Bijlage 1a. Toelichting (Vervallen).pdf
Tekst van het document
26
5. Milieuaspecten 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r. beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft hier enkel een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit 5 woningen. Er is geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal van 5 woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om ter plaatse vijf woningen te realiseren.
Er vinden op de locatie geen productiewerkzaamheden plaats. Er is geen sprake van de productie van afvalstoffen, anders dan regulier huisafval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-verbonden beroepen/bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1 kilometer ligt het Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk. Het plangebied ligt op een afstand van circa 500 meter ten oosten van het Natuurnetwerk Nederland. Tussen het plangebied en deze natuurgebieden is bestaande bebouwing en infrastructuur gelegen. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. De minimale toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieu- aspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.
Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer. Conclusie Het plan betreft geen ‘stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in activiteit D 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r. Op basis hiervan hoeft geen m.e.r.beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Het opstellen van een milieueffectrapportage is niet noodzakelijk.
27
5.2 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer, industrie- en of luchtvaartlawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een appartementengebouw. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van de toevoeging van een nieuwe geluidsgevoelige functie. Het plangebied is gelegen in de zone van wegverkeer en industrielawaai. Hiermee is het uitvoeren van akoestisch onderzoek naar wegverkeers- en industrielawaai noodzakelijk. Door Adromi B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit het onderzoek luiden: • • • • •
Ten gevolge van industrielawaai behoeven geen hogere waarden te worden verleend. Ten gevolge van wegverkeerlawaai dienen vanwege de Oost Kinderdijk en de Cortgene hogere waarden te worden verleend. De gecumuleerde geluidbelasting staat het verlenen van hogere waarden niet in de weg, mede vanwege het feit dat bij de appartementen sprake is van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte (noordzijde). Ter plaatse van en in een appartement is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid (wegverkeerslawaai en industrielawaai) staat de realisatie van het plan dan ook niet in de weg.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen. Voor de woningen zijn hogere grenswaarden geluid verleend.
28
5.3 Bedrijven- en milieuzonering Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven. Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een appartementengebouw. Hiermee is sprake van de toevoeging van een milieugevoelig object. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Het plangebied is op geruime afstand van de bedrijven op de scheepswerf ‘Oceanco’ (ca. 500 m) en het gezoneerd industrieterrein ‘Vinkenwaard’ (ca. 1000 m) gelegen. Hierdoor zijn er geen wederzijdse negatieve gevolgen naar aanleiding van het plan. In de directe omgeving van het plangebied is er enkel ten westen van het plangebied is een horecafunctie aanwezig op ca. 125 m afstand. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstanden van het VNG voldaan (10 meter). Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt en dat er sprake is van een acceptabel woonen leefklimaat.
29
5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Verkennend bodemonderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De duidelijk geroerde bovengrond is in twee mengmonsters onderzocht en bevat licht verhoogde gehalten aan diverse metalen (lood, koper, zink, kwik, cadmium, nikkel), PCB en PAK.
Deze verhogingen zijn deels toe te schrijven aan de aangetroffen puin- en kooldeeltjes; Vanwege het boomgaardverleden is een bovengrondmengmonster extra onderzocht op OCB, echter geen van deze componenten is verhoogd aangetroffen; • De eveneens geroerde ondergrond bevat lichte verhogingen aan eveneens diverse metalen, PAK en PCB; • In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek is gebleken dat in de puinhoudende bovengrond een asbestgehalte van 37 mg/kgds is aangetroffen. Omdat dit gehalte minder is dan 50 mg is er geen aanleiding voor aanvullend onderzoek naar asbest; • In het grondwater is het gehalte aan barium boven de streefwaarde aangetroffen. Dit is een gangbare, niet relevante overschrijding. Aanbevelingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een appartementengebouw. NB: bij eventuele afvoer naar elders van mogelijk overtollige licht verontreinigde bovengrond dient men qua kosten rekening te houden met de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit. Er bestaat overigens geen plicht tot afvoer van licht verontreinigde grond. Mogelijk kan gewerkt worden met een gesloten grondbalans.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bodemkwaliteit geen belemmeringen.
30
5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie In opdracht van de gemeente Alblasserdam heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. het rapport ‘Van donk tot dam – Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Alblasserdam’ opgesteld. De doelstelling van de kaarten is om de gemeente Alblasserdam een inhoudelijk onderbouwd, kwalitatief hoogstaand afwegingsinstrument te bieden om archeologische waarden op efficiënte wijze te laten meewegen in ruimtelijke planprocedures. Dit beleid is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Herstelplan Alblasserdam’. Onderzoek Op archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Alblasserdam is te zien dat het plangebied valt op gronden waarbij de volgende dubbelbestemmingen opgenomen dienen te worden: • Waarde – Archeologie 2: Het plangebied heeft grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’.
Vrijstellingsgrens: bodemingrepen tot 40 cm – Mv en plangebied maximaal 50 m² • Waarde – Archeologie 3: Het plangebied heeft voor een klein deel (aan de straatzijde) de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Bij coupures/dijksnijdingen is archeologisch onderzoek noodzakelijk naar de opbouw van de dijk. De geplande werkzaamheden vinden plaats binnen deze dubbelbestemmingen en zijn groter dan 50 m2, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Plangebied
Afbeelding 20: Uitsnede archeologische verwachtingskaart 31
Om aan deze onderzoeksplicht te voldoen is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De conclusies uit het archeologisch onderzoek luiden: •
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het verkennend booronderzoek wijst uit dat de natuurlijke ondergrond uit kleiig bosveen bestaat (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop). In boring 2 wordt het veen afgedekt door een 80 cm dik pakket kleiige komafzetting. Deze wordt op zijn beurt afgedekt door een 50 cm dik pakket eveneens kleiige dijkdoorbraakafzettingen en een 80 cm dikke, moderne ophoging. In boring 1 wordt het veen afgedekt door een 420 cm dik dijklichaam bestaande uit baksteen- en puinhoudende klei.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Er zijn geen recente verstoringen aangetroffen.
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Het dijklichaam wordt als een archeologisch relevante eenheid beschouwd.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Het bevindt zich in het zuidelijk deel van het plangebied, direct aan het maaiveld.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In het dijklichaam bevinden zich fragmenten baksteen en puin. Daarnaast zijn houtskoolbrokken en een fragment aardewerk aangetroffen. Verder zijn op de dijk de funderingsresten van het historische pand Bockhorn nog zichtbaar aanwezig. o
o o
Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Verspreid in het dijklichaam, van 0 tot 420 cm –mv (circa 1,4 m +NAP tot 2,8 m –NAP) Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? In het gehele dijklichaam. Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? De aangetroffen indicatoren kunnen verband houden met in het verleden op de dijk aanwezige bebouwing, maar het kan ook gaan om materiaal dat van elders afkomstig is. De datering is Nieuwe tijd.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De archeologische verwachting dient te worden gehandhaafd. Naast mogelijke eerdere fasen van de dijkaanleg dient rekening te worden gehouden met restanten van de historische bebouwing en eventuele voorgangers hiervan.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? In geval van grondroerende werkzaamheden in het dijklichaam kunnen archeologische waarden worden verstoord. 32
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Volgens de huidige plannen zal de nieuwbouw op de locatie van het in 1957 afgebrande pand worden gerealiseerd. Tijdens het veldonderzoek bleken de funderingen van dit pand nog zichtbaar aanwezig te zijn. Op basis van ligging in een bewoninglint kan de aanwezigheid van resten van oudere bebouwing niet worden uitgesloten. Daarom wordt bij grondwerkzaamheden in het dijklichaam een archeologische begeleiding protocol opgraven geadviseerd.
Aanbeveling Binnen het plangebied is sprake van dijkophogingspakketten van de rivierdijk van de Noord, waarvan de eerste aanleg mogelijk teruggaat tot in de 13e eeuw (afb. 17). Er dient rekening te worden gehouden met sporen van bewoning op deze dijk. Om binnen de grenzen van de verstoring vondsten waar te kunnen nemen, te documenteren en te bergen, adviseert ADC ArcheoProjecten tijdens de grondwerkzaamheden in het dijklichaam een archeologische begeleiding uit te voeren. Hierbij wordt archeologisch toezicht gehouden op een juiste uitvoering van civiele werkzaamheden conform de vergunningsvoorwaarden. Daardoor wordt het verlies van erfgoed tot een minimum beperkt. Selectiebesluit bevoegd gezag Het bevoegd gezag, de gemeente Alblasserdam heeft besloten af te wijken van de aanbeveling tot een archeologische begeleiding zoals die in het onderzoeksrapport staat. De ligging direct nabij het Lammetjeswiel en de aanwezigheid van overslaggronden in zeker één van de boringen, wijzen op een ongunstige/ overstromingsgevoelige locatie en daarmee minder aantrekkelijk voor bebouwing in het middeleeuwse verleden. De nu nog zichtbaar aanwezige funderingsresten van het huis Bockhorn, dat is gebouwd in 1836 en afgebrand in 1964, worden niet gezien als behoudenswaardig. Nader archeologisch onderzoek wordt daarom niet verplicht gesteld.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen.
33
5.6 Watertoets In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur.
Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Op het plangebied is enkel een C-watergang (068689) gelegen, welke verbonden is met het Lammetjeswiel.
De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vallen buiten de beschermingszone van watergangen. Er worden geen ingrepen gedaan op bestaande watergangen. De digitale watertoets Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode: 20190830-921298). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in deze paragraaf uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW034. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,07 m NAP en een winterpeil van -2,07 NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. 34
C-watergang: 068689
Afbeelding 21: Legger wateren
Plangebied
Afbeelding 22: Peilgebiedenkaart
Waterberging en compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het stedelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik gemaakt worden van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. Het plan voorziet in een toename aan verhardoppervlak. De toename aan verharding blijft onder de vrijstellingsgrens van 500 m2 in het stedelijk gebied, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. De initiatief-
35
nemer van dit plan (de eigenaar van het perceel Oost Kinderdijk 9) heeft nog niet eerder gebruik gemaakt van de particuliere vrijstelling. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Tabel 5: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie (Funderings)resten oude pand Tuinhuisje Twee houthokken
Oppervlakte (m2) (schatting) 240 m2 20 m2 50 m2
Totaal bestaande situatie
310 m2
Nieuwe situatie Appartementengebouw Erfverharding*
300 m2 350 m2
Totaal nieuwe situatie
650 m2
Verschil + 340 m2 2 * Het totale plangebied heeft een oppervlakte van ca. 1200 m . Het omliggende erf heeft daarmee een oppervlakte van ca. 900 m2. Hiervan wordt ca. 350 m2 verhard (incl. terrassen, schuurtjes etc.). Dit betekent dat 40% van het om het omliggend erf wordt verhard. De parkeervakken worden uitgevoerd in halfverharding. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen.
Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. De initiatiefnemer van dit plan heeft onderzoek gedaan naar het infiltreren, opvangen en gebruiken van hemelwater, maar ziet geen ruimte om klimaatadaptatie een grotere rol te geven. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Alblasserdam. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen.
36
Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone van een primaire waterkering. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. In het plan is sprake van een fysieke ingreep binnen de beschermingszone welke nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor de primaire waterkering. Voor de werkzaamheden is een watervergunning noodzakelijk. Het appartementengebouw wordt buiten het profiel van vrije ruimte wordt gerealiseerd. Gezien het feit dat er sprake is van lintbebouwing en dat het woonhuis in de beschermingszone van de waterkering wordt gebouwd, ziet het waterschap Rivierenland in dit geval redenen om van het beleid af te wijken. Voor het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. Ter bescherming van de primaire waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) dient voor de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk 1’ en voor de buitenbeschermingszone de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk - 2’ opgenomen. De gemeente Alblasserdam hecht er ten behoeve van de uniformiteit van de systematiek aan te sluiten bij het onderliggende moederplan ‘Herstelplan Alblasserdam.
Om voor alleen deze locatie de regels aan te passen, beschouwt de gemeente Alblasserdam als onwenselijk. Bij een eventuele algehele herziening van het Herstelplan Alblasserdam of een omgevingsplan op termijn zullen de meest recente gegevens (Legger) van het waterschap Rivierenland in de regels en de verbeelding worden verwerkt. Dit is afgestemd met het waterschap Rivierenland. Derhalve is voor de kern- en de beschermingszone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Deze dubbelbestemming beschermt de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken.
Plangebied
Afbeelding 23: Legger waterkeringen
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.
37
5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande bouwwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: Soortenbescherming ‘De te slopen bebouwingen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde ontwikkeling van een appartementengebouw aan de Oost Kinderdijk 9 te Alblasserdam leidt, mits enkelen maatregelen worden getroffen, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.’ Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
• De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van minimaal 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied
38
•
ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1 km ligt het Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk. Het plangebied ligt op een afstand van circa 500 m ten oosten van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen het plangebied zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Afbeelding 24: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden
39
Afbeelding 25: Plangebied t.o.v. Natuur Netwerk Nederland
Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Het plan is getoetst aan het beoordelingskader van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). Hieruit blijkt dat het plan niet relevant is voor het aspect stikstofdepositie. Het plan betreft de realisatie van 5 appartementen. Het plangebied ligt op ruim 8 km afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (de Biesbosch). Op basis van het beoordelingskader van OZHZ ('Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen bouw voor nieuwe initiatieven met stikstofdepositie, versie 5.1, 27 januari 2021') hoeft geen rekening te worden gehouden met stikstofdepositie. Uit het kader blijkt dat – uitgaande van de worst case afstand voor grasland - het plan niet relevant is voor stikstofdepositie. Houtopstanden Esdoorns Ten behoeve van het plan worden zeven bomen (esdoorns) van de waardevolle particuliere bomenlijst gekapt. Het algemene criterium voor deze bomen om op deze lijst te komen vooral is gelegen in de stamdikte, zijnde tenminste 40 cm doorsnede op 1.30 meter hoogte. De bomen die in het geding zijn betreffen esdoorns welke waarschijnlijk spontaan als zaailing zijn gaan groeien. Daarmee zijn het geen minderwaardige bomen. De bomen voldoen immers aan het criterium om op de lijst te staan.
Met kap kan worden ingestemd onder de voorwaarde dat herplant van de bomen in de directe omgeving plaatsvindt, bij voorkeur zo dicht mogelijk aan de dijk. En verder mogen er geen natuurwaarden worden verstoord (geen verblijfplaats/paarplaats vleermuizen of jaarrond beschermde nesten). De esdoorns worden vervangen door nieuwe bomen. Na afstemming met de afdeling Groen van de gemeente Alblasserdam is besloten om 11 bomen terug te planten in de omgeving (tuin van de initiatiefnemer), waarmee wordt voldaan aan de herplantingsplicht. In overleg met de afdeling Groen van de gemeente 40
Alblasserdam is besloten om 2 koningslinden, 1 witte paardenkastanje, 2 Noorse esdoorns, 2 esdoorns "Royal Red", 3 berkenbomen en 1 walnotenboom terug te planten. De nieuwe bomen worden omdat ze ter compensatie worden geplant, ondanks hun in eerste instantie nog kleine omvang, op de bomenlijst vastgelegd om te waarborgen dat deze bomen ook in de toekomst zullen blijven staan. Plataan De grote plataan in het plangebied blijft behouden en zal elk jaar door een ETW specialist worden gecontroleerd / onderhouden. De nieuwbouw komt op een afstand van (geschat) ca. 3 meter van het hart van de stam en daarmee binnen de kroonprojectie en binnen de wortelkluit van de plataan. Bij de uitvoering van het plan wordt rekening gehouden met de plataan en bezien welke maatregelen nodig zijn om de boom te behouden. Voor de plataan is een bomeneffectanalyse uitgevoerd om schade aan deze waardevolle boom te voorkomen. De bomeneffectanalyse is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan. Leilindes De bestaande leilindes zijn zodanig gekortwiekt dat ze nimmer meer de uitstraling zullen krijgen die ze hadden. De leilindes worden vervangen door vijf nieuwe leilindes. De nieuw te planten leibomen worden ca. 60 cm naar achteren geplaatst om een breder trottoir mogelijk te maken. De leilindes zijn eveneens meegenomen in de bomeneffectanalyse.
Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb wanneer het houtopstanden op erven of in tuinen betreffen. Conform de Bomenverordening Alblasserdam 2008 (artikel 2, lid 2) geldt echter wel een kapverbod voor houtopstand in privaat eigendom op percelen van meer dan 150 m2 onbebouwde oppervlakte.
Afbeelding 26: Overzicht te kappen, behouden en te planten bomen
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.
41
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 6: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf januari 2015
Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2019) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 31,6 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van tussen 22,3 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van tussen 13,8 μg PM2,5/m3; Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet in Betekende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekende mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Onderzoek Gezien de kleinschaligheid van het plan valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat de beoogde woninguitbreiding geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en toetsing van de luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Het plan ondervindt wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
42
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek
Plangebied
Afbeelding 27: Uitsnede risicokaart externe veiligheid
43
Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes Transport over de weg en over het spoor In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen en/of wegen over land waarover voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Transport over het water Ten westen van het plangebied is de rivier de Noord gelegen. Over de Noord is sprake van transport van gevaarlijke stoffen uit de klassen LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3. Deze vaarweg maakt deel uit van het Basisnet en is hierin omschreven als deel van de corridor Rotterdam – Duitsland. Het Basisnet Water gaat uit van de kaart met alle vaarwegen van CEMT klasse II en hoger: • Categorie zeevaart (rood): belangrijke toegangen naar zeehavens; • Categorie binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (zwart): belangrijke binnenvaarwegen; • Categorie scheepsvaart zonder frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (groen): minder belangrijke vaarwegen.
De Noord betreft een belangrijke binnenvaarweg (zwart). Voor belangrijke binnenvaarwegen (zwart) geldt: • Geen nieuwe bestemmingen binnen de waterlijn; • Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) 25 meter vanaf de waterlijn en in de uiterwaarden. Bouwen binnen een PAG is mogelijk in afweging met de gemeente; • Verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Berekening nodig indien bevolkingsdichtheid > 1500 personen/ha dubbelzijdig of 2250 personen/ha enkelzijdig. Het plangebied ligt binnendijks op circa 130 meter vanaf de rand van de vaarweg. Hiermee is geen sprake van een nieuwe bestemming binnen de waterlijn en valt het plangebied buiten het Plasbrand Aandacht Gebied (PAG). De bevolkingsdichtheid in de omgeving van het plangebied ligt ruim onder de 1500 personen per hectare. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over binnenwater opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Nota van toelichting bij het Bevt is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico achterwege kan blijven. Deze uitzonderingen zijn uitgewerkt in de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart). De Noord is een rivier van bevaarbaarheidsklasse (CEMT) 6.
Het Basisnet stelt dat over deze vaarweg jaarlijks geen LT2 en 196 transporten GT3 worden vervoerd (LT2+GT3 is dus 196 transporten/jaar). Plaatsgebonden risico In paragraaf 1.4.2.1 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) is wat betreft de toetsing van het plaatsgebonden risico de volgende vuistregel opgenomen: ‘Een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 heeft geen 10-6-contour.’ Het plaatsgebonden risico is daarmee geen belemmering voor het plan. 44
Groepsrisico Artikel 8 van het Bevt schrijft voor dat indien het plan gelegen is binnen een afstand van 200 meter vanaf de rand van de vaarweg er een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Het groepsrisico wordt bepaald door drie variabelen: • De afstand van het plangebied tot de vaarweg; • De aanwezigheidsdichtheid in het bebouwingsgebied; • De aard en de aantallen van de vervoerde stoffen. In paragraaf 1.4.2.2 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) is wat betreft de toetsing van het groepsrisico de volgende vuistregel opgenomen: ‘Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico alleen mogelijk overschreden wanneer binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500 /ha en LT2+GT3>1000 per jaar’. Binnen 200 meter van de oever van de Noord ligt de aanwezigheidsdichtheid onder de 500 personen per hectare. Het Basisnet stelt dat over de Noord jaarlijks geen LT2 en 196 transporten GT3 worden vervoerd (LT2+GT3 is dus 196 transporten/jaar). Derhalve is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Het groepsrisico is zowel in de bestaande situatie als in de nieuwe situatie minder dan 10% van de oriëntatiewaarde.
Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid Artikel 7 van het Bevt schrijft voor dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval moet worden ingegaan op: • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op dat binnenwater, en • Voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op dat binnenwater een ramp voordoet. Het plangebied ligt binnendijks op circa 130 meter vanaf de rand van de vaarweg. In geval van een ramp op het water (bv. een plasbrand, gifwolk of explosie) is men veilig in de woning als men de ramen en deuren sluit en de ventilatie uitzet. Daarnaast hebben de bewoners de mogelijkheid om via de (hoofd)entree(s) van hun woning en omliggende wegen te vluchten. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in meerdere richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Gezien de grote afstand tot de Noord heeft men voldoende tijd om te vluchten. Tenslotte hebben de hulpdiensten voldoende ruimte en voldoende voorzieningen om de ramp te kunnen bestrijden en de gevaarlijke stoffen op te ruimen.
Kabels en Leidingen In het plangebied of de directe omgeving zijn er, voor zover bekend, geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
45
5.10 Duurzaamheid De gemeente Alblasserdam heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. Het plan betreft de nieuwbouw van een appartementengebouw. Het gebouw wordt gasloos gebouw en voorzien van een goede isolatie (conform de huidige bouweisen). De initiatiefnemer van dit plan doet naar onderzoek naar de mogelijkheden voor het toepassen van duurzame energiebronnen.
46
6. Juridische planopzet 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Alblasserdam, nabij Oost Kinderdijk 9’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Alblasserdam, nabij Oost Kinderdijk 9’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Alblasserdam, nabij Oost Kinderdijk 9’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Herstelplan Alblasserdam’ en het ontwerp-bestemmingsplan ‘Parapluherziening Wonen en parkeernormen’ van de gemeente Alblasserdam. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Groen De gronden aan de voor- en zijkanten van het appartementengebouw zijn bestemd als ‘Groen’. Ter plaatse van deze gronden zijn de bebouwingsmogelijkheden beperkt. In de regels voor de bestemming 'Groen' is vastgelegd dat de gronden voor maximaal 20% mogen worden verhard. Tuin Op het volledige achtererfgebied blijft de bestemming ‘Tuin’ ongewijzigd. Ter plaatse van deze gronden zijn de bebouwingsmogelijkheden beperkt. In de regels voor de bestemming 'Tuin' is vastgelegd dat de gronden voor maximaal 55% mogen worden verhard. Verkeer De gronden ter plaatse van nieuwe trottoir aan de voorzijde van het appartementengebouw zijn bestemd als ‘Verkeer’. Wonen Ter plaatse van het appartementengebouw wordt de bestemming ‘Tuin’ gewijzigd naar ‘Wonen’. Het appartementengebouw dient te worden gebouwd ter plaatse van het bouwvlak. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de waterkering is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ overgenomen. Waarde – Archeologie 2 & 3 Ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ overgenomen.
47
6.4 Aanduidingen • • • • • •
Bouwvlak; Gebiedsaanduiding: geluidzone – industrie; Gebiedsaanduiding: overige zone – beschermd dorpsgezicht; Gebiedsaanduiding: overige zone – voorwaardelijke verplichting; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’: 11,5 en 14,5; Maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden’: 5
48
7. Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er op 20 september 2020 een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
8.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Alblasserdam bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan voorgelegd aan de overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is er één reactie ingediend door het Waterschap Rivierenland. De overlegreactie is samengevat en beantwoord in een ‘Nota inspraak en vooroverleg’. De ‘Nota inspraak en vooroverleg’ is toegevoegd in de bijlage. De opmerkingen van het waterschap Rivierenland op de toelichting van het bestemmingsplan zijn verwerkt in hoofdstuk 5.6 Watertoets.
8.2 Inspraak Het voorontwerp-bestemmingsplan ‘Alblasserdam, nabij Oost Kinderdijk 9’ met bijbehorende stukken hebben met ingang van donderdag 14 mei 2020 t/m woensdag 24 juni 2020 ter inzage gelegen via de gemeentelijke website www.alblasserdam.nl en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl via het identificatienummer: NL.IMRO.0482.okinderdijk9113-vo01. Er zijn zes schriftelijke inspraakreacties ingediend. De inspraakreacties zijn samengevat en beantwoord in een ‘Nota inspraak en vooroverleg. De ‘Nota inspraak en vooroverleg’ is toegevoegd in de bijlage. De inspraakreacties hebben geleid tot één aanpassing van het plan: De voorgestelde nieuw te planten leibomen worden 60 cm naar achteren geplaatst om een breder trottoir mogelijk te maken. Ambtelijke wijzigingen In het kader van de uniformiteit van de systematiek van bestemmingsplannen wordt voor wat betreft de ‘wijze van meten’ in nieuwe (postzegel)bestemmingsplan standaard aangesloten bij het moederplan. In dit geval het bestemmingsplan ‘Herstelplan Alblasserdam’. De gemeente hecht eraan de wijze van meten, zoals uniform geregeld in het Herstelplan Alblasserdam en geldend voor de hele gemeente, tevens voor dit bestemmingsplan aan te houden.
Om er zeker van te zijn dat het door de Erfgoedcommissie goedgekeurde plan ‘de Bockhorn’ juridischplanologisch uitvoerbaar is, is het plan getoetst op basis van de ‘wijze van meten’ in het ‘Herstelplan Alblasserdam’. Naar aanleiding hiervan is de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouw- en goothoogte’ gewijzigd. Benadrukt moet worden 49
dat het bouwplan niet wijzigt zoals het in het voorontwerp-bestemmingsplan is weergegeven en besproken in de Erfgoedcommissie. Het bestemmingsplan wordt in die zin alleen gewijzigd om het door de Erfgoedcommissie goedgekeurde plan ‘de Bockhorn’ juridisch-planologisch uitvoerbaar te maken. De maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ op de verbeelding is gewijzigd naar 11,5 meter respectievelijk 14,5 meter. De Aerius-berekening (stikstofdepositieonderzoek) is verwijderd. In hoofdstuk 5.7 Ecologie is een passage opgenomen dat het plan is getoetst aan het beoordelingskader van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). Hieruit blijkt dat het plan niet relevant is voor het aspect stikstofdepositie. Wat betreft de herplanting van bomen is een beplantingsvoorstel opgesteld dat opgenomen is in de bijlage van de toelichting van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 3.3 Groen (bomen) en in hoofdstuk 5.7 Ecologie onder kop ‘Houtopstanden’ is dit nader toegelicht. Bij de uitvoering van het plan rekening wordt gehouden met de plataan. Voor de plataan en de leilindes is een bomeneffectanalyse uitgevoerd. De bomeneffectanalyse is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan.
8.3 Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Alblasserdam, nabij Oost Kinderdijk 9’ met bijbehorende stukken en het ontwerpbesluit hogere grenswaarden geluid hebben met ingang van donderdag 24 juni 2021 t/m donderdag 5 augustus 2021 ter inzage gelegen via de gemeentelijke website www.alblasserdam.nl en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl via het identificatienummer: NL.IMRO.0482. okinderdijk9113-on01. Er zijn vier zienswijzen ingediend op het ontwerp-bestemmingsplan. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een ‘Nota van Zienswijzen’. De ‘Nota van Zienswijzen’ is toegevoegd in de bijlage. De zienswijzen hebben geleid tot drie ambtshalve wijzigingen: 1. Op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn de gronden aan de voor- en zijkanten van het woongebouw bestemd als ‘Groen’ en ‘Verkeer’. Aan de bestemmingen ‘Groen’ en ‘Verkeer’ zijn regels gekoppeld. In de regels voor de bestemming ‘Groen’ is de verplichting opgenomen dat de maatregelen uit het landschappelijke inrichtingsplan uiterlijk 6 maanden na afronding van de bouwwerkzaamheden dienen te zijn gerealiseerd. Tot slot, is in de regels voor de bestemming 'Groen' vastgelegd dat de gronden voor maximaal 20% mogen worden verhard. 2. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting’ opgenomen.
Gekoppeld hieraan is in de regels van het bestemmingsplan voor de bestemming ‘Wonen’ een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de gronden dienen te worden ingericht en in stand dienen te worden gehouden overeenkomstig het aan de regels van het bestemmingsplan gekoppelde landschappelijk inrichtingsplan. 3. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is het volledige achtererfgebied bestemd als ‘Tuin’. In de regels voor de bestemming 'Tuin' is vastgelegd dat de gronden voor maximaal 55% mogen worden verhard.
50
8.4 Maatschappelijk draagvlak In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een woningbouwontwikkeling te informeren. De initiatiefnemer van dit plan heeft er voor gekozen om de omwonenden persoonlijk langs te gaan. Er is overleg geweest met de directe omwonenden. De bewoners hebben aangegeven in principe akkoord te zijn met het plan, maar waren wel benieuwd naar de verdere uitwerking met betrekking op hun privacy en bezonning.
51