CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3j. Bijlagen bij de toelichting 7 quick scan natuur.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 25 januari 2022, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 4: Vaststelling bestemmingsplannen Oost Kinderdijk - Pijlstoep - Voorstel14.110 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze soort is daarom niet op de ontwikkelingslocaties te verwachten. De platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere en schone wateren met rijke begroeiing in draadalgvegetatie maar ook in andere wateren, overwegend ondiepe, onbeschaduwde wateren met een uitbundige onderwatervegetatie. Zo worden de dieren onder andere aangetroffen in plassen en voedselrijke sloten van veenweidegebieden (Annemoon.org). Dergelijke omgeving is niet aanwezig op de Baas-locatie en de van Beest-locatie, maar wel op de Jonker-locatie. De soort is aangetroffen in veenweide-

30

gebieden buiten de kern, die in een directe verbinding met de wateren in het plangebied staan. Daarom is niet uit te sluiten dat de soort ook in de wateren op de Jonkerlocatie voorkomt. Tijdens de ontwikkeling zal daarom mogelijk leefgebied van de soort hier verdwijnen. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of de soort op de Jonker-locatie aanwezig is.

4.3

Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt een houtopstand gedeeltelijk geveld, omdat de bomen bij de Jonker-locatie deel uitmaken van een begroeiing van bomen en struiken met een oppervlak groter dan 1.000 vierkante meter. Het kappen van bomen zoals voorzien in het plan valt onder de definitie houtopstand en dient volgens hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming (Wnb) te worden gemeld bij provincie Zuid-Holland. Dit is gemandateerd aan de Omgevingsdienst Haaglanden, die de melding moet beoordelen. Omdat de bebouwde kom van Alblasserdam niet in een raadsbesluit is vastgelegd, valt deze houtopstand niet onder de uitzonderingen in de Wnb. Van de velling dient melding te worden gedaan en dient herbeplanting plaats te vinden. Herbeplanting kan mogelijk ook plaats vinden op andere grond dan de locatie waar de houtopstand wordt geveld. Hiervoor is een ontheffing van de provincie noodzakelijk. Deze herbeplanting op andere grond dient te voldoen aan regels zoals die zijn gesteld in de provinciale verordening. Deze regels kunnen betrekking hebben op onder meer de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en op de natuurwaarde van de gevelde houtopstand. Geadviseerd wordt nader uit te zoeken welke regels de provincie stelt ten aanzien van melding, herbeplanting, ontheffing en eventuele vrijstelling voor beschermde houtopstanden.

31

5

Conclusie en advies In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in de plangebieden. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten de plangebieden.

5.1

Gebiedsbescherming Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk en enkele andere Natura 2000-gebieden in de omgeving van de plangebieden liggen. Met de geplande ruimtelijke ontwikkelingen is een toename in stikstofuitstoot en enkele andere verstoringseffecten in de plangebieden te verwachten. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende gebieden is echter uitgesloten. Nader onderzoek in de vorm van een passende beoordeling is daarom niet nodig. Uit voorliggend onderzoek blijkt dat de plangebieden niet in het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur liggen. De bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van de plannen niet in de weg.

5.2

Soortenbescherming Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde nesten, amfibieën, vissen en ongewervelden in de omgeving van de drie plangebieden voor. Door het uitgevoerde veldbezoek in de plangebieden is duidelijk geworden dat essentiële elementen van meerdere beschermde diersoorten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in de plangebieden. Voor deze soorten is nader onderzoek noodzakelijk. Wanneer één of meer van deze soorten op de planlocaties worden aangetroffen kan de ontwikkeling enkel met een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden uitgevoerd. Baas-locatie In dit plangebied zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis) en nestplaatsen van de huismus en gierzwaluw niet uit te sluiten. Vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Huismus en gierzwaluw zijn vogelrichtlijnsoorten waarvoor de verboden van artikel 3.1 gelden.

Jonker-locatie In dit plangebied zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en ruige dwergvleermuis), leefgebied van noordse woelmuis, waterspitsmuis, rugstreeppad, heikikker, grote modderkruiper, platte schijfhoren en nestplaatsen van de bosuil en de steenuil niet uit te sluiten. Vleermuizen, noordse woelmuis, rugstreeppad, heikikker,

32

grote modderkruiper en platte schijfhoren zijn habitatrichtlijnsoorten waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Bosuil en steenuil zijn vogelrichtlijnsoorten waarvoor de verboden van artikel 3.1 gelden. Waterspitsmuis is beschermd onder “Andere soorten”, hiervoor gelden de verboden van artikel 3.10. Van Beest-locatie In dit plangebied zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis) en nestplaatsen van de huismus niet uit te sluiten. Vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Huismus is een vogelrichtlijnsoort waarvoor de verboden van artikel 3.1 gelden. Onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen. Bosuil De bosuil is jaarrond beschermd wanneer zwaarwegende ecologische redenen dit rechtvaardigen. Dit is het geval wanneer in de omgeving geen alternatieve nestlocaties aanwezig zijn en de lokale staat van instandhouding door het project kan worden aangetast. Het onderzoek betreft in dit geval een inventarisatie van de het park rondom huis te Kinderdijk.

Dit onderzoek kan het gehele jaar worden uitgevoerd. Wanneer wordt geacht dat er onvoldoende alternatieve locaties aanwezig zijn, moeten in het park, buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, alternatieve nestkasten worden geplaatst. Ook dient dan ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden voor de werkzaamheden. Gierzwaluwen Het nader onderzoek gierzwaluwen dient volgens het kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2017b) plaats te vinden door middel van drie inventarisaties met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Dit dient te gebeuren in de periode 1 juni tot en met 15 juli, waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli, tussen twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang, tijdens goede inventarisatieomstandigheden. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van gierzwaluwen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes voor gierzwaluwen weer. Grote modderkruiper Het nader onderzoek naar het leefgebied van de grote modderkruiper dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in de soortenstandaard van de grote modderkruiper (Bij12, 2017c). Inventarisatie kan op verschillende manieren en in verschillende periodes worden uitgevoerd.

De meest geschikte van deze methoden zijn inventarisatie doormiddel van electrovisserij of doormiddel van het bemonsteren van de wateren op e-DNA. Door een eenmalig veldbezoek kan met deze methodes worden aangetoond of de soort aan- of afwezig is

33

Huismussen Het nader onderzoek naar de huismus dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in de soortenstandaard van de huismus (Bij12, 2017e). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni. De inventarisaties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, rond één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van 10 dagen. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiode van huismussen weer. Heikikker Het nader onderzoek naar het leefgebied van de heikikker bestaat uit twee tot drie veldbezoeken en dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in de soortenstandaard van de heikikker (BIJ12d 2017).Inventarisatie van kooractiviteit dient te worden uitgevoerd tijdens de voortplanting in de periode februari/maart afhankelijk van het betreffende gebied. In dezelfde periode kan ook naar eiklompen worden gezocht. Onderzoek naar kooractiviteit kan worden gedaan op zwoele avonden met weinig wind of onbewolkte zonnige dagen overdag. Als de soort onder goede omstandigheden niet roepend wordt aangetroffen moet een tweede ronde van inventarisatie worden gehouden.

Als na inventarisatie op twee avonden onder de goede omstandigheden naar roepende exemplaren en vervolgens een inventarisatie overdag van eiklompen nog steeds geen heikikkers zijn waargenomen, mag er vanuit gegaan worden dat de heikikker niet in het gebied aanwezig is. Wanneer de soort tijdens de voortplantingsperiode is aangetroffen kan een derde bezoek worden uitgevoerd in juli of augustus. Tijdens dit bezoek kunnen juveniele dieren worden geïnventariseerd om een inschatting te maken van de aanwezige populatie. Noordse woelmuis en waterspitsmuis Het nader onderzoek naar de noordse woelmuis dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals in de soortenstandaard noordse woelmuis (BIJ12 2017f). Aanwezigheid van de noordse woelmuis kan worden vastgesteld door het, in de periode augustus tot en met oktober, plaatsen van zogenaamde live-traps. De vallen moeten onder de vegetatie op plekken met voldoende dekking worden geplaatst. Per vangplek moeten minimaal 20 vallen, paarsgewijs met een onderlinge afstand van ongeveer 10 meter, geplaatst worden. De vallen moeten gedurende 2 dagen om de 12 uur in totaal vier maal worden bemonsterd. Voor het bemonsteren moeten de vallen 24 nachten in het gebied staan om de dieren aan de objecten te laten wennen.

Voor het nader onderzoek naar de waterspitsmuis zijn door BIJ12 geen richtlijnen opgesteld, deze kunnen echter op dezelfde wijze als het onderzoek naar noordse woelmuis worden uitgevoerd. Platte schijfhoren De inventarisatie van platte schijfhoren en zeggekorfslak is niet aan specifieke richtlijnen gebonden. De platte schijfhoren is met behulp van een schepnet te inventariseren vanaf de waterkant of vanuit een boot. Een boot is in veel gevallen onmisbaar om de juiste plekken te kunnen bereiken. De soort is het beste te inventariseren in de periode voordat veel sloten worden geschoond van mei tot en met augustus. Monsters kunnen het beste onder laboratoriumomstandigheden worden uitgezocht (Bruyne et al. 2008).

34

Rugstreeppad Het nader onderzoek naar het leefgebied van de rugstreeppad dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het Kennisdocument van de Rugstreeppad (BIJ12 2017g). Het vaststellen van de soort kan op drie verschillende manieren, het vaststellen van kooractiviteit, het vaststellen van ei-snoeren en/of larven en het aantonen van exemplaren door zichtwaarneming. Omdat het aantonen van exemplaren een zeer arbeidsintensieve methode is, heeft het aantonen van voortplanting door kooractiviteit of ei-snoeren de voorkeur. Kooractiviteit vindt tussen de tweede helft van april en in juli plaats. De meeste kooractiviteit vindt plaats tussen half april en mei. In deze periode moeten er bij geschikte weersomstandigheden (warme, windstille avonden en nachten, vaak na zware regenval) minimaal twee avonden worden geluisterd, bij voorkeur moeten deze avonden gespreid over de periode plaatsvinden, één aan het begin en één aan het einde van de periode. Om aanwezigheid uit te sluiten moet midden juli nogmaals bij geschikte weersomstandigheden geluisterd worden. In de maanden juni en juli is het mogelijk geschikte voortplantingswateren te onderzoeken voor de aanwezigheid van ei-snoeren of larven. Larven kunnen met een fijnmazig schepnet worden gevangen en met een loep op naam worden gebracht.

Juveniele dieren kunnen in de eerste maand na de metamorfose overdag langs de oever van de voortplantingswateren worden waargenomen. Steenuil Onderzoek naar de steenuil dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het kennisdocument steenuil (BIJ12, 2017). De aanwezigheid van de steenuil kan het gehele jaar worden aangetoond. De beste periode om een territorium van een steenuil vast te stellen is van 15 februari tot en met 15 april. In deze periode kunnen ’s avonds territoriumroepen van een steenuil worden afgespeeld. Ook dient overdag het plangebied op sporen van een steenuil onderzocht te worden. In totaal dienen minimaal drie veld-bezoeken verricht te worden om afwezigheid met voldoende zekerheid aan te kunnen tonen. De afwezigheid van broedende steenuilen is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aangetoond als tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 15 februari tot en met 30 april geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Vleermuizen Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vijf veldbezoeken (in het geval van gebouwbewonende soorten) of vier veldbezoeken (in het geval van boombewonende soorten) uitgevoerd dienen te worden.

Drie (bij gebouwen) of twee (bij bomen) daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van circa 30 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 15 september plaats te vinden met een tussenperiode van circa 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermui-

35

zen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vier veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes voor vleermuizen weer. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer. Periodes waarin nader onderzoek kan worden uitgevoerd. De meest geschikte periodes zijn donkergrijs gemarkeerd. Ook in de lichtgrijze periodes kan onderzoek worden gedaan, maar meestal met een grotere onderzoeksinspanning.

Soort

Jan

Feb

Maa

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Bosuil Gierzwaluw Grote modderkruiper Heikikker Huismus Noordse woelmuis Platte schijfhoren Steenuil Rugstreeppad Waterspitsmuis Vleermuizen 5.2.1

Broedperiode Van alle van nature in Nederland in het wild levende vogels mag het nest tijdens het broeden (van start van nestbouw tot en met het uitvliegen van de jongen) niet worden beschadigd of vernield. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Uit voorliggend onderzoek blijkt dat in en direct rond het plangebied vogels kunnen gaan broeden. Wij adviseren daarom om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veld36

Dec

bezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden. 5.2.2

Zorgplicht Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor alle natuur en in het wild levende dieren, planten en hun directe leefomgeving, overeenkomstig artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.

5.3

Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt een houtopstand geveld. Mogelijk is het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing op deze houtopstand. Wij adviseren u om navraag te doen bij de gemeente naar de begrenzing van de bebouwde kom met betrekking tot houtopstanden. Indien het beschermingsregime van toepassing blijkt, dan adviseren wij u nader uit te zoeken welke regels de provincie stelt ten aanzien van melding, herbeplanting, ontheffing en eventuele vrijstelling.

5.4

Vervolgstappen  Baas-locatie: Uitvoeren nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen, gierzwaluw en huismus  Jonker-locatie: Uitvoeren nader onderzoek boombewonende vleermuizen, bosuil, grote modderkruiper, heikikker, noordse woelmuis, platte schijfhoren, steenuil, rugstreeppad en waterspitsmuis  Van Beest-locatie: Uitvoeren nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen en huismus  Voorkom vestiging van de rugstreeppad op de Baas-locatie en de van Beest locatie: Wanneer de rugstreeppad op de Jonker-locatie wordt aangetroffen, wordt aanbevolen een amfibiescherm rond de bouwterreinen te plaatsen. Wanneer deze niet wordt aangetroffen is het voldoende ontstane poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen.  Navragen regels vellen beschermde houtopstanden bij provincie  Houd rekening met broedende vogels  Houd rekening met de zorgplicht  Uitvoeren AERIUS-berekening

37

Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12. 2017a. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017c. Kennisdocument Grote modderkruiper Migurnis fossilis, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017d. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017e. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017f. Kennisdocument Noordse Woelmuis Microtus oeconomus arenicola, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017g, Kennisdocument Steenuil, Athena noctua, versie 1.0 juli 2017 BIJ12, Utrecht BIJ12. 2017h. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Boesveld, A. Gmeilig Meyling, A.W. Bruyne, R.H. 2009. Handleiding Slakken van de Habitatrichtlijn waarnemen, Stichting Anemoon, september 2009 Bos, F. Bosveld, M. Groenendijk, D. van Swaay, C. Wynhof, I. De Vlinderstichting. 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming. Nederlandse fauna deel 7. Broek, van den A.J.M. 2015. Beheerplan bijzondere natuurwaarden Boezems Kinderdijk, Royal Haskoning/DHV, 21 augustus 2015. Bruyne de, R.H., A.W. Gmelig Meyling Boesveld, A.. 2008. Mollusken. In: Kalkman, V.J.

De soorten van het leefgebiedenbeleid. −EIS-Nederland, Leiden. Creemers, R. van Delft, J. 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika.

38

Goverse, E. Herder A,. J. E. de Zeeuw, M. P.. 2015. Handleiding voor het Monitoren van Amfibieën in Nederland. Vierde herziene druk. RAVON werkgroep Monitoring, Amsterdam & Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag. Janssen, J. A. M. Schamineé, J. H. J. 2004. Europese Natuur in Nederland. Soorten van de habitatrichtlijn. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen onderweg. Uitgave DDW en VZZ. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). Nederlandse Fauna deel 4. Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging. 2017. Vleermuisprotocol 2017. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. SOVON. 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels. Verspreiding, aantallen, verandering. Nederlandse Fauna deel 5. Sparrius, L. Odé, B. Beringen, R. Basisrapport Rode Lijst Vaatplanten 2012 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. FLORON rapport 57. Steunpunt Natura 2000. 2010. Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingsweg. Versie 27 mei 2010. Vegte F. Bosman, J. Logemann, D. 2014. Effectafstanden Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken, Arcadis, 18 februari 2014 Zoogdiervereniging & Probos.

2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.

Websites www.anemoon.org www.aerius.nl www.eis-nederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl

39

www.vogelbescherming.nl

40

Bijlage 1. Wettelijk kader Gebiedsbescherming Inleiding Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten daarnaast op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van dit natuurnetwerk wordt geregeld bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Hieronder wordt een toelichting gegeven bij de verschillende vormen van gebiedsbescherming. Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Voor alle Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.

Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1). Voor een plan of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling gemaakt te worden, van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Blijkt uit de 41

passende beoordeling dat er geen aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of kan voor de projecten door Gedeputeerde Staten een vergunning worden verleend. In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een plan toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogeheten ADC criteria. De ADC criteria houden in: i) dat er geen alternatieve oplossingen zijn, ii) dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en iii) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Bijzondere nationale natuurgebieden In uitzonderlijke gevallen kan de Minister, op grond van artikel 2.11, bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Minister kan dit doen voor een gebied dat is of wordt aangemeld als Habitatrichtlijngebied, maar nog niet definitief is aangewezen. Ook kan het voor een gebied dat nog geen onderdeel is van het Natura 2000-netwerk, maar waar compenserende maatregelen worden getroffen voor de realisatie van een project met significante gevolgen. Tot slot kan een gebied worden aangewezen in het geval dat dat noodzakelijk is in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn, om een gunstige staat van instandhouding te realiseren.

Ter bescherming van de bijzondere nationale natuurgebieden kan de Minister verschillende maatregelen nemen, waaronder toegangsbeperkingen tot het gebied, het gebruik maken van zijn of haar aanschrijvingsbevoegdheid en het treffen van behoud- en herstelmaatregelen in het gebied. Natuurnetwerk Nederland Ter bescherming van vogelsoorten, van soorten van de Habitatrichtlijn en van rode lijstsoorten dienen provincies, op basis van artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming, zorg te dragen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS). De bescherming van dit netwerk gebeurt bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, zoals weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebied. Voor Natuurnetwerk Nederland geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. Daarnaast mogen de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet significant worden beperkt. De precieze invulling van de bescherming vervult van provincie tot provincie.

In paragraaf 2.1 staat de bescherming beschreven die in dit geval van toepassing is.

Soortenbescherming Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen in de Wet natuurbescherming. Er is een apart beschermingsregime voor Vo42

gelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1-3.4), voor Habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5-3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd.

Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen. Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet een aantal diersoorten en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen. Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen.

In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert. Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het

43

voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet. Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden. Zie paragraaf 2.2 voor de vrijstelling die in deze provincie van toepassing is. Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten. Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna.

Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden. Ook hierbij geldt voor Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen.

Bescherming houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Ook kan de provincie een ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond. Verder kan de provincie ontheffing verlenen en kan de provincie

44

bij verordening vrijstelling verlenen van zowel de meldingsplicht als de plicht tot herbeplanting.

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/220/documents/5803