onderwijs (1).pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 6 oktober 2026, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 15: Stand van zaken IHP Onderwijshuisvesting - Raadsinformatiebrief14.771 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Integraal Huisvestingsplan Primair Onderwijs (def) 2019-2039 ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Statenlaan 8 Postbus 70501 T +31 (0)73 6 409 409 www.hevo.nl ISO 9001-gecertificeerd ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● 5223 LA 's-Hertogenbosch 5201 CB 's-Hertogenbosch info@hevo.nl www.rpmbyhevo.nl Opdrachtgever Datum 22 juni 2020 Project IHP Alblasserdam Referentie 1649202-0049.4.0 Auteur(s) de heer M.S. Drenth MSc - HEVO B.V. mevrouw J.M. Scherer MSc - HEVO B.V.

Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 2 van 36 Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 1.1. Aanleiding: visie op kindcentra 3 1.2. Doelstelling 3 1.3. Werkwijze IHP 4 1.4. Verankering 4 1.5. Aanpak 5 1.6. Leeswijzer 5 2. PO en KOV in de gemeente Alblasserdam 6 2.1. Basisonderwijs 6 2.2. Kinderopvang 6 3. Bouwstenen van Beleid 7 3.1. Bouwsteen 1: samenwerking gemeente, schoolbesturen en partners 7 3.2. Bouwsteen 2: vraag en aanbod 9 3.3. Bouwsteen 3: regie 9 3.4. Bouwsteen 4: kwaliteit en duurzaamheid 10 3.5. Bouwsteen 5: renovatie en vervangende nieuwbouw 11 4. Methoden 13 4.1. Quickscans 13 4.2. Capaciteitsanalyse 13 4.3. Afwegingscriteria 14 4.4. Herkomst 14 5. Analyse en scenario’s kindcentra 15 5.1. Leerlingenprognoses 15 5.2. Quickscanscores 15 5.3. Inleiding analyse en scenario’s 16 5.4. Prioritering scenario’s 20 5.5. Interimvoorzieningen bij scenario’s 20 5.6. Gymzalen bij scenario’s 20 5.7. IKC-ontwikkeling bij scenario’s 21 6. Financiële uitgangspunten en vertaling 22 6.1. Financiële vertaling opgaven IHP 22 6.2. Financiële vertaling onderwijs 23 6.3. Financiële vertaling Sloopkosten 27 6.4. Financiële vertaling Interimvoorzieningen 27 6.5. Financiële vertaling Gymzalen 27 6.6. Financiële vertaling voorfinanciering kinderopvang 27 6.7.

Randvoorwaarden bij uitvoering IHP 28 Bijlage I: Beleidskaders 30 Bijlage II: Kinderopvang 33 Bijlage III: Waardenwijzer 35 Bijlage IV: Capaciteitsanalyse 35 Bijlage V: Herkomstanalyse 35 Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 3 van 36 1. Inleiding De gemeente Alblasserdam, de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties hebben in nauwe samenspraak voorliggend Integraal Huisvestingsplan ontwikkeld. In dit eerste inleidende hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding, de doelstelling, de werkwijze, de verankering en de aanpak. 1.1. Aanleiding: visie op kindcentra De gemeente Alblasserdam, de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties streven gezamenlijk naar een toekomstbestendig onderwijslandschap. Het doel is om kinderen in Alblasserdam de best mogelijke kansen te bieden in hun ontwikkeling en voor te bereiden op hun toekomst. Daarbij is het van belang dat het onderwijsaanbod toegankelijk is en aansluit op de vraag van de maatschappij. Toekomstbestendige onderwijshuisvesting is een randvoorwaarde voor dit streven. Hierbij gaat onderwijs en onderwijshuisvesting niet alleen over scholen, maar ook over andere plaatsen waar kinderen leren en zich ontwikkelen: bijvoorbeeld kinderopvang, peuteropvang en buitenschoolse opvang. Al in 2006 heeft de gemeente Alblasserdam samen met de schoolbesturen en kinderopvang hier het fundament voor gelegd: het masterplan Brede School Alblasserdam.

De Brede School gedachte heeft zich verder ontwikkeld. De gemeente, schoolbesturen en kinderopvang zetten nu in op de vorming van (Integrale) Kindcentra: “Vanuit het belang van een optimale ontwikkeling van kinderen streven partijen naar een integraal en passend aanbod voor kinderen (en hun ouders) in Alblasserdam van nul tot en met dertien jaar. In kindcentra wordt gewerkt volgens één pedagogische en educatieve visie. Kinderen worden in staat gesteld om hun talenten optimaal te ontwikkelen. Organisaties uit onderwijs, kinderopvang1 en/of andere maatschappelijke partijen kunnen, op gelijkwaardige basis, samenwerken in deze kindcentra. De invulling van het begrip kindcentra en eventuele samenwerking wordt in Alblasserdam per school op eigen wijze vormgeven.”2 1 Onder kinderopvang valt ook peuteropvang, buitenschoolse opvang, tussenschoolse opvang en voor- en vroegschoolse educatie. 2 Definitie (bewerkt) van Kindcentra 2020 De kindcentra staan daarbij niet op zichzelf, maar in verbinding met de maatschappij. Onderwijsfuncties zijn een centrale voorziening en dragen bij aan de sociale cohesie in Alblasserdam. Schoolbesturen en kinderopvang zien gezamenlijk kansen om in onderwijshuisvesting samen te werken met andere maatschappelijke partners. Denk aan bijvoorbeeld aan jeugdhulp, sportorganisaties en culturele voorzieningen.

De visie op kindcentra van de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties stelt ook eisen aan de huisvesting. Veranderingen in onderwijsvisies, concepten en samenwerking maakt dat er steeds meer flexibiliteit wordt gevraagd van gebouwen. Bovendien leidt de maatschappelijke noodzaak tot verduurzaming tot hogere prestatie-eisen van gebouwen. Daarbij gaat duurzaamheid niet alleen over energie, maar ook over gezondheid en functionaliteit. Er ligt een financiële uitdaging in de realisatie van toekomstbestendige en exploitatievriendelijke onderwijshuisvesting. Om grip te krijgen op te investeringen die nodig zijn om deze visie te verwezenlijken is strategisch beleid op het gebied van onderwijshuisvesting noodzakelijk. Dit IHP vormt de basis voor dit beleid. 1.2. Doelstelling Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, scenario-ontwikkeling en financiële vertaling de kaders waarbinnen de gemeente Alblasserdam, samen met de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties, investeert in de kindcentra. In tegenstelling tot de werkwijze (uitsluitend) op basis van de verordening, wordt in het IHP uitgegaan van een proactief onderwijshuisvestingsbeleid.

In formele zin laat de gemeente hiermee zien op welke wijze zij haar zorgplicht, op grond van de taak die zij heeft in het voorzien van huisvesting voor het funderend onderwijs, wenst in te vullen (zie bijlage I voor extra informatie over de beleidskaders op het gebied van onderwijshuisvesting) . Het IHP: Stelt de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties in staat om op korte en lange termijn strategische keuzes te maken en proactief beleid te voeren. Biedt een meerjarenperspectief waarop het eigen (investerings-)beleid kan worden afgestemd. Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 4 van 36 Vormt het beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid voor de periode 2019-2039. Het IHP wordt elke 4 jaar herijkt, zodat het beleidskader blijft aansluiten bij de vragen en behoeften van dat moment. 1.3. Werkwijze IHP De werkwijze middels een IHP heeft effect op drie beleidsniveaus: 1. Strategisch: het IHP duidt voor de komende 20 jaar het investeringskader en bepaalt voor de komende vier jaar tevens de prioritering van projecten. De demarcatie van het investeringskader wordt geduid in financiële paragraaf, zie par. 6.2 – 6.3) Het investeringskader wordt geraamd op basis van kengetallen. De raad stelt het investeringskader vast voor de eerste vier jaar. Het IHP wordt om de vier jaar geactualiseerd. 2.

Tactisch: voor de uitvoering van de projecten in de eerste vier jaar wordt na vaststelling van het IHP jaarlijks een gedetailleerd uitvoeringsprogramma (of jaarprogramma) opgesteld. Fundamenteel onderdeel van het uitvoeringsprogramma zijn uitvoeringsonderzoeken voor de in het IHP opgenomen projecten. In de uitvoeringsonderzoeken wordt bijvoorbeeld stilgestaan bij: definitieve afweging tussen nieuwbouw/renovatie, de daadwerkelijke inzet van tijdelijke huisvesting, ruimtelijke aspecten (bestemmingsplan, locatiekeuze etc.), definitieve leerlingenaantallen en bouwkostenniveau ’s etc. Voortschrijdend inzicht in deze fase kan op projectniveau leiden tot aanpassing van de investering zoals opgenomen in het IHP. Bij incidentiele afwijkingen van de uitgangspunten, of het investeringskader van het IHP wordt dit besproken in het OOGO. Waar mogelijk worden incidentiele afwijkingen opgelost binnen de kaders van het IHP en het uitvoeringsprogramma. Indien de afwijkingen (bijvoorbeeld door extreme prijsstijgingen of onvoorziene verschuivingen in leerlingenaantallen) dermate groot zijn dat projecten niet meer haalbaar zijn binnen het investeringskader van het IHP kan het noodzakelijk zijn om voor het investeringskader aan te passen en ter besluitvorming voor te leggen aan de raad. 3.

Nadat op tactisch niveau de projecten voldoende gedefinieerd zijn, wordt gestart met het operationeel niveau: de realisatie van projecten. 1.4. Verankering De verankering van het IHP heeft een directe relatie met de werkwijze zoals omschreven in de vorige paragraaf 1. Strategisch: het IHP fungeert als beleidskader voor de uitgaven aan onderwijshuisvesting. Daarmee fungeert het IHP tevens als toetsingskader voor de aanvraagprocedure voor nieuwbouw en overige voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen (verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, artikel 2.a lid 1 t/m 8). Uitzondering zijn de nieuwbouw voor een nieuw te stichten school en kosten voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair (verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, artikel 2.a lid 1, 6 en 7). 2. Tactisch: Het jaarlijkse uitvoeringsprogramma komt in de plaats van het huisvestingsprogramma wat voorheen werd opgesteld aan de hand van de aanvragen voor voorzieningen van besturen. Het uitvoeringsprogramma wordt opgesteld conform het IHP. Het uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks vastgesteld in het OOGO en vervolgens aangeboden aan het College van B&W. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om het IHP jaarlijks ter discussie te stellen. Dit wordt immers eenmaal per vier jaar vastgesteld.

Indien er afwijkingen zijn wordt dit besproken in het OOGO en opgenomen in het uitvoeringsprogramma. Op basis van het uitvoeringsprogramma geeft het College de beschikkingen af. Het uitvoeringsprogramma wordt ter informatie aangeboden aan de raad. 3. Operationeel: indien in de realisatiefase schoolbesturen bouwheer zijn is er vanuit de gemeente de mogelijkheid om te kunnen toetsen of de plannen van het schoolbestuur voldoen aan de kaders zoals overeengekomen in het IHP en in het uitvoeringsprogramma. Deze wijze van samenwerking op operationeel niveau dient nog verder te worden uitgewerkt. Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 5 van 36 1.5. Aanpak Het IHP is samen met de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties ontwikkeld. De schoolbesturen en kinderopvangorganisaties hebben intensief en constructief geparticipeerd in het IHP-traject. Daarbij zijn gezamenlijk de volgende stappen doorlopen: Stap 1: het gebouwenbestand van de kindcentra in de gemeente Alblasserdam is door middel van quickscans in beeld gebracht. Voor ieder schoolgebouw is een capaciteitsanalyse en kwaliteitsanalyse uitgevoerd. Deze zijn met alle belanghebbenden gedeeld en zijn vastgesteld.

Stap 2: om te komen tot een gezamenlijke visie en beleidsuitgangspunten is in een bijeenkomst met alle schoolbesturen en kinderopvangorganisaties die werkzaam zijn in de gemeente Alblasserdam gesproken over de toekomst van de onderwijshuisvesting. De uitkomsten van deze eerste werksessie zijn vastgelegd in de ‘Bouwstenennotitie gemeente Alblasserdam’. Stap 3: op basis van de quickscans en de bouwstenen zijn door de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang samen scenario’s ontwikkeld. Stap 4: de scenario’s zijn financieel vertaald. 1.6. Leeswijzer Na dit eerste inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 het primair onderwijs (hierna: PO) en kinderopvang van de gemeente Alblasserdam. Hoofdstuk 3 gaat in op de beleidskaders en beleidsambities. Hoofdstuk 4 introduceert de gehanteerde methoden voor de analyse en scenario-ontwikkeling die in hoofdstuk 5 wordt gepresenteerd. Hoofdstuk 6 voorziet de scenario’s uit hoofdstuk 5 van financiële uitgangspunten en een financiële vertaling. 2. | PO en KOV in de gemeente Alblasserdam | 2.2. Kinderopvang De volgende organisaties voor kinderopvang zijn actief in de gemeente Alblasserdam: Dit hoofdstuk beschrijft het onderwijsaanbod in het PO van de gemeente Alblasserdam en de aanwezige kinderopvang. | * volgens landelijk register kinderopvang, datum: 11 november 2019: Kinderopvangorganisatie | Locaties | Aantal 2.1.

Basisonderwijs | kindplaatsen* Het scholenlandschap van Alblasserdam voor het basisonderwijs (BO) is divers. Er zijn | Christelijk kindcentrum de Schalm | 35 (BSO) verschillen in denominatie, onderwijsconcept en omvang. Er zijn 4 schoolbesturen voor | Christelijk kindcentrum de Schalm – | 16 BO in Alblasserdam gevestigd. Gezamenlijk hebben de schoolbesturen 6 scholen of | PIT kinderopvang | 4 | PSG vestigingen verspreid over 8 locaties. Ze verzorgen het BO voor 2.076 leerlingen. | Christelijk kindcentrum de Twijn, locatie | 48 PdH Christelijk kindcentrum de Twijn, locatie | 50 PdH-BSO Schoolbestuur | Denominatie | Vakantie Sport BSO Alblasserdam | 50 Wasko BSO Het Kompas | 30 Wasko bso Maasplein | 50 PIT Kinderopvang en Onderwijs | Protestants-Christelijk 2 | 2 | 633 | 30% | Wasko bso Olivier | 44 Stg. Verstr. Christ.

Onderwijs op | Reformatorisch | 1 | 2 | 611 | 29% | Wasko kdv Dikkie Dik | 59 Gereformeerde Grondslag | 32 Stichting Openbaar Basis Onderw ijs Alblasserdam | Openbaar | 2 | 3 | 544 | 26% | Stichting Wasko | 11 | Wasko kdv Maasplein WASKO natuur BSO Alblasserdam | 20 De Vereniging tot Stichting en Instandhouding | Protestants-Christelijk 1 | 1 | 288 | 14% | Wasko psz ‘t Penseeltje | 16 van een School met de Bijbel te Alblasserdam / Kinderdijk Totaal | 6 | 8 | 2.076 | 100% | Wasko psz Ot & Sien | 16 In Alblasserdam zijn geen scholen voor voortgezet onderwijs of special (basis) | Wasko psz Wip Wap | 16 onderwijs aanwezig. | Wasko sport-bso Het Startblok | 50 kdv het Vlindertje | 1 | Het Vlindertje | 20 Stichting Reformatorische Peuterspeelzalen | 1 | Peuterspeelzaal Kiekeboe | 16 Alblasserdam Referentie: 1649202-0049.4.0. | Pagina 6 van 36 Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 7 van 36 3. Bouwstenen van Beleid De visie op kindcentra zoals besproken in H1 is verankerd in de “bouwstenen voor beleid” die zijn geformuleerd in de volgende paragraven. Het zijn beleidsuitgangspunten op verschillende thema’s. De visie is een belangrijke basis voor de totstandkoming van het IHP en evt.

heroverwegingen en herijkingen in de toekomst Het IHP is erop gericht om, binnen de randvoorwaarden van de gemeente (financieel, ruimtelijk), schoolbesturen en kinderopvang (financieel, organisatorisch), deze uitgangspunten zo veel als mogelijk te realiseren. De bouwstenen bepalen de richting van dit IHP en daarmee van een toekomstbestendig educatief landschap. . 3.1. Bouwsteen 1: samenwerking gemeente, schoolbesturen en partners Deze bouwsteen bespreekt samenwerkingsmogelijkheden tussen het onderwijs onderling en overige partners die raakvlakken hebben met het onderwijs. 1. Voor het IHP kan samenwerking betekenen dat scholen gebouwen delen, met elkaar of met partners (bijvoorbeeld kinderopvang, jeugdzorg, buurtvoorzieningen). Samenwerking kan zowel inhoudelijk als gebouwelijk worden vormgegeven, waarbij gebouwelijke samenwerking bij voorkeur volgt op de inhoudelijke samenwerking. Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van kennisuitwisseling. Gebouwelijke samenwerking kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren en biedt exploitatievoordelen (delen van ruimten). Verschillende vormen van samenwerking zijn besproken en worden hier toegelicht. 2. Schoolbesturen streven naar samenwerking tussen het PO onderling. Daarbij zijn enkele randvoorwaarden en uitgangspunten geformuleerd: a. Samenwerking dient georganiseerd te worden vanuit de behoefte in de wijk.

Daarbij gaat samenwerking verder dan samenwerking binnen het onderwijs. Verbinding en samenwerking kunnen ook op het gebied van kinderopvang of andere maatschappelijke functies georganiseerd worden. b. Samenwonen/clusteren van scholen in een gebouw kan flexibiliteit bieden in tijden van groei en krimp. Samenwonen/clusteren van scholen wordt alleen waar nodig toegepast en is geen uitgangspunt. Bij samenwonen/clusteren wordt rekening gehouden met identiteit en onderwijsconcept (voldoende onderscheidend ten opzichte van elkaar). c. Bij samenwonen/clusteren kunnen faciliteiten gedeeld en ruimten efficiënt ingezet worden. d. Heldere afspraken over beheer, eigendom en verhuur zijn noodzakelijk. Zeker wanneer er ook andere organisaties in het gebouw worden gehuisvest (zie ook punt 3). 3. Schoolbesturen en kinderopvang zetten in op het behouden en uitbreiden van samenwerking tussen het PO en kinderopvang. a. De samenwerking richt zich op de afstemming van de pedagogiek en didactiek van beide partijen. b. De samenwerking tussen PO en kinderopvang kan verschillende vormen aannemen. Er zijn verschillende manieren van integratie tussen onderwijs en kinderopvang. Het IHP (evenals het gemeentelijk Peuteropvang en VVE beleid) formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie.

Gezamenlijke huisvesting is in sommige situaties een pré maar geen voorwaarde. c. Een belangrijk onderscheid is het realiseren van een leerlijn van 0-13 (opvang van 0-4 jarigen) of het realiseren van een leerlijn van 2-13.(opvang van 2-4 jarigen). Het realiseren van kinderopvang voor 0-2 jarigen is afhankelijk van de behoefte van een wijk en de sociaal-maatschappelijke factoren. d. Waar in het verleden ruimte is ontstaan in veel bestaande gebouwen voor kinderopvang dient de ruimte ook toekomstig behouden te blijven. Het is van belang dat ook in nieuwe situaties (na nieuwbouw/renovatie) dat de ruimte voor kinderopvang behouden blijft voor kinderopvang. 4. Schoolbesturen zien de mogelijkheden in samenwerking tussen PO en VO onderling. Daarbij zijn enkele randvoorwaarden en uitgangspunten geformuleerd: a. Samenwerking tussen PO en VO kan bijdragen aan een betere overgang tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs. b. Er wordt rekening daarbij gehouden met identiteit, onderwijsconcept en doelgroepen (compartimentering). Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 8 van 36 c. Versterking kan gerealiseerd worden door het aanbieden van een doorgaande leerlijn voor kinderen van bijvoorbeeld 10-14 jaar. Dit wordt ook wel een Tiener- of Juniorcollege genoemd. Ook een uitbreiding van de leerlijn van kinderopvang tot tienercollege is een mogelijkheid. d.

Waar mogelijk wordt aangesloten op het techniekonderwijs, het bedrijfsleven en zorg-gerelateerd onderwijs. 5. Schoolbesturen en gemeente streven naar samenwerking tussen PO en overige maatschappelijke partners (Bibliotheek, arbeidsmarkt, jeugdhulp, sportorganisaties, Centrum voor Jeugd en Gezin, culturele partners etc.) a. Samenwerking biedt ruimte voor verbreding van het onderwijs(aanbod). b. Er kunnen nieuwe/andere onderwijsruimte gecreëerd worden. c. Er wordt tegemoet gekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor de wijk of kern. Deze functie kan per wijk of kern en per school anders worden ingevuld. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie. d. Kindcentra kunnen bijdragen aan de wijkontwikkeling, daarin is deze visie leidend en de beschikbare ruimte een kans. e. Indien ruimten in kindcentra in gebruik worden gegeven aan partijen anders dan het onderwijs (kinderopvang en/of andere maatschappelijke partijen) wordt ofwel ‘verhuur’ ofwel ‘medegebruik’ toegepast. Voorwaarde voor medegebruik is dat het bij medegebruik gaat om het gebruik door (uit de openbare kas bekostigd) onderwijs of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.

Het is aan het college te bepalen welke activiteiten behoren tot de culturele, maatschappelijke en recreatieve doeleinden en of partijen vallen onder ‘verhuur’ of ‘medegebruik’. Bij het vaststellen van de vergoeding die bij verhuur in rekening wordt gebracht moet onderscheid worden gemaakt in een gebruiksvergoeding en een vergoeding voor de investeringslasten. Gebruiksvergoeding: de extra kosten die het bevoegd gezag maakt als gevolg van de verhuur (ofwel exploitatiekosten). Vergoeding investeringslasten: de jaarlijkse lasten die het gevolg zijn van het realiseren van de voorziening, Bestaande uit rente en afschrijving, welk kan worden verhoogd met een deel van de kosten van verzekering van het gebouw en de kosten van onroerend zaak belasting. Bij medegebruik wordt geen vergoeding voor de investeringslasten in rekening gebracht, maar uitsluitend een gebruiksvergoeding. Ten aanzien van het bovenstaande wordt een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe (nieuwbouw/renovatie) huisvesting. Voor nieuwe (nieuwbouw/renovatie/uitbreiding) huisvesting worden uitgangspunten geformuleerd in het IHP. Dit betreft afspraken over verhuur. Medegebruik ontstaat alleen bij leegstand in bestaande schoolgebouwen. Voor medegebruik/verhuur in bestaande situaties is maatwerk nodig.3 In de bestaande situatie huurt Wasko bijvoorbeeld (kinderopvang) ook direct van de woningbouwcorporatie.

In het geval dat in een nieuwe situatie de exploitatie van peuteropvang door een kinderopvang organisatie financieel niet kan worden gedragen (i.v.m. de huurprijs welke bestaat uit een vergoeding voor de investeringslasten) dient een maatwerkoplossing gevonden te worden, waarbij het streven is om het bestaande aanbod in ieder geval te kunnen handhaven (zie bijlage II voor een toelichting). 3 Jurisprudentie casus ‘gemeente Brunssum’. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geconcludeerd dat gemeenten bij het vragen van een bijdrage voor de investeringslaten moeten kunnen aantonen onderbouwen dat er tussen het gevraagde bedrag en de ingebruikneming een concrete relatie bestaat met extra kosten die de gemeente in verband met de huur moeten maken of een inkomstenderving die de gemeente concreet moet dragen. Dit is een complex in het geval van bestaande situaties omdat het vaak reeds afgeschreven huisvesting betreft. Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 9 van 36 3.2. Bouwsteen 2: vraag en aanbod Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod de gemeente en schoolbesturen nastreven. Het gewenste aanbod van onderwijs is bepalend voor de huisvestingsoplossingen. 1. Het streven is goede spreiding van de denominaties over de gemeente (Alblasserdam). 2. De analyse- en scenario ontwikkeling in het IHP richt zich voor het PO op het wijk en dorpsniveau.

Specifieke denominaties (levensbeschouwelijke visie) of onderwijsvormen kunnen vragen om een analyse- of scenario op regionaal niveau. 3. Kindcentra zijn belangrijk voor de leefbaarheid. Daarom dienen scenario’s vanuit de wijkbehoefte ontwikkeld te worden. Niet alleen kindgerichte faciliteiten zijn hierbij belangrijk, maar ook aanvullende faciliteiten voor families en overige bewoners van de wijk. 4. De minimale omvang van een PO school is bij voorkeur niet lager dan de lokale opheffingsnorm. Daarbij heeft de lokale opheffingsnorm een signaalfunctie. Op basis van de regeling stichtings- en opheffingsnormen PO 2018 bedraagt de opheffingsnorm in de gemeente Alblasserdam 176. Echter, keuzes rondom spreiding, identiteit of diversiteit kunnen bepalen dat scholen onder de opheffingsnorm worden gehandhaafd. 5. Het streven is vitale en toekomstbestendige kindcentra te creëren waarbij voor ieder kind een passend aanbod geleverd kan worden. Voor het PO wordt niet gestreefd naar een vooraf bepaald aantal groepen per school. Juist de variatie tussen grote en kleine kindcentra is voor de kinderen belangrijk. 6. De gemeente en schoolbesturen streven naar het terugdringen van onderwijsleegstand. De inkomsten van schoolbesturen voor onderhoud en exploitatie zijn afhankelijk van het aantal kinderen.

Bij leegstand moet een schoolbestuur met minder inkomsten, hetzelfde aantal vierkante meters onderhouden. Verhuur van ruimte aan aanvullende functies vormt één oplossing. 7. Voor het oplossen van leegstand zijn het verwijzen naar (gebruik van ruimteoverschotten door andere kindcentra met een ruimtetekort) en/of het in medegebruik geven of verhuren van ruimten reële mogelijkheden. Afstoten van leegstand is een optie. Ook voor ruimtetekorten moeten goede oplossingen gevonden worden. 8. Er is tevens aandacht voor de relatie met sport en bewegen: Dit gaat enerzijds om de afstand, en bereikbaarheid van gymzalen, maar anderzijds ook over hoe de inrichting van een gebouw en directe omgeving, bewegen kunnen stimuleren. De buitenruimte van een kindcentra en het inrichten van Sport en/of Natuur, Cultuur bso kan beweging voor kinderen ook verder faciliteren. 3.3. Bouwsteen 3: regie Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente, schoolbesturen en kinderopvang met elkaar samenwerken op het gebied van huisvesting voor kindcentra. Gemeente, schoolbesturen en kinderopvang hebben daartoe bouwstenen geformuleerd voor de toekomstige organisatie en financiering van de huisvesting voor kindcentra. 1. De gemeente, de schoolbesturen en kinderopvang voeren samen de regie op huisvesting voor kindcentra. De gemeente is onder andere verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen.

De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud, aanpassing, de exploitatie van schoolgebouwen. en het onderwijs- aanbod en de diversiteit daarvan, tenzij deze verantwoordelijkheid wordt uitbesteedt aan derden (bijvoorbeeld bij huur). Kinderopvang is verantwoordelijk voor het afstemmen van het aanbod op de behoefte aan kinderopvang in Alblasserdam, en het aangeven van de benodigde ruimtelijke capaciteit . In het OGOO vindt de afstemming van deze verantwoordelijkheden plaats door middel van gezamenlijk overleg. Deze samenwerking overstijgt de samenwerking op basis van de verordening onderwijshuisvesting. Voor het huisvestingsbeleid wordt daarom in eerste instantie voor alle betrokken partijen het IHP leidend, voordat er wordt teruggevallen op de verordening. Deze wijze van samenwerking kan, in afwachting van de wettelijke regeling, juridisch vastgelegd worden. Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 10 van 36 2. Het IHP is in lijn met het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. Het IHP geldt voor een periode van 20 jaar en wordt om de 4 jaar geactualiseerd op basis van. o.a. kinderprognose en nieuwe inzichten vanuit (landelijk) beleid. Ieder jaar wordt in het Bestuurlijk Overleg Onderwijs de voortgang van het IHP besproken. 3. Schoolbesturen en gemeente streven naar toepassing van de principes van Total Cost of Ownership (TCO).

Bij TCO dragen schoolbesturen mogelijk bij aan een deel van de stichtingskosten van een nieuwbouw- of renovatieopgave. Deze investering komt de duurzaamheid van het gebouw op het gebied van onderhoud en exploitatie ten goede. In dit IHP wordt rekening gehouden met het op dit moment nog geldende investeringsverbod voor het PO en de tekorten die zij (net als de gemeente) ervaren in de bekostiging. 4. De prognose van DUO uit 2018 vormt het uitgangspunt voor het IHP. In het IHP is op basis van ervaring en verwachting van schoolbesturen ruimte voor nuance, gezien de onzekerheid van de prognose. Dit kan leiden tot aanpassing van de huisvestingsbehoefte op basis van actuele prognoses. 3.4. Bouwsteen 4: kwaliteit en duurzaamheid Deze bouwsteen geeft aan welke duurzaamheids- en kwaliteitsambitie de gemeente, schoolbesturen en kinderopvang nastreven op het gebied van huisvesting voor kindcentra. 1. De gemeente en schoolbesturen zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed en duurzaam gebouw heeft een positief effect op de leeromgevingén op het leefklimaat voor de toekomstige generaties. 2. Het IHP gaat, bij nieuwbouw, uit van het realiseren van gasloze, Energie Neutrale Gebouwen. Bij renovatie wordt beoogd om dit zoveel mogelijk te realiseren.

De doelstelling van gemeente Alblasserdam is om in 2030 volledig gasloos en in 2050 volledig energieneutraal te zijn. De gemeente noemt de volgende 8 speerpunten van hun duurzaamheidsbeleid: a. Energie besparen/weinig energie gebruiken. b. Duurzame energie opwekken (onder andere zonnepanelen). c. Gebruik van duurzame warmtebronnen (aardgasvrij). d. Bestand tegen weersextremen, die vaker voor zullen komen als gevolg van klimaatverandering (onder andere groene schoolpleinen in plaats van tegels, groene/bruine daken, regenwateropslag/buffering). e. Versterken groenstructuur en biodiversiteit (bijvoorbeeld vleermuis- gierzwaluw- en huismusvriendelijk middels een kastje of aanlandplek, ‘bijvriendelijke beplanting’). f. Gebruik van duurzame (circulaire) materialen. g. Flexibele indeling/functieverdeling (gebouw is toekomstbestendig en sluit aan bij de (toekomstige) behoefte van de samenleving). h. Gezonde lucht, zowel buiten (denk onder andere aan de locatie langs wegen en (soepele) stroom met halen/brengen van kinderen) als binnen - dit kan worden gemeten met luchtkwaliteitsmeters). 3. Gemeente en schoolbesturen willen duurzaamheid breder definiëren dan alleen energiebesparing en CO2 reductie: duurzaamheid gaat ook over goed onderwijs, gezondheid, een gezonde financiële exploitatie en toekomstbestendigheid door flexibiliteit.

Deze thema’s hebben een hogere prioriteit dan alleen energiebesparing. a. Ten aanzien van goed onderwijs gaat het om het goed faciliteren van het onderwijsconcept van de scholen. Daarnaast dienen ook andere functies in samenhang met onderwijs goed gefaciliteerd te worden. Denk aan kinderopvang of jeugdzorg. b. Ten aanzien van gezondheid wordt rekening gehouden met de Frisse Scholen thema’s. Daarbij zijn met name lucht en temperatuur erg belangrijk. Voor kinderopvang gelden strengere normen en eisen vanuit de GGD. c. Ten aanzien van toekomstbestendigheid wordt ingezet op flexibiliteit. Het faciliteren van verandering in onderwijsconcepten maar ook in de samenwerking met andere partijen is in de huidige praktijk vaak lastig vanwege het statische karakter van de gebouwen. Om te zorgen dat de gebouwen in de toekomst toch de nieuwe behoeftes kunnen faciliteren zetten de gemeente, schoolbesturen en kinderopvang in op flexibiliteit van het gebouw. Hierbij gaat het om interne flexibiliteit, maar ook om transformatie- mogelijkheden (uitbreiding/krimp) van het vastgoed. De ruimte voor Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 11 van 36 aanvullende functies (kinderopvang, therapie, jeugdzorg) moet ook behouden kunnen blijven als de school groeit. d. Duurzame gebouwen dragen bij aan het duurzaamheidsbewustzijn van de kinderen door duurzaamheidsmaatregelen zichtbaar te maken.

Duurzame materialisering is daarbij belangrijk. Het gebouw wordt als deel van de educatieve opdracht ingezet. Het definitieve kwaliteitsniveau en de verdeling van de kosten is geconcretiseerd gedurende het IHP traject. 4. Naast bouwkundige kwaliteit van gebouwen is er in het IHP expliciet aandacht voor andere (strategische) kaders voor vastgoedbeleid (in volgorde): onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, exploitatie en uitstraling. 5. Duurzaamheidsprincipes worden toegepast bij nieuwbouw/renovatie van gebouwen. Daarbij bieden de principes van Trias Energetica in combinatie met de randvoorwaarden vanuit de Frisse Scholen houvast om hierin een realistische afweging te maken tussen ambitie en budget: a. Voorkomen van onnodig energieverbruik (bijvoorbeeld isolatie). b. Gebruik van duurzame energiebronnen (bijvoorbeeld zonnepanelen). c. Indien nodig, efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld gas. Dit wil zeggen dat er eerst wordt gezorgd voor een goed geïsoleerd gebouw (energievraag beperken) en dat daarna pas de restvraag wordt opgewekt met bijvoorbeeld PV-panelen. Dit biedt de mogelijkheid om ENG te halen en om in de toekomst eventueel verder te verduurzamen als de techniek dat toelaat. Bouwkundig opwaarderen (isoleren) is achteraf lastiger. De gebouwen van de kindcentra hebben een voorbeeldfunctie naar kinderen, hun familie en de wijk. 6.

Het is van belang dat de duurzaamheid op projectniveau intensief wordt afgestemd op de mogelijkheden in de wijk en omgeving. Daarbij is te denken aan geothermie, restgebruik van warmte, aansluiten op warmtenet of het toevoegen van extra zonnepanelen voor het leveren van energie aan omliggende woningen. Op termijn dient afstemming plaats te vinden met de transitievisie warmte van de gemeente. 7. Het IHP geeft de schoolbesturen inzicht in de vervangingstermijn van hun gebouwen. Schoolbesturen zijn door het IHP in staat om onderhoud en duurzaamheidsmaatregelen af te stemmen op het moment van nieuwbouw of renovatie en te koppelen aan terugverdientijden. 3.5. Bouwsteen 5: renovatie en vervangende nieuwbouw Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente, schoolbesturen en kinderdagopvang omgaan met renovatie en vervangende nieuwbouw. 1. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor nieuwbouw, schoolbesturen zijn in alle situaties verantwoordelijk voor het goed onderhouden en exploiteren van gebouwen. Renovatie (lees: vernieuwbouw) is wettelijk nog niet geregeld. Renovatie kan een duurzamere oplossing zijn dan nieuwbouw. Ten aanzien van renovatie wordt aangesloten op het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG. a. Renovatie wordt opgenomen als voorziening.

In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor vervangende nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (onder andere art. 2 verordening). Door renovatie op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie toe te passen. b. Renovatie is daarbij een integrale levensduurverlengende ingreep in het gebouw, waarmee de levensduur van het gebouw met ten minste 25 jaar, maar bij voorkeur 40 jaar, wordt verlengd. c. Uitgangspunt bij renovatie is dat de aanpassingen die leiden tot een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar voor rekening komen van de gemeente, waarbij op basis van Total Cost of Ownership een investeringsbijdrage van het schoolbestuur aan de dekking van de renovatie kan worden toegevoegd. 2. Bij investeringsopgaven in het kader van het IHP wordt de mogelijkheid van renovatie onderzocht. Daarbij wordt beoogd om de gedefinieerde Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 12 van 36 duurzaamheidseisen (ENG) en kwaliteitseisen (Frisse Scholen klasse B) zoveel mogelijk te realiseren. 3. Per situatie wordt een afweging gemaakt (in een uitvoeringsonderzoek) of nieuwbouw of renovatie de beste oplossing is voor het betreffende gebouw. Daarbij worden de volgende aspecten meegenomen in de afweging: a.

Er wordt rekening gehouden met de onderwijskundige functionaliteit en toekomstgerichtheid (flexibiliteit) van de gebouwen. b. Er wordt rekening gehouden met een goede bezetting van gebouwen. Er wordt (bij voorkeur) niet gerenoveerd voor leegstand. Hierbij wordt rekening gehouden met de ruimtebehoefte voor kinderdagopvang. Immers: ook bij renovatie is het belangrijk dat er ruimte is om kinderopvang te realiseren. c. Er wordt rekening gehouden met de culturele en maatschappelijke waarde en de stedenbouwkundige uitstraling in samenhang met de omgeving. d. Er wordt rekening gehouden met mogelijkheden om de gestelde duurzaamheidsambities (zie bouwsteen 2) te bereiken. e. De kosten en mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting worden meegenomen in de afweging voor nieuwbouw of renovatie. 4. | Methoden | De quickscanscores zijn input voor de scenario-ontwikkeling. Bij het besluit tot nieuwbouw/renovatie bij de scenario-ontwikkeling wordt ook gekeken naar andere Dit hoofdstuk behandelt de gehanteerde methoden voor de analyse en scenario- | belangrijke factoren zoals leeftijd van het gebouw en overige afwegingscriteria. ontwikkeling. De quickscans zijn alleen uitgevoerd voor het onderwijsgedeelte van de kindcentra. 4.1.

Quickscans | Knelpunten op het gebied van huisvesting voor kinderdagopvangorganisaties in Op basis van de verordening is alleen de bouwkundige staat een formeel | bestaande gebouwen is hier niet in mee genomen maar is geborgd in de fase van toetsingscriterium. Voor het IHP is het echter niet alleen de vraag of een pand een | scenario-ontwikkeling. goed gebouw is, maar of een pand een goed gebouw voor kindcentra is. In de beoordeling van het gebouwenbestand is daarom gekeken naar meer dan alleen de | 4.2. Capaciteitsanalyse bouwkundige staat. Er is ook gekeken naar onderwijskundige functionaliteit, | Als onderdeel van de quickscans is ook de beschikbare capaciteit voor het onderwijs binnenmilieu, veiligheid, exploitatie en uitstraling van de schoolgebouwen. Dit zijn | geanalyseerd. De capaciteitsanalyse (bijlage IV) maakt een ruimtetekort of -overschot kaders voor strategisch vastgoedbeleid. | per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van het onderwijs wordt bepaald door de leerlingentelling en de prognose te vertalen naar ruimtebehoefte (op basis van de criteria in de VVHO). Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met het aantal vierkante meters dat beschikbaar is: de brutovloeroppervlakte (bvo). Daarbij zijn de m2’s welke in gebruik zijn door de kinderopvang afgetrokken van het bvo. Opmerking: dit is een genormeerde ruimtebehoefteberekening.

In de praktijk zijn er efficiënte en minder efficiënte gebouwen. Wanneer een school bijvoorbeeld veel gangen heeft, of een grote aula, kan er een genormeerd ruimteoverschot zijn, terwijl dit niet zo wordt ervaren. Er is relatief immers minder effectieve onderwijsruimte. Ook wordt in de praktijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot medegebruik of verhuur van ruimten. In het IHP is vanwege het beleidsrijke karakter ruimte voor nuance op de resultaten uit deze ruimtebehoefteberekeningen. Op basis van de door HEVO ontwikkelde ‘Waardenwijzer’ (opgenomen in bijlage III bij dit IHP) is elk gebouw op deze criteria beoordeeld en voorzien van een gewogen | Naast het inzichtelijk maken van eventuele ruimtetekorten is de capaciteitsanalyse van score. De totaalscore geeft daarmee op uniforme wijze richting aan de mate van | belang omdat een eventueel ruimteoverschot de schoolbesturen geld kost voor urgentie tot een levensduurverlengende ingreep in relatie tot de gebouwkwaliteit: | exploitatie en onderhoud. Schoolbesturen ontvangen een vergoeding voor materiële  | Bij <57 punten: | binnen 0-5 jaar (rood) | instandhouding op basis van het aantal leerlingen en niet op basis van het aantal m² in  | Bij 57 - 63 punten: | binnen 5-10 jaar (oranje) | een school. Bovendien vormen ruimteoverschotten een risico voor de gemeente.  | Bij 63 - 69 punten: | binnen 10-20 jaar (lichtgroen).

| Wanneer een gebouw geheel leeg komt te staan, zal de eigenaar (het schoolbestuur)  | Bij 69> punten: | over meer dan 20 jaar (donkergroen). | dit terug willen geven aan de gemeente. Daarnaast dient de gemeente (op basis van de verordening) te voorzien in oplossingen voor ruimtetekorten, waarmee kan worden verwezen naar leegstand. Referentie: 1649202-0049.4.0. | Pagina 13 van 36 Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 14 van 36 4.3. Afwegingscriteria Met de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties zijn in gezamenlijke sessies tijdens het IHP traject afwegingscriteria bepaald. Aan de hand van de afwegingscriteria zijn de scenario’s geformuleerd en is in overleg beoordeeld of een scenario aansluit bij de visie en ambitie van gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties (de bouwstenen). Het gaat om de volgende afwegingscriteria (willekeurige volgorde): Quickscanscore. Passende huisvesting: -Permanent. -Reductie van ruimtetekorten/ruimteoverschotten . Clustering*, rekening houdend met identiteit en concept. Behouden en uitbreiden van samenwerking tussen het PO en peuteropvang, kinderopvang en BSO. Signaalfunctie opheffingsnorm van 176 leerlingen. Kansen bij de wijkgerichte aanpak (lokale context en maatschappelijke voorzieningen).

Afstand tot, en spreiding van de onderwijsvoorzieningen 4.3.1 Opheffingsnorm Een school komt voor bekostiging in aanmerking als het leerlingenaantal gelijk is aan of boven de opheffingsnorm zit van de gemeente waarin deze gevestigd is. De bekostiging wordt beëindigd als het leerlingenaantal gedurende drie achtereenvolgende schooljaren minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm. De WPO kent enkele uitzonderingen op de hierboven genoemde regel inzake beëindiging bekostiging. De opheffingsnorm in Alblasserdam is 176. Allen de dislocatie van IKC ’t Nokkenwiel (Maasplein) heeft minder leerlingen dan deze opheffingsnorm aangeeft. Echter betreft het een dislocatie. Daarmee zijn er in de gemeente Alblasserdam geen scholen onder de opheffingsnorm. De opheffingsnorm is geen onderdeel van de afwegingscriteria. Wel is in het IHP traject stilgestaan bij de schoolgrootte en de levensvatbaarheid van scholen op de lange termijn. Immers: wanneer de gemeente een investering doet dient een school op de lange termijn levensvatbaar (40 jaar) te zijn zodat er niet voor leegstand wordt gebouwd of gerenoveerd. 4.4. Herkomst Voor de toekomstbestendigheid van investeringen in de onderwijshuisvesting is tevens gekeken naar de herkomst van de leerlingen op de school.

Door het voedingsgebied van de scholen te analyseren kan worden geconcludeerd of een school op de juiste locatie gehuisvest is of dat, gezien het voedingsgebied, een andere locatie beter past (bijlage V). 5. | Analyse en scenario’s kindcentra | 5.2. Quickscanscores Onderstaande tabel geeft een eerste indruk van de vervangingsopgave (zie Dit hoofdstuk behandelt de analyse van de kindcentra en de scenario’s. Er wordt | paragraaf 4.1 voor de toelichting op de scores) voor de gebouwen in Alblasserdam respectievelijk ingegaan op de leerlingenprognose, de quickscanscores van de | wanneer deze uitsluitend gebaseerd zou zijn op de scores van de quickscans (de gebouwen en voorkeursscenario’s. Ten slotte worden de voorkeursscenario’s voorzien | scores zijn gebaseerd op de Waardenwijzer, bijlage III). van een prioritering. 5.1. Leerlingenprognoses Onderstaande grafiek visualiseert de leerlingenprognose van het BO in de gemeente Alblasserdam. Er wordt in de scenario-ontwikkeling uitgegaan van de huidige leerlingenaantallen.

Leerlingprognose PO | WEGING bouwjaar | 1 | 3 | 1 | 2 | 2 | 3 Ds Joannes Beukelmanschool | 2015 | 7,0 | 7,0 | 6,0 | 5,5 | 4,0 | 6,0 | 71,0 2300 | Rembrandtlaan 2200 | OBS Het Palet | 2010 | 8,0 | 6,0 | 5,5 | 6,0 | 6,0 | 5,0 | 70,5 2100 | Opb BS 't Nokkenwiel - | 2009 | 6,0 | 7,0 | 5,5 | 5,5 | 4,0 | 5,5 | 68,0 2000 | Maasplein Ds Joannes Beukelmanschool - | 1954 | 6,0 | 5,5 | 6,0 | 5,5 | 5,5 | 5,5 | 67,0 1900 | Weverstraat KC De Schalm | 1910 | 7,0 | 5,5 | 6,0 | 5,5 | 4,0 | 5,0 | 63,5 1800 | Het Kompas | 1923 | 7,0 | 5,0 | 5,0 | 4,0 | 4,0 | 6,0 | 61,0 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 | Opb Bs 't Nokkenwiel - | 1977 | 5,5 | 5,5 | 5,5 | 5,0 | 5,5 | 4,0 | 60,5 Boerenpad Grafiek: ontwikkeling aantal leerlingen basisonderwijs in de gemeente Alblasserdam. DUO, 1-10-2018. | IKC De Twijn / De Loopplank | 1974 | 6,0 | 5,0 | 6,0 | 5,0 | 4,0 | 5,0 | 60,0 *oud gebouw! De leerlingenprognose vertoont een lichte daling van circa 70 leerlingen tussen 2019- 2023. In de periode van 2023 tot 2033 wordt een stijging met circa 270 leerlingen | Uit de quickscanscores blijkt een vervangingsopgave voor het gebouwenbestand van voorzien. | de scholen voor het PO in de gemeente Alblasserdam. De belangrijkste verklaring voor de vervangingsopgave is de gemiddelde leeftijd van de schoolgebouwen in Alblasserdam. Deze bedraagt circa 47,5 jaar.

Het landelijke gemiddelde is 41 jaar. Onderstaande tabellen geven een overzicht van de bouwperioden voor het PO landelijk en voor de gemeente Alblasserdam. Referentie: 1649202-0049.4.0. | Pagina 15 van 36 5.3. Inleiding analyse en scenario’s Bouwjaren PO Alblasserdam | Bouwjaren PO Landelijk In de volgende paragrafen worden per kindcentra de huidig geldende 4 | 3.000 | voorkeursscenario’s benoemd. De voorkeursscenario’s en de prioritering zijn tot stand 2.500 | gekomen in samenspraak met de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties. 3 | 2.000 | Deze zijn onderbouwd aan de hand van de quickscanscores, de capaciteitsanalyse, de 1.500 | afwegingscriteria en de analyse van de herkomst. De gedetailleerde capaciteitsanalyse 2 | 1.000 | is in bijlage IV bijgevoegd. De herkomstanalyse (kaarten per kindcentra) is in bijlage V 500 1 | 0 | toegevoegd. 0 | -1940 | -1960 -1980 | -2000 en later | Daar waar wordt gesproken over vervangingsopgaven in een bepaalde termijn (0-5, 5- 1850-19401941-19601961-19801981-20002001 en | 1850 | 1941 | 1961 | 1981 | 10 of 10-20 jaar) wordt bedoeld dat de realisatie van de opgave binnen deze termijn later | 2001 | plaats dient te vinden. Opstarten van project kan zelfs in een eerdere termijn Bron voor Bouwjaren PO Landelijk: Algemene Rekenkamer | plaatsvinden, daarbij is afstemming op de gemeentelijke begroting van belang.

De grafieken maken duidelijk dat het gebouwenbestand bestaat uit relatief veel | Toelichting kaart gebouwen uit de jaren voor 1980 en jonge gebouwen van na 2001 bestaat. De | Op de volgende pagina is een samenvattende kaart van Alblasserdam te vinden. bouwperiode tussen 1960 en 1980 is een periode waarin bovendien bouwkosten | Hierin worden door middel van tabellen de locatie en de gebouwgegevens die de werden beperkt om de grote vraag aan te kunnen. Dit is te zien in de | verschillende scholen gevisualiseerd. Deze gegevens zijn van belang voor de analyse gestandaardiseerde bouwmethodiek en minder goede bouwkwaliteit. | en scenario-ontwikkeling. Een totaaloverzicht van de gebouwen incl. capaciteit voor onderwijs en opvang is op | De kleur van de cirkel en de schoolnaam geeft aan van welk schoolbestuur de school de volgende pagina te zien. | is.  | Lichtblauw is Stichting Verstr. Christ. Onderwijs op Gereformeerd Grondslag  | Oranje: PIT kinderopvang en onderwijs  | Paars: De Vereniging tot stichting en instandhouding van een school met de bijbel te Alblasserdam / Kinderdijk  | Donkerblauw: Stichting Openbaar Onderwijs Alblasserdam De rij ‘Leerlingen’ daaronder geeft aan wat het leerlingenaantal is in de huidige situatie en het geprognosticeerde leerlingenaantal voor 2023 en 2029.

De rij ‘Tekort/Overschot’ daaronder geeft aan wat het tekort of overschot in aantal vierkante meters is bij een school volgens de capaciteitsanalyse. Een groen, positief getal is een overschot, een rood, negatief getal een tekort. Daarbij is rekening gehouden met de m² die door kinderopvang of BSO gebruikt worden. Referentie: 1649202-0049.4.0. | Pagina 16 van 36 Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 17 van 36 zie voor een toelichting op naast staande overzicht paragraaf 4.2 van dit rapport.

5.3.1 Ds. Joannes Beukelmanschool Rembrandtlaan | 5.3.4 IKC De Schalm De Ds. Joannes Beukelmanschool op de Rembrandtlaan heeft een formeel | IKC De Schalm heeft nu een formeel ruimtetekort van circa 200m². ruimtetekort van circa 120 m². Door het schoolbestuur is aangegeven dat de school in de huidige situatie het leerlingenaantal kan huisvesten. Op het perceel bestaat geen | Er is een solitaire vervangingsopgave voor IKC De Schalm in de termijn 5 – 10 jaar. Dit mogelijkheid voor tijdelijke huisvesting. Indien er leerlingengroei ontstaan kan gebruik | sluit aan bij de quickscanscore van het gebouw. Gezien het ruimtetekort is er sprake worden gemaakt van de locatie Weverstraat. Hier is op het perceel ruimte om tijdelijke | van een hogere urgentie op basis van de afwegingscriteria. Het IKC is gehuisvest in units te plaatsen. In het IHP is hier vooralsnog geen rekening mee gehouden | een pand met gemeentelijk beeldbepalende status. Er dient bij de vervangingsopgave rekening gehouden te worden met de architectuur. Het gebouw op de Rembrandtlaan is een nieuw gebouw (2015) en voldoet goed aan de onderwijsbehoeften. Er is geen vervangingsopgave voor de Ds. Joannes | 5.3.5 Het Kompas Beukelmanschool op de Rembrandtlaan in de looptijd van dit IHP (20 jr.). Dit sluit aan | Het Kompas heeft een ruimtetekort van circa 75m².

De school maakt gebruik van het bij de quickscanscore van het gebouw. | hoofdgebouw en een dichtbij gelegen schoolwoning (dependance). Door het schoolbestuur is aangegeven dat de school in de huidige situatie het leerlingenaantal 5.3.2 Ds Joannes Beukelmanschool Weverstraat | kan huisvesten. De Ds. Joannes Beukelmanschool op de Weverstraat heeft een formeel ruimteoverschot van circa 200 tot 250m². Dit overschot is in de praktijk niet aanwezig. | Er is een solitaire vervangingsopgave voor Het Kompas in de termijn 5 – 10 jaar. Reden hiervoor is dat in het bepalen van de ruimtebehoefte er geen rekening is gehouden met een ‘vaste voet’ van 200m² omdat de school een formeel gezien een | 5.3.6 IKC ’t Nokkenwiel Maasplein dislocatie is van de Ds. Joannes Beukelmanschool Rembrandtlaan. | IKC ‘t Nokkenwiel Maasplein heeft een formeel ruimteoverschot van circa 330 m² in het gebouw. Dit overschot is in de praktijk minder groot. Reden hiervoor is dat in het Er is een solitaire vervangingsopgave (lees: nieuwbouw of renovatie) voor de Ds. | bepalen van de ruimtebehoefte er geen rekening is gehouden met een ‘vaste voet’ van Joannes Beukelmanschool Weverstraat in de termijn van 10 – 20 jaar. Dit sluit aan bij | 200m². Reden hiervoor is het feit dat de school een dislocatie is van IKC ’t Nokkenwiel de quickscanscore van het gebouw. | Boerenpad.

5.3.3 IKC De Twijn | IKC ‘t Nokkenwiel Maasplein is gehuisvest in een nieuw gebouw (2009) van Voor IKC de Twijn wordt momenteel nieuwbouw gerealiseerd op de Parallelweg te | woningbouwvereniging Woonkracht10. Er is geen vervangingsopgave voor IKC ’t Alblasserdam. De nieuwbouw wordt gerealiseerd voor 430 leerlingen en zal na | Nokkenwiel Maasplein in de looptijd van dit IHP (20 jr.). verwachting in het voorjaar van 2021 klaar zijn voor het gebruik door het IKC. | Het gebruik van de multifunctionele accommodatie is veranderd ten opzichte van de Er is geen vervangingsopgave voor de IKC De Twijn in de looptijd van dit IHP (20 jr.). | uitgangssituatie. Er is een andere samenstelling van gebruikers binnen het De capaciteitsanalyse is gebaseerd op de nieuwe situatie, er is enige overmaat | Multifunctioneel Centrum Maasplein. Daardoor wordt de locatie deels als onveilig waardoor er ruimte is om een beperkte groei op te vangen. Het schoolbestuur gaat er | ervaren. Dit geldt voor het schoolplein en de entree. Ook is de entree van de zelfs van uit dat op het moment van opening het gehele gebouw volledig benut wordt, | multifunctionele accommodatie nog niet aangepast naar aanleiding van de nieuwe daarmee zou het ruimteoverschot wat op de kaart staat aangegeven niet meer aan de | eisen van de GGD aan kinderopvang (eigen afsluitbare entree). De locatie voldoet orde moeten zijn.

De Twijn heeft inmiddels 410 leerlingen en verwacht 420 leerlingen | hiermee niet aan de wensen en eisen van de school en kinderopvang. voor het komend schooljaar. Referentie: 1649202-0049.4.0. | Pagina 18 van 36 Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 19 van 36 5.3.7 Scenario 1: IKC ‘t Nokkenwiel Boerenpad & IKC Het Palet Er is een gezamenlijk scenario voor IKC ’t Nokkenwiel Boerenpad en IKC Het Palet ontwikkeld. IKC ’t Nokkenwiel Boerenpad heeft een formeel ruimtetekort van ca. 66m². Hierbij is rekening gehouden met de ruimte voor de kinderopvang. Het Palet heeft een groot ruimtetekort van circa 425m². Er is geen mogelijkheid om het ruimtetekort van IKC Het Palet op de locatie zelf op te lossen: bijbouwen of andere vormen van in- of uitbreiding zijn op de locatie niet meer mogelijk. Op dit moment wordt het ruimtetekort door het plaatsen van een noodlokaal op het terrein en door huur van een ruimte van kinderopvang binnen het gebouw opgelost. Er is conform de quickscanscore een vervangingsopgave voor IKC ’t Nokkenwiel Boerenpad in de termijn 5-10 jaar. Voor IKC Het Palet is er geen vervangingsopgave in de looptijd van dit IHP (20 jr.). Door de omvang van de kavel bij IKC ’t Nokkenwiel Boerenpad ziet het schoolbestuur mogelijkheden om bij de vervangingsopgave op deze locatie extra ruimte te realiseren voor leerlingen uit groep 7 en 8 van IKC Het Palet.

Het gebouw van IKC Het Palet zal daarbij volledig in gebruik blijven. De aanleiding voor de realisatie van extra ruimte bij IKC ‘t Nokkenwiel Boerenpad betreft het ruimtetekort. Echter wil het schoolbestuur van de nood een deugd maken door vanuit een gemeenschappelijke visie het onderwijs anders vorm te geven en te bundelen. Door middel van dit scenario ontstaat een oplossing voor het ruimtetekort van IKC Het Palet en de vervangingsopgave van IKC ’t Nokkenwiel. Er is sprake van een hogere urgentie op basis van de afwegingscriteria. Deze integrale vervangingsopgave is opgenomen in de termijn 0-5 jaar. Door middel van een locatieonderzoek zou nog onderzocht moeten worden welke stedenbouwkundige voorwaarden aan een herontwikkeling / uitbreiding op de kavel van IKC ’t Nokkenwiel Boerenpad verbonden zijn. 5.3.8 Scenario 2: Samenvoegen locaties ’t Nokkenwiel. Tijdens een opiniërende bespreking van het IHP in het college van B&W (24 maart 2020) heeft het college de wens uitgesproken om een extra scenario voor het openbaar onderwijs toe te voegen aan het bestaande scenario. Dit betreft een gezamenlijk scenario voor IKC 't Nokkenwiel Boerenpad, IKC 't Nokkenwiel Maasplein en IKC Het Palet. Het scenario gaat nog steeds uit van de vervangingsopgave voor 't Nokkenwiel Boerenpad en de uitbreiding voor IKC Het Palet, maar voegt daar IKC 't Nokkenwiel Maasplein aan toe.

De reden waarom het college deze mogelijkheid wil onderzoeken is, omdat vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening één school op de plek van 't Nokkenwiel Boerenpad wellicht kan zorgen voor een gebiedsontwikkeling van hogere kwaliteit. Ook gezien het leerlingenaantal en vanuit het oogpunt van kosten-efficiency vindt het college het de moeite waard om dit extra scenario in ieder geval te onderzoeken op haalbaarheid. Het college vraagt zich af hoe kostenefficient het is voor een school van deze omvang en leerlingenaantal om twee locaties te hebben. Tegelijkertijd ziet het college bij zorgpartners in het dorp een behoefte aan meer ruimte, bijvoorbeeld voor extra beddenzorg. Het MFC Maasplein zou een optie kunnen zijn om tegemoet te komen aan deze zorgbehoefte. Het college heeft de wens voor het toevoegen van een extra scenario voorgelegd aan de deelnemers van het OOGO. Alle besturen van kinderopvang- en onderwijsorganisaties hebben begrip voor deze wens van het college, maar zien kanttekeningen en bezwaren. Zo wordt de leeftijd van het gebouw in het IHP gezien als een afwegingscriterium, maar is 't Nokkenwiel Maasplein geen oud gebouw. Schoolbesturen vragen zich af of dan wel zorgvuldig met de onderwijsmiddelen wordt omgegaan.

Ook wordt getwijfeld aan de uitvoerbaarheid van het scenario, zeker gezien het feit dat SOBA en Wasko een langjarige huurverplichting bij de woningcorporatie hebben. Daarbij hebben verschillende deelnemers uit het OOGO als overweging dat het openbaar onderwijs ook geworteld is in de wijk Kinderdijk en dat het ook van betekenis is voor de wijk als daar een school zou vertrekken. Ten slotte wordt getwijfeld aan het uitgangspunt van dit scenario: is gebiedsontwikkeling en kosten efficiency of visie op de ontwikkeling van het kind leidend? SOBA stelt de uitdrukkelijke voorwaarde dat, mocht de locatie aan het Maasplein toch vrijkomen, deze locatie niet meer wordt ingezet voor onderwijs, omdat een school uit dezelfde of een aanpalende denominatie op die plek zou kunnen betekenen dat er een | 5.5. Interimvoorzieningen bij scenario’s verschuiving van leerlingen mogelijk zou kunnen plaatsvinden. Andere deelnemers uit | Dit IHP duidt de vervangingsopgave voor de komende 20 jaar. Om voor de eerste vier het OOGO snappen deze overweging, maar menen dat, omdat het OOGO altijd in | jaar de (financiële) opgave nog beter te kunnen duiden worden ook de opgaven voor samenspraak met de gemeente bepaalt welke school waar zijn plek krijgt, dit al goed is | interimvoorzieningen ofwel tijdelijke huisvesting voor deze termijn opgenomen. ondervangen.

Ook het eventueel inzetten van deze mogelijk vrij te komen ruimte voor tijdelijke huisvesting van één van de bestaande kindcentra/scholen wordt onderling | Er wordt uitgegaan van tijdelijke huisvesting in de eerste vier jaar voor IKC ’t afgestemd. | Nokkenwiel Boerenpad. In par 6.4. zijn de bedragen opgenomen. Het college heeft kennis genomen van de bezwaren van de besturen van de | Let wel: de daadwerkelijke invulling van interimvoorzieningen laat zich op IHP niveau kinderopvang– en onderwijsorganisaties. Ondanks deze bezwaren wil het college dit | lastig duiden. Na vaststelling van het IHP is zicht op de fasering van de opgaven en extra scenario graag laten onderzoeken om vanuit een afwegingskader waarbij onder | kan er bij het uitvoeringsprogramma een plan worden gemaakt voor de tijdelijke andere onderwijsinhoud, spreiding van leerlingen, kosten-efficiency, de betekenis van | huisvesting. Afhankelijk van de fasering kan er eventueel gebruik worden gemaakt van scholen in hun omgeving maar ook de context van de ruimtelijke ordening centraal | bestaande huisvesting en/of leegstand in scholen. De beschikbaarheid van staan, in samenspraak met de deelnemers van het OOGO tot een keuze over te gaan. | (bouw)locaties speelt hierbij ook een wezenlijke rol. De wens van het Stichting Openbaar Basisonderwijs Alblasserdam is om voor IKC ‘t Nokkenwiel tijdelijke 5.4.

Prioritering scenario’s | huisvesting op huidige locatie te creëren of om bijvoorbeeld naast het huidige gebouw De in de vorige paragraaf omschreven scenario’s leiden tot de volgende prioritering op | te bouwen (mits de veiligheid uiteraard is gewaarborgd). Het is een mogelijkheid dat basis van quickscanscores, capaciteitsanalyse en afwegingscriteria: | het voormalige gebouw van De Twijn (De Loopplank) wordt ingezet als tijdelijke huisvesting voor IKC ’t Nokkenwiel Boerenpad, dit dient echter nog nader onderzocht Termijn 0-5 | te worden en is voor het schoolbestuur gezien de afstand onwenselijk. De 1. | IKC De Twijn - nieuwbouw, reeds in uitvoering | mogelijkheden voor de interimvoorzieningen worden nader onderzocht. 2. | Scenario 1: IKC ‘t Nokkenwiel Boerenpad/ IKC Het Palet: (ver)nieuwbouw Boerenpad en ruimte voor tekort IKC Palet | 5.6. Gymzalen bij scenario’s 3. | Scenario 2: IKC ’t Nokkenwiel Boerenpad / IKC ’t Nokkenwiel Maasplein en | Dit IHP duidt de vervangingsopgave voor de komende 20 jaar. Om voor de eerste vier IKC het Palet: (ver)nieuwbouw Boerenpad en Maasplein en ruimte voor tekort | jaar de (financiële) opgave nog beter te kunnen duiden worden ook de opgaven ten IKC het Palet. | aanzien van de gymzalen opgenomen. Termijn 5-10 1. | Het Kompas – (ver)nieuwbouw | Gemeente Alblasserdam beschikt over drie sportaccommodaties die in gebruik zijn 2.

| IKC De Schalm – (ver)nieuwbouw, inclusief oplossen ruimtetekort | voor bewegingsonderwijs. Dat betreft: Termijn 10-20 (ambitie) |  | de Sporthal Molenzicht met 3 zaaldelen, gebouwd in 2018 1. | DS. Joannes Beukelmanschool Weverstraat – (ver)nieuwbouw |  | speellokaal van MFC Maasplein (168 m2 in twee speellokalen te splitsen) Termijn 20+ (ambitie) |  | sportcentrum Blokweer (gecombineerd zwembad en sporthal), gebouwd jaren 1. | IKC ‘t Nokkenwiel Maasplein - (ver)nieuwbouw | 70; omvangrijk gerenoveerd 2014 2. | DS. Joannes Beukelmanschool Rembrandtlaan – (ver)nieuwbouw Referentie: 1649202-0049.4.0. | Pagina 20 van 36 Referentie: 1649202-0049.4.0. Pagina 21 van 36 Per 1 oktober 2018 gingen 1562 leerlingen van 7 jaar of ouder naar school in Alblasserdam. Hieruit volgt circa een behoefte aan gymnastiekvoorzieningen van 90 klokuren (1.5 klokuren per groep per week voor leerlingen >6 jaar). Het is te verwachten dat op basis van bovengenoemde gymvoorzieningen voldoende aanbod aanwezig is binnen de gemeente Alblasserdam om ook in de komende jaren de behoefte te dekken. Er is, gezien de leeftijd van de gymzalen, geen vervaningsopgave. 5.7. IKC-ontwikkeling bij scenario’s Dit IHP duidt de vervangingsopgave voor de komende 20 jaar. Om voor de eerste vier jaar de (financiële) opgave nog beter te kunnen duiden worden ook de opgaven voor IKC-ontwikkeling voor deze termijn opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/843/documents/19584