CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Fop Smitstraat (toelichting).pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 23 juni 2026, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 9: Vaststellen bestemmingsplan Fop Smitstraat 48 - Voorstel12.465 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

33

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient, op basis van deze zorgplicht, in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. In de omgeving van het plangebied komen een aantal beschermde natuurgebieden voor. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het Vogelrichtlijngebied ‘Boezems Kinderdijk’ op een afstand van circa 400 meter. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen betreft de Biesbosch op een afstand van circa 11 kilometer. Binnen de bebouwde kom van Alblasserdam komen geen gebieden voor die deel uitmaken van het NNN. Het NNN in het buitengebied valt samen met het Natura 2000-gebied ‘Boezem Kinderdijk’. Het plangebied bevindt zich op een bebouwde bedrijfskavel in de bebouwde kom. De aanwezige bebouwing zal worden gesloopt. De bestaande bedrijfsfunctie wordt beëindigd. Naar de aanwezigheid van beschermde soorten is in januari 2026 een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd door Blom Ecologie BV. Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen sloop van de bebouwing niet zal leiden tot aantasting van de beschermde natuurwaarden. De onderzoeksresultaten zijn opgenomen in de bijlage van deze toelichting. De planlocatie ligt buiten het NNN en heeft geen directe verbinding met omliggende verbindingszones.

Er is sprake van een grote afstand tussen het plangebied en de omliggende Natura- 2000 gebieden. Effecten als gevolg van onder meer geluid, licht en versnippering kunnen op voorhand worden uitgesloten. Een toename van de stikstofdepositie op natuurgebieden kan van invloed zijn op de beschermde soorten aldaar. Bij het gebruik van de woningen vindt uitstoot van stikstof plaats door verkeersbewegingen. In samenhang met het plan worden de bedrijfsactiviteiten duurzaam beëindigd. Door de Roever Omgevingsadvies is in januari 2026 een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd op basis van het voorschreven rekenmodel Aerius Calculator. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de depositie van stikstof als gevolg van het gebruik van de woningen niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering zijn bouwwerkzaamheden sinds 1 juli 2021 vanwege het kortstondige karakter vrijgesteld van vergunningplicht. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde soorten. De resultaten van de depositieberekening zijn opgenomen in de bijlage van deze toelichting. Op basis van de terreinsituatie, afstand tot omliggende natuurgebieden en de resultaten van een stikstofdepositieberekening en een verkennende flora- en faunaonderzoek voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming.

34

4.8 Water Centraal in het waterbeleid staat dat water een belangrijk sturend element in de ruimtelijke ordening is. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de ecologische kwaliteit van oppervlaktewateren te verbeteren: het ‘Goed Ecologisch Potentieel’ (GEP). De Europese doelstellingen worden via de nationale Waterwet geïmplementeerd. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en werkt door in de ruimtelijke ordening. In de ‘Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw’ (d.d. 14 februari 2001) is door rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten overeengekomen dat in alle nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets opgenomen dient te worden. In de toelichting van een bestemmingsplan dient op basis van artikel 3.6 lid 1 Bro aangegeven te worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van het bestemmingsplan overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen.

Algemene leidende principes binnen de waterwetgeving met betrekking tot waterkwantiteit en waterkwaliteit zijn: Waterkwantiteit: Stap 1- voorkomen van hemelwaterafvoer (vasthouden); Stap 2- benutten of infiltreren van hemelwater (bergen); Stap 3- vertraagd afvoeren van hemelwater naar oppervlaktewater (afvoeren). Waterkwaliteit: Stap 1- Voorkomen Stap 2- Scheiden Stap 3- zuiveren Het plangebied bevindt zich binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Vanuit de Waterwet (die zal opgaan in de Omgevingswet) geldt de verplichting tot het opstellen van een Waterbeheerprogramma. Het waterschap heeft haar strategische lange termijn doelstellingen vastgelegd in de Watervisie 2050. Door middel van het Waterbeheerprogramma 2022- 2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ is een tactische vertaling gemaakt in oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese KRW. Ruimtelijk relevante aspecten van het waterbeleid worden vertaald in het bestemmingsplan. Om te bepalen of er voor de geplande werkzaamheden een vergunning of ontheffing vereist is, dient getoetst te worden aan de regels uit de Keur oppervlaktewateren.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water in het Waterbeheerprogramma zijn op hoofdlijnen: • Waarborgen van waterveiligheid; 35

• • • •

Zorgen voor mooi en schoon water; Beperken effecten van bodemdaling; Bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving; Verduurzaming van het watergebruik.

Sinds 2003 vormt volgens het Besluit op de Ruimtelijke Ordening de Watertoets een verplicht onderdeel van de afweging van elk ruimtelijk plan. In een waterparagraaf dient te worden beschreven hoe met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding wordt omgegaan. De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Alblasserdam. Het plangebied ligt op circa 70 meter afstand van de West- Kinderdijk. De WestKinderdijk is een primaire waterkering. Deze waterkeringen beschermen tegen hoogwater vanuit de Noordzee en de grote rivieren waaronder ‘de Noord’. Het plangebied bevindt zich deels binnen de beschermingszone en deels in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Het is op grond van de Keur waterkeringen verboden om zonder vergunning bouwwerken op te richten in en op een primaire waterkering en diens bijbehorende beschermingszone. Voor het uitvoeren van een aantal veel voorkomende werkzaamheden in de buitenbeschermingszone gelden algemene regels. Voor het uitvoeren van aanleg- en bouwwerkzaamheden, waaronder bodem- en grondwatersaneringen op en bij een primaire waterkering gelden toetsingscriteria. Voor het oprichten van een permanent bouwwerk gelden de toetsingscriteria van de Keur (artikel 5.18a) onder A: nieuwbouw. Nieuwe ontwikkelingen mogen de stabiliteit van de waterkering en de waterkerende functie niet belemmeren.

Tevens dient de waterkering ook in de toekomst doelmatig te kunnen worden onderhouden en beheerd. Voor het oprichten van bouwwerken geldt dat de fundering het profiel van de vrije ruimte en het leggerprofiel niet mag doorsnijden. De planlocatie bevindt zich in leggervak AW 145+055m op een afstand vanaf circa 70 meter uit de waterkering. Het profiel van de vrije ruimte bevindt zich op - 1,50m t.o.v. NAP. Bij het oprichten van bouwwerken mag het maaiveld niet worden verlaagd. Tevens mogen geen holle ruimtes worden gerealiseerd ter hoogte van de beschermingszone. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een planologisch kader geboden op basis waarvan maximaal twee woningen kunnen worden gerealiseerd. In de planregels en verbeelding zijn de aanduidingen ‘vrijwaringszone-dijk 1’ en ‘vrijwaringszone-dijk 2’ opgenomen ter hoogte van de beschermingszone en de buitenbeschermingszone van de waterkering. Ten aanzien van het uitvoeren van werkzaamheden bij de waterkering is toestemming nodig van het waterschap. Hiervoor zal een watervergunning worden aangevraagd. Het plangebied bevindt zich volgens de Omgevingsverordening Zuid-Holland niet in een boringvrije zone, waterwingebied of in een grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied bevindt zich in peilgebied NDW034. Het winterpeil en het zomerpeil voor dit gebied zijn vastgesteld op -2,07m –NAP.

Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich een watergang die worden beschermd op grond van de Keur. De noord-zuid georiënteerde watergang heeft een B-status (066846), deze B-watergang mondt uit in een A-watergang ten noorden van de bebouwde kom (‘Middelwetering’). De B-watergangen hebben een 36

beschermingszone van 1 meter aan weerszijden. De nieuwe woningen worden buiten de beschermingszone van de watergang gebouwd.

Afbeelding 8: Uitsnede legger wateren

Afbeelding 9: Uitsnede legger waterkeringen

In de huidige situatie is het perceel in gebruik als bedrijfslocatie en als zodanig bestemd. Het perceel is thans volledig verhard. In samenhang met de beoogde functiewijziging wordt de bestaande bedrijfslocatie planologisch en feitelijk beëindigd. De bedrijfsactiviteiten worden gestaakt en de bebouwing wordt gesaneerd. In de nieuwe situatie worden binnen het perceel twee woningen met tuin 37

gerealiseerd. Het areaal verhard oppervlak zal door de beoogde functiewijziging afnemen. Het huishoudelijk afvalwater van de woningen wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Hergebruik van hemelwater bij woningen kan in beperkte mate plaatsvinden door middel van de opvang van gietwater voor de tuin. Het overtollig water vloeit af via aanliggende B-watergang naar de Middelwetering. De woningen zijn reeds ontsloten via een uitrit op de Fop Smitstraat. De beoogde functiewijziging naar een woonfunctie is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De waterhuishoudkundige situatie vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan. Voor de bouw- en aanlegwerkzaamheden in de beschermingszone van de primaire waterkering zal een melding danwel een watervergunning worden aangevraagd. De waterparagraaf wordt in het kader van het wettelijk overleg ex artikel 3.1.1. Bro voor advies en ter beoordeling aan waterschap Rivierenland voorgelegd.

38

4.9 Externe veiligheid Het doel van het externe veiligheidsbeleid is het beheersen van risico’s door opslag en transport van milieugevaarlijke stoffen afkomstig van industriële activiteiten. Tot risicobronnen behoren inrichtingen en transportroutes waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en luchthavens. Het wettelijk kader voor de beoordeling van risico’s van transport van gevaarlijke stoffen is sinds april 2015 vastgelegd in de Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Zonering vindt plaats door middel van veiligheidsafstanden op basis van berekende risico’s of te verwachten effecten bij calamiteiten. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en risicovolle bedrijvigheid zijn normen voor het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) van belang.

Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. In gebieden met een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer gevaarlijke stoffen Het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen is sinds 2015 vastgelegd in het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes en de Regeling Basisnet. Op basis van het Bevt is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar, voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. De Regeling Basisnet stelt risicoplafonds langs hoofdtransportroutes vast. Per trajectdeel is aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied.

Nieuwbouw van kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Binnen de plasbrandaandachtsgebieden (zone van 30 meter) gelden aanvullende eisen uit het Bouwbesluit 2012. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied (200 meter) van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. 39

Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Alblasserdam. Woningen zijn geen activiteiten met een veiligheidsrisico voor de omgeving. Een woning is volgens het Bevi een kwetsbaar object. Inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich op basis van de Risicokaart Zuid-Holland geen inrichtingen met een veiligheidsrisico. Ten noorden van de bebouwde kom, aan de Molenkade, is een biologische kaasboerderij gevestigd. Het bedrijf betreft een risicovolle inrichting als gevolg van een bovengrondse propaantank met een inhoud van 7,2 m3. De boerderij betreft geen Bevi inrichting. De veiligheidsafstand ten opzichte van de propaantank bedraagt 25 meter (PR 10-6). Het plangebied bevindt zich ruim buiten de veiligheidsafstand van de inrichting. De activiteiten van het bedrijf vormen geen veiligheidsrisico voor de nieuwe bewoners van het plangebied. Vervoer gevaarlijke stoffen De vaarweg de Noord is opgenomen in het Basisnet als binnenvaartroute binnen de Corridor Rotterdam- Duitsland.

Over de Noord vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats waaronder brandbare vloeistoffen en toxische gassen. De plaatsgebonden risicocontour van de vaarweg (PR 10-6 contour) reikt op basis van Bijlage 3 uit de `regeling Basisnet tot de oeverlijn. De bevaarbaarheidsklasse van de vaarweg is volgens de ‘Atlas Leefomgeving’ vastgesteld op VIc. Bij bouwplannen binnen 200 meter langs de vaarweg dient een verantwoording plaats te vinden van het groepsrisico. Wanneer het groepsrisico lager ligt dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, wordt volstaan met een standaard verantwoording. Het plangebied ligt op circa 265 meter van het midden van de vaarweg de Noord. Het herontwikkelen van een voormalig bedrijfsterrein tot woongebied in binnendijks gebied en binnen de bebouwde kom is kleinschalig en heeft geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. De ontwikkeling heeft door de kleine schaal en afstand tot de vaarweg, geen gevolgen voor de doorvaart, zichtlijnen voor scheepvaart op de Noord noch voor de bereikbaarheid voor hulpdiensten van de vaarweg. Ten aanzien van de woningen kan worden volstaan met het standaard advies waarbij de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt beschouwd. De woningen worden opgericht volgens de geldende bouwregelgeving en brandveiligheidsvereisten volgens het Bouwbesluit 2012.

Bewoners kunnen bij een calamiteit op de vaarweg zelfstandig de woning verlaten en van de risicobron af vluchten. Het scenario met de grootste effectafstand betreft een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen. In dit scenario wordt aangeraden om de woningen te voorzien van centraal afsluitbare mechanische ventilatie conform 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld wanneer er in de omgeving toxische gassen aanwezig zouden zijn. 40

Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen waarvoor een veiligheidsrisico geldt.

Afbeelding 10: Uitsnede risicokaart

Brandveiligheid De bereikbaarheid van het plangebied voor hulpvoertuigen en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moeten voldoen aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland 2020). De brandveiligheidsvereisten voor een woning zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Daar waar de planologische ontwikkeling een gebouw mogelijk maakt dienen een aantal brandveiligheidsaspecten onderzocht te worden. De gemeente stemt bij ruimtelijke ontwikkelingen een aantal brandveiligheidsaspecten vroegtijdig af met de Veiligheidsregio. De brandveiligheidsaspecten betreffen met name de bereikbaarheid door de brandweer via de openbare weg, de brandweerzorgnorm, de primaire bluswatervoorziening op de openbare weg en de secundaire bluswatervoorziening. Er wordt voldaan aan de handreiking indien: het collectieve terrein een minimale beschikbare rijstrookbreedte heeft van 3,25 meter, een vrije ruimte met een breedte van 3.50 meter en een doorgangshoogte van minimaal 4,20 meter óf de afstand van het begin van het collectieve terrein tot aan de toegang van de woning niet meer is dan 40 meter. Indien blijkt dat er niet voldaan wordt aan de brandveiligheidseisen dienen er maatregelen getroffen te worden in het plan. Voorbeelden hiervan zijn een opstelplaats voor de brandweer of een secundaire bluswatervoorziening.

In dat geval moet deze voorziening in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden en ook geborgd worden in de anterieure overeenkomst. De planlocatie bevindt zich binnen de bebouwde kom. Het perceel en de nieuwe woningen zijn bereikbaar vanaf de Fop Smitstraat. Voor een nieuwbouwwoning in een kleinschalige woonwijk geldt het advies om op een afstand van maximaal 200 meter van de woning te voorzien in een bluswatervoorziening met een capaciteit van

41

minimaal 60 m3 per uur. Het beschikbare breedte en hoogte van het collectieve terrein, voldoet aan de voorschriften uit de Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Binnen het plangebied moet worden voldaan aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland 2020).

42

4.10 Technische infrastructuur De omgeving is aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur en andere nutsvoorzieningen (water, elektra). De vuilwaterafvoer van de woningen ter plaatse wordt aangesloten op het gemeentelijk drukrioleringssysteem. De vuilwaterafvoer van de nieuwe woningen zal worden aangesloten op het gemeentelijk stelsel van Alblasserdam. Het huishoudelijk afvalwater zal worden afgevoerd via een gescheiden systeem. Bij de aanleg van de aansluitingen van de nieuwe woningen zal worden voldaan aan alle bouwtechnische en gemeentelijke regelgeving zoals het Bouwbesluit. Deze toetsing vindt plaats binnen de omgevingsvergunningprocedure voor het onderdeel bouwen. Binnen het plangebied is een strook aanwezig waar zich kabels en leidingen bevinden. Deze leidingstrook blijft onbebouwd. Voor aanvang van de werkzaamheden zal een KLIC-melding worden gedaan.

43

4.11 Vormvrije MER-beoordeling Het Besluit tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage) (Staatsblad 102, jaargang 2011) zijn op 28 februari 2011 gepubliceerd. Deze reparatie van het Besluit milieueffectrapportage was nodig door het arrest van het van de EU van 15 oktober 2009 (Commissie tegen Nederland, zaak C-255/08). Het Besluit milieueffectrapportage kende een systeem van absolute drempelwaarden. Het systeem van absolute drempelwaarden bood in de praktijk vanwege de duidelijkheid grote voordelen. Gebleken is echter dat het in feite onmogelijk is om de drempelwaarden zo te formuleren dat rekening wordt gehouden met alle criteria van bijlage III van de richtlijn, zoals bijv. cumulatie, en daarbij te garanderen dat onder die drempelwaarden geen sprake kan zijn van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Om die reden is gekozen om de drempelwaarden indicatief te maken. Dit betekent dat de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van het Besluit mer een indicatief karakter krijgen. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn keuze om géén mer-beoordeling te maken voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de toelichting van een bestemmingsplan.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Onderliggend bestemmingsplan maakt de functiewijziging van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming mogelijk. Op basis van het beoogde planologische kader wordt de oprichting van twee woningen mogelijk. Met de ontwikkeling is sprake van een activiteit zoals benoemd in categorie D11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ van het Besluit mer. De (indicatieve) drempelwaarde voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling bedraagt voor deze activiteit het oprichten van minimaal 2000 woningen of ontwikkelingen met een oppervlakte van 100ha of meer. Om de milieugevolgen van de geplande ontwikkeling in beeld te brengen zijn diverse onderzoeken verricht. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de andere paragrafen van dit hoofdstuk.

In de planregels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen op basis waarvan, voorafgaand aan het verrichten van sloopwerkzaamheden op het terrein, de bodem is gesaneerd op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan. De onderzoeksresultaten staan de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. De conclusie is dat geen milieueffectbeoordeling behoeft te worden opgesteld voor onderliggend bestemmingsplan. Daarbij is uit hoofdstuk 4 en de bijbehorende onderzoeken gebleken dat er, gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het plangebied is gelegen en het gebied waarop het effect zou kunnen hebben, geen sprake is van significante milieugevolgen. Ten aanzien van de milieuhygiënische bodemgesteldheid is een 44

voorwaardelijk verplichting opgenomen op basis waarvan de uitvoering van bodemsanerende werkzaamheden is geborgd.

45

4.12 Provinciale milieubelangen Provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsbeleid vier provinciale milieubelangen. Hieronder leest u welke dit zijn en hoe de voorgenomen ontwikkeling zich verhoudt tot deze belangen: • Bescherming van stiltegebieden: De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied. • Windenergie stimuleren: De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens. • Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven: De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMCbedrijventerrein. • Beschermen van grote groepen mensen: De voorgenomen ontwikkeling is gelegen in het invloedsgebied van het Groepsrisico van een EV-relevante risicobron (vaarweg de Noord). De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Op basis van de afstand tot de risicobron en de aard van de activiteit, is een standaard verantwoording van het groepsrisico opgenomen in paragraaf 4.9. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde oprichting van 2 woningen. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet in strijd met de provinciale milieubelangen.

46

5 Economische uitvoerbaarheid Het plan zal geheel door initiatiefnemer gerealiseerd worden. De gronden zijn in eigendom van initiatiefnemer. Op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro is tussen gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst voor de grondexploitatie gesloten. Hiermee is het verhaal van de gemeentelijke kosten van grondexploitatie voldoende verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan vastgesteld te worden. In de anterieure overeenkomst zijn tevens bepalingen met betrekking tot planschade en sanering van de aangetroffen bodemverontreiniging opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventuele planschade niet voor rekening van de gemeente is, maar wordt verhaald op de initiatiefnemer. Met de anterieure overeenkomst wordt geborgd dat de noodzakelijke saneringsmaatregelen om tot een goede milieu hygiënische bodemkwaliteit worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten uit het uitgevoerde nadere bodemonderzoek voor de locatie en de hierin genoemde mogelijke saneringsmethoden, is er op voorhand geen reden om aan te nemen dat de milieu hygiënische situatie van de bodem de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Het plan is hiermee economisch uitvoerbaar. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden.

47

6 Juridische planbeschrijving 6.1 Inleiding Doel van dit bestemmingsplan is het opstellen van een juridisch-planologische regeling ten behoeve van de ontwikkeling van twee woningen. Sinds 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Hiermee dienen bestemmingsplannen in digitale vorm (RO standaarden) te worden vastgesteld. De planregels sluiten verder aan bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. De planregels zijn gebaseerd op het bestemmingsplan ‘Herstelplan Alblasserdam’ uit 2015.

6.2 Bestemmingen Aan het plangebied worden de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend: Bestemming ‘Wonen’ De nieuwe woningen beschikken over een woonbestemming. De bouw- en gebruiksbepalingen zijn gebaseerd op de regels van het bestemmingsplan ‘Herstelplan Alblasserdam’. Een klein deel van de woonbestemming is aangemerkt als ‘Overige zone- beschermd dorpsgezicht’. De bestaande bebouwing dient behouden te blijven. Binnen deze gronden is echter geen bebouwing aanwezig. Binnen de woonbestemming valt het eigen erf van de woningen en het collectieve woonerf. Bouwvlak Voor de hoofdgebouwen is een bouwvlak opgenomen. In het bouwvlak mogen maximaal twee woningen worden opgericht in de vorm van een twee-onder-eenkapvolume. Dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 6’ Op het gedeelte van het perceel met deze bestemming gelden regels ter behoud en bescherming van mogelijk aanwezige archeologische resten in de bodem. Vrijwaringszone- dijk De beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering West Kinderdijk is geborgd door middel van de aanduidingen ‘vrijwaringszone-dijk 1’ en ‘vrijwaringszone-dijk 2’. Gebiedsaanduiding ‘Overige zone- beschermd dorpsgezicht’ Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - beschermd dorpsgezicht’ dient de aanwezige bebouwing behorende bij het beschermde dorpsgezicht behouden en beschermd te blijven.

48

7 De procedure Voor de vaststelling van het bestemmingsplan wordt de procedure zoals vastgelegd in afdeling 3.4 Awb gevolgd. Aan het waterschap, de veiligheidsregio en de omgevingsdienst is in het kader van het vooroverleg om een advies gevraagd. Het ontwerp bestemmingsplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd met bijbehorende stukken. Gedurende de termijn van de terinzagelegging kon eenieder een zienswijze indienen.

7.1 Reacties vooroverleg Aan de hand van het voorontwerp van het bestemmingsplan is het wettelijk overleg ex artikel 3.1.1 Bro worden gevoerd. De reacties afkomstig van de wettelijke vooroverlegpartners Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, Waterschap Rivierenland en de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid zijn verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan. De reacties zijn weergegeven in de Nota van beantwoording reacties vooroverleg in de bijlage van deze toelichting.

7.2 Zienswijzen In 2022-2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Tijdens de ter inzage legging zijn er drie zienswijzen en een overlegreactie ingediend. Deze zijn weergegeven in de Nota van zienswijze in de bijlage van deze toelichting. Sinds de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan is er een nieuwe eigenaar van de planlocatie. Deze nieuwe eigenaar heeft er voor gekozen om wél in overleg te treden met de omwonenden. Er hebben participatiemomenten plaatsgevonden in juni-september 2025. De indiener van de zienswijzen waren hierbij ook aanwezig. Een indiener niet, aangezien men inmiddels is verhuis en geen belanghebbende meer is. Uit dit participatiemoment is gebleken dat: • Enkele omwonenden hebben moeite met de inkijk die ontstaat door de te realiseren woningbouw; • Enkele omwonenden vragen zich af hoe om te gaan met de erfscheiding; De omwonenden zijn content het feit dat de nieuwe eigenaar sinds de aankoop in 2023 goed gecommuniceerd. Middels de input uit het participatiemoment is de initiatiefnemer aan de slag gegaan. Na de participatie is het plan op de volgende punten geoptimaliseerd om de omwonenden tegemoet te komen: • De twee vrijstaande woningen zijn gewijzigd in een compacter twee-ondereen-kapvolume; • De goothoogte is verlaagd en er is een schuin dakvlak ontworpen.

Hierdoor is de bebouwing minder massief naar de omwonenden; • De topgevel is gedraaid; • Dakramen in plaats van dakkappelen; • De dakkappelen die blijven worden zo hoog als mogelijk geplaatst; • De bestaande tuinmuur blijft behouden; • De erfafscheiding kan in overleg met de toekomstige bewoners worden bepaald; • Er is een zonnestudie opgesteld; 49

•

Er is een intentie een stukje grond te verkopen aan een van de indieners van de zienswijze.

Mede door deze planoptimalisatie zijn er ambtshalve wijzingen doorgevoerd in het bestemmingsplan. Deze zijn opgenomen in de Nota van Zienswijzen in de bijlage van deze toelichting. Er zijn aanpassingen gedaan naar aanleiding van de overname van de locatie door een nieuwe eigenaar, naar aanleiding van de ingediende zienswijzen en naar aanleiding van participatie met de omwonenden. Dit alles met als doel een betere uitvoering van het plan teweeg te brengen.

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/836/documents/18932