2a. Bestemmingsplan Toelichting OK 187a.pdf
Tekst van het document
Om de inhoudstandhouding, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering te kunnen waarborgen zijn de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone - dijk - 1’ en ‘vrijwaringszone - dijk - 2’ uit de modelregels van het Waterschap Rivierenland in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling in het plangebied niet eerder kan worden gerealiseerd dan nadat is aangetoond dat het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies bij de waterbeheerder is ingewonnen. Met het overnemen van de gebiedsaanduidingen is het waterveiligheidsbelang in voorliggend plan in voldoende mate gewaarborgd. Bij de verdere uitwerking van de ontwikkeling zal rekening worden gehouden met de aanwezige waterveiligheidsbelangen.
Uitsnede legger waterkeringen (links) en legger wateren (rechts) met daarop het plangebied globaal weergegeven (Bron: Waterschap Rivierenland).
10
Waterschap Rivierland (2018). Digitale Watertoets. Alblasserdam, Oost Kinderdijk 187A. Dossiercode: 20181128-9-19318. 28 november 2018. 28
Waterberging en riolering De waterhuishouding voor de ontwikkelingen aan de Oost Kinderdijk 137-145 en Oost Kinderdijk 187a is gezamenlijk bestudeerd en uitgewerkt. Daaruit volgt dat het verhard oppervlak binnen het plan Oost Kinderdijk 137-145 richting de toekomst met circa 400 2 m zal toenemen. Het vuilwater zal worden aangesloten op de gemeentelijke hoofdriolering in de Oost Kinderdijk. Het regenwater van het dak en terrein zal middels een nieuw aan te leggen hoofdriool worden afgevoerd naar het open water in het plan van de Oost Kinderdijk 187a. Voor de Oost Kinderdijk 187a geldt dat het vuilwater zal worden verzameld middels een nieuw aan te leggen hoofdriool en via een nieuw te plaatsen vuilwatergemaal afvoeren op de gemeentelijke hoofdriolering in de Oost Kinderdijk. Het regenwater van de woningen en alle terreinverharding zal worden verzameld via een nieuw te leggen hoofdriool en worden afgevoerd op het nieuw aan te leggen open water aan de west- en noordzijde van het plangebied. In dit plandeel vinden aanpassingen aan open water plaats omdat er bestaand open water wordt gedempt en nieuw open water wordt gerealiseerd. Het bestaande open water aan de zuid- en oostzijde wordt (deels) gedempt. In de nieuwe situatie wordt er extra open water gerealiseerd aan de west- en noordzijde.
Het nieuwe open water wordt aangesloten op het bestaande open water en krijgt daarmee hetzelfde gereguleerde waterpeil. Ter plaatse Pijlstoep 26 zijn twee nieuwe duikers voorzien om het open water ook in de nieuwe situatie met elkaar in bevinding te houden. Voor de Oost Kinderdijk 187a 2 geldt dat het verhard oppervlak richting de toekomst zal afnemen met circa 300 m . 2 Daarnaast wordt er in dit plan 300 m meer open water gegraven dan er wordt gedempt. Daarmee kan worden voorzien in de wateropgave vanuit de Oost Kinderdijk 137-145. Het plan is zodanig opgezet dat de C-watergangen middels een maaiboot te onderhouden zijn. In het plan is een keermogelijk voor de maaiboot en een inlaatplaats voorzien. Met de belangenbehartigers in het gebied is een schriftelijke overeenkomst gemaakt over de overdracht en het beheer en onderhoud van het open water. Het onderhoud is daarmee gegarandeerd. De complete waterhuishouding wordt samen met de riolering in de civieltechnische voorbereidingsfase verder uitgewerkt. Daarbij zal rekening worden gehouden met de nota ‘samen door een buis’. Ook worden de materialen conform de NEN3650 gehanteerd vanwege de nabijheid van de waterkering. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing
29
11
SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan volgt dat Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk en enkele andere Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied liggen. Wanneer ook de 2 andere nabijgelegen ontwikkelingen in ogenschouw worden genomen, is een toename in stikstofuitstoot en enkele andere verstoringseffecten in de plangebieden te ver12 wachten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd voor zowel de ontwikkeling uit dit plan als de twee nabijgelegen ontwikkelingen. Uit het onderzoek volgt dat er zowel voor de aanleg- als gebruiksfase geen sprake zal zijn van overschrijding van de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende gebieden is daarom uitgesloten. Nader onderzoek in de vorm van een passende beoordeling is daarom niet nodig. Tot slot blijkt dat het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur ligt.
De bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Soortenbescherming Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde nesten, amfibieën, vissen en ongewervelden in de omgeving van het plangebied voor. Door het uitgevoerde veldbezoek in het plangebied is duidelijk geworden dat essentiele elementen van meerdere beschermde diersoorten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Voor deze soorten is nader onderzoek noodzakelijk. Wanneer één of meer van deze soorten op de planlocatie wordt aangetroffen kan de ontwikkeling enkel met een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden uitgevoerd. In dit plangebied zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en ruige dwergvleermuis), leefgebied van noordse woelmuis, waterspitsmuis, rugstreeppad, heikikker, grote modderkruiper, platte schijfhoren en nestplaatsen van de bosuil en de steenuil niet uit te sluiten. Vleermuizen, noordse woelmuis, rugstreeppad, heikikker, grote modderkruiper en platte schijfhoren zijn habitatrichtlijnsoorten waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden.
Bosuil en steenuil zijn vogelrichtlijnsoorten waarvoor de verboden van artikel 3.1 gelden. Waterspitsmuis is beschermd onder “Andere soorten”, hiervoor gelden de verboden van artikel 3.10.
11
SAB (2020). Quick scan natuur. Alblasserdam, Oost Kinderdijk e.o. Projectnummers: 180191/180192/180193. 24 augustus 2020.
12
SAB (2021). Onderzoek stikstofdepositie Alblasserdam, Oost Kinderdijk 137 - 145, Oost Kinderdijk 187a en Pijlstoep 31. Projectnummer: 180191, 180192, 180193. 1 februari 2021. 30
13
Daarom is er nader onderzoek verricht naar deze soorten. Uit het onderzoek volgt dat geen van deze soorten in het plangebied aanwezig zijn. Wel blijkt dat direct aan de rand van het plangebied aan de noordzijde in het park een nestkast van de bosuil aanwezig is. Deze is ook door een koppel bosuilen in gebruik. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat in de omgeving vrijwel geen alternatieve nestplaatsen voor dit koppel aanwezig zijn. Echter, met het bijplaatsen van extra kasten voor de bosuil in de omgeving kan ervoor worden gezorgd dat voldoende alternatieve nestplaatsen in de omgeving aanwezig zijn. In dat geval is de nestplaats van de bosuil niet jaarrond beschermd en is hiervoor dan ook geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Deze nestkasten (3 stuks) zijn inmiddels opgehangen. Tot slot dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht en met de broedperiode van vogels. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt mogelijk een houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. Voor het kappen van bomen in het plangebied geldt een meldingsplicht geldt bij de provincie, waarbij geldt dat de Omgevingsdienst hiervoor een mandaat heeft. Bij de verdere uitwerking van het plangebied zal hier rekening mee worden gehouden. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied is een archeolo14 gisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging binnen een komgebied bestaande uit een vlakte van getijafzettingen met in de ondergrond een pleistocene riviervlakte is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vindplaatsen vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd Midden. Op grond van het his-
13
SAB (2019). Nader onderzoek Wet natuurbescherming Alblasserdam, Oost Kinderdijk e.o. Projectnummers: 180191/180192/180193. 4 december 2019.
14
KSP Archeologie (2018). Archeologisch bureauonderzoek Oost Kinderdijk 187a te Alblasserdam. ISSN: 2542-7490. 13 december 2018. 31
torisch kaartmateriaal is voor de zuidoostzijde van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor bebouwingsresten uit de Nieuwe Tijd Laat. Voor het grootste deel van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Alleen voor het noordoostelijke deel van het plangebied, gelegen aan de zuidoostzijde, geldt een hoge verwachting op bebouwingsresten (vanaf 1898 tot 1936) voor zover deze bij de sloop niet zijn verdwenen. Aangezien het sub recente resten betreft, waarvan de ligging op historisch kaartmateriaal bekend is, zal onderzoek weinig toevoegen aan de al bekende historie van Alblasserdam en omgeving. Vandaar dat er geen archeologisch vervolgonderzoek wordt geadviseerd. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.10
Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Op 26 november 2013 heeft het college van B&W een beschermd dorpsgezicht met daarin 331 beeldbepalende zaken aangewezen. De aanwijzing heeft plaatsgevonden conform de Erfgoedverordening Alblasserdam 2013 in nauwe samenwerking met de begeleidingscommissie, bestaande uit de monumentencommissie en de Historische Vereniging West-Alblasserwaard, commissie dorpsbehoud. De lijst met beeldbepalende zaken is nadien naar aanleiding van bezwaren nog aangepast. Dit heeft ertoe geleid dat er 228 zaken op de lijst staan. Met de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht kunnen panden en andere zaken daarbinnen niet zonder advies van de Erfgoedcommissie worden gesloopt. Beeldbepalende zaken kunnen daarbovenop niet zonder meer aan de buitenkant worden gewijzigd. Naast de gebruikelijke toetsingen bij vergunningverlening zal de monumentencommissie bij deze zaken om advies worden gevraagd over de wenselijkheid van de aangevraagde sloop of wijziging. Voorliggend plangebied maakt deel uit van het beschermd dorpsgezicht. De bebouwing behoort echter niet tot de lijst met beeldbepalende zaken.
De nieuwe plannen zijn in overleg met de Erfgoedcommissie tot stand gekomen, teneinde zo goed mogelijk aan te sluiten bij de cultuurhistorische kwaliteiten van de omgeving. De Erfgoedcommissie heeft in juli 2020 op hoofdlijnen ingestemd met het plan. Daarnaast geldt dat een deel van het plangebied onderdeel uitmaakt van de landgoedbiotoop van Huis te Kinderdijk. Daarom zijn voor de ontwikkeling een tuinhistorische verkenning en volgens een cultuurhistorische effectrapportage opgesteld. Beide onderzoeken is behandeld in paragraaf 3.2.2 en concluderen dat met de ontwikkeling geen sprake is van aantasting van de ter plaatse geldende cultuurhistorische kenmerken.
32
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.11
Verkeer en parkeren Verkeer Voor de ontwikkeling van het plangebied evenals de herontwikkeling van de Oost Kin15 derdijk 137-145 is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Uit het verkeersonderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: De verkeersgeneratie van beide plannen samen bedraagt circa 350 motorvoertuigbewegingen per etmaal en maximaal 35 in het avondspitsuur. De verkeersintensiteit in zowel de huidige als toekomstige situatie is hoger dan de maximaal wenselijke intensiteit (op basis van de Wegenscan). Gelet op de ruime inrichting van de Oost Kinderdijk en het landelijke karakter van de weg geldt de verwachting dat de verkeerafwikkeling van beide plannen samen geen probleem vormt. Dit wordt ook bevestigd door de resultaten uit de schouw ter plaatse. De verkeersgeneratie van beide plannen samen leidt in de praktijk naar verwachting niet tot knelpunten en kan verkeersveilig afgewikkeld worden op het wegvak Oost Kinderdijk. De wachtrijlengtes (maximaal 5 meter) en verliestijden (gemiddeld maximaal 20 seconden) blijven binnen de gestelde criteria. De verkeersafwikkeling op de kruispunten (maatgevend) zal naar verwachting niet tot ongewenste situaties leiden, mits ruime en overzichtelijke aansluiting op de Oost Kinderdijk gerealiseerd wordt.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Parkeren De gemeente Alblasserdam heeft in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) Alblasserdam haar visie op het gebied van verkeer en vervoer opgenomen. Het parkeerbeleid is een onderdeel van het GVVP. Uit het GVVP volgt dat de gemeente Alblasserdam bij nieuwbouwlocaties voor woningen in principe het CROW, publicatie 317 als leidraad hanteert. Daarbij onderscheidt de gemeente de navolgende parkeernormen, waarbij geldt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van ‘rest bebouwde kom’.
15
Goudappel Coffeng (2020). Verkeersafwikkeling Baas- en Jonkerlocatie Alblasserdam. Kenmerk: BOR087/Esl/0204.02. 17 januari 2020. 33
Parkeernormen wonen (Bron: Gemeente Alblasserdam).
Tevens bevat de basisnota informatie ten aanzien van het opstellen van parkeerbalansen. In de parkeerbalans wordt een aangebouwde garage of losse garagebox als 0,25 parkeerplaats gerekend en een parkeerplaats of carport op eigen terrein als 0,5 parkeerplaats. Deze reductie komt voort uit het oneigenlijk gebruik van garages en parkeerplaatsen op eigen terrein. Het parkeren is binnen de ontwikkelingen aan de Oost Kinderdijk 137-145 en 187a integraal bestudeerd en opgepakt. Voor een koopappartement in de gemiddelde prijsklasse geldt conform het gemeentelijk parkeerbeleid een parkeernorm van 1,8 per woning. Uitgaande van 13 appartementen aan de Oost Kinderdijk 137-145 komt dat neer op een behoefte van 23,4 parkeerplaatsen. Voor de 18 nieuwe vrijstaande koopwoningen aan de Oost Kinderdijk 187a geldt een parkeernorm van 2,2 parkeerplaats per woning. Dit komt neer op een totale parkeerbehoefte van 39,6 parkeerplaatsen. De plannen gezamenlijk hebben dan ook een totale parkeerbehoefte van 63 parkeerplaatsen. In de plannen voor de Oost Kinderdijk 137-145 en 187a zitten gezamenlijk 45 openbare plaatsen en 36 parkeerplaatsen op eigen terrein. Het parkeren op eigen terrein vindt plaats door middel van een dubbele oprit (minimaal 4,5 meter breed) zonder garage. Volgens het gemeentelijk parkeerbeleid telt een parkeerplaats op eigen terrein als 0,5 parkeerplaats.
Dat maakt dat de 36 parkeerplaatsen op eigen terrein in de parkeerbalans meetellen als 18 parkeerplaatsen. Samen met de 45 openbare parkeerplaatsen levert dat een totaal parkeeraanbod van 63 parkeerplaatsen op. Gelet op de totale parkeerbehoefte voor de plannen aan de Oost Kinderdijk 137-145 en 187a van 63 parkeerplaatsen bevatten de plannen voldoende parkeerplaatsen om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien.
34
Schetsontwerp Oost Kinderdijk 137-145 en 187a (Bron: Lindeloof tuin- en landschapsarchitecten BV).
Daarbij komt dat de parkeernormen in de regels van dit bestemmingsplan juridischplanologisch zijn vastgelegd. Dit betekent dat bij eventuele toekomstige ontwikkelingen in het plangebied gewaarborgd is dat bij een omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.12
Kabels en leidingen Er zijn binnen het plangebied en haar directe omgeving geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die mogelijk een beperking kunnen vormen bij de herontwikkeling van het plangebied. Uiteraard is een melding bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (een zogenaamde KLIC-melding) noodzakelijk in geval van bodemingrepen.
35
5 5.1
Juridische planbeschrijving Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De wijze van bestemmen in voorliggend bestemmingsplan is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) die door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is uitgegeven en het vigerende bestemmingsplan voor de locatie.
5.2
Verbeelding Binnen het plangebied hebben alle gronden een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens).
5.3
Regels De regels zijn ondergebracht in een viertal hoofdstukken: Hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten. Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), met daarin per bestemming een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Hoofdstuk 3 (algemene regels), met daarin een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels), met daarin het overgangsrecht en de slotregel.
5.3.1
Bestemmingen De regels in verband met de bestemmingen kennen alle een min of meer gelijke opbouw en bestaan in ieder geval uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels. De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. In een aantal gevallen is een specificering opgenomen van de toegestane functie, welke correspondeert met aanduidingen op de verbeelding.
36
De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om bouwvergunning. Voorliggend bestemmingsplan kent de bestemmingen ‘Groen’, ’Tuin’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’, ‘Water’ en ‘Wonen’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2, 3 4 en 8’. Groen De groenvoorziening en de recreatieve verbindingen in het plangebied kennen de bestemming ‘Groen’. Deze bestemming voorzien onder andere in groenvoorzieningen, water, speelvoorzieningen, paden en voorzieningen voor langzaam verkeer. Gebouwen mogen hier niet worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn, onder voorwaarden, wel toegestaan. Parkeervoorzieningen kunnen onder voorwaarden bij omgevingsvergunning als nog worden toegestaan. Tot slot geldt dat de gronden, onder voorwaarden en na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, bestemd kunnen worden als ‘Verkeer - Verblijfsgebied'. Tuin De voortuinen van de woningen zijn voorzien van de bestemming ‘Tuin'. Hier zijn tuinen, inritten, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water toegestaan. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Alleen aan de zij- en voorgevel van een woning is het toegestaan om onder voorwaarden een erker of toegangsportaal te bouwen. Tot slot zijn er bouwregels verbonden aan erf- en terreinafscheidingen. Verkeer - Verblijfsgebied De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woonerven, wijkontsluitingswegen (30 km/u), pleinen; voet- en fietspaden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging; speelvoorzieningen; straatmeubilair; kunstwerken, beeldende kunst; nutsvoorzieningen; ambulante detailhandel en evenementen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn, onder voorwaarden, wel toegestaan. Water In de bestemming ‘Water’ zijn naast water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging, bijvoorbeeld ook bruggen, groenvoorzieningen, recreatief medegebruik en overige voorzieningen voor verkeer en verblijf toegestaan. Gebouwen mogen hier niet worden gebouwd. Met een binnenplanse afwijking kan hier onder voorwaarden van worden afgeweken. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn, onder voorwaarden, wel toegestaan. Een aantal activiteiten worden als strijdig gebruik binnen deze bestemming genoemd.
Tot slot geldt er een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van enkele werken, geen bouwwerken, zijnde of werkzaamheden.
37
Wonen Aan de woonkavels is de bestemming ‘Wonen’ toegekend. Hier zijn maximaal 19 grondgebonden woningen toegestaan, enkel vrijstaand. Naast deze functie zijn aanhuis-verbonden beroepen bij de woningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water, erven en tuinen en paden en wegen toegestaan. Voor de aan-huisverbonden beroepen gelden specifieke gebruiksregels waaraan bij uitoefening voldaan moet worden. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mogen niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding met de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’. In dit geval gaat het om een maximum goothoogte van 7 meter en een maximum bouwhoogte van 13 meter voor de nieuwe woningen. Voor de bestaande woning is een maximum goothoogte van 3 meter en bouwhoogte van 6 meter aangehouden. Daarnaast zijn bouwregels opgenomen voor bijgebouwen, garageboxen en bouwwer2 ken, geen gebouwen zijnde. Zo is het per bouwperceel mogelijk om maximaal 50 m aan bijgebouwen te realiseren. Om een zorgvuldige overgang tussen de woonpercelen en de Groene Long van Alblasserdam te kunnen waarborgen is er aan de achterzijde van de woonpercelen een zone van 2 meter voorzien van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - bebouwingsvrije zone ten behoeve van een groene overgang’.
Via deze aanduiding wordt de goede landschappelijke inpassing onder meer vormgegeven. In deze zone zijn namelijk bebouwingsmogelijkheden uitgesloten en worden ook erven ter plaatse verboden, zodat ook vergunningvrij bouwen wordt uitgesloten. Uitzondering hierop vormt dat er per bouwperceel maximaal één vlonder mag worden gerealiseerd met een maximum 2 oppervlakte van 16 m . Waarde - Archeologie 2, 3, 4 en 8 De gemeente Alblasserdam heeft voor haar grondgebied ten aanzien van archeologie beleid vastgesteld. Op basis van de bij dit beleid behorende kaart is voor het gehele grond gebied van de gemeente Alblasserdam in beeld gebracht of sprake is van archeologische verwachtingswaarden en welk beschermingsniveau bij deze waarde hoort. Conform de archeologische beleidskaart zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Herstelplan Alblasserdam’ dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie opgenomen. De dubbelbestemmingen beogen de archeologische waarden te beschermen. Op de gronden met een dubbelbestemming mag alleen onder voorwaarden worden gebouwd. Dit geldt als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat geen sprake is van archeologische (verwachtings)waarden, het vergunningsvrije bouwwerken betreft of voldaan wordt aan het beschermingsniveau dat bij een bepaalde (verwachtings)waarde hoort. Van de desbetreffende bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken.
Voor bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig. In dit bestemmingsplan zijn de geldende archeologische dubbelbestemmingen en haar regelingen overgenomen.
38
5.3.2
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier, met uitzondering van de algemene aanduidingsregels en overige regels, verder niet toegelicht. Algemene aanduidingsregels Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk - 1’ en ‘vrijwaringszone - dijk - 2’ De begrenzing van de beide vrijwaringszones zijn rechtstreeks overgenomen uit de legger van het waterschap. De regeling met betrekking tot de 1e beschermingszone (dijk 1) bevat een bouwverbod voor nieuwe gebouwen. Er mag pas worden gebouwd indien er een omgevingsvergunning is verleend en de waterbeheerder om schriftelijk advies is gevraagd. Overige regels In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. Deze verplichting houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of afwijken van het bestemmingsplan slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform de parkeernormen uit de basisnota van de GVVP. Deze parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden. Het bevoegd gezag kan onder voorwaarden van de parkeerregeling afwijken.
39
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid In het kader van deze ontwikkeling wordt een exploitatieovereenkomst gesloten tussen gemeente en initiatiefnemer, zodanig dat de door de gemeente te maken kosten worden verhaald op de ontwikkelaar. Op basis van artikel 6.12 lid 1 Wro dient de gemeenteraad in het kader van onderhavige ontwikkeling een exploitatieplan vast te stellen. Omdat echter een exploitatieovereenkomst wordt gesloten, zijn de kosten van de grondexploitatie conform artikel 6.12 lid 2 Wro ‘anderszins verzekerd’. De verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan vervalt hiermee. De economische haalbaarheid van het plan is gewaarborgd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg en inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 25 februari 2021 tot donderdag 8 april 2021 voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder heeft in deze periode zienswijzen in kunnen dienen. Op voorliggend bestemmingsplan zijn 14 zienswijzen binnengekomen, die in een Nota zienswijzen zijn samengevat en beantwoord. De zienswijzen hebben aanleiding gegeven tot het aanpassen van het bestemmingsplan. In de als bijlage opgenomen Nota zienswijzen is een en ander terug te lezen en een overzicht geboden van de doorgevoerde wijzigingen.
40