CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 - Natuurtoets Mercon Kloos terrein Alblasserdam, NWC, kenmerk P18-102, d.d. december 2018.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 18 mei 2021, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 8: Ontwerp bestemmingsplan Kloos - Raadsinformatiebrief5.548 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam December 2018 P18-102/W1582 Auteur: R.E.P. Haan Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 nwcadvies@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk

Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk

Opdrachtgever:

KuiperCompagnons

Uitvoering:

Natuur-Wetenschappelijk Centrum

Samenstelling:

Rob Haan

Veldwerk:

Tamar Braaksma, Koen Woerdenbag

Foto’s:

Koen Woerdenbag

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloosterrein Kinderdijk [Samenst.: Haan, R.] [Foto’s: Woerdenbag, K.]. Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC].

Trefw.: Wet natuurbescherming, Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk, Mercon/Kloos, Kinderdijk, Alblasserdam

W1578/P18-102b

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.

Dordrecht, december 2018

Inhoud 1

Inleiding

5

2

Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen

7

3

Wettelijk kader

11

4

Toetsing gebiedsbescherming

17

4.1 Methode

17

4.2 Relevante storingsfactoren

17

4.3 Effecten van de activiteiten

18

4.4 Conclusie

18

Referenties Bijlagen: Bijlage 1: Instandhoudingsdoelstellingen Boezems Kinderdijk Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 3: Vrijgestelde soorten provincie Zuid-Holland Bijlage 4: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 5: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

1.

Inleiding

Er zijn plannen om de leegstaande bedrijfsgebouwen op het terrein van Mercon/Kloos in Kinderdijk, gemeente Alblasserdam, te slopen en het terrein te herontwikkelen. In het kader van de Wet natuurbescherming dient bij dergelijke ruimtelijke ingrepen en bestemmingsplanprocedures onderzoek gedaan te worden naar de aanwezige natuurwaarden en dient een beoordeling (natuurtoets) gemaakt te worden van de eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden. Wat dit betreft is er inmiddels een quickscan natuurwaarden uitgevoerd en gerapporteerd. Hieruit kwam naar voren dat er aanvullend onderzoek naar enkele specifieke faunagroepen en -soorten vereist was. Ook dit aanvullende onderzoek is inmiddels voor het grootste gedeelte uitgevoerd en gerapporteerd Rest nog de natuurtoets, die inzichtelijk moet maken welke effecten de voorgenomen plannen eventueel op de aanwezige beschermde natuurwaarden en -gebieden kunnen hebben en of een ontheffing en/of vergunning noodzakelijk is. Van deze toets wordt in dit rapport verslag gedaan.

5

Natuurtoets Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

Figuur 1: Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) in de omgeving. Bron kaartmateriaal: Google Maps, 2017

6

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

2. Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen

Gebiedsbeschrijving Het plangebied betreft de voormalige bedrijfsterreinen van scheepswerf Kloos Kinderdijk en constructiewerf Mercon aan de West Kinderdijk in Alblasserdam. Het gebied wordt in het westen begrensd door de rivier De Noord en in het oosten door de West Kinderdijk. Aan de andere zijde van deze dijk ligt in het zuidoosten de bebouwing van het dorp Kinderdijk en in het noordoosten De Hooge Boezem van de Nederwaard, een natuurgebied dat onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Boezems van Kinderdijk. Op het terrein bevinden zich momenteel de leegstaande en vervallen bedrijfshallen en andere gebouwen van de voornoemde scheepswerf Kloos en van het constructiebedrijf Mercon. Het open terrein rond de bedrijfsgebouwen bestaat voornamelijk uit: Verharding, enkele bosschages, bomen, ruigtestroken en ruderaal terrein. Aan de rivierzijde bevinden zich nog (overblijfselen van) steigers en aanlegplaatsen Zowel in de vervallen gebouwen als op het open terrein is nog sprake van opslag van machines, divers materiaal, hout en zout. Voorgenomen plannen De bestaande (bedrijfs)gebouwen worden gesloopt en bomen en bosschages op het terrein zullen grotendeels worden gerooid. Het gebied wordt vervolgens heringericht en er zullen naar verwachting 265 woningen op het terrein worden gerealiseerd.

Daarnaast zullen er mogelijk afmeerplaatsen voor de, internationaal vermaarde, toeristische trekpleister en het cultureel erfgoed: Molens van Kinderdijk worden gerealiseerd. Tevens wordt voorzien in een hotel, een museum, een shop en horeca. Beschermde gebieden Het dichtstbijzijnde gebied dat onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt is Natura 2000-gebied “Boezems Kinderdijk”. Dit Natura 2000-gebied bevindt zich op minder dan één kilometer afstand van de planlocatie. Vanwege deze geringe afstand kan er sprake zijn van nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied. Om deze reden is het uitvoeren van deze habitattoets verplicht. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Omdat er, als gevolg van de voorgenomen plannen, geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaat, is er geen verdere toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN nodig. Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk Het Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk bevindt zich in de provincie Zuid-Holland.

7

Natuurtoets Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

Het gebied omvat de Hoge Boezems van de Nederwaard, de Overwaard en NieuwLekkerland en de Lage Boezems van de Nederwaard en van de Overwaard en delen van de aangrenzende polders Blokweer en Nieuw-Lekkerland. De Lage Boezems worden gevormd door het Nieuwe Waterschap en het Achterwaterschap. Tussen beide waterlopen ligt een kade, de Middelkade, met daarop een fiets/wandelpad. Het gebied valt binnen de gemeentegrenzen van Alblasserdam en Molenwaard en ligt in de oksel van de rivieren de Lek en de Noord. Het beschermd natuurmonument Boezems Kinderdijk heeft een oppervlakte van 178 hectare en valt geheel binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. De omgeving van het dorpje Kinderdijk wordt gedomineerd door de 19 oudhollandse windmolens die sinds 1997 op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO staan. De windmolens staan te midden van het Natura 2000-gebied (Royal Haskoning-DHV, 2015). De boezems bestaan uit open water, riet- en zeggenmoerassen, ruigten, grienden, struwelen en boezemkaden. De polders bestaan uit wei- en hooilanden, doorsneden door sloten. De boezemkanalen zijn tussen 1365 en 1370 gegraven met als doel de afwatering van de Alblasserwaard te verbeteren. Omstreeks 1740 zijn de Hoge Boezems gesticht. Dit zijn in feite omkade gedeelten van de polders Blokweer en Nieuw-Lekkerland.

In de Hoge Boezems werd het water tijdelijk opgeslagen om van daaruit geloosd te worden op de Lek. Ten behoeve van de bemaling zijn in die periode 19 windmolens gebouwd (Royal Haskoning/DHV, 2015). Boezems Kinderdijk is aangewezen onder de Vogelrichtlijn vanwege het belang van het gebied voor een aantal vogelsoorten (de zogenaamde ‘kwalificerende soorten’). In het Natura 2000-aanwijzingbesluit is de instandhoudingsdoelstelling per vogelsoort concreet vastgesteld. Hierbij is steeds aangegeven of het doel gericht is op behoud van de bestaande situatie (omvang en kwaliteit leefgebied voor x broedpaar of populatie van x vogels) of op uitbreiding en/of verbetering van die situatie. In tabel 1 zijn de Natura 2000waarden en hun instandhoudingsdoelstelling voor Boezems Kinderdijk weergegeven (Royal Haskoning/DHV, 2015). Tabel 1: Natura 2000-waarden en hun instandhoudingsdoelstelling Natura 2000-waarde

Instandhoudingsdoelstelling Vogelrichtlijn: Broedvogels

Purperreiger

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 75 paren

Porseleinhoen

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 1 paar

Zwarte stern

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren

Snor

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 9 paren

8

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

Vogelrichtlijn: Niet-broedvogels Smient

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.700 vogels (seizoensmaximum)

Krakeend

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 90 vogels (seizoensmaximum)

Slobeend

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 vogels (seizoensmaximum)

9

Natuurtoets Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

10

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

3.

Wettelijk kader

In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden sinds 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industrie-gebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmings-plannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het zorgvuldigheids-beginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden.

Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: • Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; • Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; • Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren. De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten (bijlage 3). Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 2.

11

Natuurtoets Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

Tekstvak 1: Verbodsbepalingen soortbescherming Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3.

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

4.

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

Artikel 3.5 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2.

Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

3.

Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

4.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Artikel 3.10 1. Het is verboden: a)

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

b)

De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen;

c)

Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

12

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

Soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; •

Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven.

Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken. Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb.

13

Natuurtoets Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via Europese Natura 2000 -gebieden. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld.

Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplichtig of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen drie mogelijkheden volgen: • Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; • Er is sprake van een nadelig effect in de vorm van verstoring, maar dit is niet significant en er is geen sprake van verslechtering van aangewezen habitats. Hieruit volgt dat een vergunningaanvraag niet aan de orde is. Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag nodig; • Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig. Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project

14

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten worden in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden. De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op economische belangen. Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. De bescherming van het natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de desbetreffende provincie en valt hiermee buiten de Wet natuurbescherming.

Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren. Waar Natura 2000 -gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.

15

Natuurtoets Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

16

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

4.

Toetsing gebiedsbescherming

4.1

Methode Met behulp van deze toets wordt duidelijk of de voorgenomen plannen (significant) nadelige effecten op de instandhoudingsdoelen van de aangewezen broedvogel- en niet-broedvogelsoorten van Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk hebben. Hiervoor is eerst bepaald welke storingsfactoren optreden als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen bij zowel aanleg als gebruik. Vervolgens zijn de effecten van deze storingsfactoren op de instandhoudingsdoelstellingen van de voor het Natura 2000gebied aangewezen vogelsoorten bepaald. Hierbij is gebruikgemaakt van het beheerplan van Boezems Kinderdijk (Royal Haskoning/DHV, 2015).

4.2

Relevante storingsfactoren Storingsfactoren zoals oppervlakteverlies en versnippering zijn bij de voorgenomen plannen niet aan de orde. Het plangebied zelf valt niet binnen de Natura 2000begrenzing, waardoor de werkzaamheden niet zullen leiden tot oppervlakteverlies en versnippering. Van water- en bodemverontreiniging is geen sprake omdat bij de werkzaamheden geen gebiedsvreemde stoffen worden toegevoegd aan het water en de bodem. Door het gebruik van het bouwmaterieel en de aanvoer van materialen zal wel stikstof vrijkomen die mogelijk via de lucht in gevoelige habitattypen terecht kan komen (stikstofdepositie). Verder is er geen sprake van verdroging omdat de werkzaamheden geen invloed zullen hebben op het water waarvan het Natura 2000-gebied afhankelijk is. Van verstoring door mechanische effecten zal geen sprake zijn omdat het Natura 2000gebied niet betreden/aangetast zal worden als gevolg van het ontwikkelen van het Mercon/Kloos-terrein. Er kan wel verstoring van de aangewezen broedvogels en niet-broedvogels optreden als gevolg van externe werking: Hoewel het plangebied zich niet in het Natura 2000gebied zelf bevindt, kunnen er, als gevolg van geluid, licht, trillingen en optische verstoring mogelijk nadelige effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van doel-soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen.

Als gevolg van de geplande ontwikkelingen (sloop van de oude gebouwen en daarna nieuwbouw) kunnen de volgende storingsfactoren relevant zijn: • Verontreiniging (als gevolg van stikstofdepositie) • Verstoring door geluid

17

Natuurtoets Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

• • •

Verstoring door licht Verstoring door trillingen Optische verstoring

Hierna zal worden beoordeeld of er als gevolg van de relevante storingsfactoren sprake is van verstoring van aangewezen doelsoorten en in hoeverre deze verstoring zal leiden tot (significant) nadelige effecten op de ecologische waarden van Boezems Kinderdijk.

4.3

Effecten van de activiteiten De locatie waar het te ontwikkelen terrein zich bevindt, grenst aan de West Kinderdijk met bebouwing, die op haar beurt weer grenst aan de Hooge Boezem van de Nederwaard. In het beheersplan van Boezems Kinderdijk wordt gesteld dat de Hooge Boezem van de Nederwaard enige betekenis heeft voor de aangewezen broedvogelsoorten Porseleinhoen en Snor. Purperreiger en Zwarte Stern komen niet (meer) in dit deel van het Natura 2000-gebied als broedvogel voor. De ontwikkeling van het Mercon/Kloos-terrein zal naar verwachting geen significant nadelige invloed hebben op de aantallen van Porseleinhoen en Snor, vanwege het ontbreken van geschikt habitat op het te ontwikkelen terrein zelf en de aanwezigheid van de West Kinderdijk en haar bebouwing als buffer tussen het te ontwikkelen terrein en het Natura 2000-gebied. Ook voor de wintergasten (Smient, Krakeend, Slobeend), waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt zullen, vanwege de genoemde bufferwerking, naar verwachting geen nadelige effecten optreden. Als gevolg van de voorgenomen plannen kunnen nadelige effecten van geluid, licht, trilling en beweging op alle aangewezen vogelsoorten met voldoende zekerheid worden uitgesloten.

Tot slot wordt in het beheersplan vermeld dat activiteiten binnen of buiten de Natura 2000-begrenzing, die leiden tot stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het leefgebied van de zeven vogelsoorten. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten.

4.4

Conclusie Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk, als gevolg van de ontwikkelingen op het Mercon/Kloos-terrein, kunnen met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet vereist. Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag, de omgevingsdienst Haaglanden, noodzakelijk.

18

Natuurtoets ontwikkeling Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

Referenties

Database NWC

Haan, R., 2018. Quickscan flora en fauna Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk. P18-090/W1488. NWCadvies. Uitgeverij Strix, Dordrecht Haan, R., 2018 Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk. P18-102/W1544. NWCadvies. Uitgeverij Strix, Dordrecht Royal Haskoning/DHV, A.J.M. van den Broek, in opdracht van de provincie Zuid-Holland. 2015. Beheerplan bijzondere natuurwaarden Boezems Kinderdijk

Natuurtoets Mercon/Kloos-terrein Alblasserdam

Bijlage 1: Instandhoudingsdoelstellingen Boezems Kinderdijk

Bron: Ministerie van EZ, Natura 2000.

Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming

In het kader van de Wet natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild levende vogels beschermd en onderstaande soorten uit overige soortgroepen:

Bijlage 3: Vrijgestelde soorten provincie Zuid-Holland De verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden voor de vrijgestelde soorten niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: •

De ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop vol gende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

• •

bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaats

•

werken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbe heer; bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

Soortgroep

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Amfibieën

Bruine kikker

Rana temporaria

Amfibieën

Gewone pad

Bufo bufo

Amfibieën

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Amfibieën

Meerkikker

Pelophylax ridibundus

Amfibieën

Middelste groene kikker/Bastaard kikker

Pelophylax kl. esculentus

Zoogdieren-landzoogdieren

Aardmuis

Microtus agrestis

Zoogdieren-landzoogdieren

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Zoogdieren-landzoogdieren

Bunzing

Mustela putorius

Zoogdieren-landzoogdieren

Dwergmuis

Micromys minutus

Zoogdieren-landzoogdieren

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Zoogdieren-landzoogdieren

Egel

Erinaceus europeus

Zoogdieren-landzoogdieren

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Zoogdieren-landzoogdieren

Haas

Lepus europeus

Zoogdieren-landzoogdieren

Hermelijn

Mustela erminea

Zoogdieren-landzoogdieren

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Zoogdieren-landzoogdieren

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Zoogdieren-landzoogdieren

Ree

Capreolus capreolus

Zoogdieren-landzoogdieren

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Zoogdieren-landzoogdieren

Veldmuis

Microtus arvalis

Zoogdieren-landzoogdieren

Vos

Vulpes vulpes

Zoogdieren-landzoogdieren

Wezel

Mustela nivalis

Zoogdieren-landzoogdieren

Woelrat

Arvicola terrestris

Bijlage 4: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen

Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en gebouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paarverblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waar tussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.

Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel geschikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: • •

indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of; indien vleermuizen aangetroffen zijn.

Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: • • • •

er sprake is van een kraamkolonie; er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats; er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn; de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.

De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan.

Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitigerende maatregelen nodig zijn: •

niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);

•

vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.

Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd worden bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden overtreden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet voldoende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebied en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van de verblijfplaats(en) in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.

Bijlage 5: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Als mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantingsen/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen, hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn en er inderdaad geen ontheffing nodig is, kan een ontheffing aangevraagd worden om de maatregelen (goed) te laten keuren. Indien goedgekeurd, wordt door de provincie een “positieve afwijzing” afgegeven. Als geen maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of rusten verblijfplaats te garanderen of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), dient een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende punten: • Is er een wettelijk belang? • Is er een andere bevredigende oplossing? • Komt de gunstige staat van instandhouding in gevaar? “Ruimtelijke inrichting en ontwikkeling” of een “dwingende reden van groot openbaar belang” gelden echter niet als een wettelijk belang. Dit betekent dat de provincie in het kader van ruimtelijke ingrepen alleen een positieve afwijzing af kan geven.

Bescherming van vogelnesten Artikel 3.1 lid 2 uit de Wet natuurbescherming luidt: “Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen”. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met eventueel aanwezige vogelnesten. Er is sprake van een nest wanneer er nestindicatief gedrag is waargenomen en/of er een broedsel aanwezig is. Het vernielen of beschadigen van een nest is verboden. Dit geldt voor alle vogelsoorten. De meeste vogels maken echter elk broedseizoen een nieuw nest of zijn goed in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen onder de bescherming van de Wnb wanneer het in gebruik is (tijdens het broedseizoen). Wanneer een dergelijk nest niet in gebruik is, is geen ontheffing nodig voor het vernielen of beschadigen ervan. Verstoring van vogels is ook verboden, maar er bestaat een uitzondering voor verstoring die niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5 Wnb). Dit betekent dat verstoring tijdens het broedseizoen toegestaan is, mits de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort gewaarborgd blijft. Een (beperkt) aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest.

Verblijfplaatsen van deze vogelsoorten zijn niet alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn, maar het hele jaar:

1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: Steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Roek, Gierzwaluw en Huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Ooievaar, Kerkuil en Slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: Boomvalk, Buizerd en Ransuil). Tot slot is er nog een categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is extra onderzoek nodig, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd; deze soorten

zijn

namelijk

wel

jaarrond

beschermd

als

zwaarwegende

feiten

of

ecologische

omstandigheden dat rechtvaardigen. Hieronder de lijst met jaarrond beschermde vogelnesten:

Nesten van de volgende soorten zijn jaarrond beschermd indien ze nog in functie zijn: Boomvalk

Falco subbuteo

Buizerd

Buteo buteo

Gierzwaluw

Apus apus

Grote gele kwikstaart

Motacilla cinerea

Havik

Accipiter gentilis

Huismus

Passer domesticus

Kerkuil

Tyto alba

Oehoe

Bubo bubo

Ooievaar

Ciconia ciconia

Ransuil

Asio otus

Roek

Corvus frugilegus

Slechtvalk

Falco peregrinus

Sperwer

Accipiter nisus

Steenuil Wespendief

Athene noctua Pernis apivorus

Zwarte wouw

Milvus migrans

Nesten van de volgende soorten zijn niet jaarrond beschermd (categorie 5), maar hiervan is inventarisatie wel gewenst: Blauwe reiger

Ardea cinerea

Boerenzwaluw

Hirundo rustica

Bonte vliegenvanger

Ficedula hypoleuca

Boomklever

Sitta europaea

Boomkruiper

Certhia brachydactyla

Bosuil

Strix aluco

Brilduiker

Bucephala clangula

Draaihals

Jynx torquilla

Eider

Somateria mollissima

Ekster

Pica pica

Gekraagde roodstaart

Phoenicurus phoenicurus

Glanskop

Parus palustris

Grauwe vliegenvanger

Muscicapa striata

Groene specht

Picus viridis

Grote bonte specht

Dendrocopos major

Hop

Upupa epops

Huiszwaluw

Delichon urbica

IJsvogel

Alcedo atthis

Kleine bonte specht

Dendrocopos minor

Kleine vliegenvanger

Ficedula parva

Koolmees

Parus major

Kortsnavelboomkruiper

Certhia familiaris macrodactyla

Oeverzwaluw

Riparia riparia

Pimpelmees

Parus caeruleus

Raaf

Corvus corax

Ruigpootuil

Aegolius funereus

Spreeuw

Sturnus vulgaris

Tapuit

Oenanthe oenanthe

Torenvalk

Falco tinnunculus

Zeearend

Haliaeëtus albicilla

Zwarte kraai

Corvus corone

Zwarte mees

Parus ater

Zwarte roodstaart

Phoenicurus ochruros

Zwarte specht

Dryocopus martius

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/153/documents/2441