CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A Omgevingsplan Alblasserdam wijziging Bodem.pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 25 maart 2025, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 11: Ontwerp wijziging 'Omgevingsplan gemeente Alblasserdam' op thema bodemkwaliteit - Raadsinformatiebrief33.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Omgevingsplan Alblasserdam

Samenvatting

Vastgesteld door het algemeen bestuur op ....

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. 2. Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

2

Hoofdstuk 2 Doelen

3

Hoofdstuk 3 Programma's

4

Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 Index van op locaties toegestane activiteiten Paragraaf 4.1.1 Functies Paragraaf 4.1.2 Cultureel erfgoed Paragraaf 4.1.3 Evenementen Paragraaf 4.1.4 Bouwwerken Paragraaf 4.1.5 Bovengrondse en ondergrondse infrastructuur Paragraaf 4.1.6 Openbaar gebied activiteit Paragraaf 4.1.7 Landschap Paragraaf 4.1.8 Bodem Paragraaf 4.1.9 Geluid Paragraaf 4.1.10 Omgevingsveiligheid Paragraaf 4.1.11 Gezondheid Paragraaf 4.1.12 Milieu overig Paragraaf 4.1.13 Energie Paragraaf 4.1.14 Water Paragraaf 4.1.15 Natuur

5

Afdeling 4.2 Gebieden

6

Hoofdstuk 5 Functies Afdeling 5.1 Algemene regels functies Afdeling 5.2 Agrarische activiteiten Afdeling 5.3 Bedrijfsactiviteiten Afdeling 5.4 Culturele activiteiten Afdeling 5.5 Detailhandelsactiviteiten Afdeling 5.6 Dienstverleningsactiviteiten Afdeling 5.7 Horeca-activiteiten Afdeling 5.8 Kantooractiviteiten Afdeling 5.9 Maatschappelijke activiteiten Afdeling 5.10 Nutsvoorzieningen Afdeling 5.11 Recreatie-activiteiten Afdeling 5.12 Sportactiviteiten Afdeling 5.13 Verkeer Afdeling 5.14 Wonen

7

Hoofdstuk 6 Bouwwerken Afdeling 6.1 Algemene bepalingen Afdeling 6.2 Bouwwerk slopen Afdeling 6.3 Bouwwerk in stand houden Afdeling 6.4 Bouwwerk bouwen Paragraaf 6.4.1 Gebouw of een uitbreiding daarvan bouwen Subparagraaf 6.4.1.1 Dakkapel bouwen Subparagraaf 6.4.1.2 Bodemgevoelig gebouw bouwen op een bodemgevoelige locatie Paragraaf 6.4.2 Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen Subparagraaf 6.4.2.1 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen op een bodemgevoelige locatie Paragraaf 6.4.3 Ander bouwwerk bouwen Paragraaf 6.4.4 Ondergronds bouwwerk bouwen Afdeling 6.5 Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen, in stand houden of gebruiken Afdeling 6.6 Ander bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken

8

Afdeling 6.7 Dakkapel bouwen, in stand houden of gebruiken Afdeling 6.8 Ondergronds bouwen

9

Hoofdstuk 7 Overige activiteiten met een direct effect op het openbaar toegankelijk gebied Afdeling 7.1 Roerende zaken opslaan Afdeling 7.2 Bouwobject plaatsen Afdeling 7.3 Terras aanbrengen Afdeling 7.4 Uitstallingen plaatsen Afdeling 7.5 Weg aanleggen of veranderen Afdeling 7.6 Parkeeractiviteit verrichten Afdeling 7.7 Reclame maken Afdeling 7.8 Uitweg maken, hebben of veranderen of het gebruik daarvan veranderen Afdeling 7.9 Standplaats innemen, in stand houden, of gebruiken

10

Hoofdstuk 8 Cultureel erfgoed Afdeling 8.1 Archeologisch waardevolle gebieden Afdeling 8.2 Gemeentelijke monumenten Afdeling 8.3 Panden of gebieden met cultuurhistorische waarden Afdeling 8.4 Rijksbeschermde stadsgezichten Afdeling 8.5 Bouwwerk slopen in een beschermd dorps- of stadsgezicht

11

Hoofdstuk 9 Evenementen Afdeling 9.1 Algemene regels evenementen

12

Hoofdstuk 10 Bovengrondse en ondergrondse infrastructuur Afdeling 10.1 Algemene regels bovengrondse en ondergrondse infrastructuur Afdeling 10.2 Bovengrondse infrastructuur Afdeling 10.3 Ondergrondse infrastructuur Afdeling 10.4 Beperkingengebieden

13

Hoofdstuk 11 Milieu Afdeling 11.1 Bodem Paragraaf 11.1.1 Algemene bepalingen bodem Artikel 11.1 Oogmerken bodem De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het zuinig gebruik van energie en grondstoffen; en e. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.10 met uitzondering van de beperking voor maatwerkvoorschriften ten aanzien van grondwatersanering zoals gesteld in artikel 11.42.

Artikel 11.3 Aanwijzing bodembeheergebied met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten Er is een locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' met daarbinnen 'bodemkwaliteitsklassen' en 'toepassingszones' voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem en voor het afwijken via een maatwerkvoorschrift van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op grond van de artikelen 4.1273, 4.1275 en 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 11.4 Aanwijzing bodemfunctieklassen binnen bodembeheergebied Er zijn locaties die zijn ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen: a. landbouw/natuur; b. wonen; en c. industrie.

Paragraaf 11.1.2 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 11.5 Toepassingsbereik toepassen van grond of baggerspecie Deze paragraaf gaat over de activiteit 'toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem'.

Artikel 11.6 Oogmerken toepassen grond of baggerspecie De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit, waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

14

Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden thermisch gereinigde grond toe te passen.

Artikel 11.8 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, binnen de bodemfunctieklassen landbouw/natuur en wonen alleen grond of baggerspecie toegepast, als daarin niet meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt.

Artikel 11.9 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie 1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen grond of baggerspecie toegepastals deze voldoet aan de kwaliteitseisen en bijbehorende zones als bepaald in tabel 11.9.1. Tabel 11.9.1 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Tabel 11.9.1 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Zones Kwaliteitseisen (voor standaardbodem) Alle zones pH waarde is minimaal 5 en maximaal 9 Alle zones Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride Alle zones Maximaal 920 mg/kg droge stof barium Wonen Maximaal 90 mg/kg droge stof lood Volks-/Moestuin Maximaal 50 mg/kg droge stof lood Asbestgevoelige locatie Maximaal 10 mg/kg droge stof asbest (gewogen gehalte) 2. Met het oog op het gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stof nikkel niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; b.

afkomstig is uit en toegepast wordt binnen de locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie'; en c. voor de stof nikkel voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.9.2 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast Tabel 11.9.2 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Zones Kwaliteitseisen (voor standaardbodem) Wonen Maximaal 56 mg/kg droge stof nikkel

Artikel 11.10 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie 1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in aanvulling op artikel 4.1278, eerste lid, van het

15

Besluit activiteiten leefomgeving, alleen baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen als bepaald in tabel 11.10.1. Tabel 11.10.1 afwijkende kwaliteitseisen voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie Tabel 11.10.1 afwijkende kwaliteitseisen voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie Zones Kwaliteitseisen (voor standaardbodem) Alle zones Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de baggerspecie wordt verspreid op een naastgelegen perceel of op percelen die reeds belast zijn met chloride in gehalten boven de kwaliteitseis. Dit dient middels een (water)bodemonderzoek of beheerplan te zijn aangetoond.

Artikel 11.11 GERESERVEERD GERESERVEERD.

Artikel 11.12 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom 1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij wegbermen buiten de bebouwde kom alleen grond of baggerspecie toegepast met de kwaliteitsklassen wonen of landbouw/natuur. 2. Onder een wegberm buiten de bebouwde kom wordt verstaan: een strook grond langs een weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet of langs een spoorweg, die buiten de bebouwde kom van de gemeente ligt. Een afstand van 10 meter geldt daarbij als maximale bermbreedte, gemeten vanaf de verhardingskant.

Artikel 11.13 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. afkomstig is uit het 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' en toegepast wordt op een bedrijventerreinen met een oppervlakte groter dan 2 hectare; en b. de grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseisen van de kwaliteitsklassen industrie, wonen of landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stoffen PFOA (perfluoroctaanzuur), PFOS (perfluoroctaansulfonaten) en overige PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; b. afkomstig is uit en toegepast wordt binnen het gebied 'zone B PFAS zonekaart'; en c. voor de stoffen PFOA en PFOS voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.14.1die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

16

Tabel 11.14.1 afwijkende kwaliteitseisen zone B Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge Zones Stof stof) Landbouw/natuur PFOA0,0023 Landbouw/natuur PFOS0,0024 Moestuinen en PFOA0,0023 Volkstuinen Moestuinen en PFOS0,0024 Volkstuinen

Artikel 11.15 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie 1. Voor zover de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart, wordt ook met een verkennend bodemonderzoek aangetoond dat aan het eerste en tweede lid van artikel 4.1272 van dat besluit wordt voldaan. 2. In aanvulling op het eerste lid wordt het verkennend bodemonderzoek: a. verricht overeenkomstig de onderzoeksstrategieën voor (grootschalige) onverdachte locaties, bedoeld in NEN 5740; b. gebaseerd op een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725 is verricht waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht; en c. niet gedaan naar de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 11.16 Maatwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie 1. Artikel 4.1267, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet. 2. In aanvulling op artikel 4.1267, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ook de volgende rapporten verstrekt: a. een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 11.15 als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart; b. een rapport van een bodemonderzoek als de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in dat onderdeel, bestaat uit een verklaring op grond van een bodemonderzoek; en c. een rapport van een partijkeuring als de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in dat onderdeel, bestaat uit een verklaring op grond van een partijkeuring. 3. In aanvulling op artikel 4.1267 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij de toepassing van grond of baggerspecie.

Paragraaf 11.1.3 Toepassen van bouwstoffen Artikel 11.17 Toepassingsbereik toepassen van bouwstoffen Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'toepassen van bouwstoffen op of in de landbodem'.

Artikel 11.18 Oogmerken toepassen van bouwstoffen

17

De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van schade aan het milieu door het gebruik van bouwstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van paragraaf 4.123 van het Besluit activiteit leefomgeving, verboden AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken bestaan toe te passen.

Paragraaf 11.1.4 Opslaan van grond en baggerspecie Artikel 11.20 Toepassingsbereik opslaan van grond en baggerspecie Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie'.

Artikel 11.21 Oogmerken opslaan van grond en baggerspecie De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit, waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Artikel 11.22 Afscherming bij opslaan grond Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen wordt, in aanvulling op paragraaf 4.122 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie: a. het depot grond afgeschermd van de omgeving, en b. indien sprake is van asbesthoudende grond: de bovenzijde van het depot met een zeil afgedekt.

Artikel 11.23 Maatwerkregel informatieplicht: beëindigen activiteit In aanvulling op artikel 5.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag de resultaten van het bodemonderzoek verstrekt in het bestandsformaat XML.

Paragraaf 11.1.5 Graven in de bodem Subparagraaf 11.1.5.1 Algemene bepalingen graven in de bodem Artikel 11.24 Oogmerken graven in de bodem De regels in paragraaf 11.1.5 Graven in de bodem zijn, in aanvulling op artikel 11.1 gesteld met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en doelmatig beheer van afvalstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

18

Subparagraaf 11.1.5.2 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 11.25 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Artikel 11.26 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) onder of gelijk aan 0,060 mg/kg droge stof.

Artikel 11.27 Maatwerkregel bodem en afval: tijdelijk uitnemen van grond 1. Bij het terugbrengen van grond op of nabij de locatie van uitname, bedoeld in artikel 4.1222a Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de grond binnen hetzelfde werk binnen 25 meter van de herkomstlocatie en onder dezelfde omstandigheden teruggebracht. Daarbij mogen er geen aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit op de locatie waar de grond wordt teruggebracht verslechtert. 2. In afwijking van het eerste lid kan grond binnen hetzelfde werk worden ontgraven en teruggebracht op afstanden groter dan 25 meter van de herkomstlocatie als: a. de bodemkwaliteit van het gehele werkgebied bekend is via minimaal een verkennend bodemonderzoek; en b. de terug te brengen grond van vergelijkbare of betere kwaliteit is dan de kwaliteit van de terugbrenglocatie. 3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt rekening gehouden met humane en ecologische risico's en de toekomstige gebruiksfunctie van de locatie. 4. Toepassing van het tweede en derde lid blijkt uit een grondstromenplan.

Artikel 11.28 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1. Indien grond binnen hetzelfde werk wordt ontgraven en teruggebracht op afstanden groter dan 25 meter van de herkomstlocatie, wordt, in aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ook een verkennend bodemonderzoek en het grondstromenplan, bedoeld in artikel 11.27, verstrekt. 2. Het verkennend bodemonderzoek wordt ook verstrekt in het bestandsformaat XML. 3. In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij het graven in de bodem.

Subparagraaf 11.1.5.3 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

19

Artikel 11.29 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Artikel 11.30 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van meer dan 0,060 mg/kg droge stof.

Artikel 11.31 Maatwerkregel meldingsplicht: voor het begin van de activiteit In aanvulling op artikel 4.1225, tweede lid, onder a, Besluit activiteiten leefomgeving, worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.32 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij de het graven in de bodem.

Paragraaf 11.1.6 Saneren van de bodem Subparagraaf 11.1.6.1 Algemene bepalingen saneren van de bodem Artikel 11.33 Oogmerken saneren van de bodem De regels in paragraaf paragraaf 11.1.6 Saneren van de bodem zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersysteem; b. het beschermen van het milieu waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Subparagraaf 11.1.6.2 Regels voor saneren van de bodem Artikel 11.34 Toepassingsbereik saneren Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'saneren van de bodem'.

Artikel 11.35 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag

20

1. Met het oog op het beschermen van het milieu kan, in afwijking van artikel 4.1241, derde en vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, een afdeklaag worden toegepast bestaande uit: a. een halfopen verharding als hieronder tenminste 10 cm grond van de kwaliteit landbouw/natuur aanwezig is en de grond in de halfopen verharding ook van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur is; b. een boomrooster; of c. een gelijkwaardige maatregel die hetzelfde doel bereikt. 2. Voor een gelijkwaardige maatregel, bedoeld in het eerste lid onder c, is toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet niet vereist.

Artikel 11.36 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem heeft, in afwijking van artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte opgenomen in tabel 11.36.1voor het betreffende bodemgebruik. Tabel 11.36.1 minimale dikte van de afdeklaag Tabel 11.36.1 minimale dikte van de afdeklaag Minimale dikte leeflaag Bodemgebruik (in cm) Industrie- en bedrijventerreinen, groenzones industrie- en bedrijventerrein, 50 zonneparken en wegbermen

Artikel 11.37 Maatwerkregel saneringsaanpak: terugsaneerwaarden lood en PFOA bij verwijdering van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof die boven de waarde, bedoeld in artikel 11.55 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan de waarde opgenomen in tabel 11.37.1voor de betreffende zone. Tabel 11.37.1 terugsaneerwaarden bij verwijderen van verontreiniging Tabel 11.37.1 terugsaneerwaarden bij verwijderen van verontreiniging Zone en bodemfunctieklasse/ Waarden stof (in mg/kg droge stof voor standaard gebruiksfunctie bodem) Lood Moes- en volkstuinen 50 Wonen 90 PFOA zone B Landbouw/natuur 0,0023 Moes- en volkstuinen 0,0023 Wonen 0,007 Industrie 0,007 PFOA zone A Landbouw/natuur 0,0019 Moes- en volkstuinen 0,0019 Wonen 0,007 Industrie 0,007

21

Artikel 11.38 Maatwerkregel saneringsaanpak: uitdampen naar bodemgevoelig gebouw bij verwijderen van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het saneren van de bodem op een bodemgevoelige locatie met vluchtige stoffen in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 11.39 Maatwerkregel meldingsplicht saneren In aanvulling op artikel 4.1236, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.40 Maatwerkregel informatieplicht aan het begin van de activiteit saneren In aanvulling op artikel 4.1237 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden ten minste vier weken voor het begin van de activiteit extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij het saneren van de bodem.

Subparagraaf 11.1.6.3 Regels voor grondwatersaneringen Artikel 11.41 Toepassingsbereik grondwatersaneringen Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de grondwaterbodem ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 11.42 Maatwerkvoorschrift grondwaterverontreiniging Een maatwerkvoorschrift voor een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt alleen gesteld als deze saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 11.43 Maatwerkregel saneringsaanpak grondwaterverontreiniging 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving: de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging als bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast indien: a. de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

22

Artikel 11.44 Maatwerkregel informatieplicht bij begin van de grondwaterbodemactiviteit In aanvulling op artikel 4.1237 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt ook een afschrift van de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten verstrekt.

Artikel 11.45 Maatwerkregel informatieplicht bij beëindiging van de grondwaterbodemactiviteit Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de sanering wordt een afschrift van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan Gedeputeerde Staten verstrekt.

Paragraaf 11.1.7 Nazorg Artikel 11.46 Toepassingsbereik nazorg Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als: a. saneren van de bodem heeft plaatsgevonden, waarbij een afdeklaag is aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt, op grond van: 1°. het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. dit omgevingsplan; 3°. een omgevingsvergunning; of 4°. een maatwerkvoorschrift; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen, die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.

Artikel 11.47 Nazorg na afloop van saneren van de bodem Met het oog op het beschermen van de gezondheid, treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie opgenomen binnen de locatie 'locaties nazorg Omgevingswet' de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van de aangebrachte afdeklaag.

Artikel 11.48 Nazorg tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondst Met het oog op het beschermen van de gezondheid, eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie opgenomen binnen de locatie 'locaties nazorg Omgevingswet' de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van de tijdelijke beschermingsmaatregelen.

Paragraaf 11.1.8 Historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 11.49 Toepassingsbereik historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de

23

inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 11.50 Oogmerken historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 11.51 Mitigerende maatregelen historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.49 verricht, neemt in het belang van de bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. 2. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.49 verricht, neemt in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen maatregelen om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken, of als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Paragraaf 11.1.9 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw Artikel 11.52 Toepassingsbereik bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1. Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie'. 2. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt; of b. een woonschip of woonwagen.

Artikel 11.53 Oogmerken bouwen van een bodemgevoelig gebouw De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 11.54 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie' uit te voeren, voor zover de activiteit 'gebouw bouwen', 'bijbehorend bouwwerk bouwen' of 'bouwactiviteit' als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

Artikel 11.55 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige

24

locatie 1. Voor de stoffen, bedoeld in bijlage XIIIa van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gelden de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. 2. Er is sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. 3. In afwijking van het tweede lid is het zinsdeel "in meer dan 25 m3 bodemvolume" niet van toepassing op de stof asbest. 4. In afwijking van het eerste lid zijn voor lood de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.55.1. 5. In afwijking van het eerste lid zijn voor PFOA de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.55.1. Tabel 11.55.1 waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood en PFOA per gebruiksfunctie Tabel 11.55.1 waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood en PFOA per gebruiksfunctie Gebruiksfunctie (in de zin van de bodemfunctiekaart en Gebruiksfunctie Waarden (in mg/kg bodemfunctieklassen) droge stof) Lood Landbouw/natuur 370 Wonen 370 PFOA (perfluoroctaanzuur) Landbouw/natuur 0,030 Wonen 0,030 Industrie 0,030

Artikel 11.56 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie Het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een locatie waar sprake is van een overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is uitsluitend toegestaan als een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 11.57 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bodemonderzoek; en b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 2. De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.58 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op een bodemgevoelige locatie 1. De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige

25

locatie wordt alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet worden overschreden; b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als het bevoegd gezag van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorschriften nog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 11.59 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1. Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

Artikel 11.60 Indieningsvereisten melding bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1. Een melding als bedoeld in artikel 11.59 bevat: a. de resultaten van een verkennend bodemonderzoek; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 11.55de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 2. Dit artikel is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan. 3. De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.61 Maatwerkvoorschriften meldingsplicht bouwen van een bodemgevoelig gebouw Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 11.59. artikel 11.58 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.62 Informatieplicht na het bouwen op een bodemgevoelige locatie Bij overschrijding van een waarde van de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte daarvan op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de maatregelen, bedoeld in artikel 11.56, zijn getroffen.

Paragraaf 11.1.10 Bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Artikel 11.63 Toepassingsbereik bouwen van een grondwatergevoelig

26

gebouw 1. Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie als bedoeld in paragraaf 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. 2. Onder een significante verontreiniging van het grondwater wordt verstaan een significante verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 3.131 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 11.64 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' uit te voeren, voor zover de activiteit 'gebouw bouwen', 'bijbehorend bouwwerk bouwen' of 'bouwactiviteit' als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

Artikel 11.65 Voorafgaand grondwateronderzoek 1. Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als onderzocht is of sprake is van een verontreiniging van het grondwater zoals bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijk verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 11.66 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit 1. Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is uitsluitend toegestaan als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.4.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: a. zich niet langer bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een beschikking als bedoeld inartikel 11.65, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag; of b. zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is. 3. Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: a. het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie; of b.

een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141e van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening of een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 11.67 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging 1. Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. een bronaanpak overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als na

27

uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging; of b. een grondwatersanering, zoals bepaald in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft vanuit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit. 2. Het eerste lid, aanhef onder b, is niet van toepassing indien sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Artikel 11.68 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning en informatieplicht bouwen van een grondwatergevoelig gebouw 1. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie wordt het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 11.65, verstrekt. 2. De resultaten van het voorafgaand onderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML. 3. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt ook een afschrift verstrekt van de volgende gegevens en bescheiden: a. indien sprake is van een verontreiniging van grondwater: 1°. een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten zijn verstrekt; 2°. de resultaten van het voorafgaand bodemonderzoek bedoeld in het eerste lid; 3°. de naam en het adres van degene die de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit heeft verricht; 4°. een onderbouwing van de daarbij toegepaste methode(n), bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; en 5°. de uitkomst van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit; b.

indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak bedoeld in artikel 11.67, eerste lid, wordt verricht; en c. indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht.

Artikel 11.69 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw De omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' wordt alleen verleend als aannemelijk is gemaakt dat sanerende maatregelen als bedoeld in artikel 11.67 worden getroffen.

Artikel 11.70 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Het is verboden de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 11.71 Indieningsvereisten melding bouwen van een grondwatergevoelig gebouw 1. Een melding bevat: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht;

28

c. de dagtekening; d. het voorafgaand onderzoek, zoals bedoeld in artikel 11.65; e. als er sprake is van verontreiniging van grondwater; een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten zijn verstrekt; f. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 11.67 wordt verricht; en g. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt verricht. 2. Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.

Artikel 11.72 Informatieplicht ingebruikname na maatregelen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, wordt een grondwatergevoelig gebouw of een gedeelte daarvan op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 11.67, zijn getroffen, of als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.

Afdeling 11.2 Geluid Paragraaf 11.2.1 Industrielawaai Paragraaf 11.2.2 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 11.2.3 Railverkeerlawaai Paragraaf 11.2.4 Scheepsverkeerlawaai Paragraaf 11.2.5 Wegverkeerlawaai Afdeling 11.3 Omgevingsveiligheid Paragraaf 11.3.1 Buisleidingen Paragraaf 11.3.2 Inrichtingen

29

Paragraaf 11.3.3 Spoor Paragraaf 11.3.4 Water Paragraaf 11.3.5 Wegen Afdeling 11.4 Milieu overig Paragraaf 11.4.1 Geurhinder Paragraaf 11.4.2 Lichthinder Paragraaf 11.4.3 Luchtkwaliteit Paragraaf 11.4.4 Trillingen Paragraaf 11.4.5 Windhinder Paragraaf 11.4.6 Magneetveldzone

30

Hoofdstuk 12 Gezondheid Afdeling 12.1 Speelplekken aanleggen, bouwen, in stand houden of gebruiken Afdeling 12.2 Hittestress

31

Hoofdstuk 13 Energietransitie Afdeling 13.1 Aansluitplicht warmtenet Afdeling 13.2 Afsluitplicht gas

32

Hoofdstuk 14 Water Afdeling 14.1 Waterberging Afdeling 14.2 Droogte Afdeling 14.3 Overstromingen Paragraaf 14.3.1 Beperkingengebied waterkeringen Afdeling 14.4 Waterkwaliteit Afdeling 14.5 Grondwater lozen Afdeling 14.6 Watergang dempen

33

Hoofdstuk 15 Natuur Afdeling 15.1 Biodiversiteit Paragraaf 15.1.1 Beperkingengebied natuurnetwerk Nederland Afdeling 15.2 Bomen kappen Afdeling 15.3 Groen verwijderen Afdeling 15.4 Stikstofuitstoot

34

Hoofdstuk 16 Gereserveerd

35

Hoofdstuk 17 Gereserveerd

36

Hoofdstuk 18 Gereserveerd

37

Hoofdstuk 19 Gereserveerd

38

Hoofdstuk 20 Gereserveerd

39

Hoofdstuk 21 Gereserveerd

40

Hoofdstuk 22 Bruidsschat Afdeling 22.1 Algemeen Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3-, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 2. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open, erven en terreinen Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen

41

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6 [vervallen] VERVALLEN

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand 1. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van

42

gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. 3. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. 4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie. 2. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft. 3. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput. 4. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke

43

perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 3. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m 2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist. 3. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d.

een doeltreffende afwatering. 4. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 5. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: 2

44

a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m 2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. 3. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen. 5. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m 2 gebruiksoppervlakte. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/671/documents/15243