CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.0482.okinderdijk9113-on01_6QSOostKi..n23022021.pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 29 juni 2021, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 22: Ontwerpbestemmingsplan en ontwerp besluit hogere grenswaarden geluid Oost-Kinderdijk nabij 9 - - Raadsinformatiebrief5.690 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. Ronald de Groot Lekdijk 44 2967GB Langerak

Datum

7 augustus 2019, 1e revisie 23 februari 2021

Kenmerk

BE/2019/454/r

Uw kenmerk

Email d.d. 2 juli 2019

Auteur(s)

M. Senhorst

Collegiale toets

K.J. Rebergen

Revisie

K.J. Rebergen

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Oost Kinderdijk 9 te Alblasserdam Aan de Oost Kinderdijk 9 te Alblasserdam zijn een vrijstaand woonhuis, een groot houthok, een klein houthok en een klein tuinhuis gesitueerd. Het vrijstaande woonhuis blijft behouden en ten zuiden ervan zal een nieuw appartementencomplex worden geplaatst. De initiatiefnemer is voornemens de twee houthokken en het kleine tuinhuis op de planlocatie te saneren. Het vigerende bestemmingsbeleid voorziet niet in de ontwikkelingsmogelijkheid en dient derhalve te worden gewijzigd van tuin naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel Ontwikkeling & beheer B.V. heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Oost Kinderdijk 9 te Alblasserdam. Het woonhuis is opgetrokken uit gemetselde stenen muren en draagt een pannendak. Tevens beschikt het woonhuis over boeiboorden, waardoor de dakgoten volledig zijn aangesloten aan de muren. Het kleine tuinhuis wordt momenteel gebruikt als onderdak voor een tuinstel. Het kleine tuinhuis is opgetrokken uit vier palen en draagt een bitumen dak. De ondergrond van het kleine tuinhuis bestaat uit een plateau van houten planken. Het grote houthok is opgetrokken uit hout en draagt een dak van damwandplaten. Het grote houthok wordt momenteel gebruikt voor opslag van haardhout, bakstenen en ander materiaal. Het kleine houthok is opgetrokken uit pallets en draagt een plat bitumen dak. Het kleine houthok wordt momenteel gebruikt voor de opslag van haardhout. Op de locatie bevindt zich een kleine vijver met riet, een gazon en veel begroeiing. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt ten noorden gekenmerkt door stadspark met zwemvijver en agrarisch gebied. Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich de weg Oost Kinderdijk en de rivier de Noord. Ten oosten en westen wordt de planlocatie omgeving door vrijstaande woningen met veel groen.

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Oost Kinderdijk 9 te Alblasserdam (bron: arcgis.com).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter en betreffen het saneren van een kleine tuinhuis en twee houthokken. Daarnaast wordt de huidige laan lindes verwijderd en zal er een nieuwe laan met lindes aan worden geplant. Ten zuiden van de vrijstaande woning zal een appartement gerealiseerd worden. Ook komt er een nieuwe groenstrook ten noorden van het beoogde appartement als afscheiding. Het bestemmingsplan dient te worden gewijzigd van tuin naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • kap bomenlaan met lindes; kap- en rooijwerkzaamheden, afvoerwerkzaamheden; • saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed; aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie appartement: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers)werkzaamheden;

2

Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 2-7-2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 22 Celsius en windkracht 1-2 (Bft.) Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

3

In de verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: (Floron Verspreidingsatlas; NDFF 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen onder andere: hulst, zoete kers, kogeldistel en rododendron. Op de planlocatie loopt een pad van houtsnippers tussen de bomen door. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. In de tuin staan verder houtige vegetatie zoals de es, esdoorn en spar. De sloop van de houthokken en het kleine tuinhuis leidt niet tot de aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied is een vrijstaande woning met tuin met hoge onderhoudsvereisten. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, veldmuis en wezel (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2009-2019). Voor de bever geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de overige deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.

Alhoewel deze niet in de lijst van waarnemingen voorkomt is op plangebieden als deze de aanwezigheid van steenmarter mogelijk. Verblijven van marterachtigen gaan echter samen met prooiresten, uitwerpselen en andere geurmarkeringen. Bij de inspectie van de bebouwing zijn deze sporen niet aangetroffen. Ten noorden van het plangebied is het voorkomen bekend van de bever. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste.

4

Het voedsel bestaat in de zomer uit een divers dieet van waterplanten, kruiden, bladeren en scheuten van wortels die in de overgangszone van oever naar water groeien. Door de beoogde ontwikkeling zal mogelijk foerageergebied niet weggenomen worden. Daarbij wordt dit gebied momenteel al omgeven door een groot aantal woningen. Door de realisatie van een appartementencomplex zal dit niet significant toenemen. Daarbij is het aannemelijk dat gezien de ligging, deze individuen met name in de schemering actief zullen zijn. In de beoogde ontwikkeling zal tevens geen vaste rust- en verblijfplaats (c.q. burcht) weggenomen worden. Negatieve effecten op de bever kunnen derhalve uitgesloten worden. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de habitatrichtlijn en niet vrijgestelde overige soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Broekhuizen et al., 2016; BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Negatieve effecten ten aanzien van boombewonende soorten kunnen uitgesloten worden. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Het kleine houthok is opgetrokken uit pallets, het grote houthok is opgetrokken uit palen en verder volledig open en bij het kleine tuinhuis ontbreekt het tevens aan muren. Hierdoor is er geen mogelijke kruipruimte voor vleermuizen aanwezig. Voor soorten als gewone grootoorvleermuis is dergelijke bebouwing te tochtig. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Alleen de bomenlaan met lindes aan de zuidzijde zal gekapt worden, maar in de toekomst komt er een vergelijkbare bomenlaan met lindes voor terug. Het groen binnen het plangebied is geen essentieel foerageergebied. Daarbij zal het merendeel van het groen behouden blijven. Aantasting van essentieel foerageergebied is derhalve geen sprake.

Tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Aan de noordkant van het plangebied zijn binnendijkse grienden met veel groen gelegen en Lammetjeswiel. Uit dit gebied zijn waarnemingen bekend van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Tijdens het veldbezoek is, door de afstand (circa 90 meter), dit gebied niet vlakdekkend onderzocht. Het is mogelijk dat er in dit gebied sprake is van vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

5

Deze zullen echter door de beoogde ontwikkeling niet weggenomen worden. In de toekomstige situatie wordt geadviseerd om, bij gebruik van verlichting, deze vleermuisvriendelijk (c.q. geconvergeerd, naar beneden gericht) te plaatsen, zodat lichtverstoring op het gebied ten noorden voorkomen wordt. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het plangebied wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Er is een vijver op de planlocatie, welke verbonden is aan een meer. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2009-2019). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad in het plangebied niet verwacht.

Desalniettemin kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graafen bouwwerkzaamheden (bijlage 2). De dichtbij zijnde waarnemingen van de rugstreeppad bevinden zich op ca. 250 meter in 2016. Om alle mogelijke effecten ten aanzien van de soort te voorkomen dienen er maatregelen getroffen te worden om vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie te voorkomen. Dergelijke maatregelen betreffen het tegengaan van het ontstaan van geschikt voortplantingswater (regenwaterplassen) en het voorkomen van langdurige materiaalopslag binnen het plangebied (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad 2017). Indien maatregelen getroffen worden ten aanzien van rugstreeppad zijn negatieve effecten ten gevolge van de beoogde ontwikkeling op beschermde amfibieën uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen In het plangebied bevindt zich een vijver. Deze wordt echter niet gedempt en bevindt zich niet binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkelingen. Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten.

Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: koolmees, merel, kauw, wilde eend, boerenzwaluw, houtduif, gierzwaluw. De planlocatie heeft aannemelijk geen essentiële functie voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek is er een nest van een merel aangetroffen in een grote esdoorn op de planlocatie. Als de sloop- en bouwwerkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen zal dit geen verstoring veroorzaken. Het broedseizoen betreft indicatief de periode van 15 maart t/m 15 juli.

Verder zijn er geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden.

6

Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. Huismussen nestelen hoofdzakelijk onder pannendaken met dakgoot. Geregeld worden ook daken met golfplaten gebruikt. In de directe omgeving van het nest dienen jaarrond groene heggen aanwezig te zijn, alsmede zand, grind, badwater en voldoende foerageergebied (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De aanwezigheid van huismussen is bekend in de wijk rondom de planlocatie (NDFF 2009-2019). Het kleine tuinhuis heeft een lichtelijk schuin bitumen dak zonder dakgoot en open zijdes. Het grote houthok heeft geen dakgoot en draagt een damwandplaten dak. Het is uitgesloten dat er nestlocaties van huismus binnen de te slopen bebouwing aanwezig zijn. Op basis van het veldbezoek kan echter niet worden uitgesloten dat er in de vrijstaande woning huismus nesten aanwezig zijn. De woning blijft echter behouden. Qua functioneel leefgebied zijn er veel jaarrond groene heggen aanwezig die niet verwijderd zullen worden. Verder wordt er een nieuwe groenstrook aangeplant, waardoor het eventueel functioneel leefgebied verbeterd zal worden. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake.

De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. In de houthokken en het kleine tuinhuis zijn geen mogelijke invliegopeningen voor een gierzwaluw met toegang tot donkere holtes, welke gewenst zijn voor een nestlocatie. Daarnaast is deze bebouwing ook lager dan 3 meter, waardoor het niet geschikt is voor een gierzwaluw om uit te kunnen vliegen. Ook in de vrijstaande woning zijn geen openingen aangetroffen waar de gierzwaluw gebruik van kan maken. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.

Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1 km ligt het Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk (figuur 2). De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m ten oosten van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3). Op een afstand van 2 km ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een strategisch gereserveerd natuurgebied (figuur 4). Op een afstand van 2 km ten noordoosten van de planlocatie ligt een Belangrijk weidevogelgebied (figuur 5). Binnen het plangebied zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig.

7

8

Figuur 2

De planlocatie ligt op een afstand van 1 km tot het Natura 2000-gebied (bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).

Figuur 3

De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van 2 km tot een strategisch gereserveerd natuurgebied (bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van 2 km tot een strategische reservering natuur (bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een appartementencomplex. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

9

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; • Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; • Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning. Gezien er een geringe afstand (1,0 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.

Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. In de beoogde ontwikkelingen zijn kapwerkzaamheden gepland. Deze kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatsvinden, dan vallen deze onder type b. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming.

Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

10

Conclusies Samenvatting De te slopen bebouwingen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Dit dient onderbouwd te worden met een AERIUS Calculator berekening. Tevens bevindt de planlocatie zich niet in een strategisch gereserveerd natuurgebied of weidevogelgebied. Er ontbreken karakteristieke landschapselementen. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap geen melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort -

-

-

-

-

-

n

n

n

+/-

+/-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat overige soort

+/-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura 2000

1 km

Geen

AERIUS-Calculator

Natuurnetwerk Nederland

500 m

Geen

n.v.t.

Strategisch gereserveerd natuurgebied

2 km

Geen

n.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

2 km

Geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding / vergunning

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

n

-

broedvogels (j)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Legenda

broedvogels (a)

Tabel 1 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde ontwikkeling van een appartementencomplex aan de Oost Kinderdijk 9 te Alblasserdam leidt, mits enkelen maatregelen worden getroffen, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.

11

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn.

Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van minimaal 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

12

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.zoogdierenvereniging.nl

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., M. Senhorst Auteur

Blom Ecologie B.V., K.J. Rebergen Collegiale toets & revisie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

13

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Oost Kinderdijk 9 te Alblasserdam en bestaat uit de tuin van een vrijstaand woonhuis. Een deel van de begroeiing op de foto zal worden verwijderd.

Figuur 2

14

In de begroeiing bevind zich een pad van houtsnippers en er liggen planken langs het pad.

Figuur 3

In de tuin van het woonhuis bevindt zich een groot houthok. Voor de realisatie van een appartementencomplexzal dit houthok worden gesaneerd.

Figuur 4

Het houthok.

15

16

Figuur 5

De huidige tuininrichting.

Figuur 6

In de tuin van het woonhuis bevindt zich een vijver. De vijver blijft behouden.

Bijlage 2

Ecologie rugstreeppad

Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. Het voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en vegetatieloze wateren, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/145/documents/3463