CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2a. Bestemmingsplan Toelichting OK 187a.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 25 januari 2022, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 4: Vaststelling bestemmingsplannen Oost Kinderdijk - Pijlstoep - Voorstel12.961 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Alblasserdam, Oost Kinderdijk 187a

Gemeente Alblasserdam

Datum: 1 november 2021 Projectnummer: 180193 ID: NL.IMRO.0482.okinderdkassen110-on02

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding en doel van het plan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 8

3

Beleidskader

10

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

10 11 15 16

4

Randvoorwaarden

19

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Kabels en leidingen

19 20 20 21 22 24 26 29 31 32 33 35

5

Juridische planbeschrijving

36

5.1 5.2 5.3

Algemeen Verbeelding Regels

36 36 36

6

Uitvoerbaarheid

40

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

40 40

Bijlagen:               

Bijlage 1: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Tuinhistorische verkenning Bijlage 3: Cultuurhistorische effectrapportage Bijlage 4: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 5: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 6: Aanvullend bodemonderzoek Bijlage 7: Akoestisch onderzoek Bijlage 8: Quick scan externe veiligheid Bijlage 9: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 10: Digitale watertoets Bijlage 11: Quick scan natuur Bijlage 12: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 13: Nader onderzoek natuur Bijlage 14: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 15: Verkeersonderzoek

1 1.1

Inleiding Aanleiding en doel van het plan Op het adres Oost Kinderdijk 187a te Alblasserdam bevindt zich een kassencomplex. Het voornemen bestaat om dit kassencomplex te slopen en hier grondgebonden woningen te realiseren. Aangezien ter plaatse grotendeels een agrarische bestemming geldt, past de beoogde ontwikkeling niet binnen de in het plangebied geldende juridisch-planologische kaders. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuwe planologische regeling voor het plangebied en maakt daarmee de ontwikkeling mogelijk.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied bestaat uit het adres Oost Kinderdijk 187a in het westen van Alblasserdam. Op deze locatie bevindt zich momenteel een kassencomplex. Op de navolgende afbeeldingen is de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Globale ligging plangebied (gele stip) in relatie tot Alblasserdam (Bron: PDOK viewer).

3

Het plangebied bij benadering globaal geel omlijnd (Bron: PDOK Viewer).

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Herstelplan Alblasserdam’. Dit plan is op 31 maart 2015 vastgesteld door de gemeenteraad. Het bestemmingsplan voorziet ter plaatse grotendeels in de bestemming ‘Agrarisch - 1’ met functieaanduiding ‘glastuinbouw’ en deels de functieaanduiding ‘kas’. Daarnaast gelden de bestemmingen ‘Tuin’, ‘Wonen’, ‘Water’ en ‘Recreatie - 1' in het plangebied. Tot slot kent het bestemmingsplan een tweetal dubbelbestemmingen, namelijk ‘Waarde - Archeologie - 4' en ‘Waarde - Archeologie - 8', en de gebiedsaanduiding ‘overige zone beschermd stadsgezicht’.

Uitsnede juridisch-planologische situatie met daarop het plangebied globaal rood omlijnd (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl). 4

Het voornemen bestaat om in het plangebied grondgebonden woningen te realiseren. Gelet op het beoogde gebruik (wonen) en de ter plaatse geldende agrarische bestemming past de beoogde ontwikkeling niet binnen de geldende gebruiksregels. Daarbij komt dat er geen bouwvlak ter plaatse aanwezig is, waarbinnen de woningen gerealiseerd kunnen worden. Om die reden is een herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Voorliggend document voorziet in de toelichting op deze benodigde bestemmingsplanherziening.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie Omgeving Het plangebied en haar omgeving maken onderdeel uit van het ‘Dijklint’ van Alblasserdam. Dit gebied kenmerkt zich door haar ligging langs de rivier de Noord. De wegen Cortgene, Oost Kinderdijk en West Kinderdijk bevinden zich op de dijk langs de Noord en vormen gezamenlijk de doorgaande verkeersstructuur binnen het Dijklint. Langs deze wegenstructuur bevindt zich aan één zijde een lintbebouwingsstructuur. De bebouwing heeft hier een oriëntatie richting de Noord. Er is sprake van een afwisseling tussen oude bebouwing, maar ook nieuwere bebouwing die later de ‘gaten’ in het lint heeft gevuld. Er is onder andere sprake van een diversiteit aan kapconstructies, rooilijnen, materialisering en kleurgebruik. Dit maakt dat er geen eenduidige stedenbouwkundige structuur langs het Dijklint aanwezig is. Wel geldt dat de woonfunctie hier de overheersende functie is. Achter het bebouwingslint bevindt zich een ‘Groene Long’, bestaande uit de groen-, recreatie- en natuurgebieden het ’Lammetjeswiel’, het park ’Huis te Kinderdijk’ en de groene zone tussen de Blokweerweg en de Touwbaan. De navolgende afbeelding geeft de ruimtelijke situatie in en direct rondom het plangebied weer.

Topografische kaart ruimtelijke situatie rondom het plangebied (globaal rood omlijnd). (Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl).

6

Plangebied Het plangebied bestaat grotendeels uit het adres Oost Kinderdijk 187a en staat kadastraal bekend als Gemeente Alblasserdam, sectie C, perceelnummer 2251. Momenteel is het perceel ingericht als kassencomplex. Tevens maken de kadastrale percelen Gemeente Alblasserdam, sectie C, perceelnummer 1746 (ten noorden van het kassencomplex), perceelnummer 242 (ten zuiden van het kassencomplex) en perceelnummer 789 (ten oosten van het kassencomplex) onderdeel uit van het plangebied en wordt ook de woning behorende bij het perceelnummer 251 in de ontwikkeling ingepast. Rondom het kassencomplex liggen ondiepe, brede sloten en direct nabij de kas liggen smalle slootjes. De sloten hebben natuurlijke oevers met riet, ruigte, kale grond en modder. Er staan rietkragen en verruigd struweel met wilg, braam en riet. In het noorden van het plangebied staan nog een aantal struiken en bomen. Enkel de entree in het zuidwesten van het plangebied is verhard. Het plangebied bevindt zich achter het bebouwingslint van de Oost Kinderdijk en grenst verder grotendeels aan gronden behorende bij de ‘Groene Long’ van Alblasserdam. De navolgende afbeeldingen geven een impressie weer van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied.

Impressie huidige situatie plangebied (Bron: SAB).

7

2.2

Toekomstige situatie Dit bestemmingsplan legt via de regels en verbeelding behorende bij dit plan kaders vast, waarbinnen de beoogde woningbouwontwikkeling gerealiseerd kunnen worden. Binnen de nieuwe kaders is het mogelijk om meerdere bouwplannen te realiseren, zolang deze maar binnen de kaders passen. Hierna wordt ingegaan op het voorgenomen bouwplan van de initiatiefnemer. Plangebied Het voornemen bestaat om binnen het plangebied maximaal 18 grondgebonden woningen te realiseren. Het gaat om vrijstaande woningen op ruim opgezette kavels, va2 riërend van zo’n 300 tot 700 m . De gronden worden ontsloten via een nieuwe ontsluitingsweg naast de ontwikkeling aan de Oost Kinderdijk 137-145. Bij het vormgeven van de ontsluitingsroute is rekening gehouden met het te overbruggen hoogteverschil, zodat er een prettige, overzichtelijke en verkeersveilige situatie ontstaat. Daarbij is ook rekening gehouden met een opstelplek aan de rand van de Oost Kinderdijk. De ontsluiting wordt in het midden van het plangebied ovaalvormig vormgegeven zodat alle woonpercelen op deugdelijke wijze kunnen worden ontsloten en er ruimte bestaat om een centrale groenvoorziening te realiseren, die doet denken aan een brink. Ook wordt met een voortuinzone het groene karakter in dit plan verder vormgegeven. Het parkeren wordt zowel op de eigen kavel als in de openbare ruimte voorzien.

Alle woningen worden voorzien van een kapconstructie. De woningen rondom de centrale groenvoorziening kennen een maatvoering van een maximale goothoogte van 7 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter. De woningen langs de ontsluitingsroute kennen een maximum goothoogte van 4 meter en maximum bouwhoogte van 10 meter. Aanvullend wordt ook de bestaande woning behorende bij het kadastrale perceel gemeente Alblasserdam, sectie C, perceelnummer 251 opgenomen in de ontwikkeling. Zo zijn er in totaal maximaal 19 woningen in het plangebied, waarvan één bestaande woning. Om aan te sluiten bij het groene en waterrijke karakter van de omgeving van het plangebied wordt de waterstructuur rondom het plangebied behouden en waar mogelijk 2 versterkt. Daarbij zal de hoeveelheid verhard oppervlak per saldo met circa 300 m 2 afnemen en wordt er in dit plan 300 m meer open water gegraven dan er wordt gedempt. Niet alleen wordt de waterfunctie in het plangebied uitgebreid, ook wordt de bestaande waterstructuur aan de randen van het plangebied kwalitatief wordt verbeterd. Deze randen worden namelijk landschappelijk ingericht met waterstructuren met natuurvriendelijke oevers. Deze inrichting is in nauwe samenspraak met de belangenbehartigers in het gebied vormgegeven.

De woonpercelen aan deze waterstructuur worden aan de achterzijde voorzien van een bebouwingsvrije zone met enkel ruimte voor één vlonder per woning, zodat een goede en geleidelijke overgangszone ontstaat tussen het plangebied en de Groene Long van Alblasserdam. De navolgende afbeelding laat de beoogde landschappelijke inrichting van het plangebied zien.

8

Landschappelijk inrichtingsplan plangebied (Bron: Lindeloof tuin- en landschapsarchitecten).

Met voorliggende ontwikkeling maakt het huidige in onbruik geraakte kassencomplex plaats voor een groen en ruim opgezette woningbouwontwikkeling. Hiermee wordt een gebiedsvreemde functie tussen het Dijklint en de Groene Long van Alblasserdam verwijderd. Met de woningbouwontwikkeling wordt een meer passende functie gerealiseerd en wordt met een versterking van de waterstructuur en de beoogde landschappelijke inpassing ook een goede en geleidelijke overgang gemaakt met de Groene Long van Alblasserdam. Achter het dijklint langs de Oost Kinderdijk zijn op meerdere plekken al nieuwe woonbuurtjes gerealiseerd. Deze ontwikkeling sluit daarop aan. Dit maakt dat voorliggende ontwikkeling ruimtelijk en functioneel gezien aansluit bij de karakteristieken van haar omgeving. Nabijgelegen ontwikkelingen Naast de beoogde ontwikkeling in het plangebied geldt dat ook op een tweetal nabijgelegen locaties het initiatief bestaat om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. Het betreft de gronden behorende bij de adressen Oost Kinderdijk 137-145 en het adres Pijlstoep 31. Voor de Pijlstoep 31 geldt dat hier geen nieuwe woningen bijkomen, maar enkel de voormalige wasserij wordt gesaneerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zal, daar waar noodzakelijk, met de (effecten van) deze ontwikkelingen rekening worden gehouden.

Het betreft bijvoorbeeld het aantonen van de (woon)behoefte van deze ontwikkelingen. Zo wordt voorkomen dat bij een aantal haalbaarheidsaspecten te ‘eng’ wordt beoordeeld. Voor een beschrijving van de exacte plannen op deze locaties wordt verwezen naar de separate bestemmingsplannen voor deze ontwikkelingen.

9

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.

In de SVIR is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft: a) het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur van Nederland; b) het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; c) het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Voorliggend plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro.

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden 10

afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 18 nieuwe woningen. Gelet op jurisprudentie is een dergelijke ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Daarom is door SAB een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelij1 king uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in deze toets ook de beoogde ontwikkeling aan de Oost Kinderdijk 137-145 meegenomen. In de toetsing is aangetoond dat sprake is van zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte. Bovendien vinden de ontwikkelingen plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In de fysieke leefomgeving ziet de provincie zes richtinggevende ambities, te weten:  Naar een klimaatbestendige delta  Naar een nieuwe economie: the next level  Naar een levendige meerkernige metropool  Energievernieuwing  Best bereikbare provincie  Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De gestelde ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Toetsing De provincie Zuid-Holland zet in de Omgevingsvisie onder andere in op ontwikkelingen met een passende ruimtelijke kwaliteit. Tevens wil de provincie de bebouwde ruimte beter benutten en de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte verbeteren. Gelet op het feit dat met voorliggende herontwikkeling wordt voorzien in een ontwikkeling die past bij de aard, schaal en de maat van de bestaande kenmerken van de omge1

SAB (2019). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Alblasserdam, Oost Kinderdijk. Projectnummers: 180192/180193. 11 december 2019. 11

ving en binnen het stedelijk gebied is voorzien, wordt gesteld dat de ontwikkeling in lijn is met de ambities uit de Omgevingsvisie van Zuid-Holland. Ook wordt met de sloop van het kassencomplex een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de leefkwaliteit van de bebouwde ruimte door deze gebiedsvreemde functie te verwijderen. Daarbij is met een landschappelijke inpassing een goede en geleidelijke overgang gewaarborgd richting de aangrenzende gronden van de Groene Long van Alblasserdam. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland beschrijft het strategische beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsverordening ziet toe op de ruimtelijke regelgeving. De Omgevingsverordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; b doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; en c zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid. Toetsing Voor onderhavig plan zijn de aspecten Ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 6.2.3), landgoedbiotoop (artikel 6.26) en ruimtelijke kwaliteit van belang (paragraaf 6.2.2). Voor de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2, waaruit volgt dat ontwikkeling in lijn is met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Een deel van de gronden van het plangebied maakt onderdeel uit van de landgoedbiotoop van Huis te Kinderdijk.

De omgevingsverordening geeft aan dat nieuwe ruimtelijke ontwikkeling enkel zijn toegestaan indien er geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de landgoedbiotoop. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling in het 2 plangebied door Stichting in Arcadië een tuinhistorische verkenning uitgevoerd en 3 vervolgens een cultuurhistorische effectrapportage . In de tuinhistorische verkenning is de relatie tussen de landgoedbiotoop en het plangebied nader onderzocht. Daarbij is onder meer gekeken of er waarden en kenmerken van de landgoedbiotoop zijn waar de ontwikkeling in het plangebied rekening mee dient te houden. Uit de tuinhistorische verkenning volgt dat er 4 onderdelen (A, B, C en D) van het plangebied binnen de contour van de landgoedbiotoop liggen (zie navolgende afbeelding). In de tuinhistorische verkenning wordt het volgende over deze onderdelen geconstateerd:  A: Een rechthoekig perceel aan de noordwestzijde van het plangebied dat onderdeel uitmaakt van het kerngebied van de landgoedbiotoop. Voor dit perceel is de contour van de landgoedbiotoop arbitrair te noemen. De grens van de landgoed-

2

Stichting in Arcadië (2019). Kassencomplex Oost Kinderdijk, Alblasserdam. Tuinhistorische verkenning in relatie tot de landgoedbiotoop Huis te Kinderdijk. 18 maart 2019.

3

Stichting in Arcadië (2019). Cultuurhistorische effectrapportage herontwikkeling Kassencomplex Oost Kinderdijk, Alblasserdam. 5 september 2019. 12

biotoop ligt hier buiten de historische aanleg en bovendien is dit perceel al sinds de e eerste helft 20 eeuw middels beplanting en de bouw van een houten schuur op de erfgrens bewust visueel afgescheiden van het Binnenpark. Op basis van het onderzoek wordt gesteld dat perceel A geen onderdeel uitmaakt van de landgoedbiotoop. Echter volgens de huidige regels kan van nieuwbouw alleen sprake zijn in het geval van versterking of verbetering.  B: De noordoostgrens van het plangebied met een rechthoekig door sloten omgeven kavel dat onderdeel van het kerngebied van de landgoedbiotoop uitmaakt. De grens van de landgoedbiotoop ligt hier buiten de historische aanleg. Vanaf de lanen in het Buitenpark is zicht over dit perceel richting het blikveld. De opname in de contour is vanwege het behoud van de openheid over dit perceel op het blikveld van belang. Volgens de huidige regels kan van nieuwbouw alleen sprake zijn in het geval van versterking of verbetering. Van belang is dat dit perceel open blijft en niet wordt bebouwd.  C. & D: Een deel van het plangebied aan de zuidoostzijde langs het Pijlstoeppad dat onderdeel uitmaakt van het blikveld van de landgoedbiotoop. Voor dit perceel is de contour van de landgoedbiotoop arbitrair te noemen. De grens van de landgoedbiotoop ligt hier ver buiten de historische aanleg.

Bovendien is het blikveld vanaf de lanen in het Buitenpark in zuidwestelijke richting hier enerzijds deels visueel geblokkeerd door het kassencomplex en anderzijds waar men langs het kassencomplex kan kijken bestaat het blikveld uit bebouwing langs het Pijlstoeppad. Op basis van het onderzoek wordt gesteld dat perceel C & D niet behoren tot de landgoedbiotoop. Gezien de verstoring van het blikveld door bebouwing ten oosten van perceel C & D is er van een blikveld geen sprake. Echter volgens de huidige regels kan van nieuwbouw alleen sprake zijn in het geval van versterking of verbetering. De voorlopige cultuurhistorische waarde van het plangebied is volgens de verkenning indifferent te noemen, zowel voor de terreininrichting als voor de gebouwen.

Landgoedbiotoop met de onderdelen A, B, C en D die binnen het plangebied liggen (Bron: Stichting in Arcadië).

13

Na afronding van de tuinhistorische verkenning is een cultuurhistorische effectrapportage opgesteld om de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de landgoedbiotoop van Huis te Kinderdijk te bepalen. In deze rapportage is gekeken hoe het voorlopig stedenbouwkundig ontwerp zich verhoudt tot cultuurhistorische waarden op rijks(Huis te Kinderdijk), provinciaal (landgoedbiotoop) en gemeentelijk niveau (beschermd dorpsgezicht). Daaruit volgt dat:  Er geen effect op de cultuurhistorische waarde van het rijksmonument Huis te Kinderdijk optreedt als gevolg van dit plan.  Er geen effect op het binnen- en buitenpark van de landgoedbiotoop optreedt als gevolg van dit plan.  Er geen effect op de basisstructuur van de landgoedbiotoop en het rijksmonument optreedt als gevolg van dit plan.  Er geen effect op het panorama van de landgoedbiotoop en het rijksmonument optreedt als gevolg van dit plan.  Er een positief effect op (de beleving van) het blikveld van de landgoedbiotoop optreedt als gevolg van dit plan.  Er geen negatieve effecten op het beschermd dorpsgezicht van Alblasserdam optreden als gevolg van de voorgenomen sloop van bebouwing en herinrichting van het plangebied. Dit tezamen maakt dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de landgoedbiotoop en de ontwikkeling in lijn is met de regels uit de Omgevingsverordening.

Bij ruimtelijke kwaliteit is de vraag of de ruimtelijke ontwikkeling, niet voorziet op een wijziging op structuurniveau, past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart. Vanwege het feit dat de beoogde ontwikkeling qua aard en schaal afwijkt van de huidige situatie is in voorliggende situatie sprake van ‘transformeren’. Daarnaast gelden voor de ontwikkeling de volgende richtpunten: 1 Stedelijke groen- en waterstructuur: Ontwikkelingen dragen bij aan het behouden en versterken van de stedelijke groen- en waterstructuur. Daarbij gaat het om de recreatieve kwaliteit, de bijdrage aan klimaatbestendigheid en de verbinding tussen stad en land. 2 Linten: Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. 3 Rivierdijk: Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap. 1) Door het verdwijnen van het kassencomplex ontstaat er ruimte voor wonen aan de rand van het parklandschap. Daarbij zal de hoeveelheid verhard oppervlak per saldo 2 2 met circa 300 m afnemen. Daarnaast wordt er in dit plan 300 m meer open water gegraven dan er wordt gedempt. Niet alleen wordt de waterfunctie in het plangebied uitgebreid, ook wordt de bestaande structuur aan de randen van het plangebied kwalitatief verbeterd.

Deze randen worden landschappelijk ingericht met waterstructuren met natuurvriendelijke oevers. Deze inrichting is in nauwe samenspraak met de belangenbehartigers in het gebied vormgegeven. Zo is een goede balans gevonden tussen woningbouw en het versterken van de stedelijke groen- en waterstructuur op deze locatie. De natuurvriendelijke oevers worden ingericht met wilgen waardoor een harde achterkant tussen de woonpercelen en het parklandschap wordt voorkomen. De toe-

14

komstige Vereniging van Eigenaren zal er op toezien dat het groen toe wasdom komt en in stand wordt gehouden. In het bestemmingsplan zijn deze gronden voorzien van een aanduiding om een bebouwingsvrije zone te regelen, waar uitsluitend één vlonder per bouwperceel is toegestaan. Zo is de overgang naar het omliggende parklandschap op een meer zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier plaatsvindt dan in de huidige situatie het geval is. 2+3) De ontwikkeling voorziet in grondgebonden woningen bestaande uit één of twee bouwlagen met een kapconstructie. Het bebouwingsbeeld langs de Oost Kinderdijk gaat ook uit van één en twee bouwlagen met kap, maar wordt ook afgewisseld door grootschaligere bebouwingen als appartementen in 5 bouwlagen. Het beoogde woningbouwprogramma is daarmee ondergeschikt aan het woningbouwprogramma langs de dijk. Dit beeld wordt nog eens versterkt doordat de woningen fors lager liggen. De tweedelijns bebouwing achter de dijk ten noordwesten van het plangebied kent soortgelijke bebouwingsmassa’s als in dit plan beoogd. Ter plaatse van bijvoorbeeld de “Noord en Landzigt” (= een straat iets verderop) en de W.B. van der Veldenstraat is de bebouwing ook uitgevoerd in twee lagen met een kap en een bouwhoogte van ca. 11 meter. Karakteristiek zijn de doorzichten tussen de gebouwen van het lint langs de dijk.

Conform dit principe is ook de ontsluiting van het project ontworpen als een afrit vanaf de dijk die zicht biedt op het groen van de lagergelegen woonwijk. Onderaan de afrit wordt een markante boom gerealiseerd zodat dit groene beeld wordt waargemaakt. Zo wordt aangesloten op de richtpunten ten aanzien van de linten en rivierdijk. Tot slot wordt geconstateerd dat het plangebied buiten het bestaand stads- en dorpsgebied ligt zoals de provincie Zuid-Holland die kent. Omdat Alblasserdam op dit moment een dusdanige woningbouwopgave kent, die met de huidige plannen niet volledig binnen het bestaande stads- en dorpsgebied van de provincie kan worden voorzien is het gerechtvaardigd om op deze locatie woningen te realiseren. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het provinciaal beleid.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionale woonvisie 2017-2031 De regionale woonvisie ‘Goed wonen in de Drechtsteden’ is vastgesteld in oktober 2017. Met deze woonvisie wil de regio zich positioneren als ‘de Drechtsteden voor Rotterdam’. Daarnaast geldt dat de regio een kwalitatief hoog woningaanbod wil realiseren voor een doelgroep die in een duurder segment, goed bereikbaar, met meer ruimte en met moderne stedelijke voorzieningen in of direct bij Dordrecht, een traditioneel Hollandse stad, wil wonen. Deze ambitie is vertaald in 20 kernpunten. Deze kernpunten heeft onder andere betrekking op de kwantitatieve woonopgave voor de regio en richt zich op aspecten als betaalbaarheid en duurzaamheid.

15

Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in de realisatie van maximaal 18 nieuwe woningen. Daarmee wordt er kwantitatief een bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave voor de regio Drechtsteden om te kunnen voorzien in de autonome groei van het aantal huishoudens, evenals de inspanningsverplichting om naast de autonome groei nog zo’n 15.000 extra woningen te realiseren. Daarbij komt dat voorliggend plan ook kwalitatief gezien bijdraagt aan de ambities uit de regionale woonvisie. Zo voorziet dit plan in nieuwbouwkoopwoningen in het dure segment, waarbij zich kansen voordoen op het realiseren van een meer evenwichtige bevolkingssamenstelling in de regio. Dit maakt dat voorliggend plan in lijn is met de ambities uit de regionale woonvisie. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het regionaal beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Alblasserdam 2040 Op 29 oktober 2013 heeft de gemeenteraad van Alblasserdam de Structuurvisie Alblasserdam 2040 vastgesteld. Binnen deze structuurvisie zet Alblasserdam in op de volgende ambitie: “Alblasserdam is een dorp met een menselijke maat waar aangenaam wonen en ruimte voor ontmoeting vanzelfsprekend zijn. Alblasserdam koestert haar groene en dorpse karakter waar de lijnen kort zijn, de sociale infrastructuur hecht en de voorzieningen op het huidige niveau blijven. De economische kracht zit in de marktplaatsfunctie die Alblasserdam vanouds door haar ligging heeft en in de samenwerking met haar omgeving. De houding van de gemeente is er één van netwerken, faciliteren, kansen zien, flexibiliteit en ruimte geven. Vanuit deze basis richt Alblasserdam zich op een veilige en duurzame toekomst.” Op het gebied van wonen zet de structuurvisie in op het volgende:  Zorg dragen voor voldoende en betaalbare woningen voor ouderen, starters en eenoudergezinnen.  Realiseren van bijzondere woonvormen op kleine schaal.  Op peil houden van de kwaliteit van het groen in het dorp.  Op peil houden van de voorzieningen voor winkels, verenigingen, sport en vrije tijd.  Bevorderen van de leefbaarheid in de woongebieden.

Toetsing De gemeentelijke structuurvisie geeft aan in te zetten op het toevoegen van middeldure woningen in de koop- en huursector, evenals op bijzondere woonvormen langs bijvoorbeeld historische linten. Naast een variatie aan woningen ambieert de gemeente Alblasserdam ook een variatie in leefmilieus. In het rustig stedelijke leefmilieu is sprake van grote functiemenging, hoge dynamiek en hoge(re) dichtheden; in het rustig groene leefmilieu wordt voornamelijk gewoond in lage dichtheden.

16

Variatie in leefmilieus (Bron: Gemeente Alblasserdam).

Aangezien voorliggend plan tussen het Dijklint en de Groene Long van Alblasserdam wordt gerealiseerd, is sprake van de realisatie van een bijzondere woonvorm en een rustig groen leefmilieu. Dit komt onder andere tot uiting in de ruim opgezette kavels en de aandacht om een goede landschappelijke inpassing en overgang met de Groene Long te realiseren. Dit maakt dat dit plan aansluit bij de ambities en doelstellingen van de structuurvisie. 3.4.2

Nota wonen Alblasserdam De Nota Wonen Alblasserdam bevat het woonbeleid van de gemeente Alblasserdam. De nota richt zich op de periode 2012-2020, met een doorkijk tot 2025. In de nota is aandacht voor de demografische ontwikkelingen binnen Alblasserdam, de huidige woningvoorraad, woonwensen en doelgroepen. Ook bevat de nota een prognose van de woningbehoefte en een woningbouwprogramma voor de periode 2010-2020. Toetsing Voor Alblasserdam wordt voor de periode 2010-2020 uitgegaan van een nieuwbouwproductie van tenminste 900 woningen en 100 onttrekkingen, dus een netto toevoeging van 800 woningen. Het gaat hierbij om: de onttrekking van 100 sociale huurwoningen, de bouw van 50 appartementen sociale huur, 50 eengezinswoningen sociale huur, 350 koopappartementen en 450 koop eengezinswoningen. In de nota worden de belangrijke projecten om deze opgave te realiseren aangegeven. Het betreft de Alblasserwerf, Waterhoven, Cornelis Smitstraat/Kerkstraat, Hof en Singel en Parallelweg.

17

Met voorliggend plan wordt voorzien in de realisatie van maximaal 18 nieuwe grondgebonden koopwoningen. Deze woningbouwontwikkeling levert een bijdrage aan de kwantitatieve woonopgave van de gemeente Alblasserdam. Ook voorziet deze ontwikkeling kwalitatief gezien in een behoefte. Voor een uitgebreide motivering hiervan wordt verwezen naar de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 3.1.2). Conclusie Dit plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

18

4

Randvoorwaarden

4.1

Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Voor deze ontwikkeling is samen met de nabijgelegen ontwikkelingen aan de Oost Kinderdijk 137-145 en Pijlstoep 31 één vormvrije m.e.r.-beoordeling gemaakt. De plannen voorzien in het saneren van een voormalige wasserij en behoud van een burgerwoning, de realisatie van maximaal 18 nieuwe appartementen en de realisatie van maximaal 18 nieuwe grondgebonden woningen. De ontwikkelingen worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd.

Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk:  een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het plangebieden bij elkaar zijn circa 1,5 hectare groot. Hiermee blijft het project ver onder de indicatieve drempelwaarden kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen:  de kenmerken van het project;  de plaats waar de activiteit plaatsvindt;  de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie 4 Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de plannen, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitslui-

4

SAB (2020). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Alblasserdam, 3 locaties. Projectnummers:180191/180192/180193. 2 juni 2020. 19

tend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing 5 Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd om de milieuhygiënische bodemkwaliteit aan te kunnen tonen. Uit het onderzoek volgt dat het aspect asbest en de licht verhoogde gehalten in het grondwater geen belemmering vormen. Wel zijn er in sterk verhoogde gehalten lood en zink in de 6 bodem aangetroffen. Daarom is er aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het aanvullend onderzoek concludeert dat de sterke verontreinigingen met lood en zink zich beperken tot de (zandige) bovengrond/toplaag rond de panden nr. 139 en nr. 143 en bevinden zich buiten voorliggend plangebied. Voor de gronden in en rondom de kas zijn maximaal lichte verontreinigingen aangetoond. De bodemkwaliteit in het plangebied vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn uitgesloten van akoestisch onderzoek.

5

Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv (2019). Verkennend bodem- en asbestonderzoek Oost Kinderdijk 137-143 + 187a te Alblasserdam. Projectnummer: MT-18649. 26 februari 2019.

6

RSK (2019). Aanvullend bodemonderzoek Oost Kinderdijk 137-143 + 187a Alblasserdam. Rapportnummer: 516093.001. 17 juli 2019. 20

Toetsing 7 Door SAB is akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting als gevolg van omliggende wegen op de woningen binnen het plangebied. Tevens is het scheepvaartverkeer op de Noord meegenomen in het onderzoek. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting als gevolg van de Oost Kinderdijk, de nieuwe toegangsweg, de Pijlstoep en rivier de Noord lager is dan de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. In het plangebied is sprake van een goede ruimtelijke ordening en is het treffen van maatregelen niet noodzakelijk. Conclusie Het bestemmingsplan is uitvoerbaar wat betreft het aspect geluid.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

7

SAB (2021). Akoestisch onderzoek wegverkeer en scheepvaart Oost Kinderdijk. Projectnummers: 180191/180192/180193. 28 januari 2021. 21

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Onderliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 18 nieuwe woningen. Samen met de andere nabijgelegen ontwikkellocatie aan de Oost Kinderdijk 137-145 gaat het om maximaal 36 woningen. De plannen dragen daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Raadpleging van de NSLmonitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaardeoverschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Op basis van zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormen de plannen op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels,

22

maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van nieuwe, gevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. De directe omgeving van het plangebied kent grotendeels een woonbestemming waardoor het gebied op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering (2009)’ wordt getypeerd als een ‘rustige woonwijk’. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Tevens is de gemeten afstand tussen het plangebied en de bestemmingsgrens van de adressen in de tabel opgenomen. Adres

Bestemming

Omschrijving VNG

Oost Kinderdijk 139 Oost Kinderdijk 195 Oost Kinderdijk 209A

Detailhandel - 2

Detailhandel voor zover n.e.g. Milieucategorie 2

Pijlstoep ong.

Bedrijf, nutsvoorziening

Pijlstoep 31

Bedrijf, wasserij

Bedrijf Bedrijf, aannemersbedrijf

Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m² Gasdistributiebedrijven - gasdrukregelen meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C Chemische wasserijen en ververijen

Richtafstanden in meters Geur Stof Geluid Gevaar 0 0 10 0

Gemeten afstand ±0

30

30

30

30

± 20

10

30

50

10

± 140

0

0

30

10

± 40

30

0

30

30

± 75

Voor de bedrijven aan de Oost Kinderdijk 139 en 195 geldt dat niet voldaan kan worden aan de richtafstanden. Gelet op het feit dat voor de gronden aan de Oost Kinderdijk 139 ook een woningbouwontwikkeling gepland staat, zullen deze gronden haar hinderveroorzakende functie in de nabije toekomst verliezen en is het uitvoeren van nader onderzoek daarom niet noodzakelijk. De bedrijfsgronden aan de Oost Kinderdijk 195 vinden zich op circa 20 meter afstand van het plangebied. Aangezien ter plaatse bedrijvigheid in milieucategorie 2 is toegestaan dient in principe rekening te worden gehouden met een richtafstand van 30 meter tussen de bedrijfsgronden en de gevels van milieugevoelige functies (hier: woningen). Gelet op het feit dat de afstand tussen de bedrijfsgronden en tot het dichtstbijzijnde bouwvlak in dit bestemmingsplan 40 meter bedraagt, kan worden voldaan aan de benodigde richtafstand en is het uitvoeren van nader onderzoek daarom niet noodzakelijk.

23

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten. 8 Door SAB is een quick scan externe veiligheid uitgevoerd . In de quick scan is met behulp van de risicokaart geïnventariseerd of het plangebied binnen een plaatsgebonden risicocontour, een plasbrandaandachtgebied en/of het invloedsgebied ligt van zowel stationaire als mobiele risicobronnen. Uit de quick scan volgt dat het plangebied -6 niet binnen een plaatsgebonden risico contour van 10 of een plasbrandaandachtsgebied van een risicobron ligt. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van een aantal risicobronnen, namelijk:  Spoorlijn Kijfhoek – Betuweroute Meteren (route 202)  Corridor Rotterdam - Duitsland  Wegvak Z75 - A15: Knp. Ridderkerk Zuid - afrit 21 (Hendrik Ido Ambacht)  Wegvak Z77a - Omleidingsroute Noordtunnel in oostelijke richting van A15 afrit 21 tot hm-paal 22.1 op de N915  Wegvak Z77b - Omleidingsroute Noordtunnel van A15 afrit 21 tot A15 afrit 22 m.u.v. wegvak Z77a

8

SAB (2018). Quick scan externe veiligheid 3 locaties Alblasserdam. Kenmerk: 180191/ 180192/180193. 19 november 2018. 24

 Wegvak Z78 - A15: afrit 22 (Alblasserdam) - afrit 23 (Papendrecht/N3)  Wegvak Z55 - A15/A16: Knp. Ridderkerk Noord - Knp. Ridderkerk Zuid Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes betekent dit dat het groepsrisico beperkt dient te worden verantwoord. Er moet worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Aangezien het plangebied binnen 200 meter afstand van de Corridor Rotterdam – Duitsland liggen, dient conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes voor deze risicobron een berekening van het groepsrisico te worden uitgevoerd. Tot slot geldt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om een advies uit brengen. 9

In het onderzoek externe veiligheid is het groepsrisico berekend en verantwoord. Daaruit volgt dat slechts sprake is van een geringe (theoretische) toename van het groepsrisico als gevolg van de plannen. Hierna is de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Met name ten aanzien van het appartementencomplex bestaat de kans op dodelijke slachtoffers bij een ramp of zwaar ongeval op de Noord, vanwege de relatief korte afstand tussen beide functies. Voor onderhavig plangebied is deze kans kleiner en is het treffen van maatregelen om het groepsrisico te beperken minder van belang. Te allen tijde geldt bij calamiteiten dat tijdige alarmering vereist is middels het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) of het NL-alert, zodat mensen zich tijdig in veiligheid kunnen brengen. Door middel van deze maatregel kan het groepsrisico worden beperkt. De omvang van een ramp of zwaar ongeval kan worden beperkt wanneer de hulpdiensten snel ter plaatse kunnen komen. Derhalve is het van belang om de aanrijdtijden van de brandweer in kaart te brengen. De locatie blijkt vanaf diverse brandweerkazernes binnen 10 minuten te bereiken, namelijk de brandweerkazerne in Alblasserdam en Papendrecht. De posten in Nieuw-Lekkerland, Ridderkerk en Hendrik-Ido-Ambacht liggen op minder dan 15 minuten afstand van het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat de locatie goed bereikbaar is voor hulpdiensten.

Een ramp of een ongeval op het water, dient daarnaast ook van het water bestreden te worden. Bestrijding is in principe lastiger op water dan op het vasteland, maar de regio is hierop voorbereid. Voorts is het van belang dat er voldoende bluswatervoorzieningen in of nabij de locatie aanwezig zijn. Op deze locatie is dat ruimschoots aanwezig. Geconcludeerd wordt dat de hulpdiensten ruim voldoende in staat worden gesteld om de omvang van een ramp of zwaar ongeval op de Noord te beperken. Om de gevolgen van een ramp/zwaar ongeval te beperken is het van belang dat mensen in voldoende mate zelfredzaam zijn. Met betrekking tot schuilen is het van belang dat er een ventilatiesysteem wordt aangelegd, waarbij de ventilatie met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld. Met betrekking tot vluchten is het zaak om vluchtwegen van de risicobron af te situeren. Onderhavig plan voorziet voor iedere woning in de mogelijkheid om van de bron af te vluchten, waarmee de zelfredzaamheid wordt gewaarborgd. De aanwezigen in het plangebied kunnen primair via de Oost Kinderdijk 9

SAB (2020). Onderzoek externe veiligheid Oost Kinderdijk 137-145 en 187a Alblasserdam. Projectnummers: 180192-180193. 26 maart 2020. 25

in noordelijke en zuidelijke richting vluchten. Secundair kan via het park Huis te Kinderdijk in oostelijke richting worden gevlucht. De woningen zullen niet specifiek voor hulpbehoevende mensen worden bestemd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7

Water Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.

Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

26

Provinciaal beleid – Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 In 2016 heeft de provincie Zuid-Holland een planherzieningsbesluit inzake het waterbeleid genomen. Het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 wordt hiermee actueel verklaard voor de onderdelen waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. Tevens maken de Visie Ruimte en Mobiliteit en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021 er onderdeel van uit. In het Provinciaal Waterplan 2010-2015 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid- Holland. Het Provinciaal Waterplan beschrijft op hoofdlijnen wat de provincie in de periode tot 2015 samen met haar waterpartners wil bereiken. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: a waarborgen waterveiligheid; b zorgen voor mooi en schoon water; c ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening; d realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem. In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema’s én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

Beleid Waterschap Rivierenland – Waterbeheerprogramma 2016-2021 Voor de periode 2016-2021 is het Waterbeheerprogramma Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid van Waterschap Rivierenland. Dit plan bevat de koers waarop het waterschap lange termijn doelen wil bereiken op het gebied van waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen. Het waterschap heeft het zorgen voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem als missie. Op het gebied van waterveiligheid hanteert het waterschap de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Tevens zet het waterschap in op voldoende en schoon water in het hele watersysteem. Tenslotte streeft het waterschap naar een duurzame en doelmatige inrichting van de waterketen en het beheer. Beleid gemeente Alblasserdam – Waterplan Alblasserdam In 2006 is het Waterplan Alblasserdam opgesteld door de gemeente en het Waterschap. Het Waterplan verschaft zowel de Gemeente als het Waterschap inzicht over het functioneren van het watersysteem in Alblasserdam. Bovendien wordt in het plan de gezamenlijke visie op het water en het waterbeleid tussen de partijen vastgelegd.

Met het opstellen van het Waterplan Alblasserdam realiseren de bij het waterbeheer betrokken partners een aantal doelen, te weten:  het ontwikkelen van een gezamenlijke visie op het waterbeheer op lange termijn (2020) en het formuleren van concrete maatregelen voor de korte termijn (2010);  het afstemmen van waterbeleid en het verdelen van taken tussen de betrokken partijen en zorgen dat de uitvoering van maatregelen verwerkt wordt in de uitvoeringsprogramma’s van de betrokken organisaties;  het maken van afspraken voor de goede afstemming van water en ruimtelijke ordening;  bekendheid geven aan het Waterplan om de betrokkenheid van externe partijen bij duurzaam waterbeheer te vergroten.

27

Toetsing 10 Voor onderhavig plan is de digitale watertoets doorlopen . Uit de digitale watertoets blijkt dat het plan onder de normale procedure valt en het van belang is om het waterschap te betrekken bij het plan. Waterkwaliteit Raadpleging van het provinciaal beleid wijst uit dat de gronden van het plangebied niet zijn aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied of ander waterbeschermingsgebied ten aanzien van waterkwaliteit. Gelet op het feit dat het voorgenomen plan voorziet in een woningbouwontwikkeling worden er geen activiteiten mogelijk gemaakt, die de waterkwaliteit ter plaatse zouden kunnen aantasten en vormt dit aspect geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Sterker nog: met de inwisseling van het kassencomplex geldt de verwachting dat de waterkwaliteit ter plaatse eerder zal verbeteren dan verslechteren. Bovendien worden er tijdens de bouw geen uitlogende maatregelen gebruikt. Waterveiligheid De legger waterkeringen van waterschap Rivierenland, evenals de digitale watertoets, geven aan dat het plangebied deels binnen de primaire beschermingszone en deels binnen de buitenbeschermingszone van een waterkering ligt (zie onderstaande afbeelding). In voorliggende situatie betreft het de Oost Kinderdijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/220/documents/5776