CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 - Aanvullend onderzoek flora en fauna NWC, d.d. november 2018.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 16 december 2021, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 5: Raadsvoorstel Vaststellen Bestemmingsplan Kloos - Raadsvoorstel4.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullend ecologisch onderzoek Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk

November 2018 P18-102/W1544 Auteur: R.E.P. Haan Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 nwcadvies@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl

Aanvullend ecologisch onderzoek Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk

Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht

Aanvullend ecologisch onderzoek Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk

Opdrachtgever:

KuiperCompagnons

Uitvoering:

Natuur-Wetenschappelijk Centrum

Veldwerk:

Annemijn de Groot, Rob Haan, Christine Huibers, Ronald van Jeveren, Sibrand Rinzema, Esmée Schutgens, Koen Woerdenbag

Samenstelling:

Rob Haan

Foto’s:

Jeroen Dekker, Rob Haan

Aanvullend ecologisch onderzoek Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk [Samenst.: Haan, R.] [Foto’s: Dekker J. e.a.] Dordrecht: Strix/NWC.

Trefw.: Wet natuurbescherming, zoogdieren, vogels, Mercon/Kloos, Kinderdijk.

W1544/P18-102

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.

Dordrecht, november 2018

Inhoud Samenvatting 1

Inleiding

5

2

Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen

7

3

Methode

9

4

Resultaten

13

5

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen

17

Referenties

Bijlagen: Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

Samenvatting Vleermuizen Voor gebouw 3 en 4 zijn er geen verplichtingen ten aanzien van vleermuizen. Voor gebouw 1 en 2 dient nog één vleermuisinventarisatie uitgevoerd te worden in mei 2019. Grondgebonden zoogdieren Vanwege het ontbreken van zwaarder beschermde grondgebonden zoogdieren zijn er geen verplichtingen, anders dan de zorgplicht. Dit geldt zowel voor gebouw 1 als voor gebouw 2. Vogels vaste met een vaste verblijfplaats Er zijn geen vogels met een vaste verblijfplaats vastgesteld. Wel is er sprake van broedvogels van tabel 5 in zowel gebouw 4, als gebouw 2. Deze kunnen gemitigeerd worden door het plaatsen van nestkasten, waardoor er zowel voor gebouw 1, als voor gebouw 2 geen andere verplichtingen zijn dan de algemene zorgplicht. Overige soortgroepen en soorten Voor overige soorten zijn er geen verplichtingen anders dan de zorgplicht. Aanbevelingen Aanbevolen wordt de eventuele vooruitgeschoven sloop van gebouw 1 ecologisch te laten begeleiden en nestkasten voor Torenvalk en Zwarte roodstaart op aanwijzing en onder toezicht van een ecologisch deskundige zo spoedig mogelijk (najaar 2018) te laten plaatsen.

5

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

6

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

1.

Inleiding

Er bestaan plannen om de leegstaande bedrijfsgebouwen op het terrein van Mercon/Kloos in Kinderdijk, gemeente Alblasserdam, te slopen en het terrein te herontwikkelen. In het kader van de Wet natuurbescherming dient bij dergelijke ruimtelijke ingrepen en bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen onderzoek gedaan te worden naar (mogelijk) aanwezige natuurwaarden en dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele negatieve effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden. Uit een eerdere quick-scan, uitgevoerd door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (Haan, R., 2018), blijkt dat er binnen het plangebied mogelijk vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn van diersoorten die onder de bescherming van de Wet natuurbescherming vallen. Het gaat om verblijfplaatsen van vleermuizen, grondgebonden zoogdieren (zoals bijv. Steenmarter Martes foina) en vogels (met een vaste verblijfplaats). Deze soorten en hun verblijfplaatsen zijn streng beschermd. Als gevolg van de voorgenomen plannen bestaat de kans dat verblijfplaatsen van deze soorten vernield worden en worden mogelijk individuen van deze soorten verstoord, verwond of gedood, hetgeen tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming leidt.

Om deze reden diende aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en vogels met een vaste verblijfplaats vast te kunnen stellen dan wel uit te kunnen sluiten. KuiperCompagnons heeft het NWC opdracht gegeven voor het uitvoeren van dit aanvullend onderzoek en voor advisering omtrent de relevante natuurwetgeving.

7

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

Figuur 1: Plangebied aan de West Kinderdijk te Alblasserdam met daarop de nummering zoals in onderhavige rapportage gehanteerd wordt Bron kaartmateriaal: Google Maps, 2017

8

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

2. Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen

Gebiedsbeschrijving

Het plangebied betreft de voormalige bedrijfsterreinen van scheepswerf Kloos Kinderdijk en constructiewerf Mercon aan de West Kinderdijk in Alblasserdam. Het gebied wordt in het westen begrensd door de rivier De Noord en in het oosten door de West Kinderdijk. Aan de andere zijde van deze dijk ligt in het zuidoosten de bebouwing van het dorp Alblasserdam en in het noordoosten De Hooge Boezem van de Nederwaard, een natuurgebied dat onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Boezems van Kinderdijk. Op het terrein bevinden zich momenteel de vervallen en leegstaande bedrijfshallen en andere gebouwen van de voornoemde scheepswerf Kloos en het constructiebedrijf Mercon. Het open terrein rond de bedrijfsgebouwen bestaat voornamelijk uit; verharding, enkele bosschages, bomen, ruigtestroken en ruderaal terrein. Aan de rivierzijde bevinden zich nog steigers en aanlegplaatsen. Zowel in de vervallen gebouwen als op het open terrein is sprake van opslag van machines, divers materiaal, hout en zout. Beschermde gebieden

Het dichtstbijzijnde gebied dat onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt is Natura 2000-gebied “Boezems Kinderdijk”. Dit Natura 2000-gebied bevindt zich op minder dan één kilometer afstand van de planlocatie. Vanwege deze geringe afstand kan er sprake zijn van nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied. Om deze reden is het uitvoeren van een zogenaamde habitattoets verplicht (is in 2018 door het NWC opgesteld). Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Omdat er, als gevolg van de voorgenomen plannen, geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaat, is er geen verdere toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN nodig. Voorgenomen plannen

De bestaande (bedrijfs)gebouwen worden gesloopt en bomen en bosschages op het terrein zullen grotendeels worden gerooid. Het gebied wordt vervolgens heringericht en er zullen naar verwachting 260 woningen op het terrein worden gerealiseerd. Daarnaast zullen er mogelijk afmeerplaatsen voor de, internationaal vermaarde, toeristische trekpleister en cultureel erfgoed: Molens van Kinderdijk

9

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

worden gerealiseerd en voorziet de ontwikkeling in de bouw van een hotel met een museum van ongeveer 3.000 m2 b.v.o. (de gemeenteraad van Alblasserdam heeft het stedenbouwkundig plan voor het Mercon/Kloos-terrein op 29 mei 2018 vastgesteld).

10

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

3.

Methode

3.1

Vleermuizen Vleermuizen gebruiken het landschap gedurende het jaar op verschillende manieren; in verschillende perioden van het jaar maken zij gebruik van kraamplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijven, winterverblijfplaatsen en jachtgebied. Daarnaast gebruiken zij landschapselementen, zoals bomenrijen en watergangen als vliegroute. Het vleermuisprotocol van maart 2017, stelt daarom dat tenminste zes inventarisatiemomenten, verspreid over de periode half mei-begin oktober nodig zijn om de verschillende functies, die de aanwezige bebouwing en landschapselementen mogelijk voor vleermuizen vervullen, zo goed mogelijk in beeld te brengen (bijlage 2). Uit de quickscan flora en fauna, die in juni 2018 is uitgevoerd, bleek dat er binnen het plangebied geen bomen aanwezig zijn met daarin holtes die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen, waardoor de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen in bomen uitgesloten kan worden. Tijdens het onderzoek bleek echter dat delen van de te slopen bebouwing (gebouw 1 en 2) mogelijk wel geschikt zijn als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Nader onderzoek naar de functies voor vleermuizen van die bebouwing was daarom noodzakelijk.

Dit aanvullende onderzoek naar vleermuizen is geheel volgens het vleermuisprotocol van maart 2017 uitgevoerd: Eén inventarisatie heeft in de kraam/zomerperiode (half mei-half juli) 2018 plaatsgevonden, terwijl in de zomer/paarperiode (half augustus-begin oktober) twee inventarisaties voor het vaststellen van paarplaatsen zijn uitgevoerd. Bovendien zijn er in deze periode ook nog twee tellingen voor (massa)winterverblijfplaatsen verricht. De laatste vleermuisinventarisatie in de kraam/zomerperiode zal in mei 2019 worden gedaan. De inventarisaties zijn uitgevoerd op 12 juli, 20 en 21 augustus en 10 en 11 september 2018. De weersomstandigheden (temperatuur, neerslag en windkracht) op deze dagen, de start- en eindtijden van de vleermuisinventarisaties, de tijd van zonsondergang en het aantal waarnemers per veldbezoek, worden vermeld in tabel 1. Datum

Temp. (ºC) Neerslag Wind (Bft)

Start

Eind

ZO*

# Waarnemers

12/07/’18

17

Droog

2

21.00

00.30

21.57

3

20/08/’18

20

Droog

1

21.00

23.05

20.55

3

21/08/’18

18

Droog

1

00.00

02.15

06.35

3

10/09/’18

16

Droog

3

20.15

22.40

20.09

3

11/09/’18

15

Droog

3

00.00

02.20

07.09

3

Tabel 1: Weersomstandigheden, start- en eindtijd en aantal waarnemers per veldbezoek

11

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

De gegevens over de weersomstandigheden zijn door de veldmedewerkers ter plekke gemeten of ingeschat. Drie inventarisaties zijn in de avond en nacht uitgevoerd en twee in de vroege ochtend. Bij iedere inventarisatie zijn drie personen ingezet waarbij de bebouwing zoveel mogelijk overzien kon worden. Maximaal een kwart van de bebouwing bevond zich buiten het gezichtsveld van de waarnemers. Hiermee wordt voldaan aan de richtlijnen uit het vleermuisprotocol. Tijdens de bezoeken is vooral gelet op uit- of invliegende vleermuizen en op vleermuizen die al rond zonsondergang actief waren. Wanneer een vleermuis al rond zonsondergang wordt waargenomen, kan dit namelijk op de aanwezigheid van een verblijfplaats duiden. Dit omdat de meeste vleermuissoorten rond zonsondergang hun verblijfplaats verlaten en dan naar hun foerageergebieden vliegen. Vleermuizen die rond zonsondergang bij het te onderzoeken object worden waargenomen, hebben nog geen grote afstand af kunnen leggen, waaruit opgemaakt kan worden dat zij mogelijk in (de buurt van) het object een verblijfplaats hebben. Tijdens de inventarisaties in de paarperiode is tevens gelet op vleermuizen die sociale geluiden (waaronder de paar- of werfroep) lieten horen en die paargedrag vertoonden. Dergelijke geluiden en gedrag kunnen duiden op de aanwezigheid van een paarverblijfplaats.

Gedurende de tellingen voor (massa)winterverblijfplaatsen is met name gelet op het zogenaamde middernachtzwermen, dat een aanwijzing kan vormen voor de aanwezigheid van een (massa)winterverblijfplaats. Tijdens de vijf reeds uitgevoerde veldbezoeken is gebruikgemaakt van heterodyne batdetectors (type Pettersson D-240X en D-1000X). Met behulp van deze batdetectors zijn de waargenomen vleermuissoorten op naam gebracht.

3.2

Grondgebonden zoogdieren Om vast te kunnen stellen of zwaarder beschermde grondgebonden zoogdieren, zoals bijvoorbeeld de Steenmarter Martes foina, op het terrein of in de leegstaande bebouwing aanwezig zijn, heeft een sporenonderzoek plaatsgevonden en is er gebruikgemaakt van zogenaamde cameravallen. Deze infraroodcamera’s zijn voorzien van drie bewegingssensors, waardoor zij reageren (gaan filmen of fotograferen) zodra een dier zich binnen het opnamebereik van de camera begeeft. De cameravallen worden op locaties geplaatst die aantrekkelijk zijn voor (zoog)dieren, bij voorbeeld in de dekking van vegetatie, op wissels of bij sporen (prenten,

12

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

uitwerpselen, haren, vraat e.d.). Bovendien wordt er aas (visolie, vlees, pindakaas, fruit e.d.) gebruikt om de dieren te verlokken binnen het bereik van de camera te komen. Het plaatsen van de camera’s gebeurt op expert-judgement. Medewerkers van NWC werken al sinds 2012 met cameravallen. Op het terrein van Mercon/Kloos is met maximaal vier cameravallen tegelijkertijd gewerkt. Deze waren steeds op filmen ingesteld, omdat zodoende ook soortspecifiek gedrag, dat behulpzaam kan zijn bij de determinatie van soorten, kan worden vastgelegd. De camera’s zijn op 19 juli 2018 geplaatst en hebben daar tot en met 17 oktober 2018 dienst gedaan. Halverwege de periode zijn zij eenmaal verplaatst naar nieuwe locaties op het onderzoeksterrein. De camera’s zijn steeds na veertien dagen bezocht om de s.d.-kaartjes met filmpjes te wisselen en uit te lezen en de batterijspanning te checken.

3.3

Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving. Voorbeelden van dergelijke vogelsoorten, die in het plangebied voor zouden kunnen komen, zijn: Ransuil Asio otus, Sperwer Accipiter nisus en Buizerd Buteo buteo. Naar andere potentiële soorten met een vaste verblijfplaats (Huismus, Gierzwaluw, Kerkuil) was al tijdens de quick scan onderzoek gedaan. Tijdens het aanvullend onderzoek is gelet op sporen (braakballen, veren, uitwerpselen, etc.), nesten (o.a. horsten en oude nesten van kraaiachtigen) en waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht of territorium-indicerend gedrag). Daarnaast is ook gekeken naar broedvogels van tabel 5.

13

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

14

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

4.

Resultaten

4.1

Vleermuizen Tijdens de vijf reeds uitgevoerde vleermuisinventarisaties zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Voor gebouw 1 en 2 moet nog één inventarisatieronde volgen. Gebouw 3 en 4 zijn ongeschikt voor vleermuizen vanwege het gebruikte bouwmateriaal, de afwezigheid van spouwgaten of andere geschikte openingen en het ontbreken van andere mogelijkheden om in beschutting weg te kunnen kruipen. In totaal zijn er, tijdens het aanvullende onderzoek, twee soorten vleermuizen in het plangebied waargenomen: De Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus en de Ruige dwergvleermuis Pipistrelllus nathusii. Het lijkt er op dat slechts enkele individuen het Mercon/Kloos-terrein (kort) bezoeken en dat deze dieren uit de bebouwing ten oosten van het plangebied komen. Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute, want geen van de vleermuizen foerageerde voor langere tijd achter elkaar binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn voldoende alternatieve foerageerplaatsen aanwezig (in de vorm van openbaar groen en tuinen van omliggende woningen). Daarnaast zijn tijdens de veldbezoeken geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat er, in of op de grens van het plangebied, een vliegroute aanwezig is. Tabel 4 geeft een overzicht van de waarnemingen die tijdens de reeds uitgevoerde vijf veldbezoeken gedaan zijn.

15

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

Datum

Waargenomen soorten

Aantallen en gedrag

Gewone dwergvleermuis

- Twee individuen passerend vanuit woonwijk aan de overkant van de straat langs gebouw 1 - Eén individu af en toe jagend op het terrein nabij gebouw 1 - Maximaal twee individuen foeragerend aan westzijde van

12/07/2018

gebouw 2 - Twee individuen van gebouw 1 en 2, mogelijk dezelfde.

20/08/2018

Gewone dwergvleermuis

- Op 2 plekken bij gebouw 2, twee jagende individuen - Eén individu jagend en 1 passerend langs gebouw 1, mogelijk hetzelfde exemplaar.

Ruige dwergvleermuis

-Eén individu jagend boven het terrein bij gebouw 1 en één exemplaar jagend bij gebouw 2, mogelijk hetzelfde exemplaar.

Gewone dwergvleermuis

- Een jagend exemplaar voor gebouw 2. - Een jagend exemplaar en één passerend exemplaar bij gebouw 1. Hier af en toe ook een sociaal roepje.

Gewone dwergvleermuis

- Een jagend en één passerend exemplaar bij gebouw 1, mogelijk dezelfde. - Eén individu foeragerend in de luwte van gebouw 2 en één passerend bij gebouw 2, mogelijk dezelfde.

Gewone dwergvleermuis

- Gedurende korte perioden achter elkaar één exemplaar jagend in de luwte bij gebouw 1. - Af en toe één (of 2) individuen jagend in de luwte van gebouw 2

21/08/2018

10/09/2018

11/09/2018

Tabel 4: Vleermuiswaarnemingen Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk

4.2

Grondgebonden zoogdieren Het onderzoek met cameravallen heeft geen zwaarder beschermde zoogdieren opgeleverd. De inventarisatie toonde, naast huisdieren als katten en honden, maar een beperkt aantal beschermde zoogdieren aan. Het betreft: Egel Erinaceus europaeus Huisspitsmuis Crocidura russula Bosmuis Apodemus sylvaticus Bunzing Mustela putorius De Steenmarter, of een ander zwaarder beschermd grondgebonden zoogdier, kon niet aangetoond worden, ook niet via het uitgevoerde sporenonderzoek.

16

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

4.3

Vogels met een vaste verblijfplaats Tijdens de aanvullende vogelinventarisaties op 12 en 19 juli, zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden die duiden op waarschijnlijke broedgevallen van Torenvalk Falco tinnunculus en Zwarte roodstaart Phoenicurus ochruros. Het betrof een alarmerende mannelijke Torenvalk nabij een vermoedelijk gebruikte nestplaats in gebouw 4 en een mannetje Zwarte roodstaart met 2 reeds uitgevlogen juvenielen bij een vermoedelijk gebruikte nestplaats in gebouw 2. Verse sporen van een Kerkuil Tyto alba werden, ondanks intensief zoeken, niet meer gevonden, zodat met voldoende zekerheid gesteld kan worden dat er geen sprake is van een vaste verblijfplaats van deze soort. Ook andere vogels met een vaste verblijfplaats zijn niet in het plangebied aangetroffen.

Wel heeft er in het natuurgebied direct ten oosten van het plangebied een paartje ransuilen gebroed en jongen groot gebracht. Het Mercon/Kloos-terrein vervulde echter geen functie voor dit broedpaar.

17

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

Bunzing op de wildcamera

Egel op de wildcamera

18

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

5.

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen

5.1 Vleermuizen Uit de inventarisaties blijkt dat er geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de gebouwen 3 en 4 in het plangebied. Om deze reden zullen er, ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen, in deze fase geen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden en zijn er ook geen ontheffing of maatregelen nodig. Voor het deel van het gebied met de gebouwen 1 en 2 moet in mei 2019 nog één vleermuisinventarisatie volgen. Uit het tot nu toe uitgevoerde onderzoek (quick scan en aanvullende inventarisaties) kan afgeleid worden dat het plangebied maar zeer beperkt door vleermuizen gebruikt wordt om te foerageren. De aantallen waargenomen vleermuizen zijn zeer klein en in de directe omgeving zijn voldoende alternatieve en geschikte foerageergebieden aanwezig zoals het openbaar groen en de tuinen van de omliggende woningen aan de West Kinderdijk. Bovendien blijft het plangebied in de toekomstige situatie geschikt als foerageergebied en wordt het zelfs aantrekkelijker door de te realiseren woningen en tuin- en wijkbeplanting.

Op basis van de waarnemingen uit het vleermuisonderzoek kan ook gesteld worden dat er binnen of in de directe omgeving van het plangebied geen vliegroutes aanwezig zijn; er zijn kleine aantallen vleermuizen waargenomen die vanuit verschillende richtingen aan kwamen vliegen en hierbij geen gebruikmaakten van lijnvormige landschapselementen binnen of op de grenzen van het plangebied. Om deze redenen zullen er, ten aanzien van vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen, in het deel van het gebied met de gebouwen 3 en 4 geen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden en zijn voor deze onderdelen van het leefgebied van vleermuizen geen ontheffing of maatregelen nodig. Wel wordt aangeraden om in de nieuwe situatie zo min mogelijk verlichting te gebruiken of maatregelen te nemen waardoor (licht)verstoring van vleermuizen zoveel mogelijk voorkomen wordt. Voorbeelden hiervan zijn het gebruik van amberkleurige verlichting en lichtbronnen die naar beneden gericht zijn.

5.2

Grondgebonden zoogdieren Egel, Huisspitsmuis, Bosmuis en Bunzing worden in de Wet natuurbescherming weliswaar als zogenaamde “overige beschermde soorten” genoemd, maar zij zijn door de Provincie Zuid-Holland vrijgesteld van actuele bescherming, waardoor deze soorten in

19

Aanvullend onderzoek Mercon/Kloos-terrein, Kinderdijk

Zuid-Holland niet vergunningplichtig zijn. Wel moet uiteraard voldaan worden aan de zorgplicht.

5.3

Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen vogels met een vaste verblijfplaats aangetoond. Voor Torenvalk en Zwarte roodstaart geldt dat volstaan kan worden met mitigerende maatregelen, zoals speciale nestkasten die graag door deze soorten gebruikt worden en die aan of nabij de nieuw te realiseren bebouwing of voorzieningen geplaatst kunnen worden. Aanbevolen wordt dit door een ecologisch deskundige te laten doen.

20

Referenties

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland, 2014a. Soortenstandaard Huismus Passer domesticus Versie 2.0, december 2014. Ministerie van Economische zaken. Beschikbaar op het World Wide Web via: https://www.rvo.nl/sites/default/files/2015/01/Soortenstandaard%20Huismus.pdf Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland, 2014b. Soortenstandaard Gierzwaluw Apus apus Versie 2.0, december 2014. Ministerie van Economische zaken. Beschikbaar op het World Wide Web via: https://www.rvo.nl/sites/default/files/2015/01/Soortenstandaard%20Gierzaluw.pdf Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl Haan, R., 2018. Quickscan flora en fauna Mercon/Kloos-terrein Kinderdijk. P18-090/W1488. NWCadvies. Uitgeverij Strix, Dordrecht

Bijlage 1: Beschermde soorten Wet Natuurbescherming In het kader van de Wet Natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild levende vogels en onderstaande soorten uit overige soortgroepen beschermd:

Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en gebouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paarverblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waar tussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.

Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel geschikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: 

indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of;

indien vleermuizen aangetroffen zijn.

Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: 

er sprake is van een kraamkolonie;

er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats;

er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn;

de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.

De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan.

Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitigerende maatregelen nodig zijn: 

niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);

vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.

Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd worden bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden overtreden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet voldoende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebied en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van de verblijfplaats(en) in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.

Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Als mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantingsen/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen, hoeft geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming aangevraagd te worden. Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn en er inderdaad geen ontheffing nodig is, kan een ontheffing aangevraagd worden om de maatregelen (goed) te laten keuren. Indien goedgekeurd, wordt door de provincie een “positieve afwijzing” afgegeven. Als geen maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of rust- en verblijfplaats te garanderen of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), dient een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende punten:  Is er een wettelijk belang?  Is er een andere bevredigende oplossing?  Komt de gunstige staat van instandhouding in gevaar? “Ruimtelijke inrichting en ontwikkeling” of een “dwingende reden van groot openbaar belang” gelden echter niet als een wettelijk belang. Dit betekent dat de provincie in het kader van ruimtelijke ingrepen alleen een positieve afwijzing af kan geven.

Bescherming van vogelnesten Artikel 3.1 lid 2 uit de Wet Natuurbescherming luidt: “Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen”. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met eventueel aanwezige vogelnesten. Er is sprake van een nest wanneer er nestindicatief gedrag is waargenomen en/of er een broedsel aanwezig is. Het vernielen of beschadigen van een nest is verboden. Dit geldt voor alle vogelsoorten. De meeste vogels maken echter elk broedseizoen een nieuw nest of zijn goed in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen onder de bescherming van de Wnb wanneer het in gebruik is (tijdens het broedseizoen). Wanneer een dergelijk nest niet in gebruik is, is geen ontheffing nodig voor het vernielen of beschadigen ervan. Verstoring van vogels is ook verboden, maar er bestaat een uitzondering voor verstoring die niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5 Wnb). Dit betekent dat verstoring tijdens het broedseizoen toegestaan is, mits de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort gewaarborgd blijft. Een (beperkt) aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest.

Verblijfplaatsen van deze vogelsoorten zijn niet alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn, maar het hele jaar: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: Steenuil).

2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Roek, Gierzwaluw en Huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Ooievaar, Kerkuil en Slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: Boomvalk, Buizerd en Ransuil). Tot slot is er nog een categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is extra onderzoek nodig, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd; deze soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Hieronder de lijst met jaarrond beschermde vogelnesten:

Nesten van de volgende soorten zijn jaarrond beschermd indien ze nog in functie zijn: Boomvalk Buizerd

Falco subbuteo Buteo buteo

Gierzwaluw

Apus apus

Grote gele kwikstaart Havik

Motacilla cinerea Accipiter gentilis

Huismus Kerkuil

Passer domesticus Tyto alba

Oehoe Ooievaar

Bubo bubo Ciconia ciconia

Ransuil

Asio otus

Roek Slechtvalk

Corvus frugilegus Falco peregrinus

Sperwer Steenuil

Accipiter nisus Athene noctua

Wespendief Zwarte wouw

Pernis apivorus Milvus migrans

Nesten van de volgende soorten zijn niet jaarrond beschermd (categorie 5), maar hiervan is inventarisatie wel gewenst: Blauwe reiger

Ardea cinerea

Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger

Hirundo rustica Ficedula hypoleuca

Boomklever Boomkruiper

Sitta europaea Certhia brachydactyla

Bosuil

Strix aluco

Brilduiker Draaihals

Bucephala clangula Jynx torquilla

Eider Ekster

Somateria mollissima Pica pica

Gekraagde roodstaart Glanskop

Phoenicurus phoenicurus Parus palustris

Grauwe vliegenvanger

Muscicapa striata

Groene specht Grote bonte specht

Picus viridis Dendrocopos major

Hop Huiszwaluw

Upupa epops Delichon urbica

IJsvogel Kleine bonte specht

Alcedo atthis Dendrocopos minor

Kleine vliegenvanger

Ficedula parva

Koolmees Kortsnavelboomkruiper

Parus major Certhia familiaris macrodactyla

Oeverzwaluw Pimpelmees

Riparia riparia Parus caeruleus

Raaf Ruigpootuil

Corvus corax Aegolius funereus

Spreeuw

Sturnus vulgaris

Tapuit Torenvalk

Oenanthe oenanthe Falco tinnunculus

Zeearend Zwarte kraai

Haliaeëtus albicilla Corvus corone

Zwarte mees Zwarte roodstaart

Parus ater Phoenicurus ochruros

Zwarte specht

Dryocopus martius

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/221/documents/5044