CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - De complete Eerste Stap.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 18 mei 2021, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 6: Omgevingsvisie: Vrijgave voor participatie van De eerste Stap - Voorstel29.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

De eerste stap Op weg naar het opstellen van een omgevingsvisie

Inhoud 1

Inleiding ........................................................................................................................................... 4

2

Achtergrond..................................................................................................................................... 5

3

4

5

6

7

8

2.1

Kerninstrumenten omgevingswet ........................................................................................... 5

2.2

Wat is een omgevingsvisie ...................................................................................................... 6

2.3

Verschillen omgevingsvisie - structuurvisie ............................................................................ 6

2.4

Inhoud omgevingsvisie ............................................................................................................ 6

2.5

Beleidscyclus............................................................................................................................ 8

2.6

Groeiconclusie ......................................................................................................................... 9

Vertrekpunt ................................................................................................................................... 10 3.1

Structuurvisie ........................................................................................................................ 10

3.2

Omgevingswet ....................................................................................................................... 10

3.3

Groeiconclusie ....................................................................................................................... 11

Identiteit, waarden, omgeving en ambitie .................................................................................... 12 4.1

Identiteit ................................................................................................................................ 12

4.2

Waarden ................................................................................................................................ 13

4.3

Omgeving............................................................................................................................... 14

4.4

Ambitie .................................................................................................................................. 20

4.5

Groeiconclusie ....................................................................................................................... 20

Toekomst ....................................................................................................................................... 22 5.1

Mondiaal/Nationaal .............................................................................................................. 22

5.2

Lokaal..................................................................................................................................... 25

5.3

Omgevingsscan ...................................................................................................................... 27

5.4

Groeiconclusie ....................................................................................................................... 28

Kader ............................................................................................................................................. 29 6.1

Nationale omgevingsvisie ...................................................................................................... 29

6.2

Provinciale omgevingsvisie .................................................................................................... 30

6.3

Groeiconclusie ....................................................................................................................... 33

Regionale afspraken ...................................................................................................................... 34 7.1

Groeiagenda .......................................................................................................................... 34

7.2

Regionale energiestrategie.................................................................................................... 36

7.3

Transitievisie Warmte ........................................................................................................... 36

7.4

Regionale visie sociaal domein Drechtsteden ....................................................................... 37

7.5

Woningmarktanalyse Drechtsteden...................................................................................... 38

7.6

Lokaal beleid/lokale ontwikkelingen ..................................................................................... 39

7.7

Groeiconclusie ....................................................................................................................... 40

Kernopgaven.................................................................................................................................. 41 8.1

Kernopgaven.......................................................................................................................... 41 2

8.2 9

Groeiconclusie ....................................................................................................................... 43

Prioriteiten .................................................................................................................................... 45 9.1

Dorp in de polder................................................................................................................... 45

9.2

Welvarend dorp..................................................................................................................... 47

9.3

Bedrijvig dijkdorp .................................................................................................................. 48

9.4

Fit en groen dorp in de polder............................................................................................... 49

9.5

Groeibriljant .......................................................................................................................... 50

9.6

Groeiconclusie ....................................................................................................................... 52

10 10.1

Hoe nu verder? .......................................................................................................................... 53 Slotconclusie .......................................................................................................................... 53

3

1 Inleiding Voor u ligt het document ‘De eerste stap’. Dit document is de eerste stap op weg naar een omgevingsvisie. In het kader van de Omgevingswet, die per 1-1-2022 van kracht is, moet elke gemeente een omgevingsvisie vaststellen. De omgevingsvisie moet uiterlijk 31 december 2024 zijn vastgesteld. In de omgevingsvisie moeten de gemeenten hun ambities voor de fysieke leefomgeving beschrijven. Voordat de omgevingsvisie wordt opgesteld willen we eerst weten wat er op ons afkomt en wat het speelveld is. Daar is deze eerste stap voor opgesteld. Feitelijk is dit een tussenstap op weg naar een omgevingsvisie. De eerste stap is ingedeeld in 4 blokken van hoofdstukken. Onder het eerste blok vallen de hoofdstukken ter voorbereiding. In deze hoofdstukken wordt iets verteld over de achtergrond van de omgevingswet, de structuurvisie die als uitgangspunt wordt genomen en over wie wij zijn als Alblasserdammers. Het tweede blok kijkt naar de toekomst. Wat komt er op allemaal op ons af op korte en/of lange termijn? In het derde blok wordt het kader aangegeven. Het kader bestaat in dit geval uit de nationale en provinciale omgevingsvisie, ons eigen beleid en (regionale) afspraken die wij hebben gemaakt. In het laatste blok worden aan de hand van de voorgaande hoofdstukken de kernopgaven bepaald en aangegeven hoe hier mee omgegaan kan worden.

Dit document is slechts een tussenstap om te komen tot een omgevingsvisie. Er wordt een schets gegeven van het huidige speelveld en naar de toekomst gekeken. Het doel van dit document is om helder te krijgen wat onze opgaven zijn en om een richting te bepalen op welke wijze invulling kan worden gegeven aan die opgaven. Aan het eind van deze eerste stap wordt een aantal richtingen aangegeven. Feitelijk zijn dit accenten die over de structuurvisie gelegd gaan worden. Het is de bedoeling dat inwoners, bedrijven, verenigingen en andere partijen op basis van deze eerste stap zich uitspreken over een van de verschillende accenten. Nadat deze partijen zich hebben uitgesproken is het aan de gemeenteraad om een definitief accent vast te stellen. Op basis van dit accent stellen we een concept omgevingsvisie op. Over deze concept omgevingsvisie mogen inwoners, bedrijven, verenigingen maar ook buurgemeenten en andere overheden zich uitspreken. Met de informatie die hieruit wordt opgehaald stellen we vervolgens een definitieve omgevingsvisie op.

4

2 Achtergrond 2.1 Kerninstrumenten omgevingswet Om de Omgevingswet in de praktijk uit te voeren, hebben overheden verschillende instrumenten tot hun beschikking. Deze instrumenten hebben het doel de leefomgeving zo optimaal mogelijk te beschermen en te benutten.

2.1.1 Omgevingsvisie De omgevingsvisie is een integrale langetermijnvisie voor de hele fysieke leefomgeving. Deze visie komt in de plaats van de gebiedsdekkende structuurvisies, sommige delen van de natuurvisie, verkeers- en vervoersplannen, strategische gedeelten van nationaal en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen.

2.1.2 Programma Het programma is een flexibel beleidsdocument dat de overheid kan toepassen in verschillende fasen van de beleidscyclus. Dit instrument is een waardevolle toevoeging, omdat het een beleidsinstrument is met een uitvoeringsgerichte focus. Door middel van dit instrument kan een gemeente zorgen dat bijvoorbeeld duurzaamheidsdoelen gehaald worden

2.1.3 Het omgevingsplan en de omgevingsverordening Het uitgangspunt van de Omgevingswet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving samenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Voor de gemeente is dit het omgevingsplan en voor de provincies is dit de omgevingsverordening. Het omgevingsplan is als het ware de opvolger van het huidige bestemmingsplan en de beheerverordening, maar omvat meer. Hierin staan namelijk alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt. Denk hierbij aan: - Bouwwerken - Infrastructuur - Watersystemen - Water - Bodem - Lucht - Landschappen - Natuur - Cultureel erfgoed en werelderfgoed

2.1.4 Algemene rijksregels Deze regels maken inzichtelijk wat uit het oogpunt van nationaal belang wel en niet is toegestaan in de fysieke leefomgeving. Onder de omgevingswet worden deze regels gebundeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit zorgt voor meer uniformiteit en beter hanteerbare regels. Daarnaast zijn algemene regels straks van toepassing op alle beleidssectoren van de Omgevingswet. Dit verlicht de administratieve lasten, maar hierdoor moeten overheden wel meer toezicht houden.

2.1.5 De omgevingsvergunning De Omgevingswet introduceert geen andere of nieuwe vergunningplichtige activiteiten. Maar zorgt er wel voor dat een vergunning niet meer automatisch verleend wordt als de beslistermijn is verstreken. 5

2.1.6 Het projectbesluit Onder de Omgevingswet maakt dit projectbesluit omvangrijke publieke projecten mogelijk. Dit instrument kun je zien als de opvolger van het inpassingsplan uit de Wro, het Tracébesluit uit de Tracéwet en het projectplan uit de Waterwet.

2.2 Wat is een omgevingsvisie De omgevingsvisie kan worden gezien als een nieuw instrument dat onder meer de bouwstenen van de structuurvisie gebruikt. De omgevingsvisie is richtinggevend voor de toekomstige ontwikkelingen van de gemeente. Daar waar in de structuurvisie een concreet eindbeeld staat, biedt de omgevingsvisie meer ruimte voor initiatieven. Ook de ontwikkelingen die de gemeente zelf wil stimuleren, staan in de toekomstige omgevingsvisie. De omgevingsvisie vormt de zogenaamde stip op de horizon. Deze stip kan in de loop van de tijd, als gevolg van veranderende omstandigheden, veranderen. De omgevingsvisie bevat geen uitvoeringsregels of normen. De uitvoeringsregels en normen worden opgenomen in het Omgevingsplan en de eventueel op te stellen programma's.

2.3 Verschillen omgevingsvisie - structuurvisie Het belangrijke verschil tussen een structuurvisie en een omgevingsvisie is het 'integrale'(allesomvattende) karakter van de omgevingsvisie. Deze is geen optelsom van verschillende beleidsterreinen, maar vormt een samenhangend document dat verwoordt 'wat voor een gemeente we willen zijn'. Dit betekent dat alle onderwerpen van een omgevingsvisie op elkaar zijn afgestemd, zodat er één totaalvisie ontstaat op onze leefomgeving. Als we weten wat voor een gemeente we willen zijn (ambitie), dan weten we ook wat er moet gebeuren om daar te komen. Daarnaast is een gemeente verplicht om één omgevingsvisie voor de gehele gemeente op te stellen. De structuurvisie was facultatief.

2.4 Inhoud omgevingsvisie De gemeenteraad stelt de omgevingsvisie vast. Dit is een plicht vanuit de rijksoverheid. In de omgevingsvisie staan de strategische hoofdkeuzes voor het langetermijnbeleid van de leefomgeving binnen de gemeente. Per gemeente moet één omgevingsvisie worden opgesteld. Het beleid moet gaan over de beleidsterreinen in de fysieke leefomgeving zoals natuur, milieu, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer, die nu binnen de gemeente vaak nog over verschillende ambtenaren/afdelingen/commissies en verschillende beleidsstukken zoals structuurvisie, beleidsplannen en beleidsnota's zijn verdeeld, en; Het beleid moet niet alleen gaan over ontwikkelingen, maar ook over de bestaande situatie en de manier waarop die wordt behouden en of verbeterd door bijvoorbeeld beheer, bescherming en behoud. In een omgevingsvisie moet, volgens de algemene beginselen van goed bestuur, rekening worden gehouden met het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

Een omgevingsvisie moet in ieder geval het volgende bevatten:  Een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (wat is er, en wat is de kwaliteit daarvan);  De hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied (wat gebeurt er/gaat er gebeuren aan ontwikkelingen op en ter standhouding van het grondgebied); en

6

De hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid (wat zijn de na te streven doelen en op welke manier moeten/zullen die worden bereikt).

2.4.1 Samenhang met andere omgevingsvisies De gemeenteraad dient, op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel, in de omgevingsvisie rekening te houden met omgevingsvisies van andere bestuursorganen. Hiermee wordt bedoeld dat de gemeenteraad in de gemeentelijke visie zal moeten laten zien dat de omgevingsvisies van andere bestuursorgaan bij het opstellen van de gemeentelijke visie zijn bekeken en de inhoud daarvan bekend is. Als er gevallen zijn waarin de gemeentelijke visie niet overeenstemt met die andere visies, wordt dat door de gemeenteraad geconstateerd en – kort- worden toegelicht. Die toelichting hoeft niet zo 'zwaar' te zijn als de motivering bij een afwijking van het beleid in de eigen gemeentelijke visie

2.4.2 Verhouding tot omgevingsplan en doorwerking van andere omgevingsvisies De wettelijke status van een omgevingsvisie en de verhouding daarvan tot het omgevingsplan is vergelijkbaar met de huidige status van structuurvisies op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau en de verhouding daarvan tot een bestemmingsplan. De omgevingsvisie is op elk niveau zelfbindend voor de bestuurslaag die het heeft opgesteld en waarvoor het is opgesteld. Een omgevingsvisie van een 'hoger' bestuursorgaan werkt dan ook niet dwingend door in omgevingsvisies en omgevingsplannen die door een 'lager' bestuursorgaan worden vastgesteld. Als een hogere overheid iets aan een gemeente op wil leggen kan van andere in de wet neergelegde instrumenten gebruik gemaakt worden. Een omgevingsvisie wordt voorbereid via afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Kort gezegd een procedure die begint met het ter inzage leggen van een ontwerpvisie, daarna een zienswijzemogelijkheid voor eenieder en ten slotte het vaststellen van de visie door de gemeenteraad. De wettelijke procedure eindigt na het vaststellen van de visie, omdat daartegen geen beroep openstaat.

7

2.5 Beleidscyclus De opbouw van de omgevingswet volgt de beleidscyclus. De beleidscyclus biedt een structuur om de instrumenten van de Omgevingswet te ordenen.

2.5.1 Beleidsontwikkeling Het bovenste kwart aan de rechterzijde van de cyclus heet beleidsontwikkeling. Dit staat voor de visievorming. De omgevingsvisie is een samenhangende visie met strategische hoofdkeuzes van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn. Belangrijke input voor een omgevingsvisie is het resultaat van het vorige kwart van de beleidscyclus: terugkoppeling. Ofwel: monitoring en evaluatie. De signalen uit monitoring en evaluatie kunnen aanleiding zijn voor aanpassing van een omgevingsvisie.

2.5.2 Beleidsdoorwerking De overheid kan de gewenste kwaliteiten van de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan concreter maken door die ook stevig juridisch vast te leggen. Daarmee kunnen ook andere overheden worden gebonden om mee te werken aan de realisatie van het beleid. Dat kan bijvoorbeeld door eisen vast te leggen in omgevingswaarden, of door een programma vast te stellen. De overheid kan in programma's concrete maatregelen opnemen die leiden tot de vastgelegde en gewenste kwaliteit van een onderdeel van de fysieke leefomgeving, een aspect of een gebied. Deze programma's dienen ter uitwerking van het beleid uit de visie.

2.5.3 Uitvoering In het onderste kwart aan de linkerzijde van de cyclus staat de uitvoering centraal. Dat gebeurt door de initiatiefnemers van activiteiten en projecten: burgers, bedrijven of overheden die iets willen ontwikkelen. Hiermee is dit kwart een uitzondering op de andere 3, waarin alleen de overheid centraal staat. Voorop staat de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, die tot uitdrukking

8

komt in een algemene zorgplicht. Waar inkadering van activiteiten door de overheid nodig is, gebeurt dat zo veel mogelijk door algemene regels.

2.5.4 Terugkoppeling Het bovenste kwart aan de linkerzijde staat voor terugkoppeling. Met toezicht en handhaving ziet de overheid toe op naleving van de algemene regels en vergunningvoorschriften. Via monitoring brengt de overheid de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in beeld. Uit evaluatie blijkt of bijstelling van de beleidsdoelen en/of aanpassing van de inzet van instrumenten nodig is. De keuze voor de instrumenten bepaalt het soort terugkoppeling. Als een gemeente bijvoorbeeld juridische regels in het omgevingsplan zet, spelen in de terugkoppelingsfase toezicht en handhaving een belangrijke rol. Maar als de gemeente kiest voor een programma, zullen in de terugkoppelingsfase vooral monitoring en evaluatie belangrijk zijn.

2.6 Groeiconclusie H2

Er moet een omgevingsvisie worden opgesteld. De omgevingsvisie is een integrale langetermijnvisie voor de hele fysieke leefomgeving.

9

3 Vertrekpunt We beginnen het proces om te komen tot een omgevingsvisie niet met een leeg vel papier. In het verleden zijn al verschillende visies opgesteld. Deze schuiven we niet zomaar opzij. Voor de omgevingsvisie zal de in 2013 opgestelde structuurvisie als basis gebruikt worden.

3.1 Structuurvisie Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders wordt de Structuurvisie Alblasserdam 2040 als basis voor de op te stellen omgevingsvisie gebruikt. De structuurvisie is in 2013 opgesteld en heeft als ondertitel 'Bedrijvig Dijkdorp'. In de structuurvisie wordt een profiel van Alblasserdam geschetst. Verder wordt een omschrijving van de positie van Alblasserdam, een ambitie, ruimtelijke thema's en een ontwikkelstrategie besproken. De structuurvisie wordt afgesloten met een ruimtelijke agenda. In deze ruimtelijke agenda wordt aangegeven dat het niet wenselijk en niet mogelijk is om alles tegelijkertijd aan te pakken. Het gemeentebestuur geeft daarom aan dat zij een aantal speerpunten ziet voor de korte termijn, te weten: 1. Aantrekkelijkheid van het Centrum 2. Bereikbaarheid 3. Uitbouwen van de transferiumfunctie. In deze eerste stap en de op te stellen omgevingsvisie wordt geen evaluatie uitgevoerd over de uitvoering van de structuurvisie. De structuurvisie is opgesteld op basis van een verplichting uit de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening luidt: "De gemeenteraad stelt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meerdere structuurvisies vast.

De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkelingen van dat gebied, alsmede de hoofdzaken van het door de gemeente uit te voeren ruimtelijke beleid. De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop de raad zich voorstelt die voorgenomen ontwikkeling te verwezenlijken." De structuurvisie is een strategisch beleidsdocument en bevat alleen beleidsvoornemens. Het document werkt juridisch gezien niet door richting andere overheden; alleen de gemeenteraad en daarmee ook het college wordt door de structuurvisie gebonden. Intern biedt de visie een structureel kader voor de werk- en beleidsprocessen die het vaststellende orgaan (de gemeenteraad) de mogelijkheid geeft om het uitvoerende orgaan (het college) te beoordelen. Extern is de structuurvisie een communicatief instrument en biedt het een referentiekader voor andere overheidsinstanties en burgers. De structuurvisie vindt zijn oorsprong dus in de Wet ruimtelijke ordening. Daarom bevat de structuurvisie vooral ruimtelijke thema's. Bij trends en ontwikkelingen worden andere thema's als klimaatverandering, energietransitie en nieuwe economie benoemd. Een deel van deze thema's wordt in de structuurvisie beperkt uitgewerkt, hierbij is vooral gekeken naar de ruimtelijke aspecten.

3.2 Omgevingswet De omgevingswet bundelt 26 wetten (waaronder de Wet ruimtelijke ordening) in de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving bestaat volgens de omgevingswet in ieder geval uit: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed. Daarnaast geeft artikel 1.2 van de omgevingswet aan dat ook activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving onder de omgevingswet vallen. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving. 10

In artikel 1.3 van de omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de omgevingswet beschreven. Artikel 1.3 van de omgevingswet luidt: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Dit betekent dat in de op te stellen omgevingsvisie veel breder gekeken moet worden dan alleen ruimtelijke ontwikkeling. In het vervolg van deze eerste stap zal duidelijk worden dat het opgestelde beleid voornamelijk sectoraal is. In een aantal gevallen wordt wel breder gekeken, maar die blik blijft eigenlijk altijd beperkt tot het domein waar het beleid betrekking op heeft (ruimtelijke ordening, maatschappelijk, milieu). Dit is inherent aan de manier waarop wij ons werk altijd hebben uitgevoerd. De omgevingswet dwingt ons door haar maatschappelijke doelen breder te kijken. Deze eerste stap is een aanzet hiertoe. Hierbij realiseren wij ons dat een dergelijke werkwijze niet van het ene op het andere moment gewijzigd is.

3.3 Groeiconclusie H2 H3

Er moet een omgevingsvisie worden opgesteld. De omgevingsvisie is een integrale langetermijnvisie voor de hele fysieke leefomgeving. De structuurvisie vormt een goede basis voor de ruimtelijke component, de omgevingswet vereist echter een breder perspectief.

11

4 Identiteit, waarden, omgeving en ambitie In 2013 is een structuurvisie opgesteld en door de gemeenteraad vastgesteld. Deze structuurvisie beschrijft de visie op Alblasserdam in 2040. In deze visie is de identiteit en de ambitie van de gemeente Alblasserdam beschreven. De structuurvisie is opgesteld naar aanleiding van een wettelijke verplichting uit de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), daarom heeft de structuurvisie voornamelijk betrekking op het ruimtelijke domein. Thema’s als duurzaamheid, klimaatadaptatie en klimaatmitigatie komen niet of nauwelijks aan bod. In de structuurvisie is ook de identiteit van Alblasserdam beschreven. Naast de structuurvisie zijn ook de notitie 'Doorontwikkelen naar een samenhangend sociaal domein' en het Integraal preventieplan gebruikt om een beschrijving te geven van de omgeving in zowel het sociale als het ruimtelijke domein. Dit omdat naast de aspecten voor de fysieke leefomgeving ook gezondheid een belangrijk aspect is van de omgevingswet. Inmiddels is in 2016 een regionale groeiagenda opgesteld en is met het Rijk een regiodeal gesloten. Een van de belangrijke pijlers van de regiodeal is Dynamische oevers (in verbinding met water en samenleving). Hierbij worden oevers opnieuw bereikbaar en aantrekkelijk gemaakt zodat oude en nieuwe bewoners en ondernemers daar weer van kunnen genieten.

Investeerders worden uitgedaagd te investeren in een breed palet woon – werk en recreatieprogramma's.

4.1 Identiteit Alblasserdam is een dorp met twee gezichten (een januskop) die wezenlijk van karakter verschillen. Er is het historische dijkdorp met een zekere robuustheid en stedelijkheid, met voorzieningen en bedrijvigheid. Aan de andere zijde van de medaille is er het polderdorp: kleinschalig en groen. De dijk fungeert hierin als zichtbare spil. Ook de verbinding met de rivier en het polderlandschap bepaalt in belangrijke mate de sfeer van Alblasserdam. Bij het profiel van Alblasserdam horen een aantal kernwoorden, namelijk: Ontmoeting: Kennen en gekend worden vinden Alblasserdammers belangrijk. Er is veel gelegenheid voor ontmoeting: in winkels, op het werk, in de kerk, op school en op straat. Alblasserdammers hebben respect voor elkaar en respect voor verschillen. De aanwezigheid van Landvast in het Centrum en het MultiFunctioneelCentrum in de wijk Kinderdijk leveren hier ook een bijdrage aan. Groen dorp: Alblasserdam ligt gunstig in het groene polderlandschap. Er is veel groen in de wijken en de afstanden naar het buitengebied zijn kort. Echte stedelijkheid ontbreekt, maar is op korte afstand aanwezig. Hierdoor is het plezierig wonen in Alblasserdam. Kleinschalig: De menselijke maat is belangrijk. Dit betekent voorzieningen en bouwwerken die passen bij de schaal van het dorp.

Een Ikea vinden de meeste Alblasserdammers te groot; wel passend zijn dagelijkse basisvoorzieningen, zoals een supermarkt. Niet alles hoeft in Alblasserdam te staan, er kan ook gebruik gemaakt worden van voorzieningen in buurgemeenten. Voorzieningen als Landvast, het zwembad en de bibliotheek zijn wel belangrijk voor het dorp. Ook de korte lijnen naar het bestuur zijn een kenmerk van deze kleinschaligheid en worden gekoesterd. Gelovig: In Alblasserdam zijn vele geloofsgenootschappen aanwezig, vooral christelijk maar ook islamitisch. De zondagsrust is hier nog steeds belangrijk. De zondagse kerkgang geeft het dorp een eigen karakter. Historisch erfgoed: Alblasserdam heeft als één van de weinige dijkdorpen binnen de Drechtsteden nog steeds een herkenbaar historisch karakter. Het centrum is beschermd dorpsgezicht. Ook wordt 12

Alblasserdam geassocieerd met molens. De route naar Kinderdijk loopt via Alblasserdam. En Alblasserdam is een van de startpunten in de route van de Molentocht in de winter. Geen toeristische bestemming op zich, maar wel een dorp dat een transferiumfunctie kan hebben. Maritiem karakter: In Alblasserdam is van oudsher maritieme industrie gevestigd: scheepswerven en aanverwante bedrijvigheid. De haven is zeer nadrukkelijk aanwezig in het Centrum van Alblasserdam en bepaalt voor een deel het karakter van het dorp. Het populaire havenfestival is hiervan een goede illustratie. Bedrijvig: Alblasserdam heeft van oudsher veel industrie en heeft van oudsher arbeiders van buiten aangetrokken, met de sociale structuren die daarbij horen. Nog steeds heeft de economische structuur een traditioneel karakter: industrie, handel en reparatie, vervoer en opslag. Circa de helft van de oppervlakte van de gemeente bestaat uit bedrijventerreinen en twee-derde van de werknemers komt van buiten Alblasserdam.

4.2 Waarden In alle ruimtelijke plannen tot nu toe zijn de waarden van een gebied vastgelegd. Elementen worden als waardevol beschouwd en worden in een volgende stap geconcretiseerd in normen. Een waarde is een betekenis gevend ideaal, een overtuiging over wat nagestreefd wordt of zou moeten worden en is van abstract niveau. Het gezamenlijk vastleggen van waarden maakt duidelijk welke soort ontwikkeling daarbij in Alblasserdam passen en welke niet. In de Visie recreatie en toerisme zijn de volgende waarden beschreven

4.2.1 Cultuurhistorie De waarde cultuurhistorie is afgeleid van het onderliggend landschap, het werelderfgoed en de zorg om behoud en identiteit en het type faciliteiten voor toeristen dat aansluit op de Alblasserdamse karakteristieken van maat en omvang. Deze streek heeft zijn eigen specifieke kenmerken: Het verhaal van de waterveiligheid als techniek en als innovatie en denkkracht, en het verhaal van de scheepswerfactiviteiten. Citaat Rondetafel Cultuurhistorie gemeenteraad 13-12-2016: "Cultuurhistorie begint bij het individu zelf en hoort op jonge leeftijd te beginnen. Ken je eigen geschiedenis en wees daar trots op; draag het uit. Het is er al, maar hoe ontsluit je het? Echt gastheerschap ontstaat pas als inwoners ook de wortels van hun dorp kennen en beleven."

4.2.2 Authenticiteit Deze waarde is afgeleid van het onderliggende landschap, dat weer reden is voor plaatsing is op de werelderfgoedlijst. Het gaat ook om de zorg over het kunnen behouden van identiteit in relatie tot de omvang. Tijdens het opstellen van de visie recreatie en toerisme schetste een inwoner dit tijdens een informatiebijeenkomst duidelijk met de uitspraak: Maak het niet anders en niet groter dan het is. Authenticiteit gaat om de keuze in soort voorzieningen. Citaat Rondetafel Authenticiteit Raad 13-12-2016 "Authenticiteit is tastbaar, zichtbaar, echt, eerlijk. Trots is een belangrijke basis: het uitdragen en delen van deze trots. Hier zijn stappen te maken, het kan beter. Rond de Alblas liggen kansen voor recreatie en toerisme. Verblijfsrecreatie mag verstrekt worden, nu te weinig mogelijkheden. Nieuwe inzichten: Contrasten kunnen versterkend werken. Combinatie nieuw/oud, klassiek/modern. Er blijft verschil over de betekenis van zondagsrust. Behoorlijke bandbreedte: op zondag is er ook autoverkeer en zijn er ook toeristen en anderzijds is het goed toeristen te laten zien en merken dat er op zondag minder open is om dan uit te kunnen leggen waar dat zijn oorsprong heeft."

13

4.2.3 Rust en stilte Deze waarde is afgeleid van het onderliggende landschap, het stiltegebied polder Kortland en het vogelrichtlijngebied Natura 2000 dat deel uitmaakt van het werelderfgoedgebied. Rust en stilte is nodig om deze natuurwaarde in stand te houden. Rust en stilte zijn twee kanten van dezelfde medaille. Stilte is vooral uiterlijk, rust is innerlijk én uiterlijk. Belangrijk voor de beleving van rust en stilte zijn het aantal decibel en de passendheid van gebiedseigen geluiden en de afwezigheid van lawaai of gebiedsvreemde geluiden. Geluiden van boeren op het land zijn minder storend dan van verkeer. Anderzijds, de totale afwezigheid van geluid kan als eng worden ervaren. Lawaai heeft meerdere psychische effecten. Het leidt tot concentratiestoornissen, het maakt nerveus, onrustig en gespannen, het irriteert en roept agressie op, het maakt moe, het isoleert en het tast de gezondheid aan. Het is schadelijk voor de rustbeleving en voor de volksgezondheid. Het aanwijzen van stiltegebieden is één van de ingangen om de beleving van stilte mogelijk te maken. Een andere is het weren van gebiedsvreemd geluid, zoals brommers in bossen. Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluiden van flora en fauna overheersen.

Het woord ‘stilte’ betekent hierbij niet dat er geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. Stiltegebieden zijn van belang voor de rustzoekende recreant en de flora en fauna in de natuur. Activiteiten die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden, zijn niet meer mogelijk in het gebied dat als stiltegebied is aangewezen. Gebiedseigen geluiden, zoals die van de landbouw, zijn hiervan uitgesloten. Onder 'stil' worden geluiden verstaan die tussen de 35 en 40 decibel liggen. Ook kan worden gesteld dat een gebied 'stil' is als de lange perioden met natuurlijke geluiden overheersen tot de perioden met nietnatuurlijke geluiden.

4.3 Omgeving 4.3.1 Profiel leefomgeving 4.3.1.1 Cultuurhistorische kwaliteit De cultuurhistorische identiteit van Alblasserdam is verankerd in het landschap en de ontginning en bepoldering van het gebied sinds de Middeleeuwen. De stroomgordels van de Alblas en rivier de Noord vormen de ruggengraat van het dorp. De rechte weteringen in de polder zijn gegraven ten behoeve van de ontwatering. De in historische tijden aangelegde dijklichamen en kadestructuren zijn middeleeuwse elementen die door de vroegere bevolking van Alblasserdam en omgeving tot stand zijn gebracht, deels ter plaatse van de al bestaande natuurlijke oeverwallen langs de rivierlopen. Alblasserdam kent twee historische kernen: omgeving Dam en omgeving Kerkstraat. De oudste kern is ontstaan rondom de dam in de Alblas die geleidelijk zou uitgroeien tot het huidige Alblasserdam. Dit gebied stond van meet af aan in het teken van handel: als haven, als oversteek over de Alblas met kruising van land- en vaarroutes en met pleisterplaatsfunctie; later ook in het teken van bestuur en lokale nering. Langs de noordwestoever van de Alblas ontstond langs de Kerkstraat een tweede historische bebouwingskern, gericht op en rond de kerk die er als eerste stond. Alblasserdam groeide langs de dijken geleidelijk uit. Er werd tot ver in de twintigste eeuw vrijwel uitsluitend vrijstaand gebouwd.

Zo ontstond een historisch karakteristiek beeld van bebouwde dijk(lint)en met doorkijkjes tussen de panden door, waar de (zicht) relaties van de dijk naar de rivier en het achterliggende polderlandschap beleefd kunnen worden. Pas aan het begin van de twintigste eeuw werden de uitbreidingen ook buiten de dijklinten tot stand gebracht, zoals bijvoorbeeld het Scheepsbouwplein in de wijk Kinderdijk en de Oranjestraat. 14

Omvangrijke groene structuren en open gebieden zijn nu alleen nog te vinden in de Groene Long en het buitengebied van Alblasserdam. Het buitendijkse gebied langs de Noord ontwikkelde zich vanaf het begin van de negentiende eeuw tot industriegebied, met van meet af aan grootschalige bebouwing en structuren (o.a. de scheepsdokken/hellingbaan). De impuls die met name de scheepsindustrie aan Alblasserdam heeft gegeven, is van belang voor de historische identiteit en komt thans in de bebouwing vooral nog tot uitdrukking in een aantal voorname panden aan het Cortgene. 4.3.1.2 Ruimtelijke kwaliteit Het groen/blauwe raamwerk van openbare gebieden, aangevuld met de buurten en voorzieningenstroken vormt de basis en de kwaliteitsdrager voor de ontwikkelingsmogelijkheden van Alblasserdam. Aan dat raamwerk kunnen zaken gehangen worden die bijdragen aan het profiel van Alblasserdam maar ook voorzien in een aantal opgaven voor de toekomst. Te denken valt aan ontmoetingsplekken (parken, pleinen, markten), de wateropgave (zoals extra waterberging, natuurvriendelijke oevers) of uitbreiding van recreatiemogelijkheden (zoals ligplaatsen, of camperparkeerplaatsen). 4.3.1.3 Ecologische kwaliteit Alblasserdam is omgeven door een gebied met grote ecologische kwaliteit.

De Boezems van Kinderdijk (de hoge boezems van de Nederwaard, de Overwaard en Nieuw-Lekkerland, alsmede delen van de polders Blokweer en Nieuw-Lekkerland) zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Het buitengebied maakt onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN), de voormalige ecologische hoofdstructuur van Nederland. De boezems bestaan uit open water, riet- en zeggemoerassen, ruigten, grienden, struwelen en boezemkaden. De polders bestaan uit wei- en hooilanden, doorsneden door sloten. Het is een belangrijk broedgebied voor soorten van rietmoeras zoals de purperreiger en de snor. 4.3.1.4 Sociaal raamwerk In Alblasserdam is een sterke sociale infrastructuur aanwezig. Een rijk verenigingsleven en vele geloofsgenootschappen zorgen hiervoor. Ook de banden tussen bewoners onderling zijn sterk. De sociale structuur van Alblasserdam is een belangrijke drager voor de ontwikkeling van het dorp. 4.3.1.5 Economisch raamwerk/kwaliteit bedrijvigheid De economische structuur van Alblasserdam heeft nog steeds een traditioneel karakter. Sectoren als industrie, handel en reparatie, vervoer en opslag zijn sterk aanwezig. In Alblasserdam bevindt tweederde van de werkgelegenheid zich op bedrijventerreinen. Het aantal banen in Alblasserdam is ongeveer even groot als de beroepsbevolking, maar slechts een derde van de aanwezige banen wordt door Alblasserdammers bezet.

Er is dus een grote inkomende en uitgaande pendel.

4.3.2 Profiel sociale omgeving Alblasserdam is een dorp waarin meedoen de norm is. En waarin mensen die niet vanzelf deelnemen zich uitgenodigd voelen om mee te doen. Het gaat om iedereen die in Alblasserdam woont. Uitgangspunt voor de doorontwikkeling van het sociaal domein is dat er gebruik gemaakt wordt van hetgeen er in de afgelopen jaren is opgebouwd en dat dat verder verbeterd wordt. Dit vormt ook de basis van de transformatie van het sociaal domein. Het toekomstperspectief van de transformatie is, in de termen van transformatie, als volgt benoemd: - Inwoners steunen elkaar en zetten zich in voor hun omgeving; - Iedereen doet mee en krijgt als dat nodig is ondersteuning om mee te kunnen doen; - Iedereen heeft gelijke ontwikkelkansen; - De gemeente heeft een goed vangnet. 15

Op deze wijze wordt het hele sociale domein bestreken. Het vormt tegelijkertijd de paraplu waar alle onderwerpen in en rond het sociaal domein onder hangen. Het sociaal domein is immers heel complex. Het bestaat uit verschillende velden. Juist daarom is het belangrijk om de samenhang tussen onderwerp inzichtelijk te maken. 4.3.2.1 Wat is het sociaal domein De taken op het gebied van de jeugd en de volwassenen behoren tot het sociaal domein. Het gaat dan om de hulp aan onze jeugd en aan hun ouders die op grond van de Jeugdwet wordt gegeven. Maar er zijn meer beleidsvelden die tot het sociale domein behoren, zoals het passend onderwijs en de gevolgen van de extramuralisering (het streven om buiten de muren van een zorginstelling gelijkwaardige zorg te leveren). En of dat al nog niet complex genoeg is, heeft de gemeente van het rijk ook de opdracht om verbindingen te maken met aanpalende beleidsvelden, zoals met de openbare orden en veiligheid, volkshuisvesting en de inrichting van de openbare ruimte. Immers er wonen er door de extramuralisering meer mensen in het dorp met een verhoogd risico op onveilig gedrag. Voor zichzelf en voor de buurt. Voorts is er voor de diverse groepen inwoners geschikte huisvesting nodig en het vereist ook aanpassingen van de openbare ruimte.

Wanneer de inwoner centraal gesteld wordt en op de nieuwe manier vanuit de inwoner aan de slag gegaan wordt, is de definitie van het sociaal domein in de oude termen van de verschillende wetten niet langer toereikend. Bij de transformatie horen begrippen als samenhang en integraliteit. Als we het sociaal domein definiëren in termen van de transformatie, behelst het levensgebieden en wel de volgende: - Welzijn en zorg; - Werk en inkomen; - Armoede en schulden; - Onderwijs en opvoeden; - Gezondheid en bewegen. De onderlinge samenhang tussen de levensgebieden in het sociaal domein wordt in het volgende plaatje gevisualiseerd.

16

Levensgebieden betreffen vaak meerdere wetten en meerdere beleidsterreinen. Ze beïnvloeden elkaar en kunnen problemen vergroten en nog meer complex maken. Zo hebben kinderen te maken met onderwijs en gezondheid, maar ook met de gevolgen van armoede, ongeschikte huisvesting en een onveilige omgeving. 4.3.2.2 Strategische uitgangspunten sociaal domein In maart 2021 is een notitie met daarin de drijfveer en de uitgangspunten van het sociaal domein opgenomen, vastgesteld. In deze notitie zijn op basis van de kernwaarden en uitgangspunten die reeds door de gemeenteraad zijn vastgesteld de volgende strategische uitgangspunten geformuleerd: 1. De samenwerking (zowel regionaal als met lokale partijen) is gericht op het creëren van een zo groot mogelijke waarde voor de samenleving, waarin een lage kostprijs niet automatisch prevaleert boven een goede en samenhangende dienstverlening aan onze inwoners; 2. De samenwerking met de regio en de lokale partners is gericht op het zo goed mogelijk betrekken van onze lokale, maatschappelijke partners waarbij de lokale inzet vanuit het lokale beleid aanvullend en versterkend kan zijn voor het regionaal beleid, met als doel het aanbieden van zorg en andere vormen van ondersteuning 3. Alle samenwerking is gericht op dienstverlening zo dicht als mogelijk bij de vindplaats; 4.

De samenwerking met de sociale dienst en andere partners is gebaseerd op partnerschap binnen de centrale, integrale toegang tot hulp en ondersteuning in ons dorp; 5. Onze dienstverlening en samenwerking met onze partners (regionaal en lokaal) is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid van inwoners waardoor zij betere kansen hebben om deel uit te gaan maken van de samenleving; Elke inwoner krijgt de hulp die nodig is; 6. Naast nabijheid is onze samenwerking en inzet gericht op het vroegtijdig herkennen en signaleren van een zorgvraag en het voorkomen van onnodige doorgeleiding naar dure zorg; demedicalisering waar het kan;

17

7. Daarnaast is de samenwerking ook gericht op mensontwikkeling. Dit vindt in beginsel plaats door in de eerste plaats mensen (financieel) te ontzorgen, socialisering te bevorderen en opleidingsmogelijkheden aan te bieden om de kans op uitstroom naar werk te vergroten; 8. Het garanderen van de kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening (lokaal en/of regionaal) voor minimaal een periode van 5 jaar; 9. Financiering van deze zorg vindt idealiter integraal plaats maar is bovenal resultaatgericht. 10. Voor de ontwikkeling van de lokale slagkracht is de regionale medewerking nodig om de benodigde ruimte te krijgen; 11. De uitvoering van dit concept kan invloed hebben op de doelen van de lokale maatschappelijke partners. Hun inzet zal aan moeten sluiten bij de gemeentelijke doelen; 12. Met de wijzigingen die dit voor de gemeentelijke organisatie met zich mee zal brengen dient rekening gehouden te worden in de organisatieontwikkeling. 13. Voorwaarde is dat de SDD goed op de hoogte is van de mogelijkheden van het lokale sociale netwerk. Voor de volledigheid van de beeldvorming over de lokale aanpak gelden voor de samenwerking met de DG&J de volgende strategische doelen:  Meer preventief werken; voorkomen is beter dan genezen.  Kwaliteit van zorg verbeteren; expertise naar de voorkant.

 Kwaliteit van zorg verbeteren; beter zicht op alle leefdomeinen van een gezin en betere samenwerking rond gezinnen: één gezin, één plan, één regisseur.  Normaliseren; (langdurige) inzet van specialistische zorg is niet meer de standaard  Definiëring jeugdhulp  Sneller jeugdhulp op maat, dicht bij huis, om zo het beroep op gespecialiseerde zorg te verminderen.  Scherper inkopen van zorg 4.3.2.3 Integraal preventieplan In december 2019 is het integraal preventieplan vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alblasserdam. In januari 2020 is dit preventieplan vastgesteld door de gemeenteraad. Met het integraal preventieplan wordt uitvoering gegeven aan de sporen Actiever en zorgzamer, Beter wonen en Ondernemender uit het collegeprogramma. Deze hebben respectievelijk tot doel: het versterken van de centrumfunctie, gezondheid en preventie en meedoen in de samenleving. Blijven in Alblasserdam en verbeteren van het woonaanbod. Een betere aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt en het stimuleren van het ondernemersklimaat. Het plan richt zich voornamelijk op een brede preventietaak in het sociale domein, die daarmee door de sporen uit het collegeprogramma heen gaat en hen onderling sterker met elkaar verbindt.

Met het integraal preventieplan wil de gemeente Alblasserdam bereiken dat inwoners zo veel mogelijk zelfredzaam blijven en volwaardig deelnemen aan de samenleving. De gemeente Alblasserdam zet zich ervoor in dat inwoners de effecten van de doelen uit de sporen 1, 3 en 5 van het collegeprogramma daadwerkelijk zullen merken. Zo is de inzet erop gericht, dat inwoners met een hulpvraag vanaf 2021 bij één punt terecht kunnen, waarbij de vraag zo snel mogelijk wordt opgepakt. Achter die toegang zit een professioneel team dat integrale en laagdrempelige ondersteuning biedt. Daarnaast worden de lokale voorzieningen slimmer en meer vraaggericht ingezet al dan niet in combinatie met matwerkvoorzieningen. Preventie is erop gericht op sneller signaleren en het voorkomen van problemen en het bevorderen van zelf- of samenredzaamheid. Een voorbeeld is de ketenaanpak armoede, waarbij niet alleen wordt gekeken naar iemands schulden, maar ook naar zijn of haar netwerk en de mogelijke toeleiding naar werk. Het integraal preventieplan bevat twee pijlers, namelijk lokale preventie en gezondheidsbevordering.

18

4.3.2.4 Lokale preventie Volgens de notitie 'Doorontwikkeling samenhangend sociaal domein' en de bijbehorende praatplaat (zie afbeelding onder 4.1.1) wil de gemeente Alblasserdam de preventie en ondersteuning benaderen vanuit zes levensgebieden, te weten: - Welzijn en zorg - Gezondheid en bewegen - Werk en inkomen - Wonen en veiligheid - Armoede en schulden - Onderwijs en opvoeding. Per leefgebied worden in het integraal preventieplan verschillende voorzieningen benoemd waarop actie moet worden ondernomen. 4.3.2.5 Gezondheidsbevordering Gemeenten hebben een belangrijke taak, die relatief klein is binnen het totale gezondheidspakket en waarbij zij vrijheid hebben qua vorm en inhoud. De thema's hebben raakvlak met het Nationaal preventieakkoord uit 2018. De dienst gezondheid en jeugd heeft als opmaat naar de integrale preventienota met gemeenten een toekomstverkenning gedaan om actuele thema's bij gezondheid te benoemen. Uit de aangedragen thema's heeft de gemeente Alblasserdam een voorlopige keuze van 4 thema's gemaakt: - Vaccinatiegraad (gezondheidsbescherming) - Sporten en bewegen (inclusief overgewicht en voeding) - Kwetsbare ouderen (eenzaamheid en dementie) - Mentale weerbaarheid (jongeren) 4.3.2.6 Route 22 Route 22 is een programma dat zich richt op het (ver)binden van kinderen en jongeren aan het dorp Alblasserdam.

Met route22 wil Alblasserdam ervoor zorgen dat kinderen en jongeren veilig en gezond opgroeien in een dorp dat beschikt over voldoende mogelijkheden voor kinderen en jongeren om zichzelf te ontplooien en waar jongeren kansen zien voor de toekomst. Route 22 richt zich op de thema's: - Werken - Wonen - Preventie - Voorzieningen - Veiligheid - Participatie Werken Jongeren moeten de kans krijgen op goed onderwijs en werk in de omgeving. Jongeren verdienen een stevige kans op een baan in de directe omgeving van Alblasserdam, wat ook de kans vergroot dat zij zich in het dorp zullen vestigen. Wonen De gemeente Alblasserdam wil een adequaat woonaanbod voor zowel jong als oud. Wanneer jongeren zich willen vestigen in de gemeente moeten zij een plek op de woningmarkt hebben.

19

Preventie Preventie is een belangrijk doel van de gemeente Alblasserdam. Zo wil de gemeente Alblasserdam vanuit de eigen verantwoordelijkheid zorgen dat adequate preventie, vroegtijdige signalering van potentiele problemen en ambulante zorg gewaarborgd zijn. Voorzieningen Wanneer je jongeren wil binden aan het dorp is het van belang dat er genoeg te doen is voor de jeugd en dat de geboden voorzieningen voldoende zijn. Dit betreft vooral voorzieningen omtrent een creatief en cultureel klimaat, sport- en beweegmogelijkheden en vrije tijd en uitgaan. Veiligheid De gemeente Alblasserdam wil dat iedereen in Alblasserdam veilig opgroeit. Het is van belang dat de inwoners van Alblasserdam het dorp, hun straat, hun buurt, hun wijk als veilig ervaren, in cijfers én beleving. Participatie De gemeente Alblasserdam vindt het belangrijk dat jongeren kunnen meepraten en meebeslissen over lokaal beleid. Hiervoor is voldoende inspraakmogelijkheid nodig en is het belangrijk dat de wijze van inspraak aansluit op de belevingswereld van jongeren.

4.4 Ambitie Wat voor gemeente wil Alblasserdam zijn? Hoe wil Alblasserdam zich ontwikkelen in de toekomst? Wat past wel en wat past niet bij de ontwikkeling van Alblasserdam? Dit zijn vragen waar in de structuurvisie een antwoord is gegeven met de geformuleerde ambitie. Deze ambitie wordt straks ook gebruikt bij het opstellen van de Omgevingsvisie. Omdat er in de huidige periode andere opgaven spelen, zullen een aantal accenten worden aangebracht op deze ambitie. Vervolgens maken gemeenteraad, college van burgemeester en wethouders, inwoners, bedrijven en instellingen een keuze voor een accent. De omgevingsvisie zal op basis van de ambitie met het gekozen accent worden uitgewerkt. De ambitie uit de structuurvisie is de volgende: “Alblasserdam is een dorp met een menselijke maat waar aangenaam wonen en ruimte voor ontmoeting vanzelfsprekend zijn. Alblasserdam koestert haar groene en dorpse karakter waar de lijnen kort zijn, de sociale infrastructuur hecht en de voorzieningen op het huidige niveau blijven. De economische kracht zit in de marktplaatsfunctie die Alblasserdam vanouds door haar ligging heeft en in de samenwerking met haar omgeving. De houding van de gemeente is er een van netwerken, faciliteren, kansen zien, flexibiliteit en ruimte geven. Vanuit deze basis richt Alblasserdam zich op een veilige en duurzame toekomst.”

4.5 Groeiconclusie H2 H3 H4

H4

Er moet een omgevingsvisie worden opgesteld. De omgevingsvisie is een integrale langetermijnvisie voor de hele fysieke leefomgeving. De structuurvisie vormt een goede basis voor de ruimtelijke component, de omgevingswet vereist echter een breder perspectief. Alblasserdam is een dorp dat zich met de volgende kernwoorden laat beschrijven: Ontmoeting, groen dorp, kleinschalig, gelovig, historisch erfgoed, maritiem karakter, bedrijvig. Alblasserdam heeft voor de lange termijn de volgende ambitie: "Alblasserdam is een dorp met een menselijke maat waar aangenaam wonen en ruimte voor ontmoeting vanzelfsprekend zijn. Alblasserdam koestert haar groene en dorpse karakter waar de lijnen kort zijn, de sociale infrastructuur hecht en de 20

voorzieningen op het huidige niveau blijven. De economische kracht zit in de marktplaatsfunctie die Alblasserdam vanouds door haar ligging heeft en in de samenwerking met haar omgeving. De houding van de gemeente is er een van netwerken, faciliteren, kansen zien, flexibiliteit en ruimte geven. Vanuit deze basis richt Alblasserdam zich op een veilige en duurzame toekomst.”

21

5 Toekomst In 2018 heeft de Stichting Toekomstbeeld der Techniek (STT) een toekomstverkenning uitgevoerd om beleidsmakers, strategen en beslissers uit het Nederlandse bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid te informeren over mogelijke toekomstige ontwikkelingen die de Nederlandse economie beïnvloeden. Technologische ontwikkelingen staan hierbij centraal, maar minstens zo belangrijk is dat technologische ontwikkelingen niet op zichzelf staan, maar beïnvloed worden – en op hun beurt weer invloed uitoefenen- op andersoortige ontwikkelingen, zoals demografische, ecologische en politieke ontwikkelingen. Dit toekomstbeeld moet worden meegenomen bij het opstellen van de omgevingsvisie zodat deze goed aansluit op de komende veranderingen. Uit deze toekomstverkenning volgt het volgende beeld.

5.1 Mondiaal/Nationaal 5.1.1 Demografie en arbeidsmarkt       

De wereldbevolking groeit en steden worden groter. Ook worden steden complexer en kwetsbaarder voor de gevolgen van klimaatverandering. De komende decennia zal er veel behoefte zijn aan oplossingen voor deze uitdagingen. De internationale economische markt is sterk geconcentreerd. 1318 multinationals zijn verantwoordelijk voor 60% van het wereldinkomen. 40% van hun 'rijkdom' is in het bezit van slechts 147 bedrijven. Dit maakt de wereldeconomie kwetsbaar. Nederland heeft een gunstige concurrentiepositie mede dankzij de relatief hoogopgeleide beroepsbevolking. Human capital wordt steeds vaker gezien als een belangrijke productiefactor die van grote waarde is voor onze economie. Nederland vergrijst en heeft mede daardoor een krimpende beroepsbevolking. Voor de lange termijn verwacht men in Nederland een tekort aan arbeidskrachten in de IT- en zorgsector en in technische beroepen. Hoogopgeleide migranten kunnen tekorten voorkomen of tegengaan. De vergrijzende bevolking zet druk op ons sociale stelsel en kan leiden tot spanningen tussen bevolkingsgroepen. De vergrijzing zorgt tegelijkertijd voor een silver economy, want ouderen zijn langer actief en hebben meer te besteden dan vorige generaties.

Door nieuwe toepassingen van onder andere robotica, sensortechnologie en gezondheidstechnologie kunnen ouderen langer, gezonder en zelfstandiger leven en langer actief zijn op de arbeidsmarkt of als vrijwilliger. Flexibilisering van arbeid geeft mensen meer regie over werktijden en maakt het makkelijker om meerdere taken te combineren (bijvoorbeeld zorg, werk en opleiding). In combinatie met werken op afstand (tijd- en plaatsonafhankelijk werken) kan deze flexibilisering leiden tot verhoogde arbeidsparticipatie. Een nadeel is dat het vervagen van grenzen tussen werk en privé de kans op stress vergroot. In Nederland is sprake van baanpolarisatie: groei aan de bovenkant en aan de onderkant van de arbeidsmarkt en een krimpend middensegment. Hierdoor worden inkomensverschillen steeds groter. Dit kan leiden tot maatschappelijke ongelijkheid en onvrede onder de mensen die slechter af zijn dan anderen.

5.1.2 Ontwikkelingen op het gebied van geopolitiek en bestuur.  

De Nederlandse economie raakt steeds meer verweven met het buitenland. Nederlandse producten worden naar steeds meer landen, over verdere afstanden, geëxporteerd en productieketens versnipperen en internationaliseren. Er ontstaat een multipolaire internationale orde. Door de rise of the rest zetten nieuwe, opkomende economieën de westers-georiënteerde economische verhoudingen onder druk. Daarnaast zijn er steeds meer non-state actors (individuen of groepen die invloed uitoefenen en die onafhankelijk zijn van een staat, zoals Nashville verklaring, BLM, gele hesjes enz.) invloed 22

   

 

uitoefenen op overheden, burgers en bedrijven, zoals non-profit organisaties, religieuze organisaties en multinationals. Door de vierde industriële revolutie, de opkomst van de kenniseconomie en informatiewerkers worden data en kennis enorm belangrijk. Bedrijven of overheden die veel data in handen hebben en die data succesvol weten te ontsluiten hebben een sterke machts- en marktpositie. Snelle technologische ontwikkelingen vergroten onze afhankelijkheid van landen met toegang tot de benodigde grondstoffen voor bepaalde technologische toepassingen, zoals China, Rusland en de Republiek Congo. Geo-economie 2.0: Het risico op internationale conflicten neemt toe en landen zetten vaker institutionele maatregelen in (zoals boycots, georkestreerde migratie of gebruik van olie en gas) om toegang tot bepaalde grondstoffen te krijgen of economische groei veilig te stellen. Er is sprake van een nieuwe space race: een wedloop tussen overheidsinstanties – zoals NASA, Roscosmos en het Europees Ruimteagentschap – en commerciële bedrijven om te profiteren van de economische kansen van ruimtevaart, zoals ruimte-toerisme, astroïde mining en inflatable space habitats. Digitalisering en automatisering maken economische activiteiten minder plaatsgebonden en makkelijker te outsourcen naar andere landen. De concurrentie tussen regio’s en landen neemt hierdoor verder toe.

Mede als gevolg van globalisering, de recente economische crisis en (berichtgeving over) terroristische aanslagen in Europa hebben veel Nederlanders, met name lager opgeleiden en ouderen, het gevoel dat hun economische en fysieke veiligheid onder druk staat. Dit leidt tot de opkomst van nationalistische sentimenten en soevereinisme, en zet druk op het draagvlak voor solidaire economische beginselen zoals een belastingstelsel gericht op inkomensnivellering. Hierdoor worden de gevoelens van economische onveiligheid bij bepaalde bevolkingsgroepen verder versterkt. We zijn steeds meer afhankelijk van complexe infrastructuren, bijvoorbeeld voor energievoorziening, vervoer en betaalverkeer. Cyberterrorisme kan een grote (disruptieve) impact hebben op dit soort infrastructuren.

5.1.3 Ontwikkelingen op het gebied van ecologie en klimaat 

  

De vraag naar ecosysteemdiensten (het vermogen om te voorzien in goederen (bijvoorbeeld drinkwater), processen te reguleren (bijvoorbeeld bestuiving van gewassen) en diensten te leveren (bijvoorbeeld kringloop van nutriënten)) neemt in Nederland al 25 jaar lang sneller toe dan het aanbod en dat zal in de toekomst zo blijven. In de toekomst is er dus schaarste aan ecosysteemdiensten te verwachten. Door klimaatverandering krijgen we in Nederland steeds extremer weer en de zeespiegel stijgt steeds sneller. Dit brengt risico’s met zich mee voor cruciale infrastructuur en voorzieningen voor bijvoorbeeld drinkwater, energie en verkeer. Bijna 60% van Nederland kan onder water komen te staan. Met name de grote steden, waar veel van de economische activiteiten geconcentreerd zijn, lopen grote kans op overstroming. Door toenemende vraag naar grondstoffen en door de wetgeving om klimaatverandering tegen te gaan wordt transport duurder. Zonder milieuvriendelijkere of goedkopere alternatieven gaan mensen zich mogelijk minder verplaatsen en gaan we minder goederen vervoeren in de toekomst. Verdere milieudegradatie, waterschaarste en tekorten aan grondstoffen of beschikbare vruchtbare grond kunnen leiden tot voedseltekorten en sterk wisselende voedselprijzen.

Dit kan leiden tot afnemende export van Nederlandse producten, maar kan ook leiden tot meer vraag naar de Nederlandse kennis over agrifood. Dreigende tekorten aan energie, voedsel en water leiden ertoe dat Nederlanders werken aan zelfvoorzienende systemen op het niveau van woningen, wijken of steden, waarbij ze minder afhankelijk zijn van centrale levering of import. 23

 

De energietransitie die Nederland heeft ingezet kan er enerzijds toe leiden dat we minder energie gaan gebruiken. Anderzijds kan de overgang naar een op hernieuwbare bronnen gebaseerd energiesysteem ertoe leiden dat energie praktisch gratis wordt en we juist meer energie gaan gebruiken. Circulair ondernemen is nodig om sectoren die gevoelig zijn voor de aanvoer van of grote prijsschommelingen in de prijs van grondstoffen (zoals biomassa, zeldzame aardmetalen en kunststof) toekomstbestendig te maken (SER, 2016). Uit onderzoek van TNO uit 2013 bleek dat de circulaire economie ongeveer 7,3 miljard aan extra waarde kan toevoegen aan de Nederlandse economie en 54.000 nieuwe banen (TNO, 2013). Ook zou Nederland een sterkere kennispositie kunnen verwerven door een circulaire economie te verwezenlijken. Het huidige Nederlandse klimaatbeleid kan leiden tot een zogenaamde duurzaamheidskloof. Vooral rijkere huishoudens profiteren van klimaatbeleid (zoals subsidies om een gasvrije woning te realiseren) en armere huishouden moeten een veel groter percentage van hun inkomen besteden aan dit soort verplichte maatregelen. Er wordt daarom ook wel opgeroepen tot ‘energierechtvaardigheid’ (ECN etal., 2017).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/153/documents/2430