BIJLAGE 1 Was wordt tabel huidige APV 2022 Omgevingswet.pdf
Tekst van het document
Was-wordt-tabel aanpassingen Algemene plaatselijke verordening 2022 Leeswijzer De kolom ‘bestaande tekst’ is de tekst uit de Algemene plaatselijke verordening 2022. In de nieuwe tekst zijn de wijzigingen vanwege de Omgevingswet vet gedrukt en geel gearceerd. Artikel 1:1 (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 1:1 Definities Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: In deze verordening wordt verstaan onder: a. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt a. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; manifestaties; b. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in b. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; Wegenverkeerswet 1994; c. rechthebbende: degene die over een zaak c. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; beperkt recht of persoonlijk recht; d. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan d. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Bouwverordening van de in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; gemeente Alblasserdam; e.
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in e. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; leefomgeving; f. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd f. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel een omgevingsvergunning als bedoeld in de 2.1 van de Wet algemene bepalingen Omgevingswet; omgevingsrecht; • beperkingengebiedactiviteit: hetgeen • college: het college van burgemeester en daaronder wordt verstaan in de bijlage, wethouders; onder A, bij de Omgevingswet; • parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in • college: het college van burgemeester en artikel 1 van het Reglement verkeersregels en wethouders; verkeerstekens 1990; • parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in • voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; verkeerstekens 1990, met uitzondering van • voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in kleine wagens zoals kruiwagens en artikel 1 van het Reglement verkeersregels en kinderwagens, en rolstoelen; verkeerstekens 1990, met uitzondering van • motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt kleine wagens zoals kruiwagens en verstaan in
artikel 1 van het Reglement kinderwagens, en rolstoelen; verkeersregels en verkeerstekens 1990; • motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt • bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan verstaan in artikel 1 van het Reglement in artikel 1, eerste lid, onder e. van de verkeersregels en verkeerstekens 1990; Wegenverkeerswet 1994; • bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan • voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in in artikel 1, eerste lid, onder e. van de artikel 1 van het Reglement verkeersregels en Wegenverkeerswet 1994; verkeerstekens 1990, met uitzondering van • voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens artikel 1 van het Reglement verkeersregels en en rolstoelen; verkeerstekens 1990, met uitzondering van • weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens artikel 1, eerste lid, onder b, van de en rolstoelen; Wegenverkeerswet 1994. • weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 1:2 Beslistermijn Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. hoogste acht weken verlengen. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 3. Dit artikel is niet van toepassing op een van de Wet algemene bepalingen aanvraag om een omgevingsvergunning. omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11. Artikel 1:4 (artikel 1, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Deze voorschriften en beperkingen verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:5 (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige a. ter verkrijging daarvan onjuiste of gegevens zijn verstrekt; onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de b. op grond van een verandering van de
omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.
omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 2:11 (artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, in opdracht van een bestuursorgaan of als de activiteiten zijn verboden bij een openbaar lichaam werkzaamheden worden bestemmingsplan, beheersverordening, verricht. exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing 3.
Het verbod is niet van toepassing voor zover op beperkingengebiedactiviteiten met in opdracht van een bestuursorgaan of betrekking tot een weg of waterstaatswerk openbaar lichaam werkzaamheden worden waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens verricht. de Omgevingswet, de provinciale 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op omgevingsverordening of de situaties waarin wordt voorzien door het waterschapsverordening of op situaties Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer waarin wordt voorzien door artikel 5 van de rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, het Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het provinciaal wegenreglement, de Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde krachtens de Telecommunicatiewet. Telecommunicatieverordening of de 5. Op de aanvraag om een vergunning is Leidingenverordening. paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet 5. Op een aanvraag om een vergunning is bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet niet tijdig beslissen) van toepassing. bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:12 (artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of; d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of; d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Artikel 2:21 (artikel I, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de 10 van de Omgevingswet. Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:28 (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden zonder vergunning van de 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: burgemeester: a. een openbare inrichting te exploiteren; a. een openbare inrichting te exploiteren; b.
één of meer bij de openbare inrichting b. één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor zover behorende terrassen te exploiteren, voor zover deze niet onder de uitzonderingscategorie van deze niet onder de uitzonderingscategorie van het twaalfde of veertiende lid vallen. het twaalfde of veertiende lid vallen. 2. De burgemeester weigert de vergunning 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, in strijd is met het omgevingsplan. beheersverordening, exploitatieplan of 3. De burgemeester kan de vergunning
voorbereidingsbesluit en hiervan niet bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgeweken. 3. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven. 4. In aanvulling op het bepaalde in het artikel 2:28b en het tweede en derde lid van dit artikel, kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, b. de aanvrager of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 5. Bij toepassing van de in het vierde lid genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting gelegen is of gelegen zal zijn; b. de aard van de openbare inrichting; c. de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting; d. de wijze van bedrijfsvoering door de aanvrager en/of de leidinggevende, en; e. het levensgedrag van de aanvrager en/of de leidinggevende. 6.
Onverminderd het gestelde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als: a. de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting de bepalingen in deze afdeling, dan wel de voorschriften of beperkingen, behorende bij de vergunning, overtreedt; b. aannemelijk is, dat de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, dan wel de vrees hiertoe wettigen; c. de vergunninghouder of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
weigeren, indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven. 4. In aanvulling op het bepaalde in het artikel 2:28b en het tweede en derde lid van dit artikel, kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, b. de aanvrager of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 5. Bij toepassing van de in het vierde lid genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting gelegen is of gelegen zal zijn; b. de aard van de openbare inrichting; c. de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting; d. de wijze van bedrijfsvoering door de aanvrager en/of de leidinggevende, en; e. het levensgedrag van de aanvrager en/of de leidinggevende. 6. Onverminderd het gestelde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als: a.
de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting de bepalingen in deze afdeling, dan wel de voorschriften of beperkingen, behorende bij de vergunning, overtreedt; b. aannemelijk is, dat de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, dan wel de vrees hiertoe wettigen; c. de vergunninghouder of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; d. de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, geloof of seksuele geaardheid; e. de bij de aanvraag verstrekte gegevens
d. de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, geloof of seksuele geaardheid; e. de bij de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; f. zich in de betrokken openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; g. niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28b en het tweede, derde en vierde lid van dit artikel gestelde eisen; h. de vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2:28d, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28d, vijfde lid; i. er sprake is van een gewijzigde exploitatie of vergunninghouder, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; j. de vergunninghouder in artikel 2:28d, eerste lid en artikel 2:28f bedoelde gevallen geen melding als bedoeld in die artikelen heeft gedaan. k.
redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 7. Als een vergunningaanvraag tevens betrekking heeft op de exploitatie van een of meer terrassen, zoals bedoeld in artikel 2:27 toezicht op openbare inrichtingen, beslist de burgemeester in afwijking van artikel 2:10, eerste lid, voor zover deze terrassen zich op de weg bevinden, ook over de ingebruikneming van de weg ten behoeve van het terras. Onverminderd het bepaalde in dit artikel, tweede lid, vierde lid en vijfde lid kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg door een terras weigeren als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c. het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; f. zich in de betrokken openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; g. niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28b en het tweede, derde en vierde lid van dit artikel gestelde eisen; h. de vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2:28d, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28d, vijfde lid; i. er sprake is van een gewijzigde exploitatie of vergunninghouder, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; j. de vergunninghouder in artikel 2:28d, eerste lid en artikel 2:28f bedoelde gevallen geen melding als bedoeld in die artikelen heeft gedaan. k. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 7.
Als een vergunningaanvraag tevens betrekking heeft op de exploitatie van een of meer terrassen, zoals bedoeld in artikel 2:27 toezicht op openbare inrichtingen, beslist de burgemeester in afwijking van artikel 2:10, eerste lid, voor zover deze terrassen zich op de weg bevinden, ook over de ingebruikneming van de weg ten behoeve van het terras. Onverminderd het bepaalde in dit artikel, tweede lid, vierde lid en vijfde lid kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg door een terras weigeren als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c. het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. 8. De burgemeester kan de aanvraag voor een exploitatievergunning die betrekking heeft op een terras weigeren: a. indien het terras gelegen is op of aan de weg die door de burgemeester met het oog op de
8. De burgemeester kan de aanvraag voor een exploitatievergunning die betrekking heeft op een terras weigeren: a. indien het terras gelegen is op of aan de weg die door de burgemeester met het oog op de belangen genoemd in het vijfde lid van dit artikel is aangewezen, en; b. indien het terras gelegen is op of aan de weg die door het college met het oog op de belangen genoemd in het zesde lid van dit artikel is aangewezen. 9. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar bij het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid een exploitatieplan moet worden vastgelegd waarin de maatregelen staan beschreven die de aanvrager neemt om overlast in de omgeving van de openbare inrichting als gevolg van de exploitatie van de openbare inrichting te voorkomen. 10. Het college kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid nadere regels stellen voor de exploitatie van openbare inrichtingen. 11 Het eerste lid van dit artikel geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten openbare inrichtingen. 12 Het eerste lid van dit artikel geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. 13 Voor de openbare inrichting in een winkel gelden dezelfde sluitingstijden als de winkel.
14 Voorts geldt het eerste lid niet voor: a. een openbare inrichting in zorginstellingen; b. een openbare inrichting in musea; c. een openbare inrichting in sportkantines; d. een openbare inrichting in scholen; e. een openbare inrichting in clubhuizen 15 Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
belangen genoemd in het vijfde lid van dit artikel is aangewezen, en; b. indien het terras gelegen is op of aan de weg die door het college met het oog op de belangen genoemd in het zesde lid van dit artikel is aangewezen. 9. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar bij het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid een exploitatieplan moet worden vastgelegd waarin de maatregelen staan beschreven die de aanvrager neemt om overlast in de omgeving van de openbare inrichting als gevolg van de exploitatie van de openbare inrichting te voorkomen. 10. Het college kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid nadere regels stellen voor de exploitatie van openbare inrichtingen. 11 Het eerste lid van dit artikel geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten openbare inrichtingen. 12 Het eerste lid van dit artikel geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. 13 Voor de openbare inrichting in een winkel gelden dezelfde sluitingstijden als de winkel. 14 Voorts geldt het eerste lid niet voor: a. een openbare inrichting in zorginstellingen; b. een openbare inrichting in musea; c. een openbare inrichting in sportkantines; d.
een openbare inrichting in scholen; e. een openbare inrichting in clubhuizen 15 Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing..
Artikel 2:29 (artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 2:29 Sluitingstijd Artikel 2:29 Sluitingstijd
1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor
1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor
bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. De burgemeester kan door middel van een vergunningsvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting en/of een daartoe behorend terras. 5. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. De burgemeester kan door middel van een vergunningsvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting en/of een daartoe behorend terras. 5. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:39 (artikel I, onderdeel N, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 2:39 Speelgelegenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid 1.In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. hebben dezelfde betekenis als in die wet. 3. Het is verboden zonder vergunning van de 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of doen exploiteren. exploiteren of doen exploiteren. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties 4.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. kansspelen. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. strijd is met het omgevingsplan. 6. Op een aanvraag om een vergunning is 6. Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. niet tijdig beslissen) niet van toepassing..
Artikel 2:71 (artikel I, onderdeel S, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 2:71 Definitie Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk: In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk: a. consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder a. consumentenvuurwerk: vuurwerk van wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit; categorie F1, F2 of F3 dat op grond van b. bus: een al dan niet originele melkbus, of een artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is andere bus van staal of ijzer, een container, een aangewezen als vuurwerk dat ter opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk beschikking mag worden gesteld voor te stellen voorwerp; particulier gebruik.; c. carbidschieten: het in een (melk)bus, b. bus: een al dan niet originele melkbus, of een container of opslagvat of ander daarmee gelijk andere bus van staal of ijzer, een container, een te stellen voorwerp op explosieve wijze opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk verbranden van acetyleengas, afkomstig van te stellen voorwerp; een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en c. carbidschieten: het in een (melk)bus, water of gasmengsels met vergelijkbare container of opslagvat of ander daarmee gelijk eigenschappen.
te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas, afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. Artikel 3:7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als: a.de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b.de exploitant of beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij c.de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld en/of er voldoende concrete aanwijzingen zijn voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d.de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf
Nieuwe tekst Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als: a.de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b.de exploitant of beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij c.de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld en/of er voldoende concrete aanwijzingen zijn voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d.de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf
jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de geldende Algemene plaatselijke verordening Alblasserdam 2022; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. j. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt; k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd. 2.
Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5.Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de geldende Algemene plaatselijke verordening Alblasserdam 2022; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. j. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt; k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan. 2.
Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5.Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; g.
als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; g.
als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
Artikel 4:1 (artikel I, onderdeel V, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 4:1 Definities Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: In deze afdeling wordt verstaan onder: - collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek - Activiteitenbesluit milieubeheer: aan één of een klein aantal inrichtingen is Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat verbonden; besluit luidde direct voorafgaand aan de - gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt inwerkingtreding van de Omgevingswet; verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit - collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek milieubeheer; aan één of een klein aantal inrichtingen is - gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verbonden; verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit - gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt milieubeheer; verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit - houder van een inrichting: degene die als milieubeheer; eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins - gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt een inrichting drijft; verstaan in artikel 1.1.
van het Activiteitenbesluit - incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die milieubeheer; gebonden is aan één of een klein aantal - houder van een inrichting: degene die als inrichtingen; eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in een inrichting drijft;
artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. - incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
- incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. - incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 4:5 (artikel I, onderdeel W, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 4:5 Onversterkte muziek Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de b.
de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder; d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als dat besluit luidden direct voorafgaand aan de vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie inwerkingtreding van de Omgevingswet; wordt toegepast. d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie 2. Tabel wordt toegepast. 2. Tabel
07.0019.00 uur
19.0023.00 uur
23.0007.00 uur
07.0019.00 uur
19.0023.00 uur
23.0007.00 uur
LAr.LT op de gevel van gevoelige 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) gebouwen LAr.LT in in- en aanpandige 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) gebouwen LAmax in in- en aanpandige 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) gevoelige gebouwen
LAr.LT op de gevel van gevoelige 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) gebouwen LAr.LT in in- en aanpandige 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) gebouwen LAmax in in- en aanpandige 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) gevoelige gebouwen
3. Voor de duur van 5 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.
3. Voor de duur van 5 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.
Artikel 4:6 (artikel I, onderdeel Y, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 4:6 Overige geluidhinder Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, waarin wordt voorzien bij of krachtens de de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of milieubeheer, het Bouwbesluit of de provinciale de provinciale omgevingsverordening. milieuverordening.
Artikel 4:16 (artikel I, onderdeel AA, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 4:16 Verbod hinderlijke of gevaarlijke Artikel 4:16 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende 1. Het is verboden op of aan een onroerende
zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
Artikel 4:18 (artikel I, onderdeel AB, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 4:18 Definitie Artikel 4:18 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor verstaan een niet-grondgebonden geen omgevingsvergunning voor het bouwen in onderkomen of voertuig, dat bestemd of de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:19 (artikel I, onderdeel AC, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 4:19 Recreatief nachtverblijf buiten Artikel 4:19 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de dat als zodanig in het omgevingsplan is beheersverordening, exploitatieplan of een bestemd of mede bestemd.
voorbereidingsbesluit is bestemd of mede 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van bestemd. kampeermiddelen voor eigen gebruik door de 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van rechthebbende op een terrein. kampeermiddelen voor eigen gebruik door de 3. Het college kan ontheffing verlenen van het rechthebbende op een terrein. verbod. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan verbod. de ontheffing worden geweigerd in het belang 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan van de bescherming van: de ontheffing worden geweigerd in het belang a. natuur en landschap; of van de bescherming van: b. een stadsgezicht. a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht.
Artikel 5:5 (artikel I, onderdeel AD, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 5:5 Voertuigwrakken Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer. milieubeheer of het Besluit activiteiten
leefomgeving. Artikel 5:6 (artikel I, onderdeel AE, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen voertuigen 1. Het is verboden een aanhangwagen voor 1. Het is verboden een aanhangwagen voor zover deze niet hoger dan 2,4 meter en niet zover deze niet hoger dan 2,4 meter en niet langer dan 6 meter is, woonwagen, langer dan 6 meter is, woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, keetwagen of soortgelijk magazijnwagen, keetwagen of soortgelijk voertuig dat voor recreatie of anderszins voor voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op wegen binnen de bebouwde kom, dagen op wegen binnen de bebouwde kom, alsmede op een door het college alsmede op een door het college aangewezen plaats buiten de bebouwde aangewezen plaats buiten de bebouwde kom, te plaatsen of te hebben; kom, te plaatsen of te hebben; b. op een door het college aangewezen b.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. onder a. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het beperkingengebiedactiviteiten met provinciaal wegenreglement of de provinciale betrekking tot een weg waarvoor regels zijn landschapsverordening. gesteld bij of krachtens de provinciale 4. Op de aanvraag om een ontheffing is omgevingsverordening. paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet 4. Op de aanvraag om een ontheffing is bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet niet tijdig beslissen) van toepassing. bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:18 (artikel I, onderdeel AF, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te college een standplaats in te nemen of te hebben. hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, strijd met het omgevingsplan beheersverordening, exploitatieplan of 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan voorbereidingsbesluit. de vergunning worden geweigerd als: 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in de vergunning worden geweigerd als: verband met de omgeving niet voldoet aan a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in redelijke eisen van welstand; of verband met de omgeving niet voldoet aan b. een kwantitatieve of territoriale beperking als redelijke eisen van welstand; of gevolg van bijzondere omstandigheden in de b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gemeente of in een deel van de gemeente gevolg van bijzondere omstandigheden in de noodzakelijk is in verband met een dwingende gemeente of in een deel van de gemeente reden van algemeen belang. noodzakelijk is in verband met een dwingende 4. Op een aanvraag om een vergunning is reden van algemeen belang. paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
4. Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:20 (artikel I, onderdeel AG, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing 1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op beperkingengebiedactiviteiten met milieubeheer, de Wet beheer betrekking tot een weg of waterstaatswerk rijkswaterstaatswerken of het provinciaal waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens wegenreglement. de Omgevingswet of de provinciale 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde omgevingsverordening. lid, onder a, is niet van toepassing op 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde bouwwerken. lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Artikel 5:24 (artikel I, onderdeel AI, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een 1.