CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2p. Bijlagen bij de toelichting 13 Nader onderzoek Wet natuurbescherming.pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 22 februari 2022, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 5: Vaststelling bestemmingsplannen Oost-Kinderdijk - Pijlstoep - Raadsvoorstel11.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nader onderzoek Wet natuurbescherming

Alblasserdam, Oost Kinderdijk e.o.

Bogor projectontwikkeling

Datum:4-12-2019 Projectnummer: 180191/180192/180193

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Onderzoeksgebied Kwaliteitsborging

3 3 9

2

Wettelijk kader

10

2.1 2.2 2.3

Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing

10 11 11

3

Ecologie van soorten

13

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11

Vleermuizen Huismus Gierzwaluw Noordse woelmuis Waterspitsmuis Rugstreeppad Heikikker Grote modderkruiper Platte schijfhoren Bosuil Steenuil

13 14 15 16 16 16 17 17 17 17 18

4

Onderzoekmethodiek

19

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Vleermuizen Huismus Gierzwaluw Noordse woelmuis en waterspitsmuis Rugstreeppad Heikikker Grote modderkruiper Platte schijfhoren Bosuil Steenuil

19 23 23 24 25 26 26 27 27 28

5

Resultaten

29

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

Vleermuizen Huismus Gierzwaluw Noordse woelmuis en waterspitsmuis Rugstreeppad en heikikker Grote modderkruiper Platte schijfhoren

29 31 31 32 33 33 33

5.8 5.9

Bosuil Steenuil

33 35

6

Conclusie en advies

36

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Ontheffing aanvragen Mitigerende maatregelen Broedperiode en zorgplicht Vervolgstappen

36 37 37 38 39

Geraadpleegde literatuur

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In de omgeving van de Oost Kinderdijk te Alblasserdam is op drie locaties woningbouw beoogd; voor de Baas-locatie, de Jonker-locatie en de van Beest-locatie. Voor alle drie de locaties wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader heeft SAB reeds een quick scan natuur (SAB, 2018) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt dat op voorhand de aanwezigheid van verschillende beschermde diersoorten niet uitgesloten kan worden. Op de Baas-locatie zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en nestplaatsen van de huismus en gierzwaluw niet uit te sluiten. Op de Jonker-locatie zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, leefgebied van noordse woelmuis, waterspitsmuis, rugstreeppad, heikikker, grote modderkruiper, platte schijfhoren en nestplaatsen van de bosuil en de steenuil niet uit te sluiten. Op de Van Beestlocatie zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en nestplaatsen van de huismus niet uit te sluiten.

In 2019 werd nader onderzoek naar de hierboven genoemde soorten uitgevoerd en voorliggende rapportage zet de bevindingen van dit nader onderzoek uiteen. Het doel van het onderzoek was om de aan- of afwezigheid aan te tonen van voornoemde soorten en om vast te stellen wat de functies van het onderzoeksgebied en het omliggende terrein voor deze soorten zijn. Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.

1.2

Onderzoeksgebied

1.2.1

Huidige situatie De onderzoeksgebieden bevinden zich in de kern van Alblasserdam (provincie ZuidHolland). De omgeving van Alblasserdam kenmerkt zich door de ligging ten zuidoosten van Rotterdam. De gemeente grenst in het noorden aan de Lek en in het westen aan de Noord. Alblasserdam ligt op een grenszone van het stedelijk gebied rond Rotterdam ten westen van de gemeente en het groene hart ten oosten van de gemeente. Alblasserdam grenst aan Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk dat ten noorden van de kern ligt. De onderzoeksgebieden van de Baas-locatie, de Jonker-locatie en de van Beestlocatie liggen aan respectievelijk de Oost Kinderdijk 137-145, de Oost Kinderdijk 187A en aan de Pijlstoep 31 te Alblasserdam. Deze onderzoeksgebieden liggen aan de westrand van Alblasserdam en grenzen aan rivier de Noord, die ten zuidwesten van de Oost Kinderdijk ligt. Ten noordoosten van de Oost Kinderdijk staat “Huis te Kinder3

dijk” met een omliggend park en volkstuinen. Grenzend aan Pijlstoep ligt recreatieplas “Lammetjeswiel”. Verder staan er voornamelijk woningen in de omgeving. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van de onderzoeksgebieden weer.

Topografische kaart met de globale ligging van de onderzoeksgebieden (rood omkaderd).Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

4

Luchtfoto met de globale ligging van de onderzoeksgebieden met de Baas-locatie (1), de Jonker-locatie (2) en de van Beest-locatie (3) (rood omkaderd). Bron: Google Earth. Bewerking: SAB.

Baas-locatie Oost Kinderdijk 137-145 Deze locatie grenst direct aan de Oost Kinderdijk en omvat drie woningen en het Baas-Wooncentrum, een bedrijf waarvan de activiteiten inmiddels zijn stopgezet. Eén van de woningen is een vrijstaand woonhuis, met één bouwlaag en een kaaplaag opgestrokken uit baksteen, een stijl dak met dakpannen en een brede dakgoot. Achter de vrijstaande woning staat een houten, vervallen schuur met twee bouwlagen en een grote kelder. Ten westen van de vrijstaande woning staat een woonblok met twee woningen en het oude Baas-Wooncentrum. Dit gebouw heeft twee bouwlagen en een kaplaag. Achter het Baas-Wooncentrum staat een aan het zicht onttrokken loods. Deze loods is verbonden met het wooncentrum maar is van de twee woningen gescheiden door een smalle nis. De loods heeft metalen gevels. Tussen de vrijstaande woning en het woonblok loopt een verhoogde verbinding waardoor het Baas wooncentrum vanuit de vrijstaande woning is te bereiken. Achter de vier gebouwen is ook een tuin aanwezig. Deze bevat gemaaid en bemest grasland een enkele tuinplanten. De noordelijke grens van het onderzoeksgebied grenst aan een ondiepe sloot. Direct ten noorden van deze sloot ligt de Jonker-locatie.

5

Impressie van de Baas-locatie. De foto’s verbeelden de verschillende gebouwen in het plangebied. De bovenste foto’s tonen het zicht vanaf de Oost-Kinderdijk op het woonblok met woningen en het Baas-Wooncentrum (links) en de vrijstande woning (rechts). De middenfoto links laat de nis tussen de woningen en de aangrenzende bedrijfsloods zien. Deze bedrijfsloods is verbonden met de entree van het wooncentrum. De middenfoto rechts verbeeldt een achterzicht van de vrijstaande woning, genomen vanaf een wandelpad langs de Pijlstoep. Op de onderste foto’s zijn de houten schuur en de tuin bij de vrijstaande woning weergegeven.

Jonker-Locatie Oost Kinderdijk 187A Deze locatie ligt ongeveer 60 meter van de Oost Kinderdijk verwijderd. De locatie wordt ondanks deze afstand via de Oost Kinderdijk ontsloten. De ontsluiting ligt tussen Oost Kinderdijk nummer 163 en nummer 177. Op het adres is een kassencomplex aanwezig. De kas is in zijn geheel uit glas opgetrokken. Enkel de entree in het zuidwesten van het onderzoeksgebied is verhard. Rondom het onderzoeksgebied liggen ondiepe, brede sloten en direct nabij de kas liggen smalle slootjes. De sloten hebben natuurlijke oevers met riet, ruigte, kale grond 6

en modder. Er staan rietkragen en verruigd struweel met wilg, braam en riet. Op een deel van het terrein zijn de rietkragen recent gemaaid en de sloten lijken recent geschoond. In het noorden van het onderzoeksgebied staan struiken en bomen. Er liggen takkenhopen en hopen groenafval. In het zuiden grenst het onderzoeksgebied aan de Baas-locatie. In het noorden grenst het aan enkele moestuinen en aan het park rondom “Huis te Kinderdijk”.

Impressie van de Jonker-locatie. De foto’s geven de verschillende elementen in het plangebied weer. Boven is het zicht op de kas verbeeld vanaf een wandelpad langs de Pijlstoep (links) en de entree van de kas vanaf de ontsluiting aan de Oost Kinderdijk (rechts). De middenfoto’s tonen één van de smalle slootjes naast de kas en de verruiging van braam, wilg en riet. De onderste foto’s geven de bomen en struiken weer en een sloot in het noorden van het plangebied met zicht op het aangrenzende park .

van Beest-Locatie Pijlstoep 31 Deze locatie ligt aan het einde van de doodlopende weg Pijlstoep en grenst direct aan recreatiegebied “Lammetjeswiel”. Hier was in het verleden Stomerij van Beest aanwe7

zig. Deze activiteiten zijn inmiddels stopgezet. De van Beest-locatie bestaat uit een bedrijfsloods die vanuit het zuiden via de Pijlstoep wordt ontsloten. De loods is in het zuiden opgetrokken uit metalen gevels. Aan de west- en noordzijde van de loods zijn de muren van baksteen en betonsteen met overstekken van met kunststof afgewerkte MDF-platen. Het geheel heeft een plat dak. De loods is in vervallen staat en heeft op meerdere plaatsen openingen in de MDF-beplating. De oostgevel van de loods grenst direct aan een woonhuis. Deze woning wordt nog bewoond. Het woonhuis bestaat uit één bouwlaag en heeft bakstenen gevels. Ook het woonhuis heeft een plat dak. Ten oosten van het woonhuis ligt een kleine tuin met enkele bomen, heggen, struiken en gemaaid gras. Verder ten oosten staan nog enkele bomen en er ligt een watergang.

Impressie van de van Beest-locatie. De foto’s verbeelden de verschillende elementen in het plangebied. Boven is het zicht op de bedrijfsloods verbeeld vanaf de Pijlstoep (links) en de oostzijde van de loods vanaf het omliggende terrein (rechts). De middenfoto’s tonen de achterzijde van het plangebied met zicht op de tuin (links) en de grens tussen de bedrijfsloods de woning (rechts). De onderste foto’s geven de tuin en woning weer.

8

1.2.2

Toekomstige situatie Baas-locatie: Op deze locatie bestaat het plan al de huidige bebouwing te slopen om plaats te maken voor woningbouw. Jonker locatie: Het plan is om de kas te slopen en het aanwezige groen te verwijderen. De slootjes moeten worden gedempt. Ter plaatse zullen waarschijnlijk grondgebonden woningen worden gebouwd. Van Beest-Locatie: De precieze ontwikkeling op deze locatie is nog niet duidelijk.

1.3

Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze:  Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2017), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017).  Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is.  Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige.

Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; 4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur.  Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.

9

2

Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.

2.1

Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.

2.1.1

Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.

2.1.2

Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

10

2.1.3

Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.

2.2

Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.

2.3

Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Zuid-Holland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten. Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d).

Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en ha-

11

bitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2).

12

3 3.1

Ecologie van soorten Vleermuizen Elke vleermuissoort heeft een eigen specifiek scala aan eisen waaraan een leefgebied moet voldoen, om zich succesvol te kunnen handhaven. De verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden nemen hierin een centrale plaats in. Deze worden hieronder besproken.

3.1.1

Verblijfplaats Net als alle zoogdieren zoeken ook vleermuizen een beschermde ruimte op om te slapen, hun jongen te baren en groot te brengen. Dit is de zogenaamde vaste rust- en verblijfplaats. Vleermuizen bezitten door het jaar heen een groot scala aan verschillende soorten verblijfplaatsen om in bovengenoemde behoefte te voorzien. Er wordt voor deze diergroep onderscheid gemaakt tussen kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. In de kraamverblijfplaats worden de jongen (één per vrouwtje) gebaard en gezoogd. In dergelijke verblijfplaatsen scholen meerdere vrouwtjes (met jongen) bij elkaar. De omvang van een dergelijke kolonie verschilt per locatie en per soort. Van de gewone dwergvleermuis is bijvoorbeeld bekend dat zij groepen vormt van circa 50 tot 120 individuen (BIJ12, 2017a). Bij de laatvlieger zijn deze groepen geregeld kleiner: 10 tot 60 vrouwtjes (Dietz et al., 2011). In zomerverblijfplaatsen bevinden zich de volwassen mannetjes en vrouwtjes die zich niet voortplanten. Hier zijn geen grote groepen vleermuizen aanwezig. In de paarverblijfplaatsen vindt de paring plaats. Mannetjes bezetten dan een verblijfplaats met daaromheen zijn territorium en proberen vrouwtjes hiernaartoe te lokken om te paren. In de winterverblijfplaats overwinteren de vleermuizen (www.vleermuis.net).

Gewone dwergvleermuizen kunnen zowel in kleine als in grote groepen overwinteren (BIJ12, 2017a). De meervleermuis overwintert weer in grotten of bunkers en andere soorten trekken weg uit Nederland naar warmere oorden (www.vleermuis.net). Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al., 2011; Zoogdiervereniging en Probos, 2012). Vleermuizen leven door het jaar heen in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen, maar ook in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen tijdens hetzelfde seizoen. Afhankelijk van soort en situatie is er sprake van een hoofdverblijfplaats met satellietverblijfplaatsen of van meer gelijkwaardige verblijfplaatsen. Zelfs kraamverblijfplaatsen kunnen van de ene op de andere dag verlaten zijn, waarbij de 13

vrouwtjes hun jongen hangend aan de buik met zich meedragen. Tussen winterverblijfplaatsen wordt minder gewisseld (www.vleermuis.net). Bij de gewone dwergvleermuis liggen alle verblijfplaatsen binnen een straal van 20 kilometer bijeen (BIJ12, 2017a). Bij grotere vleermuissoorten als de rosse vleermuis is dit gebied vele malen groter (BIJ12, 2017b). 3.1.2

Vliegroutes Vanuit hun verblijfplaatsen moeten de vleermuizen hun weg kunnen vinden op zoek naar voedsel. Met behulp van hun sonar moeten ze wegwijs worden in de omgeving tussen verblijfplaats en foerageergebied. Bepaalde vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, gebruiken hiervoor vaak een vaste route naar het foerageergebied. Lijnvormige elementen als een bomenrij of watergang met opgaande begroeiing zijn hierbij vaak belangrijk voor hun oriëntatie (www.vleermuizenindestad.nl, Limpens et al., 2004).

3.1.3

Foerageergebied Vleermuizen gebruiken verschillende typen gebieden om voedsel te vinden. Hiertoe heeft elke vleermuissoort zich op enige wijze gespecialiseerd. Een overeenkomst is dat ze allen beschutting van wind zoeken. Enerzijds om energie te besparen, anderzijds vanwege de hoeveelheid insecten. De gewone dwergvleermuis foerageert bijvoorbeeld vooral in open ruimtes in bosachtig gebied of langs wind beschutte, lijnvormige elementen, zoals bomenrijen of watergangen (BIJ12, 2017a). De laatvlieger foerageert ten opzichte van de gewone dwergvleermuis in dezelfde soort gebieden maar dan hoger in de lucht en zolang de wind het toe laat boven opener terrein. De watervleermuis foerageert meestal boven open water (www.vleermuizenindestad.nl).

3.1.4

Jaarcyclus vleermuizen Vleermuizen gebruiken dus een netwerk van deelleefgebieden met verschillende functies. De in Nederland meest voorkomende soorten volgen daarbij een duidelijke seizoenscyclus: beginnend bij winterslaap, achtereenvolgens migratie, kraamperiode, balts- of paartijd, trek en tenslotte weer winterslaap (www.vleermuizenindestad.nl). zie onderstaand tijdschema.

Jaarcyclus van vleermuizen. Bron: Zoogdiervereniging

3.2

Huismus De huismus is sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is voornamelijk gebonden aan menselijke bebouwing. Ook voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk

14

van wat de mens hem aanbiedt. De huismus is geen zeldzame soort, maar is de afgelopen jaren wel sterk achteruit gegaan. De huismus broedt in losse kolonies van enkele tot tientallen nesten. De huismus is zeer honkvast en stelt een aantal voorwaarden aan een geschikt leefgebied (BIJ12, 2017c):  Nestplaats: allereerst dienen geschikte nestplaatsen voorhanden te zijn. Huismussen broeden vaak onder pannendaken met ronde dakpannen. Onder platte pannen is te weinig ruimte om te broeden. Andere geschikte kieren in bebouwing worden ook gebruikt. De nestplaatsen liggen meestal niet in de volle zon, aangezien dakpannen door de zon erg heet kunnen worden;  Voedsel: binnen maximaal enkele honderden meters van de nestplaats dient voedsel aanwezig te zijn. Volwassen dieren eten zaden van grassen en onkruiden, insecten, bessen, bloemknoppen, maar ook al het voedsel wat de mens aanbiedt, zoals voedsel uit voedersilo’s en etensresten. De voedselvoorziening moet het gehele jaar aanwezig zijn. In de broedperiode hebben de jongen eiwitrijk voedsel nodig, zoals bladluizen, muggen, vliegen en rupsen. Daarom moeten struiken, of andere vormen van groen aanwezig zijn waarin de huismussen dit voedsel voor hun jongen kunnen vinden;  Water: huismussen hebben water nodig.

Dit vinden ze op allerlei plekken, zoals in een dakgoot of een speciale drinkbak;  Beschutting: huismussen zijn een makkelijke prooi voor roofdieren zoals sperwers. Binnen enkele meters van de voedselbronnen dient daarom beschutting aanwezig te zijn. Dit bestaat voornamelijk uit dichte, of groenblijvende struiken. De huismus gebruikt zijn nest het gehele jaar door. Voornamelijk tijdens de broedperiode (april tot en met augustus) en tijdens vorstperiodes is de huismus erg afhankelijk van de broedplaats.

3.3

Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12, 2017d). Gierzwaluwen bevinden zich bijna hun hele leven in de lucht. Hun lichaamsbouw is dan ook perfect aangepast aan het vliegen in de lucht. Echter, de vleugels zijn niet gebouwd op het uit stilstand opvliegen. Het gevolg is dat gierzwaluwen zich te allen tijde naar beneden moeten kunnen laten vallen om in de vleugels te komen en weg te kunnen vliegen. Ook zijn de poten nog maar slecht ontwikkeld, omdat deze weinig worden gebruikt. Vanwege deze beperkingen zijn gierzwaluwen erg conservatief in het innemen van nieuwe broedplaatsen. Ze gebruiken dan ook jaren achtereen dezelfde nestplaats (BIJ12, 2017d).

15

3.4

Noordse woelmuis De noordse woelmuis is een grote woelmuis die goed kan zwemmen en duiken. De soort is erg gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen en de aanwezigheid van concurrenten bepaalt deels het leefgebied. Ze leven vooral in hoge vegetaties met grasachtige planten. In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen leeft de soort vooral in natte terreinen, als rietland, moeras, hooilanden en zeer extensief gebruikte weilanden. Wanneer er geen andere woelmuizen in de omgeving leven, leeft hij ook in drogere gebieden, zoals wegbermen. Noordse woelmuizen eten vooral plantaardig voedsel, zoals de groene delen van riet, grassen, wortels, zaden en schors. Ze maken gangen onder de grond met nest- en voorraadkamers. Bovengronds zijn dan kleine (mols-)hopen zichtbaar. (BIJ12, 2017e; www.zoogdiervereniging.nl).

3.5

Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon niet te voedselrijk water met goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij wordt aangetroffen langs beken, plassen, rivieren en sloten. Hij leeft binnen een straal van 500 meter langs het water op plaatsen waar voldoende schuilmogelijkheid aanwezig is. Het leefgebied van de waterspitsmuis loopt evenwijdig aan de oever. Mannetjes en vrouwtjes hebben hier ieder hun eigen territorium, waar ze een relatief groot nest maken, in holtes of beschutte plekjes langs de oever. Ze zoeken voedsel in en langs het water en eten vooral dierlijk voedsel, zoals waterslakken, schietmotten, kevers, wormen en vliesvleugeligen (www.zoogdiervereniging.nl).

3.6

Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Ook komt de soort op minder natuurlijke terreinen voor, zoals braakliggende terreinen of bouwlocaties. Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. De volwassen dieren eten voornamelijk insecten als vliegen en mieren, maar ook spinnen en andere ongewervelden. De larven eten hoofdzakelijk organische materiaal, algen en indien beschikbaar delen van vaatplanten. De voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft, 2009; BIJ12, 2017f)

16

3.7

Heikikker De heikikker komt voor in vochtige heidegebieden waar sprake is van veenvorming en in hoog- en laagveengebieden. Ook wordt de heikikker wel in vochtige schraalgraslanden, duinvalleien, bosranden, langs meren en rivieren en in komkleigebieden aangetroffen. Laag struweel en hoge kruidige gewassen zijn hier van belang (Goverse et al., 2015). Dieren trekken afhankelijk van de temperatuur meestal eind februari of begin maart naar het voortplantingsbiotoop (Creemers & van Delft 2009). Het voortplantingsbiotoop bestaat uit ondiepe stilstaande wateren met oevervegetatie (Creemers & van Delft 2009;, Goverse et al., 2015). De meeste eieren worden in maart en soms in april gelegd. Na de ei-leg verlaten de dieren het water. De juvenielen verlaten het water in juni. De dieren overwinteren op het land van eind oktober tot begin maart ingegraven op vorstvrije plekken.(BIJ12, 2017g;Creemers & van Delft 2009, ).

3.8

Grote modderkruiper De grote modderkruiper is een vissoort die vooral tijdens de schemering en in de nacht actief is. Overdag verblijven ze in dichte vegetatie of in de modder. ’s Avonds zoeken ze naar dierlijk voedsel als wormen, slakken, mosselen, insectenlarven of waterpissebedden. Ook eten ze wel rottende plantendelen. De soort is redelijk honkvast en brengt een groot deel van zijn leven op een beperkt oppervlakte door. Het leefgebied bestaat vooral uit ondiepe, stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals vennen, plassen en oude afgesneden meanders. Het water is vaak rijk aan vegetatie en ook kunnen verlandingssituaties aanwezig zijn. In het water is vaak een modderlaag aanwezig, met een laag van 10-30 cm stevige modder. Wateren met een dikke laag dunne modder behoren niet tot het leefgebied. In drooggevallen wateren kan de soort enige tijd ingegraven in de modder overleven. In Nederland komt de soort voornamelijk nog voor in oude slootjes gelegen in ingepolderde voormalige overstromingsvlakten (BIJ12, 2017h).

3.9

Platte schijfhoren De platte schijfhoren is een kleine (tot enkele milimeters groot) zoetwater huisjesslak. De soort komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing, zoals grotere en kleinere plassen, sloten en vergelijkbare wateren. De platte schijfhoren wordt vaak gevonden in draadalgvegetaties maar kan ook in andere vegetaties voorkomen, zoals in wateren met krabbescheer en wordt soms aangetroffen op de wortels van lisdodde of vergelijkbare oevergebonden planten. In verontreinigd of brak water komt de soort niet voor. De soort is lokaal aanwezig en komt in de meeste provincies voor (Annemoon.org).

3.10

Bosuil De bosuil is ongeveer zo groot als een kraai. De soort komt voor op plekken met voldoende (oude) bomen en is in veel verschillende landschapstypen aan te treffen, zoals bos, groene woonwijken, (kleinschalig-) cultuurlandschap en ook wel in de duinen. De soort is nachtactief en eet allerlei dierlijk voedsel, zoals kleine zoogdieren,

17

vogels, amfibieën, kevers, regenwormen en soms zelfs vis. De soort nestelt in boomholten, grote nestkasten en soms ook op gebouwen of in oude nesten van andere middelgrote vogels. Incidenteel wordt op de grond genesteld (SOVON.nl, Zoogdiervereniging.nl). Nesten van de bosuil vallen onder de zogenaamde beschermingscategorie 5: de bosuil is gebonden aan de verblijfplaats maar is wel zo flexibel dat deze een andere verblijfplaats kan vinden wanneer er voldoende alternatieven zijn. Het nest is alleen jaarrond beschermd wanneer zwaarwegende ecologische feiten dit rechtvaardigen.

3.11

Steenuil De steenuil is de kleinste uilensoort die in Nederland broedt. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Koppels zijn territoriaal en verblijven het hele jaar binnen het territorium. Het activiteitsgebied rond de nestplaats is enkele honderden meters groot. Het nest van een steenuil bevindt zich voornamelijk op de erven van boerderijen. De nesten zitten daar onder het dak, in schuurtjes of in een steenuilkast. Daarnaast zijn nesten te vinden in holtes in knotbomen of oude hoogstamfruitbomen. Het voedsel van de steenuil is zeer gevarieerd. De steenuil jaagt het liefst op muizen, aangezien dit voor een steenuil een relatief grote prooi is en daarmee veel voedsel oplevert. Indien muizen minder voorhanden zijn, wordt ook gejaagd op kleine vogels, kevers, andere insecten, kikkers, salamanders en regenwormen. De broedperiode van de steenuil loopt van februari tot en met juli. In deze periode wordt de nestplaats zeer intensief gebruikt. Buiten deze periode wordt de nestplaats ook gebruikt, zij het minder vaak. Van februari tot en met april zijn de steenuilen zeer actief met het bewaken van hun territorium, door middel van het produceren van een territoriumroep (SOVON, 2002; BIJ12, 2017i).

18

4

Onderzoekmethodiek Hieronder volgt per soort of soortgroep een omschrijving van de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Ook is aangegeven op welke data het onderzoek heeft plaatsgevonden.

4.1

Vleermuizen

4.1.1

Onderzochte soorten, functies en onderzoeksomstandigheden In de quick scan (SAB, 2018) heeft reeds een beoordeling plaatsgevonden van de soorten vleermuizen die mogelijk aanwezig zouden kunnen zijn op de drie locaties. Deze beoordeling is gebaseerd op de verspreiding van de verschillende soorten en op de geschiktheid van de locaties voor de soorten. Op de Baas-locatie kunnen verblijfplaatsen voor de gebouwbewonende soorten gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis niet worden uitgesloten. In de tabel hieronder zijn per soort de typen verblijfplaatsen weergegeven die niet kunnen worden uitgesloten. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten op de Baas-locatie. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

x

x

x

x

Ruige dwergvleermuis

-

-

x

x

Laatvlieger

x

x

x

x

Meervleermuis

x

x

x

x

Gewone grootoorvleermuis

-

x

x

-

Op de Jonker-locatie zijn mogelijk verblijfplaatsen aanwezig in bomen voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en ruige dwergvleermuis (zie onderstaande tabel). Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten op de Jonker-locatie. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

-

-

x

x

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

x

Gewone grootoorvleermuis

x

x

x

x

Rosse vleermuis

x

x

x

x

Watervleermuis

x

x

-

-

19

Op de van Beest-locatie zijn mogelijk verblijfplaatsen in gebouwen aanwezig voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Zie onderstaande tabel voor de typen verblijfplaatsen die niet zijn uit te sluiten. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten op de van Beest-locatie. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

x

x

x

x

Ruige dwergvleermuis

-

-

x

x

Laatvlieger

x

x

x

x

Meervleermuis

x

x

x

-

Gewone grootoorvleermuis

-

x

x

-

Om te onderzoeken of verblijfplaatsen aanwezig zijn werd vleermuisonderzoek uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn verwoord in het Vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureaus, 2017). De precieze data van de veldbezoeken zijn per locatie weergegeven in onderstaande tabellen. In deze tabellen zijn ook per locatie de weersomstandigheden en het aantal onderzoekers weergegeven. Tevens is weergegeven wanneer welke functies zijn onderzocht. Er werden in de voorzomer en zomer drie veldbezoeken aan de locaties gebracht voor het vaststellen van zomer- en kraamverblijfplaatsen. Eén van de bezoeken in de voorzomer vond plaats in de nacht en vroege ochtend, de overige twee bezoeken vonden plaats in de avond en nacht. In het najaar werden twee veldbezoeken aan de locaties gebracht voor het vaststellen van paarverblijfplaatsen. Het onderzoek in de paartijd voldoet niet geheel aan de eisen van het vleermuisprotocol voor het uitsluiten van een paarverblijfplaats van de meervleermuis. Het onderzoek naar de paarfunctie van de bebouwing voor meervleermuizen is echter meegenomen bij het onderzoek in de zomerperiode. Paarverblijfplaatsen van de meervleermuis worden namelijk ook altijd in de zomer door mannetjes meervleermuizen bezet (Haarsma, 2011). Bij de onderzoeken rond de locaties werden in de zomer enkele malen vleermuizen van het geslacht myotis gehoord.

Het betrof echter foeragerende baardvleermuizen of mogelijk watervleermuizen. Meervleermuizen zijn op de locaties nooit waargenomen. Omdat geen zomerverblijf van de meervleermuis aanwezig is, is ook geen paarverblijf aanwezig, zo kan gesteld worden (Haarsma, 2011). Om die reden heeft het onderzoek zich in de paartijd niet nader gericht op de meervleermuis, maar heeft zich gericht op de overige soorten waarvoor een paarverblijf niet kon worden uitgesloten.

20

Baas-locatie. Data, tijden, onderzoeksomstandigheden en onderzochte functies tijdens de uitgevoerde onderzoeken. Veldonderzoeksdata

3-6-2019

4-6-2019

8-7-2019

20-8-2019

17-9-2019

Zon op

5:23

5:22

5:28

6:31

7:17

Zon onder

21:54

21:56

22:02

20:56

19:52

Tijd (start)

21:45

02:22

21:50

23:05

21:55

Tijd (eind)

00:54

05:27

1:02

1:09

0:01

Temperatuur (°C)

15

11

14

14

12

Windkracht (Bft)

2

2

2

1

1

Neerslag

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Bewolking

40%

60%

Geen

Geen

80%

Weersomstandigheden

Goed

Goed

Goed

Goed

Goed

Aantal onderzoekers

3

3

3

1

1

Kraamverblijfplaatsen

x

x

x

-

-

Zomerverblijfplaatsen

x

x

x

x

x

Paarverblijfplaatsen

-

-

-

x

x

Jonker locatie. Data, tijden, onderzoeksomstandigheden en onderzochte functies tijdens de uitgevoerde onderzoeken. Veldonderzoeksdata

10-6-2019

11-6-2019

9-7-2019

20-8-2019

17-9-2019

Zon op

5:19

5:19

5:29

6:31

7:17

Zon onder

22:01

22:02

22:01

20:56

19:52

Tijd (start)

22:00

02:19

21:49

23:11

21:57

Tijd (eind)

1:09

05:24

23:59

1:11

0:08

Temperatuur (°C)

16

16

16

14

12

Windkracht (Bft)

1

2

2

1

1

Neerslag

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Bewolking

80%

100%

20%

Geen

80%

Weersomstandigheden

Goed

Goed

Goed

Goed

Goed

Aantal onderzoekers

3

3

3

1

1

Kraamverblijfplaatsen

x

x

x

-

-

Zomerverblijfplaatsen

x

x

x

x

x

Paarverblijfplaatsen

-

-

-

x

x

21

Van Beest locatie. Data, tijden, onderzoeksomstandigheden en onderzochte functies tijdens de uitgevoerde onderzoeken. Veldonderzoeksdata

4.1.2

3-6-2019

4-6-2019

9-7-2019

20-8-

17-9-

2019

2019

Zon op

5:23

5:22

5:29

6:31

7:17

Zon onder

21:54

21:56

22:01

20:56

19:52

Tijd (start)

21:32

02:20

21:50

23:05

21:56

Tijd (eind)

0:36

05:24

1:02

1:12

0:01

Temperatuur (°C)

16

11

16

14

12

Windkracht (Bft)

2

2

2

1

1

Neerslag

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Bewolking

40%

60%

20%

Geen

80%

Weersomstandigheden

Goed

Goed

Goed

Goed

Goed

Aantal onderzoekers

3

3

3

1

1

Kraamverblijfplaatsen

x

x

x

-

-

Zomerverblijfplaatsen

x

x

x

x

x

Paarverblijfplaatsen

-

-

-

x

x

Methode De onderzoekers hebben zich gedurende het veldonderzoek over het onderzoeksgebied verspreid en gezocht naar vleermuizen door middel van zichtwaarnemingen en het gebruik van batdetectors. Navolgende waarnemingen zijn belangrijk en zijn in ieder geval genoteerd:  Vleermuizen die in of uit een gebouw, boom, etc. vliegen. Dit wijst op de aanwezigheid van een verblijfplaats;  Zwermgedrag; vleermuizen die een tijdje en op een typische manier op een bepaalde plek rondvliegen. Vaak met meerdere vleermuizen, maar kan ook alleen. Dit kan duiden op een verblijfplaats.  Paargedrag, zoals baltsactiviteit van mannelijke vleermuizen. Dit kan bijvoorbeeld wijzen op de aanwezigheid van een paarterritorium en paarverblijfplaatsen.  Foeragerende vleermuizen. Hierbij is van belang hoeveel vleermuizen foerageren en of nog andere functies in de buurt aanwezig zijn. Op basis van deze waarnemingen is bepaald of sprake is van essentieel foerageergebied.  Meerdere vleermuizen die een bepaalde route vliegen. Dan is meestal sprake van een vliegroute van vleermuizen. Op basis van deze waarnemingen en een inschatting van de omgeving is bepaald of sprake is van een essentiële vliegroute.

4.1.3

Batdetectors Het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen is uitgevoerd door middel van zichtwaarnemingen en onderzoek met batdetectors. Een batdetector is een apparaat dat de onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen opvangt en vertaalt in voor mensen hoorbare geluiden. Door interpretaties van ritme, klank en hoogte van het door het apparaat uitgezonden geluid kunnen de meeste soorten vleermuizen worden

22

onderscheiden en op naam worden gebracht. Met behulp van deze detectoren kunnen opnames worden gemaakt die eventueel achteraf geanalyseerd kunnen worden met behulp van computerprogramma’s. Met name voor de soorten van het geslacht Myotis is dit noodzakelijk om tot een zekere determinatie te komen. Bij het onderzoek op de Jonker-locatie, naar de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in boomholten, is daarnaast nog een warmtebeeldcamera gebruikt. 4.1.4

Weersomstandigheden De vleermuisveldbezoeken mogen alleen bij goede weersomstandigheden uitgevoerd worden. Deze eisen zijn ook in het vleermuisprotocol opgenomen. Als de weersomstandigheden onvoldoende zijn, is de vleermuisactiviteit lager dan bij goede weersomstandigheden en geven de waarnemingen geen goed beeld van het vleermuisgebruik van het onderzoeksgebied. In dit geval zijn alle veldbezoeken bij goede weersomstandigheden uitgevoerd.

4.2

Huismus Op de Baas-locatie en Van Beest-locatie is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar huismussen. Het inventariseren van huismussen heeft plaatsgevonden door zichtwaarnemingen. Door ongeveer een uur in een bepaald gebied te inventariseren wordt een goed beeld gekregen van de aan- of afwezigheid van huismussen in een gebied. Er mag uit worden gegaan van een huismusnest bij de volgende waarnemingen (BIJ12, 2017c):  Waarneming van nest of nestbouw;  Bezoek van een huismus aan een potentiële nestplaats;  Transport van voedsel of ontlastingspakketjes;  Bedelende jongen in een nest;  Van 10 maart tot 20 juni een zingend mannetje;  Van 10 maart tot 20 juni aanwezigheid van een paartje;  Van 10 maart tot 20 juni baltsgedrag. Conform het kennisdocument (BIJ12, 2017c) zijn aan beide locaties in het voorjaar van 2019 twee veldbezoeken gebracht in de periode van 1 april tot en met 15 mei. Het onderzoek werd uitgevoerd door één onderzoeker. In onderstaande tabel zijn de details van deze bezoeken weergegeven. Details van de veldbezoeken voor het huismusonderzoek

4.3

Datum

Starttijd

Eindtijd

Weer

23 april 2019

11:04

12:40

16 graden, windkracht 4, half bewolkt, droog

14 mei 2019

10:00

11:35

14 graden, windkracht 4, licht bewolkt, droog

Gierzwaluw Op de Baas-locatie is onderzoek uitgevoerd naar gierzwaluwen. Het onderzoek om aan- of afwezigheid van nesten van gierzwaluwen aan te tonen is uitgevoerd conform

23

het kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017d). Het voldoet dan ook aan de volgende voorwaarden:  minimaal drie inventarisatiemomenten met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen;  in de periode van 1 juni tot en met 15 juli;  waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli;  van twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang;  tijdens goede weersomstandigheden (droog, niet te veel wind). De afwezigheid van broedende gierzwaluwen is met bovengenoemde methode voldoende aannemelijk gemaakt als er geen waarnemingen zijn verricht die duiden op de aanwezigheid van een nest. Gezien de omvang van het object werd het onderzoek uitgevoerd door één deskundige, waarbij ervoor is gekozen om de locatie van de nesten te bepalen door middel van het waarnemen van in- en uitvliegende gierzwaluwen. Dergelijke nestlocatietellingen leveren de beste resultaten op. Hierbij is 15 tot 30 minuten gepost per strategisch gekozen plek, van waaruit verschillende potentiële nestlocaties overzien kunnen worden. Alle in- en uitvliegende gierzwaluwen zijn genoteerd en de locaties zijn op een kaart bijgehouden. Naast in- en uitvliegende individuen zijn ook laagvliegende, luid roepende vogels genoteerd. Dit gedrag duidt er namelijk op dat een nestlocatie in de buurt aanwezig is (BIJ12, 2017d).

Daarnaast is ook bijgehouden hoeveel gierzwaluwen maximaal hoog boven en in de omgeving van het onderzoeksgebied rondvliegen. In de onderstaande tabel is nadere informatie opgenomen over de uitgevoerde veldbezoeken. Details van de veldbezoeken voor het gierzwaluwonderzoek

4.4

Datum

Starttijd

Eindtijd

Neerslag

Bewolking

Temperatuur

Wind

1-6-2019

19:40

22:25

11-6-2019

19:55

22:25

Geen

Helder

22 °C

1 Bft

Geen

Bewolkt

20 °C

1 Bft

25-6-2019

20:00

22:30

Geen

Helder

31-26 °C

2-3 Bft

Noordse woelmuis en waterspitsmuis Bij de Jonker-locatie is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de Noordse woelmuis en waterspitsmuis. Het nader onderzoek naar de noordse woelmuis heeft plaatsgevonden overeenkomstig de richtlijnen, zoals beschreven in het kennisdocument Noordse woelmuis (BIJ12, 2017e). De aanwezigheid van de noordse woelmuis kan worden vastgesteld door het, in de periode augustus tot en met oktober, plaatsen van zogenaamde live-traps. De vallen moeten onder de vegetatie op plekken met voldoende dekking worden geplaatst. Per vangplek moeten minimaal 20 vallen, paarsgewijs met een onderlinge afstand van ongeveer 10 meter, geplaatst worden. De vallen moeten gedurende 2 dagen om de 12 uur in totaal vier maal worden bemonsterd. Voor het bemonsteren moeten de vallen 2-4 nachten in het gebied staan om de dieren aan de objecten te laten wennen.

24

Voor het nader onderzoek naar de waterspitsmuis zijn geen richtlijnen opgesteld in een kennisdocument. Ook voor deze soort kan gebruik worden gemaakt van livetraps, waarbij dezelfde methode gehanteerd kan worden als voor de Noordse woelmuis (zie hierboven). Overeenkomstig de aanwijzingen in het kennisdocument, is voor het onderzoek gebruik gemaakt van live-traps. De live-traps zijn in twee raaien geplaatst op de locatie. Per raai zijn op tien plaatsen steeds twee vallen geplaatst. De live-traps zijn op vrijdag 18 oktober 2019 geplaatst en op maandagavond (21 oktober), dinsdagochtend (22 oktober, dinsdagavond en woensdagochtend (23 oktober) gecontroleerd. Op woensdagochtend zijn de vallen ook verwijderd en schoongemaakt.

Locaties van de geplaatste live-traps

4.5

Rugstreeppad Op de Jonker-locatie is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de rugstreeppad. Het nader onderzoek naar het leefgebied van de rugstreeppad dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het Kennisdocument van de Rugstreeppad (BIJ12, 2017). Het vaststellen van kan op verschillende manieren, het vaststellen van kooractiviteit, het vaststellen van ei-snoeren en/of larven en het aantonen van exemplaren door zichtwaarneming. Omdat het aantonen van exemplaren een zeer arbeidsintensieve methode is, heeft het aantonen van voortplanting door kooractiviteit of ei-snoeren de voorkeur. Het onderzoek is uitgevoerd door het luisteren naar kooractiviteit en door het afzoeken van de sloten en het perceel op de aanwezigheid van rugstreeppadden. Hierbij werd ook de omgeving onderzocht. Overeenkomstig de vereisten uit het kennisdocument (BIJ12, 2017f) en het soorteninventarisatieprotocol van het NGB (NGB, 2017) werden in de avond/ nacht drie veldbezoeken aan het gebied gebracht (zie onderstaande ta-

25

bel). De veldbezoeken vonden plaats in het voorjaar en de zomer, op relatief warme avonden met weinig wind. De omstandigheden waren daarmee geschikt voor dergelijk onderzoek. Er is voor gekozen om de eerste twee bezoeken relatief laat in het voorjaar uit te voeren (mei en juni) omdat het weer in de periode april – begin mei dit jaar vrij koud was. Details van de veldbezoeken voor het onderzoek naar rugstreeppad

4.6

Datum

Starttijd

Eindtijd

Weer

24 mei 2019

23:30

0:35

8 graden, windkracht 1, bewolkt, droog

18 juni 2019

23:00

0:00

18 graden, windkracht 2, helder, droog

16 juli 2019

20:50

21:50

22 graden, windkracht 1, half bewolkt, droog

Heikikker Bij de Jonker-locatie is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van heikikker. Het onderzoek is opgezet overeenkomstig de aanwijzingen in het kennisdocument voor deze soort (BIJ12, 2017g) en het soorteninventarisatieprotocol van de NGB (NGB, 2017). Er is in de avond van 19 maart 2019 onderzoek uitgevoerd door het luisteren naar kooractiviteit. Daarnaast is op 29 augustus gezocht naar juveniele dieren. In de tabel hieronder zijn de details van beide bezoeken opgenomen. Details van de veldbezoeken voor het onderzoek naar de heikikker

4.7

Datum

Starttijd

Eindtijd

Weer

19 maart 2019

19:34

21:56

9 graden, windkracht 1, licht bewolkt, droog

29 augustus 2019

9:15

16:30

22 graden, windkracht 1, half bewolkt, droog

Grote modderkruiper Op de Jonker locatie is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper. Dergelijk onderzoek dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het kennisdocument grote modderkruiper (BIJ12, 2017h) en het soortinventarisatieprotocol van het NGB (NGB, 2017). Inventarisatie kan op verschillende manieren en in verschillende periodes worden uitgevoerd. De meest geschikte van deze methoden zijn inventarisatie doormiddel van elektrovisserij of doormiddel van het bemonsteren van de wateren op e-DNA. In dit geval heeft onderzoek plaatsgevonden met behulp van een elektro-visapparaat, op 29 augustus 2019. Hierbij werden de wateren op de locatie door twee deskundigen van bureau Viridis bevist, met behulp van een aggregaat (Deka 5000) geplaatst op een bootje (zie onderstaande afbeelding).

26

Bemonstering van de wateren op de Jonker-locatie.

4.8

Platte schijfhoren Op de Jonker-locatie is onderzoek naar de platte schijfhoren uitgevoerd. De inventarisatie van platte schijfhoren is niet aan specifieke richtlijnen gebonden. De platte schijfhoren is met behulp van een schepnet te inventariseren vanaf de waterkant of vanuit een boot. Onderzoek kan het best uitgevoerd worden in de periode mei – augustus, wanneer onderwatervegetatie aanwezig is. Voor het onderzoek werden op 29 augustus met een schepnet monsters van de onderwatervegetatie verzameld. De aangetroffen slakken zijn gedetermineerd. Bij twijfel zijn slakken meegenomen en met behulp van een stereomicroscoop gedetermineerd.

4.9

Bosuil Op de Jonker-locatie is onderzoek naar de bosuil uitgevoerd. De bosuil is jaarrond beschermd wanneer zwaarwegende ecologische redenen dit rechtvaardigen. Dit is het geval wanneer in de omgeving geen alternatieve nestlocaties aanwezig zijn en de lokale staat van instandhouding door het project kan worden aangetast. De staat van instandhouding van deze soort is momenteel gunstig (vogelbescherming.nl). Alternatieven nestplaatsen voor deze soort kunnen grote bomen met holten, andere nestkasten of oude middelgrote nesten van roofvogels zijn (sovon.nl). Het onderzoek naar de aanwezigheid van alternatieve nestlocatie is uitgevoerd in de ochtend van 14 mei 2019, bij droog, licht bewolkt weer. Hierbij werd in de omgeving gezocht naar mogelijke nestlocaties voor deze soort. Direct nabij de Jonker-locatie ligt een park, rondom huis te Kinderdijk. In dit park zijn veel grote bomen aanwezig. Het onderzoek naar alternatieve nestlocaties heeft zich met name op dit park gericht.

27

4.10

Steenuil Voor de Jonker-locatie is onderzoek uitgevoerd naar de steenuil. Het onderzoek werd uitgevoerd conform de richtlijnen van het kennisdocument steenuil (BIJ12, 2017i) en het soortinventarisatieprotocol van de NGB (NGB, 2017). De aanwezigheid van de steenuil kan het gehele jaar worden aangetoond, maar de beste periode om een territorium van een steenuil vast te stellen is van 1 februari tot en met 30 april. Er werden in deze periode in de avond drie veldbezoeken aan het onderzoeksgebied gebracht. In onderstaande tabel zijn de details van de bezoeken weergegeven. Bij het onderzoek zijn in de avond territoriumroepen van een steenuil afgespeeld. Ook is op de locatie gezocht naar sporen van een steenuil. Details van de veldbezoeken voor het onderzoek naar de steenuil Datum

Starttijd

Eindtijd

Weer

19-3-2019

19:34

21:56

9 graden, windkracht 1, licht bewolkt, droog

23-4-2019

21:47

23:23

18 graden, windkracht 1, onbewolkt

30-4-2019

22:03

23:45

10 graden, windkracht 1, bewolkt, droog

28

5

Resultaten

5.1

Vleermuizen

5.1.1

Aanwezigheid verblijfplaatsen Baas-locatie Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld op deze locatie. Wel is in het naastgelegen flatgebouw (Kinderdijk 147-157) op 17 september een roepende ruige dwergvleermuis gehoord. Op deze locatie is dus een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis aanwezig. De paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis bevindt zich direct naast de Baas-locatie. De verblijfplaats ligt zo dicht bij de Baas-locatie dat verstoring van deze verblijfplaats vanuit het plangebied, door licht of hoge bebouwing mogelijk zou kunnen zijn. Bij de toekomstige ontwikkeling dient dan ook met deze verblijfplaats rekening gehouden te worden. Verder werd hier op 17 september een baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen buiten het plangebied, vliegend tussen de twee flatgebouwen bij Kinderdijk 147-157 & 159-169. Dit paarterritorium bevindt zich daarmee op enige afstand van de planlocaties. Negatieve effecten van het plan hierop zijn daarom niet te verwachten . Jonker-locatie Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen in de bomen rond de locatie. Er zijn wel enkele geschikte holen aanwezig maar uitvliegende dieren of zwermgedrag bij het invliegen is niet waargenomen. Ook met warmtebeeldcamera zijn geen indicaties waargenomen van holtes die in gebruik zijn door vleermuizen.

Er wordt door verschillende soorten vleermuizen gefoerageerd binnen de begrenzing van het plangebied. Het gaat om gewone dwergvleermuis, laatvlieger en waarschijnlijk baardvleermuis of watervleermuis. Van Beest-locatie In het najaar, in de paartijd, bleek dat er op deze locatie een paarverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis aanwezig is. In de paartijd, zowel eind augustus als half september, werd hier namelijk een baltsroepend mannetje gewone dwergvleermuis waargenomen. De meeste soorten vleermuizen roepen in de paartijd vanaf een vaste plaats. De gewone dwergvleermuis doet dat echter vliegend. Hierdoor is veelal geen duidelijke paarverblijfplaats aan te wijzen. Ook in dit geval is de exacte verblijfplaats niet gevonden. Omdat het paarterritorium rondom het gebouw op deze locatie ligt en de gewone dwergvleermuis een gebouw-bewonende soort is, kan worden aangenomen dat de paarverblijfplaats zich in dit gebouw bevindt. In de aanwezige bebouwing op deze locatie zijn op verschillende plekken holten aanwezig die door de gewone dwergvleermuis als paarverblijf gebruikt kunnen worden. Zo zijn in de loods kieren aanwezig onder de dakrand en in de dakoverstek en zijn bij het woonhuis open stootvoegen aanwezig en zijn openingen aanwezig zij de dakrand. Vermoedelijk worden één of meerdere van deze holten door een mannetje gewone dwergvleermuis gebruikt als paarverblijfplaats.

Conform het kennisdocument voor deze soort (BIJ12, 2017a) kan een dergelijke verblijfplaats in de winter door het mannetje ook als winterverblijf-

29

plaats gebruikt worden. Andere verblijfplaatsen werden niet aangetoond binnen het plangebied. 5.1.2

Aanwezigheid essentieel foerageergebied en vliegroutes Waarnemingen foerageergedrag Bij de drie locaties wordt door verschillende soorten gefoerageerd. Gewone dwergvleermuizen en laatvlieger werden regelmatig waargenomen en ook ruige dwergvleermuis en vleermuizen van het geslacht myotis waren aanwezig. Dit betrof watervleermuizen of baardvleermuizen. De vleermuiswaarnemingen zijn samengevat in onderstaande afbeelding.

Er werd maar op beperkte schaal gefoerageerd op de locaties. Voor vleermuizen die geen verblijfplaats in de onderzoeksgebieden hebben is dan ook geen essentieel foerageergebied aanwezig. Voor de gewone dwergvleermuis met een paarverblijfplaats op de van Beest-locatie ligt dat anders. Een foerageermogelijkheid in de vorm van bijvoorbeeld een boom of enkele struiken is noodzakelijk om de functionaliteit van die verblijfplaats te behouden. Voor vleermuizen is het namelijk van belang om direct bij het uitvliegen al wat te kunnen foerageren rond de verblijfplaats. Als dit niet meer mogelijk is zullen de vleermuizen de verblijfplaats steeds minder gaan gebruiken. De aanwezige bomen direct naast de bebouwing bij de van Beest-locatie vormen daarmee essentieel foerageergebied voor de hier aanwezige paarverblijfplaats. Deze bomen staan niet binnen het onderzoeksgebied/ plangebied. Negatieve effecten ten gevolge van het plan op dit essentiële foerageergebied zijn daarom niet te verwachten. Binnen de onderzoeksgebieden zijn geen doorlopende lijnvormige structuren aanwezig die als vliegroute gebruikt zouden kunnen worden. Ook werden bij het onderzoek geen regelmatig passerende vleermuizen waargenomen. Van een essentiële vliegroute is in de onderzoeksgebieden geen sprake. 30

5.2

Huismus Zowel bij het eerste veldbezoek als bij het tweede veldbezoek werden noch binnen de onderzoeksgebieden noch in de omgeving van de onderzoeksgebieden huismussen waargenomen. Er werden geen baltsende mannetjes gehoord of gezien, maar ook foeragerende of overvliegende huismussen werden niet gezien. Essentiële elementen voor de huismus zijn niet aanwezig.

5.3

Gierzwaluw De veldbezoeken geven allemaal hetzelfde beeld. Bij al de bezoeken werden langsvliegende roepende (gierend) gierzwaluwen waargenomen die vlogen langs een huis nabij het onderzoeksgebied (Oost Kinderdijk 127) en in mindere mate ook langs de houten schuur in het onderzoeksgebied. Hier zijn ook in- en uitvliegende dieren waargenomen. Op 1 juni werd waargenomen hoe een gierzwaluw invloog bij de houten schuur, onder een dakpan bij de tweede rij van onderen en de vierde dakpan van rechts (zie ook onderstaande afbeelding). Vervolgens werd gezien hoe de vogel weer uitvloog. Circa 10 minuten later vloog er weer een gierzwaluw in op deze locatie. Ook bij het huis Oost Kinderdijk 127 werd op deze dag een invliegende gierzwaluw waargenomen.

Locatie van de invliegopening van de gierzwaluwnestplaats op de Baas-locatie.

Op 11 juni werd een roepende gierzwaluw gehoord, die riep vanonder het dak van de houten schuur. Vervolgens werd een uitvliegende gierzwaluw gezien en een half uur later vloog bij de al eerder genoemde dakpan een gierzwaluw in. Dit herhaalt zich nog een keer. Ook werden deze avond bedelende jongen gehoord van de locatie onder de dakpannen, wat er op duidt dat de gierzwaluwen jongen hebben. Bij het huis naast de onderzoekslocatie (Oost-Kinderdijk 127) werden ook nu weer invliegende gierzwalu31

wen waargenomen. Ook werden dieren gezien die bijna invlogen (zogeheten ‘bouncen’) bij de dakkapel en nabij de schoorsteen (zie onderstaande afbeelding).

Locatie van gierzwaluwwaarnemingen bij Oost Kinderdijk 127, gelegen buiten het onderzoeksgebied.

Op 25 juni werd bij de houten schuur weer waargenomen hoe een gierzwaluw invliegt en even later uitvliegt bij de dakpan op de tweede rij van onder en vierde van rechts. Ook werden hier bedelende jongen gehoord. En ook bij de locatie Oost Kinderdijk 127 werden wederom invliegende en bouncende gierzwaluwen waargenomen. Uit het onderzoek blijkt dat een gierzwaluwnest aanwezig is in de houten schuur binnen het onderzoeksgebied. Een gierzwaluwnest vormt een jaarrond beschermde verblijfplaats. Als onderdeel van het plan zal de houten schuur worden gesloopt, waardoor het nodig zal zijn deze beschermde nestplaats te verwijderen; de nestplaats wordt hiermee aangetast. Ook bij de locatie Oost Kinderdijk 127 is ten minste één gierzwaluwnest aanwezig. Deze nestplaats ligt niet direct naast het onderzoeksgebied en plangebied, maar ligt op circa 20 meter afstand. Het is daarmee uitgesloten dat toekomstige bebouwing in het plangebied aanvliegroutes naar deze verblijfplaats of de verblijfplaats zelf kan verstoren. Verstoring van deze verblijfplaats is daarom niet te verwachten als onderdeel van het plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/248/documents/6443