CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Rapportage COPA210368-R102 fase 2 - Onderzoek herstel zwembad Blokweer d.d. 20 mei 2022.pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 21 juni 2022, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 7: Raadsvoorstel Zwembad Blokweer - Raadsvoorstel25.704 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3 Resultaten en discussie 3.1 Onderzoek op locatie (Zwembad Blokweer – Alblasserdam) 3.1.1. Algemene beschrijving technische ruimte opbouw wandelement: De technische ruimte betrof een brede strook (variërend tussen ca 2 en 3.5 meter) rondom het bassin met toegang tot de vier bassinwanden. Eén van de lange zijden was enkel ingericht als loopruimte. In de andere lange zijde waren, evenals in de twee korte zijden, daarnaast ook installaties aanwezig voor onder andere zuivering, desinfectie, en opslag (buffering) van bassinwater. Tevens was er opslag van de drijvende zwembaan-markeringen welke na gebruik in principe ‘nat’ in een niet afgesloten bak werden opgevangen. Het klimaat in de technische ruimte voelde enigszins warm en vochtig aan (er zijn geen metingen gedaan.) Het bassin was – om veiligheidsredenen – slechts gedeeltelijk gevuld en al enige weken niet in gebruik. Het klimaat ten tijde van het onderzoek was zodoende niet representatief, vermoedelijk is de technische ruimte tijdens normaal gebruik nog warmer en vochtiger. De wanden van de twee lange zijden (oost AE en west WE) waren ieder opgebouwd uit 29 vakken, de wanden van de kortere zijden (noord NO en zuid SO) waren ieder opgebouwd uit 26 vakken. Het nummeringsysteem van deze vakken zoals vermeld in Iv-Consult tekening 10-30001, project n° COPA210368 (zie bijlage A) is in dit rapport overgenomen ter oriëntatie.

Hoewel de breedte van de vakken varieerde (meestal 700 of 900 mm) was de opbouw per vak in grote lijnen steeds hetzelfde. Hieronder volgt een beschrijving van de opbouw van vak WE-004, een vak dat qua opbouw representatief is voor de meeste andere vakken. Hoewel verre van volledig geeft de beschrijving het benodigde inzicht van de bij herhaling toegepaste constructieve details en de daar uit voortkomende risico’s op corrosie. In dit rapport wordt op deze details nader ingegaan. Zie figuren 1 t/m 5 voor details. De hieronder gemelde types rvs (de AISI nummercode) zijn met XRF analyse (zie sectie 3.1.2 PMI) vastgesteld. Op de betonnen vloer was een U-profiel (t ~2 mm) van type 446 ferritisch rvs gemonteerd met de rug naar de waterzijde. Hierop was een dunne wandplaat (t ~2 mm) van type 430 ferritisch rvs gemonteerd welke geheel doorliep tot aan het plafond. Deze wandplaat vormde de feitelijk afscheiding met het bassin. De plaat had aan de onderzijde een haakse zet-rand richting technische zijde, welke op de bovenzijde van het U-profiel aansloot. Boven op de zet-rand was een hoekprofiel van type 446 ferritisch rvs geplaatst. De drie lagen (Uprofiel, zet-rand wandplaat, en hoekprofiel) waren op regelmatige afstanden met boutverbindingen van type 304 austenitisch rvs tegen elkaar geklemd (waarbij in sommige vakken de rvs bouten ter verankering door liepen tot in de betonnen vloer).

Zie figuur 2. De opgaande zijkanten van de wandplaat waren eveneens voorzien van een haakse (verticale) zet-rand richting technische ruimte. De verticale zetranden van twee belendende vakken waren vervolgens, samen met een zware verticale verstevigingsplaat (t~5 mm) van type 446 ferritisch rvs, met regelmatig gepositioneerde rvs boutverbindingen (304) tegen elkaar geklemd. De folie welke aan de bassinzijde op de wandplaat geplakt was liep door over de zet-rand aan zowel de onderzijde als de twee verticale zijden met als resultaat een afdichting door samendrukking van twee delen folie (geholpen door een afvullende ‘kitnaad’ aan de bassinzijde). In de technische ruimte was deze folie steeds zichtbaar op de kopse kanten van zetranden. STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 4 van 36

Tussen het U-profiel en de onderste zet-rand van de wandplaat was eveneens folie zichtbaar. Het was echter niet goed zichtbaar of er een tweede laag aanwezig was van het U-profiel. Een detaillering van de afdichting vanaf de bassinbodem-zijde naar de wand was niet beschikbaar. Boven op de hoeklijn (rvs 446) waren relatief dikke constructieve elementen van type 304 austenitisch rvs geplaatst met een (chemische) verankering in de vloer op enige afstand van het U-profiel. Deze hadden als vermoedelijk doel de wand naar beneden te drukken en de zijwaartse kracht van het water op de wand op te vangen. Zie figuur 3. De bouten van deze verankering waren eveneens van type 304 austenitisch rvs. Aan de korte zijden van het bassin liepen de wandplaten vanaf het U-profiel geheel door tot aan het plafond (ca 2.5m hoog vanaf het beton) om daar weer met een overlapverbinding over te gaan op een horizontaal deel in het plafond (eveneens metaal). Over de volle lengte van de lange zijden echter was iets boven de helft van de wand een doorlopende horizontale uitsparing aanwezig richting de technische ruimte: een loopgoot voor de zwembadgangers (figuur 1). De wand bestond hier uit twee platen (onder en boven, beide rvs 430) waarbij deze in de uitsparing middels een overlapverbinding (met daartussen twee delen folie) op elkaar geklemd waren met behulp van boutverbindingen (rvs 304).

In de loopvloer van de zwembadgangers naar het bassin toe (vanuit de technische ruimte gezien het plafond) liep kort langs de rand van het zwembad een overloopgoot voor zwembadwater, afgedekt met roosters. Deze goot van type 430 ferritisch rvs was vanuit de technische ruimte van onderaf zichtbaar en was opgebouwd uit een gezette plaat (t ~ 2 mm) met daarop weer de folie aan de waterzijde. De overloopgoot was met een overlapverbinding op de bovenste zet-rand van de wandplaat (rvs 430) geklemd met boutverbindingen (rvs 304). Ieder gootdeel eindigde met zet-randen die met boutverbindingen aan de zet-randen van het belendede gootdeel geklemd zat (met daartussen weer twee lagen folie opeengeklemd). Zie figuren 4 en 5. Tussen de ‘verticalen’ aan weerszijden van ieder vak (opgebouwd uit zetranden van de wandplaten en de verstevigingsplaat), waren meerdere horizontale liggers van type 446 ferritisch rvs gemonteerd met behulp van boutverbindingen (type 304). De liggers bestonden uit twee mm dik plaatmateriaal met rondom zetranden. (De zetranden aan de kopse zijden waren voorzien van boutgaten.) Eén zet-rand van iedere ligger aan de lange zijde zat tegen de wandplaat aan en ondersteunde deze tegen de zijwaartse waterdruk vanuit het bassin. Deze liggers hadden dus geen directe functie in waterdichting.

Aan de boven- en de onderzijde van de verticale ribben waren tevens liggers tussen de verticalen geplaatst op enige afstand van de wandplaat. Halverwege de verticale ribben waren schoren van type 446 ferritisch rvs geplaatst die in de betonnen vloer waren verankerd (chemisch). Al deze constructieve elementen waren middels boutverbindingen van type 304 austenitisch rvs aan elkaar verbonden. Zie figuur 1. De met folie beplakte onderdelen van de wand (en plafond) zijn weliswaar loskoppelbaar maar kunnen in principe niet vervangen worden zonder het bassin lek te maken. Indien toch nodig moet het bassin geheel leeggepompt worden en zullen de afdichtingen aan de waterzijde herstelt moeten worden. De overige delen dienen een louter constructief doel en kunnen in theorie deel voor deel vervangen worden (afgezien van kans op ontwrichting).

3.1.2. Positieve materiaal identificatie (PMI): In vak WE-004 is positieve materiaal identificatie (PMI) middels röntgenfluorescentieanalyse (XRF) uitgevoerd op alle individuele (metallische) wand-elementen. Hieruit bleek dat alle bouten, moeren en revetten/ringen, evenals de ankerbouten in het beton van een austenitisch rvs-materiaal type 304(L1) waren. Dit komt overeen met de aanduiding op de koppen van de bouten: “A2 – 70”, waarbij de 70 een standaard sterkteklasse aanduidt (treksterkte~700MPa). Dit gold ook voor de constructieve verstevigingselementen waarmee de wand op de vloer gedrukt werd en voor de voetstukken onder de verticale ribben. De wandplaat/wandplaten

1 Opmerking: Laag/hoog koolstof kwaliteit (L- resp. H-) kan niet worden bevestigd. Het koolstofgehalte (en stikstofgehalte) kan niet

worden gemeten. De gebruikte apparatuur is ontworpen voor het uitvoeren van legering verificatie. Het rapporteren van element samenstellingen (percentages) is mogelijk. Men dient zich er wel van bewust te zijn dat deze percentages het resultaat zijn van een semikwantitatieve analyse, en met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Voor semi-kwantitatieve metingen met het gebruikte instrument moet rekening worden gehouden met een meetonzekerheid tot 10%. (voor lassen 12.5%). Deze is onder meer afhankelijk van factoren als oppervlaktecondities kromming en afmetingen.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 5 van 36

en de geprofileerde overloopgoot waren van ferritisch rvs type 430. Alle overige wand-elementen (inclusief de schuine schoren) waren van ferritisch rvs type 446. Alle andere vakken zijn vervolgens volledig met behulp van PMI en/of een magneet gecontroleerd (ferritisch RVS is magnetisch, austenitisch RVS niet of nauwelijks). Alle afwijkingen qua opbouw van wandelementen ten opzichte van vak WE-004 zijn volledig met behulp van PMI onderzocht. In vak WE-004 zijn alle wand elementen door Element voorzien van een sticker met materiaal type erop. Dit geldt eveneens voor vakken met afwijkingen. 3.1.3. Beschrijving conditie van de wand: Een groot deel van de wandelementen was bedekt met een dunne film van een of ander tectylachtig bruintransparant product. Zie bijvoorbeeld het voetstuk in figuur 3. Dit product is aldus de beheerder in het verleden ter conservering aangebracht nadat men in een eerdere poging heeft geprobeerd toen reeds aanwezige roestvorming weg te halen (er waren hier en daar nog slijp-/polijstsporen zichtbaar). Dit conserveringsmiddel was zeker niet overal aanwezig en leek enigszins willekeurig en met weinig oog voor detail aangebracht. De 430 wandplaten waren in de meest vakken aan de technische ruimte zijde bedekt met een dunne transparante plastic folie (vermoedelijk vanuit de fabriek, aangebracht ter bescherming tijdens transport en installatie).

In de meeste vakken toonden zich op meerdere posities afzettingen van een wit, soms enigszins geel of bruin product, vermoedelijk zouten. Vanuit deze afzettingen liepen vaak leksporen van ditzelfde product naar beneden waar vervolgens op lagere delen weer ophopingen waren van product. Onder andere de U-profielen onderaan de bassinwand toonden veel ‘secundaire’ afzettingen. De ‘primaire’ productafzettingen waren enkel aanwezig op posities waar twee lagen folie opeen gedrukt zaten tussen een overlapverbinding van wandplaten of tussen overloopgoot-platen, dan wel een combinatie van beiden (figuur 6). Dit betekent dat het product ingedroogd zout moet zijn afkomstig uit zwembadwater wat op die posities tussen de overlapverbinding door heeft kunnen lekken. De zoutafzettingen lieten zich vrij eenvoudig verwijderen waaronder veelal, met name onder de primaire afzettingen, een metallische ogend, visueel nog intact oppervlak tevoorschijn kwam. Het gaat hier om enkele honderden lekposities (waarvan niet vastgesteld kon worden of ze allemaal nog ‘actief’ waren). Samples van de afzettingen zijn meegenomen naar het laboratorium voor chemische analyse. Zie sectie 3.3. De loopvloer van de zwembadgangers naar het bassin was, op het laatste stuk na, gemaakt van beton.

Naast de rvs 430 overloopgoot lag verzonken in het beton een kleinere afvoergoot rondom het gehele bassin om ‘vuil’ water vanaf de loopvloer af te voeren naar het riool. De doorvoeren hiervan waren uitgevoerd in standaard PVC pijpen en liepen verticaal door het beton om in het ‘plafond’ van de technische ruimte uit naar beneden te komen. Vanuit deze doorvoerposities waren eveneens leksporen zichtbaar van geel/wit product al dan niet vanuit scheuren in het beton nabij de doorvoeren. Op de laagste punten vormden deze leksporen stalactieten van significante lengte (figuur 7). In het verlengde van deze stalactieten waren op het onderliggende materiaal ophopingen van product en spatresten zichtbaar. Ook van dit product zijn samples meegenomen naar het laboratorium voor chemische analyse. Met name op de leksporen en de lager gelegen (secundaire) ophopingen van zoutafzettingen toonde zich ook enig roestkleurig product in de afzetting (niet te verwarren met het bruinige conserveringsproduct wat eveneens op veel posities volop aanwezig was). Zie e.g. figuur 8. Na voorzichtig wegkrabben toonde het onderliggende materiaal op het oog zeer oppervlakkig aangetast maar zonder zichtbare significante wanddikteafname. Dit was op vele posities in het merendeel van de vakken het geval en betrof visueel het grootste deel van de gevonden aantastingen in de technische ruimte.

Op verschillende posities toonden zich echter afzettingen van roestproduct zonder aanwezigheid van (zichtbare) zoutafzettingen. Hier waren complete oppervlakken van wandelementen min of meer egaal bedekt met roestproduct. Dit gold voor zowel de constructieve wand elementen (materiaal typen 430 en 446) alsook alle 304 bouten ter plekke. Zie figuur 9. Gezien het egale karakter van de aantasting lijkt de bevochtiging die STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 6 van 36

nodig is voor de corrosie hier eerder het gevolg te zijn geweest van algehele bevochtiging door condensvorming dan door direct lekwater. De roestafzettingen lieten zich redelijk gemakkelijk grotendeels afvegen. Het materiaal eronder oogde aangetast zij het op het oog redelijk algemeen en oppervlakkig. Deze algehele aantasting was niet algemeen verspreid over de technische ruimte maar was vooral aanwezig vanaf de laatste vakken van de korte zijde SO en de eerste helft van de lange zijde AE. Het lijkt erop dat hier het klimaat af heeft geweken van andere posities in de technische ruimte. (Mogelijk door nabijheid van waterbehandelingsinstallatie e.d. maar hier is geen verder onderzoek naar uitgevoerd.) Een selectie van de visueel meest aangetaste bouten (rvs 304) evenals een drietal aangetaste wand elementen (rvs 430 en 446) dan wel samples daarvan is uit de wandconstructie verwijderd en meegenomen naar het laboratorium voor verder onderzoek. (De weggenomen bouten/moeren zijn meteen vervangen door nieuwe.) Het betreft de volgende items: • De verticale verstevigingsplaat (rvs 446) tegen de verticale rib (rvs 430) tussen vak AE-010 en AE011, inclusief alle 10 bijbehorende bouten (M12 x 40 mm, voldraad, rvs 304). Zie figuur 10.

• De horizontale ligger (rvs 446) bovenin vak AE-004 tussen de rvs 446 steunen van de verticale ribben naar het betonnen plafond inclusief alle 4 bijbehorende 304 bouten/moeren (M8, voldraad)). Zie figuur 9. • Een klein uitstekend deel van de horizontale overlapnaad van de loopgoot in vak AE-010 met daarin beide (rvs 430) plaatdelen en bijbehorende folies. Zie figuur 8. • De onderste bout van het voetstuk onder de verticale staander tussen vak AE-008 en AE-009 (M16 x 40 mm voldraad, rvs 304). Zie figuur 11. • Eén van de grondankers in vak AE-010 (M16 x 164 mm, voldraad draadeind, rvs 304). Zie figuur 12. • De bovenste bout tussen de twee verticale zet-randen van de wandplaten van vakken AE-010 en AE011 en de verstevigingsplaat (M12 x 38 mm, voldraad, rvs 304). Zie figuur 13 • Een van de bouten waarmee de support naar het betonnen plafond aan de verticale staander bevestigd zat tussen vak AE-010 en AE-011 (M12 x 38 mm, voldraad, rvs 304). Zie figuur 14 • De middelste bout van de bevestiging van de schuine schoor aan de verticale staander tussen vak AE-010 en vak -011 (M16 x 40 mm, voldraad, rvs 304). Zie figuur 15. Het verwijderen van de bouten ging - het vloeranker uitgezonderd - relatief gemakkelijk, de bouten leken niet al te vast gedraaid te zijn. Slechts één bout van de verwijderde horizontale ligger bovenin vak AE-004 brak, zij het pas na enkele slagen.

3.2 Visueel en stereomicroscopisch onderzoek in het laboratorium (Breda) Bouten: De verwijderde en meegenomen bouten toonden in meer of mindere mate bedekt met roestproduct. Hier en daar waren tevens nog restanten van het corrosie-werend product aanwezig. De meerderheid van de bouten toonden over het gehele blootgestelde deel kleine geïsoleerde roestdeeltjes welke zich grotendeels gemakkelijk lieten verwijderen. Het afgedekte deel van deze bouten (een deel van de draadgang en de onderzijde van de boutkop) toonde grotendeels metallisch blank met nauwelijks afzetting van roestproduct. De M16 bout uit het voetstuk onder de verticale staander tussen vak AE-008 en AE-009 toonde een representatief beeld van bouten met nauwelijks roestafzetting, zie figuur 16. Een kleiner deel van de bouten was echter geheel bedekt met aaneengesloten roestproduct (inclusief het afgedekte deel) waarbij de roest zich ook niet meer liet verwijderen. De M8 bout uit de horizontale ligger bovenin vak AE-004 tussen de 446 steunen van de verticale ribben naar het betonnen plafond toonde een representatief beeld van bouten met aaneengesloten lastig te verwijderen roestafzetting, zie figuur 17. Het M16 grondanker uit vak AE-010 toonde gematigd bedekt met corrosieproduct.

Na verwijdering van de beton- en lijmrestanten toonde het onderliggende oppervlak al na de eerste bedekte draadgangen metallisch blank en visueel vrij van corrosieschade. Zie figuur 18.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 7 van 36

Bassinwand secties: Horizontale ligger vak AE-004: De ligger (ferritisch RVS, materiaal type 446) had een lengte van ca. 896 mm, een breedte van ca. 110 mm, een hoogte van ca. 24 mm, en een dikte van ca. 2 mm. Zowel de bovenzijde als de onderzijde waren grotendeels bedekt met naar elkaar toegroeiende verdikte korsten (“eilandjes”) van donkerbruin roestproduct. Tussen de eilandjes in toonden zich nog delen van het oorspronkelijk oppervlak, zij het dof en niet meer metallisch blank. Aan één kant van de ligger (rechtsboven) was inmiddels een aaneengesloten bedekking gevormd. Zie figuur 19. Ondanks de significante mate van corrosieproducten liet een groot deel van de roest zich vrij gemakkelijk wegvegen (beperkte hechting). Het vrijgekomen oppervlak onder de korsten toonde een redelijk oppervlakkige en algemeen verdeelde putvorming. De putten waren minder dan 0.3 mm diep. Verticale verstevigingsplaat tussen vak AE-010 en AE-011: De verstevigingsplaat (ferritisch RVS, materiaal type 446) had een lengte van ca. 567 mm, een breedte van ca. 258 mm en een dikte van ca. 5.1 mm. De zichtzijde was deels bedekt met een waasvormige afzetting van ingedroogde zouten en conserveringsproduct. Daar doorheen maar ook daarbuiten was een deel van het oppervlak bedekt met zich uitbreidende eilandjes van roestafzetting.

Daartussen en daarbuiten toonden het oppervlak redelijk schoon en grotendeels metallisch blank. De wazige afzetting liet zich gemakkelijk verwijderen om daaronder een min of meer gaaf oppervlak bloot te geven. De roesteilandjes waren relatief makkelijk te verwijderen waaronder op het oog zeer oppervlakkige putvorming (diepte ≤ 0.2 mm) zichtbaar werd. De afgedekte zijde toonde over het gehele oppervlak een bruine waas met ingedroogde kringen van op het oog voornamelijk conserveringsproduct, met corrosieproducten en enig zout. Op meerdere posities was een dikkere aaneengesloten afzetting van corrosieproduct gevormd welke na wegkrabben een zeer oppervlakkig en erg gelijkmatig door corrosie aangetast oppervlak liet zien. De diepte van de aantasting bedroeg naar schatting eveneens maximaal 0.2 mm. De bruine waas liet zich gemakkelijk weghalen en toonde nauwelijks onderliggende aantasting. Zie figuur 20. Horizontale overlapnaad van de loopgoot in vak AE-010: Het bemonsterde deel bestond uit een klein deel van de overlapnaad tussen twee wandplaten (beide ferritisch RVS, materiaal type 430), met een wanddikte van ieder 2 mm met daartussen in twee lagen witte folie van ieder ca. 0.5 mm dikte. Het deel is koud uit de wand gezaagd, de positie van uitname wordt getoond in figuur 8.

Hoewel er geen metallische binding was tussen de twee delen bleven deze redelijk goed op elkaar geklemd zitten waardoor de oorspronkelijke positionering intact bleef. Het blootliggende oppervlak van de plaatdelen was grotendeels bedekt met een mengeling van zoutafzettingen, conserveringsproduct, en roestafzetting. Het grootste deel hiervan liet zich echter wederom gemakkelijk verwijderen (leek er los op te liggen) waaronder een dof maar redelijk intact oppervlak met lichte putvorming (diepte ≤ 0.1 mm) tevoorschijn kwam. Aan de oorspronkelijk blootgestelde randen was enige ruimte zichtbaar tussen plaat en folie (beide delen) waarin zich een bruinachtig product had afgezet. Ook tussen de twee lagen folie was enige ruimte met een afzetting van soortgelijk product. Op de zetrand van de onderliggende plaat was het folie grotendeels losgekomen. Aan de zaagzijde was het folie enigszins aangetast door het slijpen maar er toonde zich geen product. Zie figuur 21. Voor macro- en microscopisch onderzoek is een doorsnede gemaakt op enige afstand van de randen, zie sectie 3.4.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 8 van 36

3.3 Chemische analyse middels Energie Dispersieve röntgenmicroanalyse (EDX) De in de technische ruimte aangetroffen afzettingen van zout- en roestproduct zijn semi-kwantitatief chemisch geanalyseerd met behulp van een energie dispersieve röntgen micro-analyse (EDX) probe van een rasterelektronenmicroscoop (REM). De analyses zijn uitgevoerd bij een versnelspanning van 15 kV en bij vergrotingen variërend van 30x tot 90x. Representatieve resultaten van enkele onderzochte samples staan vermeld in onderstaande tabel 1. • Sample ‘AE-004’ betreft het roestproduct op de uitgenomen horizontale ligger (rvs 446) in vak AE004. Op en rond deze ligger zijn geen ingedroogde leksporen van zoutafzettingen aangetroffen • Sample ‘NO-017’ betreft het roestproduct aangetroffen op het hoekprofiel en het onderliggende Uprofiel (beide rvs 446) in vak NO-017. Op en rond deze positie zijn wél ingedroogde leksporen van zoutafzettingen aangetroffen. Zie figuur 2. • Sample ‘NO-024’ betreft afzetting van wit product aangetroffen op en rondom de overlapnaad tussen de wandplaat en het plafonddeel (met overloopgoot, beide rvs 430) in vak NO-024 en is qua samenstelling min of meer gelijk aan de andere witte zoutafzettingen evenals de stalactieten (er zijn samples van verschillende posities geanalyseerd).

• Sample ‘GA’ betreft een schaaldeel wat om het grondanker (rvs 304) heeft gezeten en bestaat uit beton en/of lijm. De meting is uitgevoerd op het oppervlak wat in contact stond met het draadeind op een diepte van ca 20 mm ten opzichte van het vloeroppervlak. • Voor de volledigheid is tevens het witte folie aan de bassinzijde chemisch geanalyseerd na schoonspoelen met alcohol. Tabel 1. Chemische samenstelling (massa %)* Sample

C

O

Mg

Na

Si

P

S

Cl

K

Ca

Cr

Al

Fe

Ti

AE-004 NO-017 NO-024 GA Folie

Weinig Weinig Weinig Veel Veel

15 29 4.6 69 -

1.8 -

14 31 1.4 -

0.1 0.8 0.5 26 -

0.9 -

5.8 2.2 -

15 26 60 2.3 86

1.2 -

3.0 1.5 1.1 -

6.9 3.0 -

7.0

63 15 2.5

4.6

* Opmerking: EDX (EDS, energie-dispersieve röntgen-microanalyse) is een semi-kwantitatieve analysemethode. De detectielimiet hangt af van het te meten element, de samenstelling van de omringende matrix en de gebruikte versnelspanning. In het algemeen kan worden gesteld dat de detectielimiet 0,1 tot 0,5 massa% bedraagt. De nauwkeurigheid van de resultaten hangt eveneens af van element en matrix, en bedraagt enkele tienden van een procent tot enkele procenten. EDX analyse wordt uitgevoerd op een relatief klein oppervlak. Dit houdt in dat lokale verschillen in chemische samenstelling relatief grote invloed kunnen hebben op het analyseresultaat. Middels EDX kan het koolstofgehalte niet bij benadering met enigszins redelijke nauwkeurigheid worden bepaald. Koolstofgehaltes worden daarom afgeschat op basis van ervaring, gebaseerd op de relatieve grootte van de koolstofpiek in het EDX spectrum, of aangeduid in termen van bijvoorbeeld “veel” of “weinig”. Bij de berekening van de overige percentages (waarbij het totaal als 100% wordt genomen) is het aandeel van koolstof hierdoor niet inbegrepen. Bij grote hoeveelheden koolstof kan dit significante invloed hebben op de berekende percentages van de andere elementen. Bij EDX analyse van stoffen die voornamelijk uit koolstof bestaan (bijv. polymeren) wordt het geschatte koolstofgehalte wel weergegeven in [m%] met een onzekerheid van +/- 10%.

Uit de resultaten van de EDX-analyses kan het volgende worden afgeleid: Het witte product (sample NO-024) bestond uit zouten met voornamelijk chloride (Cl-) en natrium (Na+), en enig zwavel (S) in de vorm van sulfaten, en calcium (Ca2+) en daaruit gevormde oxiden/hydroxiden. Gezien de samenstelling kan gesteld worden dat het hier met grote waarschijnlijkheid om ingedroogde zouten afkomstig uit gelekt zwembadwater gaat. Het product aangetroffen op de ligger (sample AE-004) en op het U-profiel (sample NO-017) bestonden deels uit de legeringselementen van het gebruikte rvs-materiaal: ijzer (Fe) en chroom (Cr) en de daaruit gevormde corrosieproducten (oxiden/hydroxiden). Daarnaast bevatten beide producten zouten met chloor (Cl). In aanvulling bevatte sample NO-017 zouten met magnesium (Mg), natrium (Na), zwavel (S), kalium (K) en calcium (Ca). De samenstelling van de zouten op sample NO-017 komen in grote lijnen overeen met die van het witte product wat bevestigd dat het ook hier – in ieder geval deels – om lekwater vanuit het bassin gaat. Het ontbreken van de zouten/elementen anders dan chloriden op sample AE-004, duidt erop dat de horizontale ligger in vak AE-004 niet (in ieder geval niet direct) onderhevig is geweest aan lekkend bassinwater. De aangetroffen chloriden hier zijn vermoedelijk neergeslagen vanuit nevel/condenserende

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 9 van 36

vochtige lucht in de ruimte. Dit verklaart ook het algemene en wijdverspreide beeld van corrosieve aantasting in delen van de technische ruimte zonder zichtbare afzettingen van zouten of leksporen daarvan. Het vloeranker sample GA bevatte aan het oppervlak eveneens een beperkte doch significante hoeveelheid aan chloriden, met bestanddelen van het beton (Ca en Si houdende verbindingen). Het is mogelijk dat de chloriden uit het beton zelf afkomstig zijn - in beton wordt normaliter enig chloor aangetroffen. Zolang er geen vocht in de naad kan komen hoeft dit geen probleem te zijn. De folie bestond eveneens voor een significant deel uit chloor, ditmaal organisch gebonden (dus niet als chloriden), vermoedelijk betreft het PVC (polyvinylchloride) folie. Uit PVC kunnen ook bij veroudering geen chloriden vrijkomen, enkel brand zou tot vrijkomen van chloriden (in de vorm van HCl) kunnen leiden.

3.4 Macro- en microscopisch onderzoek Bouten: Op basis van het visueel en stereomicroscopisch onderzoek is een vijftal bouten over de lengte door gezaagd waarbij de doorsnede is geprepareerd voor macroscopisch en microscopisch onderzoek: Bout AE-004 (M8) betreft een van de vier bouten afkomstig van de horizontale ligger bovenin vak AE-004. Deze bouten oogden visueel en stereomicroscopisch het meest bedekt met corrosieproduct. Deze bleken ook het zwaarst aangetast door corrosie. Na het doorslijpen konden enkele van de draadtoppen als gevolg van de opgetreden corrosie met de nagel eenvoudig verwijderd worden. In de gepolijste maar ongeëtste conditie toonde de doorsnede vrij schoon met slechts kleine non-metallische insluitingen verspreid over het oppervlak. Na etsen met V2A werd een austenitische structuur met tweelingen zichtbaar, en met sliplijnen en macro deformatielijnen parallel aan het schroefdraadoppervlak. Een dergelijke microstructuur is gebruikelijk voor koud gerold rvs type 304(L) boutmateriaal. Het deel van de tanden dat bloot heeft gestaan (niet afgedekt door de moer en plaatmateriaal) toonde een tweeledige aantasting: Op verschillende posities toonde zich aan het tandoppervlak geïnitieerde scheurvorming met uitbreiding door de tand of zelfs onder complete tanden door.

De uitbreiding verliep deels transkristallijn en was vertakt waarbij de vertakkingen veelal, maar niet alleen, de deformatiebanen in het materiaal volgden. De scheurvorming beperkte zich vooralsnog enkel in of kort onder de tanden en niet door de diameter van de bout zelf. Het beeld van scheurvorming duidt op spanningscorrosie. Veelal rondom de scheurvorming toonde het materiaal een op verschillende posities zeer dicht netwerk van selectieve aantasting van de microstructuur langs de deformatie- en sliplijnen waarbij het boutmateriaal totaal poreus en ondergraven was geworden. Ook aan de neuszijde van de bout en rondom de boutkop toonde zich aan het oppervlak geïsoleerde posities met scheurvorming en selectieve aantasting langs deformatie- en sliplijnen. Zie figuur 22. De M16 bouten afkomstig uit de schuine schoor aan de verticale staander tussen vak AE-010 en vak AE-011 en uit het voetstuk tussen vak AE-008 en AE-009, evenals de M12 bout waarmee de support naar het betonnen plafond aan de verticale staander bevestigd zat tussen vak AE-010 en vak AE-011, toonden een vergelijkbaar beeld qua microstructuur en schade als de hierboven besproken bout AE-004. De mate van aantasting was echter enigszins minder ver gevorderd. Dit kwam overeen met het beeld van aantasting en roestafzetting zoals verkregen met visueel en stereomicroscopisch onderzoek.

Het M16 draadeind (grondanker) afkomstig uit vak AE-010 toonde een vergelijkbare microstructuur als de hierboven beschreven bouten. De aantasting was echter veel minder ver gevorderd. Enkel op twee blootgestelde tanden was zeer lokaal een positie met preferente aantasting zichtbaar langs de deformatiestructuren en sliplijnen. Op de blootgestelde, kopse zijde van de bout was eveneens één kleine positie met een soortgelijke aantasting. Er is op het draadeind geen scheurvorming waargenomen.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 10 van 36

Bassinwand secties: Van de bassinwand secties zijn eveneens doorsneden gemaakt en geprepareerd voor macroscopisch en microscopisch onderzoek. De posities en oriëntaties van uitname van de doorsneden zijn aangegeven in figuur 19 en 20. Horizontale ligger vak AE-004 (rvs 446): De doorsnede is gemaakt op een positie met visueel veel aantasting/afzetting van product met een overgang naar een klein geïsoleerd deel wat visueel redelijk gaaf oogde. In de gepolijste maar ongeëtste conditie toonde de doorsnede vrij veel kleine over het oppervlak verdeelde non-metallische insluitingen waarvan een groot aantal bestond uit vermoedelijk titaannitriden (mogelijk -carbiden) waarbij deze individueel maar ook als op lijn gewalste groepjes voor kwamen. Na etsen met Vilella’s reagent toonde zich een microstructuur bestaande uit ferriet met weinig baanvorming (een min of meer equiaxiale korrelstructuur). Zowel de boven- als de onderzijde van de ligger toonden significante wanddikteafname door putvorming. Ter plaatse van de schijnbaar maximale aantasting was de resterende wanddikte 1.5 mm, op een oorspronkelijke wanddikte van ca. 1.8 mm (gemeten op een min of meer onaangetast deel van de doorsnede). De putten waren min of meer aaneengesloten (geen ondergraving) en de aantasting in de putten had een algemeen/niet preferent karakter.

De putten waren deels gevuld met corrosieproducten (oxiden en hydroxiden), naar verwachting (zie sectie 3.3. EDX analyse) zouthoudend. Zie figuur 23. Er is geen scheurvormige corrosie aangetroffen. Verticale verstevigingsplaat (rvs 446) tussen vak AE-010 en AE-011: Een eerste doorsnede is gemaakt op een positie met visueel veel aantasting/afzetting van product aan de buitenzijde (de blootgestelde zijde) van de plaat. De microstructuur toonde voor en na etsen (Vilella’s reagent) in grote lijnen gelijk aan die van doorsnede AE-004. Het ferriet toonde lichtelijk meer baanvormig en de nitriden waren enkel geïsoleerd aanwezig (geen groepjes). Aan het buitenoppervlak was enige lokale aantasting (putvorming) opgetreden. De diepste putten waren ca. 0.2 mm diep gemeten op een oorspronkelijke wanddikte van ca. 5.0 mm. Een tweede doorsnede is gemaakt op een positie met visueel relatief veel aantasting/afzetting van product aan de binnenzijde (de afgedekte zijde) van de plaat. Ook hier bleek putvorming (deels gevuld met oxiden) te zijn opgetreden, zij het in minder mate dan aan de buitenzijde (maximaal gemeten putdiepte ca. 0.1 mm). Zie figuur 24. Er is in geen van de doorsneden scheurvormige corrosie aangetroffen.

Horizontale overlapnaad van de loopgoot in vak AE-010 (2x rvs 430): Eén doorsnede is gemaakt, met een oriëntatie haaks op de bassinwand en op enige afstand van zowel de zaagrand als de oorspronkelijk blootgestelde rand. Hierbij is de oorspronkelijke configuratie van de twee overlappende delen intact gebleven. Beide plaatdelen toonden vóór en na etsen (Vilella’s reagent) een gelijke microstructuur welke overeenkwam met die van AE-004. De zetrand van de onderste plaat toonde aan de zijde met het folie enkele oppervlakkige beschadigingen, zeer waarschijnlijk het gevolg van plastische vervormingen tijdens het zetten. Het folie was op het onderste plaatdeel, over de zetrand ook grotendeels deels losgelaten. Hier waren enkele zeer kleine en geïsoleerde aantastingen door putvorming zichtbaar. Op het andere, bovenste plaatdeel was de folie nog tot over de volledige lengte in positie. Over ongeveer de eerste 12 mm van de overlapping toonde zich tussen de twee delen folie ingesloten product. Op deze positie was het folie ook dunner en ongelijkmatig van oppervlak. De rest van de overlapping toonde strak en geheel afgedicht zonder enige vorm van aantasting. Zie figuur 25. Er is geen scheurvormige corrosie aangetroffen.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 11 van 36

3.5 Hardheidsmetingen Vickers hardheidsmetingen met een belasting van 98,1 N [HV10] zijn uitgevoerd op de geprepareerde doorsneden. De resultaten zijn weergegeven in tabel 2. Tabel 2. Hardheidsmetingen volgens Vickers methode, belasting 10 kg volgens ISO 6507 monster / positie

type rvs

hardheid [HV10]

Bout AE-004 (horizontale ligger) Bout AE-008/009 (voetstuk) Bout AE-011 (schuine schoor) Bout AE-011-4 (verticale plaat) Vloeranker-draadeind Horizontale ligger vak AE-004 Verticale verstevigingsplaat Overlapnaad – zonder zetrand Overlapnaad – met zetrand

304 304 304 304 304 446 446 430 430

308 – 309 – 317 236 – 241 – 243 264 – 263 – 261 230 – 241 – 231 255 – 270 – 241 155 – 153 – 150 168 – 156 – 155 158 – 158 – 157 152 – 156 – 156

gemiddelde waarde [HV10] 311 240 263 234 255 153 160 158 155

De gevonden waarden en de spreiding van waarden per sample zijn niet ongewoon voor plaatmateriaal cq bouten van deze materialen. De (veel) hogere hardheden van de austenitische type 304 bouten ten opzichte van de ferritische plaatdelen komen deels voort uit de verschillen in chemische samenstelling maar zijn vooral het resultaat van de koude versteviging welke is toegepast bij het vervaardigen van de bouten.

4 Samenvattende discussie en aanbevelingen Het klimaat in de technische ruimte van het zwembad voelde aan als warm en vochtig. De middels EDX geanalyseerde chemische samenstellingen van zoutafzettingen en roestproducten aangetroffen in de technische ruimte toonden (zeer) hoge concentraties aan chloriden. In ieder geval een groot deel van deze chloriden is afkomstig van lekwater uit het bassin, waarbij door verdamping (indrogen tot zout) hoge concentraties aan chloriden zijn ontstaan. De combinatie van warmte, vochtigheid en chloriden maakt dat er in de technische ruimte sprake was van zogenaamde ‘zwembadomstandigheden’. Dat betekent dat behalve lekwater ook neerslag (condensatie) van chloorhoudende dampen, bv. vluchtige chlooramines, een rol kan hebben gespeeld in de chlooroverdracht leidende tot een chloridenhoudend condensaat aan het rvs oppervlak (ook daar waar geen direct lekvocht aanwezig is geweest). Onder deze omstandigheden zijn met name de lager nikkelgelegeerde austenitische typen roestvast staal (rvs) zoals type 304(L) gevoelig voor scheurvormige corrosie (chloride spanningscorrosie, Cl-SCC) en kunnen daardoor geheel bezwijken, vaak zonder dat dat daarbij van tevoren een duidelijke ‘aankondiging’ zichtbaar is.

De ferritische typen roestvast staal (waaronder een type 430 en een type 446) zijn echter in het geheel niet gevoelig voor scheurvorming door Cl-SCC spanningscorrosie. Alle bouten in de gehele bassinwandconstructie evenals een beperkt deel van de constructieve elementen van de bassinwand waren van een austenitisch roestvaststaal materiaaltype 304, een voor Cl-SCC gevoelige kwaliteit. Alle - op één na - middels microscopie onderzochte bouten vertoonden reeds, zij het in verschillende mate, scheurvorming. Uit het uiterlijk van de scheuren (transkristallijn, vertakt), en de aangetroffen chloriden in de corrosieproducten, wordt afgeleid dat deze scheuren Cl-SCC spanningscorrosie betreffen. Aan de scheuren (en de deformatiestructuur van de bouten) was verdere specifieke aantasting van de deformatiestructuur opgetreden in contact met het chloridenhoudend vocht.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 12 van 36

Een vochtig en chloriden houdende omgeving maakt veel rvs materiaal typen ook gevoelig voor chloride puten spleetcorrosie. Dit geldt bijvoorbeeld voor een austenitsch rvs materiaal type 304, maar ook voor nagenoeg alle ferritische rvs materiaaltypen. Spleetcorrosie, maar voornamelijk putcorrosie, geeft over het algemeen goed zichtbare lokale bruine afzettingen die bij verdere ontwikkeling samengroeien en het oppervlak geheel bedekken met roest. Deze roestafzettingen waren in de technische ruimte van het zwembad op de meeste posities goed zichtbaar aanwezig, het onderliggende metaaloppervlak toonde putvorming. Alle overige elementen van de bassinwand waren gemaakt van ferritisch rvs type 430 (de met folie beplakte wandplaten) of type 446 (de rest). Deze typen ferritisch rvs zijn beide niet gevoelig voor Cl-SCC maar wél voor put- en spleetcorrosie. De bassinwandelementen (ferritisch rvs) welke uitgehaald zijn en meegenomen naar het laboratorium voor verder visueel en destructief onderzoek vertoonden in verschillende mate aantasting door putcorrosie (spleetcorrosie is vooralsnog niet waargenomen). De delen met het visueel meest aangetaste uiterlijk bleken significant door putcorrosie te zijn aangetast. De putvorming was in de meeste gevallen <0.3 mm, relatief klein ten opzichte van de plaatdikten. Voor de sterkte van de plaatdelen heeft dat, ook op termijn, weinig consequenties.

Wel kunnen plaatdelen van de zwembadwand op termijn als gevolg van voortschrijdende putcorrosie lekkage gaan vertonen. De delen die visueel intact oogden lieten ook onder de microscoop niet of nauwelijks putvorming zien. De delen met een matige visuele aantasting lieten overeenkomstig een beperkte aantasting door putcorrosie zien. In geen van de gevallen werden ondergravingen van putten waargenomen. In dit opzicht lijkt de aantasting van de ferritische rvs bassinwand elementen visueel controleerbaar (voor zover visueel toegankelijk). Uit het bovenstaande komt Element tot de volgende aanbevelingen om de bestaande bassinwand voor langere tijd te behouden: •

Uit oogpunt van directe veiligheid dienen alle rvs typen 304 bouten/moeren en andere rvs typen 304 constructieve elementen verwijderd te worden en vervangen door materiaaltypen die niet gevoelig zijn voor Cl-SCC. Het ‘passief’ laten staan van 304 onderdelen waarbij deze constructief worden opgevangen door aanvullende elementen wordt afgeraden omdat dit over de jaren heen tot vergissingen kan leiden. Als mogelijk alternatief materiaal voor het materiaal type 304 van bouten en constructieve elementen worden volgens de eerder besproken Regeling Bouwbesluit 2012 (na de wijziging in 2016) enkel het gebruik van de hoog nikkelhoudende austenitisch rvs typen 1.4529 (Alloy 904L), 1.4547 (254SMO, F44) en 1.4565 toegestaan. Bij de wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in 2016 is in de staatskrant nr. 33491 onder andere verwezen naar NEN-EN 1993-1-4 (Eurocode 3) en TNO rapport R11051 uit 2013. De drie genoemde materialen zijn in veel sterkere mate bestand tegen (maar niet volledig ongevoelig voor) Cl-SCC dan een rvs type 304, maar het gebruik van deze voorgeschreven materialen leidt tot aanzienlijk hogere materiaalkosten. Er zijn echter ook andere materiaalkeuzen mogelijk, die helaas door het bouwbesluit uitgesloten worden. In het TNO rapport wordt overigens wel de mogelijkheid van gecoat (verzinkt) staal beschreven (R11051, sectie 6.10).

In de NEN-EN 1993-1-4 staan echter wel alternatieve toepasbare typen roestvast stalen genoemd. Bovendien wordt in NEN-EN 1993-1-4 nog eens specifiek gemeld: ”Alternative which have been shown to have equivalent resistance to stress corrosion cracking in these atmospheres may also be used.” Element leidt hieruit af dat er mogelijkheden tot gebruik van alternatieve materialen zijn die niet worden genoemd in de Regeling Bouwbesluit. Zo kan er voor zowel de bouten als de constructieve elementen gedacht worden aan: - verzinkt koolstofstaal voorzien van een aanvullende coating (een zogenaamde duplex bescherming). De beschermlagen zullen het materiaal langdurig kunnen beschermen tegen algemene corrosie. Mocht het materiaal alsnog aangetast raken dan is dit visueel zichtbaar ruim voordat bezwijken optreedt. Bovendien is koolstofstaal, ook onder zwembadomstandigheden, in het geheel niet gevoelig voor Cl-SCC. Wel zal rekening gehouden moeten worden met galvanische corrosie, waardoor koolstofstalen bouten in contact met rvs versneld aantasten. Om STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 13 van 36

-

dat te voorkomen dienen deze dan elektrisch geïsoleerd (isolerende mantel en ringen) toegepast te worden, hetgeen veel oog voor detail vereist bij ontwerp en uitvoering en daardoor sterk kostenverhogend is. ferritische rvs typen, bijvoorbeeld 430, 446 of 444. Deze zijn zoals koolstofstaal ongevoelig voor scheurvormende Cl-SCC, en bovendien weinig gevoelig voor algemene corrosie. Pas bij significante aantasting door put- en/of spleetcorrosie kan er een bedreiging voor de constructieve veiligheid ontstaan. Dergelijke mate van aantasting is echter goed zichtbaar. Element ziet constructief gezien dan ook geen redenen om de gebruikte ferritische rvs bassinwandelementen te vervangen, tenzij het delen betreft waarbij er al duidelijk sprake is van significante aantasting. Verder betekent dit dat behalve plaatdelen ook bouten vervaardigd uit ferritisch roestvast staal gebruikt zouden kunnen worden. Onderling gebruik van ferritisch en austenitisch rvs leidt niet tot galvanische corrosie.

•

Alle bassinwand elementen dienen schoongemaakt te worden en ontdaan van zoutresten, chloride houdende afzettingen en roest. Daar waar mogelijk dienen licht aangetaste onderdelen na schoonmaken weer voorzien te worden van een goed herstelde oxidehuid (beitsen/passiveren). Al aanwezige putten blijven echter onder gelijkblijvende condities gevoelig voor verdere uitgroei. Delen die te zeer aangetast zijn dienen vervangen te worden. Na het herstel is het wellicht een optie om de oppervlakken te voorzien van een aanvullende doorzichtige beschermlaag (e.g een wax), zodat het materiaal beschermd wordt maar het onderliggende metaal zichtbaar blijft met het oog op monitoring/controle.

•

Het ‘klimaat’ in de technische ruimte dient drastisch en structureel aangepast te worden. Dit betreft zowel het aanbod van lekkagevocht van het bassin, als een hoge luchtvochtigheid met de aanwezigheid van chloorhoudende dampen. Hierbij moet gedacht worden aan de toevoer van lekkagevocht en dampen maar ook aan de afvoer hiervan. Dit betekent ook het stoppen van de huidige lekkages (daarbij dient uiteindelijk ook de oorzaak van de huidige lekkage’s onderzocht en vastgesteld te worden, zie laatste alinea van deze paragraaf), en een actieve luchtbehandeling. Het is hierbij belangrijk om grenswaarden te stellen (bv temperatuur en luchtvochtigheid) en hier continu op te monitoren.

•

De conditie van de wand dient na reiniging en herstel regelmatig gecontroleerd te worden. Het ontwerp van de bassinwand blijft immers kwetsbaar. Bij alsnog optredende corrosie dienen steeds tijdig passende maatregelen genomen te worden (e.g. herhaling van bovenstaande aanbevelingen).

Bij bovenstaande aanbevelingen worden enkele kanttekeningen geplaatst: •

De aanbevelingen dienen állemaal opgevolgd te worden.

•

Waar mogelijk gebruikmaken van ongelegeerd stalen bouten met duplex coating (Zn/polymeer) of van ferritische roestvast staal voor bouten en plaatdelen. Dit staat echter in het bouwbesluit niet als mogelijkheid vernoemd. Het wordt daarom aangeraden om, indien gewenst, op basis van dit rapport, mogelijke ontheffing voor het gebruik van deze materialen te bespreken. In deze zal TNO een belangrijke inbreng hebben.

•

Element kan niet inschatten of de aanbevelingen en materiaalalternatieven economisch afwegen tegen verdergaande alternatieven (e.g. betonnen bassinwanden).

•

Enkel de conditie van de bassinwand aan de zijde van de technische ruimte is onderzocht. Aan de waterzijde is door Element geen onderzoek verricht. Indien aan de waterzijde water met chloriden in direct contact met het rvs van de wandplaten kan komen (falende polymeercoating), dan gaan

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 14 van 36

bovenstaande aanbevelingen niet beschermen tegen waterzijdige put- en spleetcorrosie. (Dit zou echter niet leiden tot spanningscorrosie.) Tot nu toe is er echter nog geen enkele corrosie aan de waterzijde van de zwembadwand gemeld. •

Wat betreft de lekkages zal onderzocht moeten worden in hoeverre ontwerp- of uitvoeringsfouten (boutverbindingen, aanzetmoment, stijfheid plaatdelen en dikte folie) of veroudering (eventueel verlies van elasticiteit van folie of kit, scheuren in beton) een rol hebben gespeeld. Zonder bekende oorzaak kan er na reinigen en het op voorspanning brengen van de plaatverbindingen nieuwe lekkage niet uitgesloten worden.

Alle specifieke kenmerken van het (de) bovengenoemde object(en) zijn, voor zover toegankelijk en relevant, geverifieerd door Element Materials Technology Rotterdam b.v. (Element). Overige informatie is aangeleverd door de opdrachtgever. Deze informatie is voor zover mogelijk geverifieerd en verder ongewijzigd in dit rapport overgenomen. Element draagt geen verantwoordelijkheid voor de correctheid van deze aangeboden informatie. Iedere vorm van “witnessing” en conclusies door derden wordt niet door de RVA accreditatie L063 gedekt en is geen onderdeel van de Element rapportage. Wij verklaren dat de onderzoeksresultaten correct zijn weergegeven en dat het (de) bovengenoemd€ onderzoeksobject(en) is (zijn) onderzocht conform de eisen van de opdrachtgever en/of de bovengenoemde procedure(s) en/of code(s)/specificatie(s). lndien in het rapport een conformiteitsverklaring wordt afgegeven met betrekking tot het voldoen aan een specificatie of norm dan is deze alleen van toepassing om het (de) onderzochte product(en). Bij deze beoordeling wordt de beslisregel toegepast die ervanuit gaat dat de uitgebreide meetonzekerheid niet in de beoordeling wordt meegenomen. Tenzij anders vermeld in de testnorm of de accreditatieregels, wordt de afrondingsregel volgens ISO 80000-1 Annex A regel B toegepast.

In voorkomende gevallen wordt door Element onderzoek uitbesteed, onder vermelding van het accreditatienummer van de uitvoerende partij. Interpretaties, meningen, conclusies en adviezen zijn deels gebaseerd op de onderzoeksresultaten en deels op de door de opdrachtgever aangeboden informatie. Rechtsgeldigheid hebben slechts de rapporten die voorzien zijn van een geautoriseerde ondertekening. Als, bij reproductie, slechts delen van dit rapport worden gekopieerd, draagt Element geen enkele verantwoording voor inhoud, strekking en conclusies in dat kopie. De onderzoeksobjecten van materiaal testen en niet relevante delen van schadeonderzoek zullen 2 maanden, relevante delen van schadeonderzoek zullen 2 jaar en replica’s zullen 5 jaar bewaard blijven, ingaande op de rapportdatum zoals vermeld op het titelblad. Indien wij voor het verstrijken van deze periode van de opdrachtgever geen andersluidende instructies hebben ontvangen, nemen wij aan dat opdrachtgever er geen bezwaar tegen heeft dat de betreffende objecten daarna op een door Element te bepalen moment zullen worden vernietigd.

Breda, 13 mei, 2022 Auteur: ir. R. Boschma IWE Consultant schadeonderzoek

Geautoriseerd door:

dr.ir. J.P. van Houten IWE Groepsleider Schadeonderzoek NL

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 15 van 36

Figuur 1. De opbouw van de vakken was in grote lijnen steeds hetzelfde. De foto links (vak WE-004) toont een wandplaat aan de waterzijde met horizontale en verticale elementen/ribben om de constructie sterkte en stijfheid te geven. De verticale ribben worden extra gesteund door schuine schoren. De rood gestippelde ellipsen duiden de loopgoot aan (enkel aanwezig aan de lange zijden). De foto rechts toont een afwijkend vak (WE-027) met een apart ‘kamertje’ en aanvullende verticale en horizontale ribben. Vakken WE-004 en WE027 waren relatief schoon met op het oog weinig aantasting.)

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 16 van 36

Figuur 2. Twee detailfoto’s van de onderzijde van de wand met op de betonnen vloer een U-profiel met de rug naar de waterzijde. Op het profiel was de onderste zetrand van de wandplaat geplaatst met de zetrand richting technische ruimte. Boven op de zetrand was een hoeklijn geplaatst. De drie lagen (U-profiel, zetrand wandplaat, en hoekprofiel) waren op regelmatige afstanden met boutverbindingen tegen elkaar geklemd. De vakken NO-017 en 018 toonden een relatief sterke mate van productafzetting en visuele aantasting voor deze positie / dit detail wat echter in verschillende vakken het geval was.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 17 van 36

Figuur 3. Beide foto’s: Boven op de hoeklijn waren relatief dikke constructieve elementen geplaats met een (chemische) bout-verankering in de vloer op enige afstand van het U-profiel. Met als doel de wand naar beneden te drukken en de zijwaartse kracht van het water op de wand op te vangen. De gele pijl in de bovenste foto boven toont een van de voetstukken waar de verticale ribben op steunen. De boven getoonde constructieve elementen evenals het voetstuk waren in alle vakken gemaakt van een rvs materiaal type 304.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 18 van 36

Figuur 4. Overzicht van de wandopbouw richting het plafond. De verticale rib (aangegeven met blauwe stip) loopt door tot aan het plafond. Vanuit de rib loopt een (aangegeven met groen stip) support richting het betonnen plafond / loopvloer zwembadgangers (aangegeven met rode stip). Hier tussenin. Is de overloop van het zwembadwater zichtbaar (aangegeven met gele pijl).

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 19 van 36

Figuur 5. Foto links: Een onderaanzicht van een deel van het plafond met daarin geïntegreerd de overloopgoot (aangegeven met gele pijl). Hier is goed te zien hoe de goot is opgebouwd uit verschillende delen die middels zetranden aan elkaar bevestigd zitten met daartussen twee lagen folie. De oranje stip geeft de wand van het bassin aan. Foto rechts: De overloopgoot van bovenaf gezien na verwijdering van het rooster. De rvs goot is aan de waterzijde geheel beplakt met folie welke ter hoogte van de zetranden aanvullend is behandeld met een afdichtend (hard) product.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 20 van 36

Figuur 6. Foto boven: afzettingen van zouten op de overlapverbinding tussen de zetranden van de plafondplaat en de wandplaat met leksporen naar beneden gelegen bassinwand elementen. Foto rechts: Zelfde verhaal maar op de overlapverbinding tussen twee overloopgoot-secties. (Overloop en plafond bestaan steeds uit één en dezelfde plaat.)

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 21 van 36

Figuur 7. Foto boven: Naast de overloopgoot lag verzonken in het beton een kleinere afvoergoot rondom het gehele bassin om ‘vuil’ water vanaf de loopvloer af te voeren naar het riool. De doorvoeren hiervan waren uitgevoerd in standaard PVC pijpen (hier aangeduid met blauwe pijl). Vanuit nagenoeg alle doorvoerposities waren leksporen zichtbaar van wit product waarbij deze op de laagste punten stalactieten vormden. De foto boven betreft vak WE-013. De gele stip duidt de overloopgoot aan. Foto onder: Zelfde verhaal met meerdere stalactieten in vak AE-017.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 22 van 36

Figuur 8. Op de leksporen en de lager gelegen (secundaire) ophopingen van zoutafzettingen toonde zich ook enige roestkleurig product in de afzetting. Bovenstaande foto betreft een detail van de overlapnaad tussen de bovenste en de onderste wandplaat in vak AE-010. Deze overlapnaad was enkel aanwezig aan de lange zijden van het bassin waar ze deel uit maakten van de daar aanwezige loopgoten. De gele stippellijn duidt de zaaglijn aan van de deelsectie die hier uitgenomen is ten behoeve van nader onderzoek in het laboratorium in Breda.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 23 van 36

Figuur 9. Foto boven: Op meerdere posities toonden zich afzettingen van roestproduct zonder aanwezigheid van (zichtbare) zoutafzettingen. Bovenstaande foto toont het bovenste deel van vak AE-004 waarbij het oppervlak van meerdere delen min of meer egaal bedekt waren met roestproduct. Ter oriëntatie: de gele stip duidt de overloopgoot aan, de blauwe stippen de supports tussen de verticale ribben en het betonnen plafond. De oranje pijl duidt de rondom met roestproduct bedekte horizontale ligger tussen de twee supports in aan. Foto onder: Dezelfde ligger gezien vanaf de onderzijde. Ook de support toonde aangetast.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 24 van 36

Figuur 10. De verticale rib in vak AE-011 vóór en ná verwijderen van de verstevigingsplaat.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 25 van 36

Figuur 11. De hier nog te verwijderen onderste bout van het voetstuk onder de verticale staander/rib tussen vak AE-008 en AE-009

Figuur 12. Eén van de grondankers in vak AE-010 elke voor onderzoek in laboratorium is uitgehaald. (Hier nog in positie.)

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 26 van 36

Figuur 13. De bovenste bout tussen de twee verticale zet-randen van de wandplaten van vakken AE-010 en AE-011

Figuur 14. Eén van de bouten waarmee de support naar het betonnen plafond aan de verticale staander bevestigd zat tussen vak AE-010 en AE-011 is uitgehaald en meegenomen naar het laboratorium.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 27 van 36

Figuur 15. De middelste bout van de bevestiging van de schuine schoor aan de verticale staander tussen vak AE-010 en vak -011 is losgemaakt en meegenomen naar het laboratorium. (Hier nog in positie.)

Figuur 16. Een van de bouten uit het voetstuk onder de verticale staander tussen vak AE-008 en AE-009 met voornamelijk roestafzettingen aan de blootgestelde neus en kop van de bout.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 28 van 36

Figuur 17. Een van de bouten uit de horizontale ligger bovenin vak AE-004 tussen de 446 steunen van de verticale ribben naar het betonnen plafond met roestafzettingen over het gehele oppervlak.

Figuur 18. Het grondanker uit vak AE-010 toonde gematigd bedekt met corrosieproduct. Na verwijdering van de beton- en lijmrestanten toonden het onderliggende oppervlak al na de eerste bedekte draadgang metallisch blank en visueel vrij van corrosieschade.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 29 van 36

Figuur 19. Zowel de bovenzijde van de horizontale ligger in vak AE-004 (foto boven) als de onderzijde (foto onder) waren grotendeels bedekt met naar elkaar toegroeiende eilandjes van roestproduct. De witte stippellijn in de foto boven duidt de plaats van uitname van de macrodoorsnede aan (zie sectie 3.4 en figuur 23).

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 30 van 36

Figuur 20. De blootgestelde zijde (zichtzijde, foto boven) toonde een waasvormige afzetting van ingedroogde zouten en conserveringsproduct. Daar doorheen maar ook daarbuiten toonde een deel van het oppervlak bedekt met eilandjes van roestafzetting die hier en daar naar elkaar toe aan het groeien waren. De afgedekte zijde (foto onder) toonde over het gehele oppervlak een bruine waas met ingedroogde kringen van op het oog voornamelijk conserveringsproduct en enig zout. Op meerdere posities was dit product verworden tot een dikkere aaneengesloten afzetting vermengd met roestproduct. De witte stippellijnen in beide foto’s duiden de plaats van uitname van de macrodoorsnede aan (zie sectie 3.4 en figuur 24).

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 31 van 36

Figuur 21. Een deel van de overlapnaad van de loopgoot in vak AE-010 uitgenomen op de rechter zijde (zie figuur 8) gezien vanaf de zijkant met duidelijk zichtbaar de beide plaatdelen en de daarop geplakte delen folie. Aan de oorspronkelijk blootgestelde randen was enige ruimte zichtbaar tussen plaat en folie (beide delen) waarin zich een bruinachtig product had afgezet. Ook tussen de twee lagen folie was enige ruimte met een afzetting van soortgelijk product. Op de zetrand van de onderliggende plaat was het folie grotendeels losgelaten. (Het paarse materiaal betreft klei en dient om de sample recht te houden voor de foto.)

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 32 van 36

Figuur 22. Na etsen met V2A toonde de doorsnede van bout AE-004 een austeniet structuur met dubbelingen met sterke deformatie en sliplijnen. Op en rond de tanden was dit in versterkte mate het geval. Op verschillende posities toonde zich aan het tandoppervlak geïnitieerde scheurvorming met uitbreiding door de tand of zelfs onder complete tanden door. De uitbreiding verliep vertakt waarbij de vertakkingen veelal, maar niet alleen, de deformatiebanen in het materiaal volgden. Rondom de scheurvorming toonde het materiaal een op verschilde posities zeer dicht netwerk van selectieve aantasting van de microstructuur langs de deformatie- en sliplijnen waarbij het boutmateriaal totaal poreus en ondergraven toonde.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 33 van 36

Figuur 23. Foto boven: Zowel de boven als de onderzijde van de horizontale ligger AE-004 toonde significante wanddikteafname door putvorming (de maximale gemeten cumulatieve afname was ca. 0.3 mm op een doorsnede van 1.8 mm. Foto onder: Na etsen met Vilella’s reagent toonde zich een microstructuur bestaande uit ferriet met kleine op lijn gewalste groepjes insluitingen (vermoedelijk titaannitriden). Het oppervlak toonden zich putvorming waarbij de microstructuur algemeen aangetast was.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 34 van 36

Figuur 24. Foto boven: Een doorsnede van de verticale verstevigingsplaat tussen vak AE-010 en 011 op een positie met roestafzettingen op het blootgestelde oppervlak / buitenzijde. De buitenzijde toonde een lichte aantasting door putcorrosie (maximale gemeten diepte 0.1 mm). Foto onder: Een uitvergroting van een doorsnede van dezelfde plaat op een positie met roestafzettingen aan de bedekte zijde / binnenzijde met daarin lichte putvorming gevuld met oxiden.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 35 van 36

Figuur 25. Foto boven: Een doorsnede van de sample in de horizontale overlapnaad van de loopgoot in vak AE-010 (zie figuur 21) uitgenomen op een enige afstand van de op locatie gemaakt zaagrand. Over ongeveer de eerste 12 mm van de overlapping toonde zich tussen de twee delen folie ingesloten product. Op deze positie was het folie ook dunner en ongelijkmatig van oppervlak. De rest van de overlapping toonde strak en geheel afgedicht zonder enige vorm van aantasting, zie foto onder als voorbeeld.

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

ERO037689 Rev. 0 Pagina 36 van 36 Bijlage A: IV-Consult tekening 10-30001

STRIKT VERTROUWELIJK ET_1048_06

B. Inspectierapport Beton uitgevoerd door Nebest

COPA210368-R102 Revisie: 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/264/documents/7900