CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1m. Bijlagen bij de toelichting 10 Quick scan Natuur.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 25 januari 2022, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 4: Vaststelling bestemmingsplannen Oost Kinderdijk - Pijlstoep - Voorstel14.110 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quick scan natuur

Alblasserdam, Oost Kinderdijk e.o.

Bogor projectontwikkeling

Datum: 24 augustus 2020 Projectnummers: 180191/180192/180193

SAB Postbus 479 6800 AL Arnhem tel: 026 - 357 69 11 fax: 026 - 357 66 11 Auteur: D. Meriën Tweede lezer: E. Verkaik Project: Alblasserdam, Oost-Kinderdijk e.o. Projectnummer: 180191, 180192 en 180193

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebieden

3 3

2

Wettelijk kader

9

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

9 10 10

3

Onderzoeksmethode

11

3.1 3.2

Deskundigheid Werkwijze

11 11

4

Resultaat

12

4.1 4.2 4.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

12 14 31

5

Conclusie en advies

32

5.1 5.2 5.3 5.4

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden Vervolgstappen

32 32 37 37

Geraadpleegde bronnen

38

Bijlage 1. Wettelijk kader

41

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In de omgeving van de Oost Kinderdijk te Alblasserdam is op drie locaties woningbouw beoogd; voor de Baas-locatie, de Jonker-locatie en de van Beest-locatie. Voor alle drie de locaties wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is. In het rapport worden de effecten van de ontwikkelingen in de drie plangebieden apart en in cumulatie met elkaar beoordeeld.

1.2

Plangebieden

1.2.1

Huidige situatie De plangebieden bevinden zich in de kern van Alblasserdam (provincie Zuid-Holland). De omgeving van Alblasserdam kenmerkt zich door de ligging ten zuidoosten van Rotterdam. De gemeente grenst in het noorden aan de Lek en in het westen aan de Noord. Alblasserdam ligt op een grenszone van het stedelijk gebied rond Rotterdam ten westen van de gemeente en het groene hart ten oosten van de gemeente. Alblasserdam grenst aan Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk dat ten noorden van de kern ligt. De plangebieden van de Baas-locatie, de Jonker-locatie en de van Beest-locatie liggen aan respectievelijk de Oost Kinderdijk 137-145, de Oost Kinderdijk 187A en aan de Pijlstoep 31 te Alblasserdam. Deze plangebieden liggen aan de westrand van Alblasserdam en grenzen aan rivier de Noord die ten zuidwesten van de Oost Kinderdijk ligt. Ten noordoosten van de Oost Kinderdijk staat “Huis te Kinderdijk” met een omliggend park en hieraan grenzend enkele volkstuinen. Grenzend aan Pijlstoep ligt recreatieplas “Lammetjeswiel”. Verder staan er voornamelijk woningen in de omgeving. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van de plangebieden weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van de plangebieden (rood omkaderd).Bron: Google Maps. Bewerking: SAB.

2

3

1

Luchtfoto met de globale ligging van de plangebieden met de Baas-locatie (1), de Jonker-locatie (2) en de van Beest-locatie (3) (rood omkaderd). Bron: Google Earth. Bewerking: SAB.

4

Dit rapport beoordeeld de effecten van werkzaamheden op de drie locaties waarvoor bestemmingsplannen worden opgesteld. Op 7 november 2018 is een veldbezoek aan de drie planlocaties uitgevoerd. Baas-locatie Oost Kinderdijk 137-145 Deze locatie grenst direct aan de Oost Kinderdijk en omvat drie woningen en het Baas-Wooncentrum, een bedrijf waarvan de activiteiten inmiddels zijn stopgezet. Eén van de woningen betreft een vrijstaand woonhuis, met één bouwlaag en een kaaplaag opgestrokken uit baksteen, een stijl dak met dakpannen en een brede dakgoot. Achter de vrijstaande woning staat een houten schuur met twee bouwlagen en een grote kelder. De schuur bevond zich ten tijde van het veldbezoek in een zeer vervallen staat. Ten westen van de vrijstaande woning staat een woonblok met twee woningen en het oude Baas wooncentrum. Dit gebouw heeft twee bouwlagen en een kaplaag. Achter het Baas-wooncentrum staat een aan het zicht ontrokken loods. Deze loods is verbonden met het wooncentrum maar is van de twee woningen gescheiden door een smalle nis. De loods heeft metalen gevels. Tussen de vrijstaande woning en het woonblok loopt een verhoogde verbinding waardoor het Baas wooncentrum vanuit de vrijstaande woning is te bereiken. Achter de vier gebouwen is ook een tuin aanwezig. Deze bevat gemaaid en bemest grasland een enkele tuinplanten.

De noordelijke grens van het plangebied grenst aan een ondiepe sloot. Direct ten noorden van deze sloot ligt de Jonker-locatie.

5

Impressie van de Baas-locatie ten tijde van het veldbezoek. De foto’s verbeelden de verschillende gebouwen in het plangebied. Boven is het zicht vanaf de Oost-Kinderdijk verbeeld op het woonblok met woningen en het baaswooncentrum (links) en de vrijstande woning (rechts). De middenfoto links verbeeldt de nis tussen de woningen en de aangrenzende bedrijfsloods. Deze bedrijfsloods is verbonden met de entree van het wooncentrum. De middenfoto rechts verbeeldt een achterzicht van de vrijstaande woning, genomen vanaf een wandelpad langs de Pijlstoep. Op de onderste foto’s zijn de houten schuur en de tuin bij de vrijstaande woning verbeeld.

Jonker-Locatie Oost Kinderdijk 187A Deze locatie ligt ongeveer 60 meter van de Oost Kinderdijk verwijderd. De locatie wordt ondanks deze afstand via de Oost Kinderdijk ontsloten. De ontsluiting ligt tussen Oost Kinderdijk nummer 163 en nummer 177. Op het adres is een kassencomplex aanwezig. Het kassencomplex was ten tijde van het veldbezoek nog in gebruik. De kas is in zijn geheel uit glas opgetrokken. Enkel de entree in het zuidwesten van het plangebied is verhard. Rondom het plangebied liggen ondiepe, brede sloten en direct nabij de kas liggen smalle slootjes. De sloten hebben natuurlijke oevers met riet, ruigte, kale grond en modder. Er staan rietkragen en verruigd struweel met wilg, braam en riet. Op een deel van het terrein zijn de rietkragen recent gemaaid en de sloten lijken recent geschoond. In het noorden van het plangebied staan struiken en bomen. Er liggen takkenhopen en hopen groenafval. In het zuiden grenst het plangebied aan de Baas-locatie. In het noorden grenst het aan enkele moestuinen en aan het park rondom “Huis te Kinderdijk”.

6

Impressie van de Jonker-locatie ten tijde van het veldbezoek. De foto’s verbeelden de verschillende elementen in het plangebied. Boven is het zicht op de kas verbeeld vanaf een wandelpad langs de Pijlstoep (links) en de entree van de kas vanaf de ontsluiting aan de Oost Kinderdijk (rechts). De middenfoto’s verbeelden één van de smalle slootjes naast de kas en de verruiging van braam, wilg en riet. De onderste foto’s verbeelden de bomen, struiken en een sloot in het noorden van het plangebied met zicht op het aangrenzende park .

van Beest-Locatie Pijlstoep 31 Deze locatie ligt aan het einde van de doodlopende weg Pijlstoep en grenst direct aan recreatiegebied “Lammetjeswiel”. Hier was in het verleden Stomerij van Beest aanwezig. Deze activiteiten zijn inmiddels stopgezet. De van Beest-locatie bestaat uit een bedrijfsloods die vanuit het zuiden via de Pijlstoep wordt onstloten. De loods is in het zuiden opgetrokken uit metalen gevels. Aan de west- en noordzijde van de loods zijn de muren van baksteen en betonsteen met overstekken van met kunststof afwerkte MDF-platen. Het geheel heeft een plat dak. De loods is in vervallen staat en heeft op meerdere plaatsen openingen in de MDF-beplating. De oostgevel van de loods grenst direct aan een woonhuis. Deze woning wordt nog bewoond. Het woonhuis besstaat uit één bouwlaag en heeft bakstenen gevels. Ook het woonhuis heeft een plat dak. Ten oosten van het woonhuis ligt een kleine tuin met enkele bomen, heggen, struiken en gemaaid gras. Verder ten oosten staan nog enkele bomen en er ligt een watergang. Een klein deel van de watergang moet worden gedempt.

7

Impressie van de van Beest-locatie ten tijde van het veldbezoek. De foto’s verbeelden de verschillende elementen in het plangebied. Boven is het zicht op de bedrijfsloods verbeeld vanaf de Pijlstoep (links) en de oostzijde van de loods vanaf het omliggende terrein (rechts). De middenfoto’s verbeelden de achterzijde van het plangebied met zicht op de tuin (links) en de grens tussen de bedrijfsloods de woning (rechts). De onderste foto’s verbeelden de woning en de tuin.

1.2.2

Toekomstige situatie Baas-locatie: Op deze locatie bestaat het plan al de huidige bebouwing te slopen om plaats te maken voor een appartementengebouw, bestaande uit maximaal 18 woningen. Achter het complex zal parkeergelegenheid worden gerealiseerd. Jonker locatie: Het plan is om de kas te slopen en het aanwezige groen te verwijderen. De slootjes moeten worden gedempt. Ter plaatse zullen maximaal 17 grondgebondenwoningen worden gebouwd. Voor het terrein zal een nieuwe ontsluiting komen ten oosten van de Baas-locatie. Van Beest-Locatie: Het plan is om het gebouw te slopen, de bodemverontreiniging ter plaatse te saneren, de bestaande bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere burgerwoning en de overige gronden in te zetten als tuin.

8

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die de instandhoudingsdoelstellingen kunnen schaden. Verder geldt dat een plan, dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van dit natuurnetwerk wordt geregeld bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Zuid-Holland heeft de bescherming van Natuurnetwerk Nederland opgenomen in artikel 2.3.2 van de Verordening Ruimte 2014. Voor gebieden binnen het NNN die zijn verbeeld als bestaande en nieuwe natuur, ecologische verbinding, of waternatuurgebied geldt dat er geen nieuwe ontwikkelingen mogen worden toegelaten die de uiteindelijke realisatie van het NNN onmogelijk maken. De bescherming vindt plaats door toepassing van het ‘nee, tenzij’-regime. Nieuwe plannen en projecten zijn niet toegestaan als deze een significant effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden, waarvoor een ontheffing van Gedeputeerde Staten vereist is.

Via artikel 2.2 van de Verordening Ruimte worden daarnaast belangrijke weidevogelgebieden beschermd via een ‘nee, tenzij’-regime. De regels voor compensatie van waarden die verloren gaan binnen het NNN of binnen belangrijk weidevogelgebied staan beschreven in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013).

9

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Zuid-Holland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.

Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.

2.3

Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

10

3 3.1

Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.

3.2

Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 10 oktober 2018, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 7 november 2018, bij droog, bewolkt weer, een matige wind en een temperatuur van circa 11 graden. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.

Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.

11

4

Resultaat

4.1

Gebiedsbescherming

4.1.1

Wet natuurbescherming De plangebieden liggen niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). In de omgeving zijn wel verschillende Natura 2000-gebieden aangewezen. De effecten van de ontwikkelingen in de drie plangebieden op Natura 2000-gebieden worden hier als zijnde één project beoordeeld. De ontwikkelingslocaties liggen ongeveer 600 meter verwijderd van Boezems Kinderdijk dat ten noorden van de ontwikkelingslocaties ligt. Verder ligt Donkse Laagten op 6,5 kilometer ten oosten van de locaties. Ten zuidwesten van de ontwikkelingen ligt Oude Maas op 7,5 kilometer afstand en de Biesbosch ligt 9 kilometer ten zuidoosten van de ontwikkelingen. Stikstof wordt uitgestoten bij het gebruik van fossiele brandstoffen door verkeer, industrie en wanneer voor het verwarmen van woningen gas wordt gebruikt. Stikstof kan neerslaan op een grote afstand van de bron. Stikstof heeft een verzurende en vermestende werking. Wanneer het neerslaat op habitats die hiervoor gevoelig zijn kan dit negatieve effecten hebben op de natuurwaarden in een dergelijk habitat. In het nabijgelegen Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk zijn stikstofgevoelige habitats niet aanwezig. In de omgeving zijn enkel in Biesbosch dergelijke stikstofgevoelige habitats aangewezen.

Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. Om te onderzoeken of negatieve effecten op Natura 2000-gebied mogelijk zijn, adviseren wij nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uit te voeren. Andere verstoringsfactoren die kunnen uitstralen tot buiten de planlocaties zijn verstoring door geluid, trilling en licht. In Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk zijn geen soorten aangewezen die gevoelig zijn voor de effecten van trilling (synbiosys.nl). Wel zijn er soorten die gevoelig zijn voor de effecten van licht en geluid. De afstand waarop deze verstoringen op kunnen treden hangt af van de aard van de ontwikkeling. De afstand tot waar verlichting voor verstoring kan zorgen is afhankelijk van de hoogte van de lichtbron. De hoogste bebouwing binnen de planlocaties zullen de appartementen zijn op de Baas-locatie. Deze krijgen een hoogte van ongeveer 15 meter. Lichtbronnen tot een hoogte van 20 meter hebben een effectafstand, tot waar de verlichting kan reiken en diersoorten kan verstoren, van maximaal 100 meter (Vegte et al. 2014). Omdat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ongeveer 600 meter van de ontwikkelingslocatie ligt, is verstoring door verlichting uitgesloten.

Tijdens de gebruiksfase van de woningen zal het geluid dat wordt gegenereerd opgaan in het aanwezige geluid vanuit de kern van Alblasserdam. In de bouwfase is meer geluidsverstoring te verwachten. Geluidsverstoring door heiwerkzaamheden heeft een maximale verstoringsafstand van 1.500 meter vanaf de bron voor broeden-

12

de vogels (Vegte et al., 2014). In Boezems Kinderdijk zijn twee Vogelrichtlijnsoorten aangewezen die gevoelig zijn voor de effecten van geluidsverstoring. Dit zijn de purperreiger en de snor. Broedplaatsen van de purperreiger in het Natura 2000-gebied liggen allemaal in “Hoge Boezem van Overwaard” (van den Broek 2015), dat minimaal 1.200 meter van de dichtstbijzijnde onderdelen van de ontwikkelingslocaties ligt. Broedplaatsen van de snor liggen in “Hoge boezem van Overwaard” en “Hoge Boezem van Nederwaard”, dat minimaal 1.100 meter van de ontwikkelingslocaties ligt. Het is te verwachten dat de bebouwing vanuit de kern van Alblasserdam dat tussen de ontwikkellocaties en het Natura 2000-gebied ligt een groot deel van het door heiwerkzaamheden gegenereerde geluid afschermt. Daarom is te verwachten, dat eventueel geluid van heiwerkzaamheden dat broedgebied van de snor of purperreiger bereikt, zeer beperkt zal zijn. Snor en purperreiger zijn beide gevoelig voor verstoring door geluid, maar niet zeer gevoelig, zo blijkt uit de effectenindicator (synbiosys.nl). De verstoring door heien is tijdelijk met een tijdsduur tot hooguit enkele weken. Conform de leidraad bepaling significantie (Steunpunt Natura 2000 2010), kan een afname van de draagkracht van een leefgebied alleen significant zijn, als het langjarig gemiddelde door de verstoring zal afnemen.

Door de zeer tijdelijke aard van de verstoring zal van een afname van een langjarig gemiddelde geen sprake zijn. Significant negatieve effecten door geluidsverstoring op de purperreiger en snor zijn daarom uitgesloten. Vanwege de afschermende werking van de bebouwing en de tijdelijkheid van het heien (enkele weken) wordt geen effect verwacht. Wij adviseren om, indien mogelijk, deze deelactiviteit uit voorzorg liefst buiten de broedperiode uit te voeren. Andere verstoringen op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uitgesloten gezien de grote afstand tot deze gebieden. Een passende beoordeling is daarom niet nodig.

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. In de omgeving zijn Vogelrichtlijngebieden (blauw), Habitatrichtlijngebieden (geel) en gebieden die als beide zijn aangewezen (groen) aanwezig. Stikstofgevoelige habitats binnen deze gebieden zijn paars gemarkeerd. Bron: Aerius. Bewerking: SAB. 13

4.1.2

Natuurnetwerk Nederland Geen van de plangebieden ligt binnen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde onderdeel van de NNN betreft de Noord welke is aangewezen als Grote wateren en Noordzee en ligt ongeveer 30 meter van de Baas-locatie. Verder liggen er meerdere andere onderdelen van het Natuurnetwerk in de omgeving. Daarnaast ligt er Strategische reservering natuur en belangrijk weidevogelgebied op ongeveer 2 kilometer ten oosten van de plangebieden. Aangezien de plangebieden niet in de NNN of andere provinciaal beschermde natuur liggen en deze beschermde natuurgebieden op grond van het provinciaal beleid geen externe werking kennen, leiden de voorgenomen ingrepen niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingrepen zullen geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het deze gebieden hebben. De bescherming van deze gebieden staan de uitvoering van de plannen niet in de weg.

Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Zuid-Holland, Strategische reservering natuur en Belangrijk weidevogelgebied. Bron: Provincie Zuid-Holland. Bewerking: SAB.

4.2

Soortenbescherming In deze paragraaf beschrijven wij de beschermde soorten die mogelijk aanwezig kunnen zijn in of nabij het plangebied. Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren en amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet, bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. In deze paragraaf wordt met name aandacht besteed aan de beschermde soorten waarvoor een dergelijke vrijstelling niet geldt.

14

4.2.1

Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). Er zijn geen groeiplaatsen van beschermde vaatplanten bekend in de omgeving van de ontwikkelingslocaties aldus verspreidingsgegevens van de NDFF. Baas-Locatie De buitenruimte in dit plangebied is grotendeels verhard. Wel ligt er een tuin achter de vrijstaande woning. Hier ligt gemaaid, bemest gras en er is tuinbeplanting aanwezig. In een dergelijk verstoorde en bemeste omgeving zijn beschermde planten niet te verwachten.

Jonker-locatie In de buitenruimte rondom de kas is het terrein plaatselijk verruigd, kaal of begroeid met bomen en struweel. Ten westen van de kas is voornamelijk verruiging aanwezig. Hier staat veel braam, brandnetel, wilg en verruigd gras. Ten noorden van de kas is de vegetatie op een deel van de grond recentelijk gemaaid en ligt nog dood op het terrein. Het betreft voornamelijk riet. Langs de sloten zijn de oevers nog deels begroeid met riet en liesgras. Langs de noordgrens van het plangebied sluit deze aan op het naastgelegen park. Hier staan bomen en struiken zoals zomereik en meidoorn. De bomen zijn veelal begroeid met klimop. Habitat dat zeer geschikt is voor beschermde planten is niet aanwezig. In het nabijgelegen Natura 2000-gebied komen wel enkele bijzondere plantensoorten voor, namelijk de soorten zomerklokje, bevertjes, moerashertshooi, geelhartje en moeraskartelblad (van den Broek 2015). Het betreft soorten van natte en kalkrijke moerassen en graslanden. Zomerklokje is ook in het park van Huis te Kinderdijk waargenomen, blijkt uit verspreidingsgegevens van de NDFF. Geen van deze plantensoorten is beschermd onder de Wet natuurbescherming. Gezien het ontbreken van geschikt biotoop en waarnemingen van beschermde planten in de omgeving, zijn beschermde vaatplanten niet te verwachten in het plangebied.

Van Beest-Locatie Bij het woonhuis is een tuin met gemaaid, bemest gras en enkele bomen en struiken aanwezig, waaronder de soorten gewone es, zachte berk, zwarte els, laurierkers, hazelaar, hortensia en rode kornoelje. Ook hier is sprake van voedselrijke en regelmatig bewerkte grond in een stedelijke omgeving. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht. Een nader onderzoek naar beschermde planten is daarom niet noodzakelijk.

15

4.2.2

Grondgebonden zoogdieren Beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijke- of half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeldzaam en is in Nederland zwervend aanwezig, met name in het oosten van het land. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). In Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk komen de noordse woelmuis, waterspitsmuis en bever voor. De bever komt ook voor aan de overzijde van de Noord, in het griendbos van recreatiegebied de Gorzen te Ridderkerk. Ook is de soort waargenomen in de inham van de Noord, ten zuiden van Lammetjeswiel. Bevers zijn knaagdieren die leven in en nabij het water, waar ze hun voedsel zoeken en hun schuilplaatsen maken. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door bossen met bomen als wilg en es. Bos op de oever is een vereiste, open of rotsige oevers worden vermeden. Als schuilplaats wordt een hol gegraven of een burcht van takken en modder gemaakt.

Daarnaast gebruiken bevers regelmatig legers om de dag door te brengen. Het leger van de bever is een plek met platgetrapte vegetatie of een kuiltje, soms bekleed met houtsnippers (zoogdiervereniging.nl). De waterspitsmuis komt voor langs schoon niet te voedselrijk water met goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij wordt aangetroffen langs beken, plassen, rivieren en sloten. Hij leeft binnen een straal van 500 meter langs het water op plaatsen waar voldoende schuilmogelijkheid aanwezig is. Het leefgebied van de waterspitsmuis loopt evenwijdig aan een oever. Mannetjes en vrouwtjes hebben elk een eigen territorium (www.zoogdiervereniging.nl). De noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen leeft de soort vooral in natte terreinen, als rietland, moeras, hooilanden en zeer extensief gebruikte weilanden. Wanneer er geen andere woelmuizen in de omgeving leven, leeft hij ook in drogere gebieden, zoals wegbermen. De noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen. Hij wordt daardoor naar natte terreinen verdreven (BIJ12, 2017f, www.zoogdiervereniging.nl). Baas- en van Beest-locatie Deze plangebieden zijn grotendeels bebouwd. Hieromheen ligt verhard terrein of is het plangebied ingericht als tuin.

Een dergelijke omgeving is voor bever, noordse woelmuis en waterspitsmuis ongeschikt. Op de van Beest-locatie wordt een klein deel van een watergang gedempt. Deze is omringd door bemest en gemaaid grasland en daarom ongeschikt voor deze soorten. Deze soorten zijn daarom uit te sluiten in beide plangebieden.

16

Jonker-locatie Dit plangebied bestaat in het noorden uit sloten met natuurlijke, begroeide oevers en uit struweel, bomen en rietland. Een dergelijke vegetatie vormt geschikt leefgebied voor waterspitsmuis en noordse woelmuis. De Jonker-locatie grenst direct aan het park rondom Huis te Kinderdijk. Dit park bestaat uit een binnenrand van grasland en een buitenrand met lanen en bossen. Verder zijn kleinschalige landschapselementen als watergangen, poelen, gras- en hooilandjes en schapenweide aanwezig. Dit park sluit in het noorden vervolgens via slootjes en struweelzones weer aan op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, waar beide soorten voorkomen. Daarmee lijkt ook het gebied tussen het Natura 2000-gebied, waar deze soorten zijn vastgesteld en de Jonkerlocatie voor deze soorten geschikt te zijn. Waterspitsmuis en Noordse woelmuis zijn niet in het park of het plangebied waargenomen. Echter beide soorten zijn moeilijk waar te nemen en te herkennen soorten. Daarom is niet uit te sluiten dat deze soorten ook in het plangebied en het aangrenzende park voorkomen. Bij de toekomstige ontwikkelingen zouden deze dieren kunnen worden gedood of verblijfplaatsen kunnen worden vernietigd, wanneer ze aanwezig zijn. Dit vormt dan een overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of de soorten binnen de Jonker-locatie voorkomen.

Mogelijk is voor de ontwikkelingen op deze locatie een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. In het plangebied is geen bos met wilg of es aanwezig. Ook ligt het plangebied niet direct aan een rivier of meer en werden bij het veldbezoek nergens sporen van de bever aangetroffen. Daarom is de bever niet in het plangebied te verwachten.

In de watergangen, de rietlanden en andere natte gebieden kunnen noordse woelmuis en waterspitsmuis voorkomen.

17

4.2.3

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger in de buurt van de plangebieden voor. Volgens verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl kunnen ook de meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de omgeving voorkomen. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).

Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017a, Dietz et al. 2011). Baas-locatie Op de baaslocatie staan meerdere gebouwen. Deze zijn gecontroleerd op openingen die vleermuizen verblijf of als toegang tot een verblijfslocatie kan worden gebruikt. In de woningen zijn meerdere open stootvoegen, scheuren in de gevel en kieren tussen de dakgoot en de gevel aangetroffen die vleermuizen als verblijf kunnen gebruiken. Daarom is niet uit te sluiten dat hier vleermuizen aanwezig zijn. Ten noorden van de vrijstaande woning staat een oude houten schuur. Door een open luik is ook deze schuur toegankelijk voor vleermuizen. Daarom is de schuur binnen gecontroleerd op sporen van vleermuizen. Het dak van de schuur is deels ingestort en het luik is permanent open. Daarom is te verwachten dat er te veel tocht in de schuur aanwezig is om als verblijfplaats voor vleermuizen te dienen. Sporen van vleermuizen zijn hier dan ook niet aangetroffen. Wel is het mogelijk dat vleermuizen onder de pannen van het dak kunnen verblijven en daarom zijn ook hier gebouwbewonende vleermuizen niet uit te sluiten. Wanneer de bebouwing in het plangebied wordt gesloopt gaan mogelijk aanwezige vleermuisplaatsen verloren.

Er is dan sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek naar vleermuizen is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen. Mogelijk is het nodig een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen.

18

In open stootvoegen, kieren en onder daken op de Baas-locatie kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten op de Baas-locatie. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

x

x

x

x

Ruige dwergvleermuis

-

-

x

x

Laatvlieger

x

x

x

x

Meervleermuis

x

x

x

x

Gewone grootoorvleermuis

-

x

-

-

Jonker-locatie In dit plangebied is enkel een kas aanwezig. Een dergelijke bebouwing is als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen ongeschikt. Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen is hier niet nodig. Van Beest-locatie Ook de bebouwing op de van Beest-locatie is gecontroleerd op openingen die door vleermuizen kunnen worden gebruikt. Zowel in de bedrijfsloods als het woonhuis zijn dergelijke openingen aangetroffen. In de loods zijn kieren tussen de gevels, onder de dakrand en openingen in de overstek aanwezig die geschikt zijn voor vleermuizen. In het woonhuis zijn in de gevel open stootvoegen aanwezig, waardoor de spouwmuur toegankelijk is.

19

Wanneer de bebouwing in het plangebied wordt gesloopt gaan mogelijk aanwezige vleermuisplaatsen verloren. Er is dan sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek naar vleermuizen is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen. Mogelijk is het nodig een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen.

Openingen en kieren in de bedrijfsloods (boven en linksonder) en de woning (rechtsonder) die door vleermuizen als verblijfsplaats kunnen worden gebruikt Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten op de van Beest-locatie. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

x

x

x

x

Ruige dwergvleermuis

-

-

x

x

Laatvlieger

x

x

x

x

Meervleermuis

x

x

x

x

Gewone grootoorvleermuis

-

x

-

-

20

Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan zo’n 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). Baas-locatie Op de Baas-locatie staat één ruwe berk. Hierin zijn geen holtes aanwezig die door vleermuizen als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Onderzoek naar boombewonende vleermuizen is hier niet nodig. Jonker-locatie In het noorden van dit plangebied is een groot aantal bomen en struiken aanwezig. Meerdere van deze bomen hebben holtes in de stammen of dikke takken of loshangende schors waarin en waaronder vleermuizen een verblijfplaats kunnen maken. Daarnaast zijn er dikke bomen die begroeid zijn met klimop, waardoor holtes niet zichtbaar aanwezig zouden kunnen zijn. Wanneer bomen worden gekapt gaan mogelijk verblijfplaatsen verloren, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek is nodig om de aan- of afwezigheid van boombewonende vleermuizen vast te stellen. Wanneer deze worden aangetroffen dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en moeten mitigerende maatregelen worden getroffen.

Holtes in bomen kunnen door vleermuizen als verblijfplaats worden gebruikt. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten op de Jonker-locatie. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

-

-

x

x

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

x

Gewone grootoorvleermuis

x

x

x

x

Rosse vleermuis

x

x

x

x

Watervleermuis

x

x

x

x

21

Van Beest-locatie In de tuin bij het woonhuis staat een aantal bomen. Deze bomen zijn op holten en loshangende schors gecontroleerd. Dergelijke geschikte openingen zijn niet aangetroffen. Onderzoek naar boombewonende vleermuizen is hier niet nodig. Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Op alle drie de locaties is te verwachten dat vleermuizen boven het aanwezige groen foerageren. Wanneer er verblijfplaatsen op een locatie aanwezig zijn, kan het groen essentieel zijn voor het functioneren van een dergelijke verblijfplaats.

Wanneer er geen verblijfplaatsen binnen de planlocaties aanwezig zijn is ook niet te verwachten dat deze essentieel foerageergebied bevatten. In de omgeving is namelijk veel alternatief gebied aanwezig waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Het gehele gebied rondom de drie plangebied bestaat uit parklandschap, open water, grasland of natuurgebied dat geschikt foerageergebied vormt. Daarom is geen sprake van negatieve effecten op vleermuizen in de omgeving wanneer het groen binnen de plangebieden zal verdwijnen. Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Doorlopende lijnvormige elementen zijn in geen van de plangebieden aanwezig. Vliegroutes zijn daarom uit te sluiten binnen de planlocaties. 4.2.4

Vogels Vogelsoorten met niet jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in de plangebieden soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als grote bonte specht, halsbandparkiet, merel en roodborst. Op de van Beest-locatie is daarnaast een duivennest aangetroffen en er hangen enkele vogelhuisjes aan de bomen. Op de Jonker-locatie is een eksternest aangetroffen. In alle drie de plangebieden zijn broedmogelijkheden aanwezig voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten.

22

Om te voorkomen dat bij de werkzaamheden eventueel aanwezige nesten van broedende vogels worden beschadigd, adviseren wij deze werkzaamheden buiten de broedperiode te starten. Als vogels op zoek gaan naar een geschikte broedlocatie en merken dat het plangebied en de directe omgeving te verstorend zijn, zullen ze een andere locatie zoeken. Daarnaast kan ook in de broedperiode gestart worden met de werkzaamheden. Dan dient aantoonbaar te worden vastgesteld door een expert op het gebied van vogels dat met de ruimtelijke ontwikkeling geen nesten vernield worden. De broedperiode van vogels loopt globaal van half maart tot half augustus, maar de nesten van vogels die buiten deze periode broeden zijn ook beschermd. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt per locatie in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten.

Baas-locatie Hier kunnen nestlocaties aanwezig zijn voor huismus en gierzwaluw. Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12, 2017e). Huismussen kunnen een nestlocatie binnen het plangebied hebben. Met name het dak van de schuur achter de vrijstaande woning lijkt hiervoor geschikt. De daken van de overige woningen liggen diep in de dakgoot. De openingen onder dakpannen zijn daarom vanaf de grond niet zichtbaar. Echter, deze pannen lijken van een geschikt golvend type waaronder regelmatig huismussen broeden. Daarom is ook hier niet uit te sluiten dat hier openingen voor huismussen aanwezig zijn. Nader onderzoek naar huismussen is nodig om vast te stellen of er daadwerkelijk nesten in het plangebied aanwezig zijn. Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen.

Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12, 2017b).

23

De schuur is mogelijk ook geschikt als broedlocatie voor gierzwaluwen die hier onder de dakpannen kunnen nestelen. De woningen hebben op de meeste plaatsen brede, diepe dakgoten waardoor er geen uit- en invliegmogelijkheden voor gierzwaluwen zijn. Enkel in de nis tussen de rijwoningen en de bedrijfsloods is sprake van een kleine dakgoot en mogelijk een invliegmogelijkheid. Ook hier zouden nesten van de gierzwaluw aanwezig kunnen zijn.

Onder de daken kunnen huismussen en gierzwaluwen broeden

Jonker-locatie In dit plangebied staan behalve de kas geen gebouwen. Daarom kunnen broedplaatsen van in gebouwen broedende soorten als huismus en gierzwaluw worden uitgesloten in dit plangebied. Wel staat er een groot aantal bomen. Deze zijn gecontroleerd op aanwezige nesten die door vogels met jaarrond beschermde nesten kunnen worden gebruikt. Behalve een eksternest, zijn er geen grote nesten aangetroffen in het plangebied. Wel is er direct ten noordoosten van het plangebied een grote nestkast aangetroffen (zie onderstaande afbeelding). Dergelijke kasten zijn bedoeld voor de bosuil. Nesten van de bosuil vallen onder de zogenaamde beschermingscategorie 5: de bosuil is gebonden aan de verblijfplaats maar is wel zo flexibel dat deze een andere verblijfplaats kan vinden wanneer er voldoende alternatieven zijn. Het nest is alleen jaarrond beschermd wanneer zwaarwegende ecologische feiten dit rechtvaardigen. De bosuil is regelmatig in het park rondom Huis te Kinderdijk waargenomen en het terrein is aangemerkt als vastgesteld territorium, aldus de verspreidingsgegevens van de NDFF. Het is daarbij niet duidelijk of de kast ook als nest wordt gebruikt. De kast hangt slechts enkele meters van het plangebied verwijderd. Daarom is niet uitgesloten

24

dat de toekomstige werkzaamheden in het plangebied een aanwezige bosuil op zijn verblijfplaats zou kunnen verstoren. De staat van instandhouding van deze soort is momenteel gunstig (vogelbescherming.nl). Wanneer er alternatieve nestplaatsen in de omgeving aanwezig zijn, is geen negatief effect op de soort te verwachten wanneer de nestkast zou worden verstoord. Alternatieven nestplaatsen voor deze soort kunnen grote bomen met holten, andere nestkasten of oude middelgrote nesten van roofvogels zijn (sovon.nl). In het omliggende park zijn grotere bomen aanwezig. Om vast te stellen of er in de omgeving ook alternatieve nestplaatsen aanwezig zijn voor de bosuil, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Wanneer alternatieve nestplaatsen niet aanwezig zijn, dan vormt de nestkast de enige nestplaats voor het bosuil territorium. Deze nestplaats zal daarmee jaarrond beschermd zijn. Voor verstoring van deze nestplaats door de toekomstige werkzaamheden is dan een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Als onderdeel van deze ontheffing dienen alternatieve nestkasten in het park te worden geplaatst om de broedfuncties voor de soort in de omgeving te waarborgen.

In de nestkast direct grenzend aan het plangebied kan een bosuil broeden.

In het park aangrenzend het plangebied is verder de grote gele kwikstaart regelmatig aangetroffen. De grote gele kwikstaart komt voor langs stromende beken en stilstaand water. De soort nestelt langs snelstromende beken in natuurlijke oevers, onder bruggen of op gebouwen. Broedgevallen zijn voornamelijk bekend in het oosten van het land. Buiten de broedtijd zijn ze ook veel in het westen van het land langs wateren te vinden. Stromende beken zijn niet in het plangebied aanwezig, enkel grotendeels stilstaande watergangen. Daarnaast zijn waarnemingen van de soort allemaal gedaan buiten de broedperiode. Nesten van de soort zijn daarom niet in het plangebied te verwachten.

25

De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002, BIJ12, 2017g). Bomen met grote holtes waarin een steenuil kan broeden zijn niet in het plangebied aanwezig. Een kas is als nestlocatie ongeschikt. Daarom zijn nesten niet in het plangebied aanwezig. De steenuil is enkele malen buiten de kern van Alblasserdam waargenomen. Mogelijk komt de soort voor in het park rondom Huis te Kinderdijk. Ook zijn in de directe omgeving knotwilgen met holten aanwezig waarin steenuilen kunnen broeden. Wanneer nesten aanwezig zijn kunnen deze tijdens de werkzaamheden in het plangebied worden verstoord. Daarnaast verdwijnt met de ontwikkeling geschikt foerageergebied voor de steenuil. Verstoringen kunnen er voor zorgen dat een nestplaats verlaten wordt. Er is dan sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek naar de steenuil is daarom noodzakelijk.

Mogelijk is voor de ontwikkeling een ontheffing nodig. Van Beest-locatie In de bomen op de van Beest-locatie zijn geen grote nesten in de bomen aangetroffen. Daarnaast heeft de bebouwing op deze locatie een plat dak. Daarom zijn de mogelijkheden voor vogels met jaarrond beschermde nesten hier beperkt. Wel is in een overstek van de bedrijfsloods een grote opening aanwezig, daar waar enkele planken kapot zijn. Hierdoor kunnen vogels in de overstek komen. Deze opening zou daarmee een geschikte broedlocatie kunnen bieden voor huismussen. Naar verwachting is de opening voor gierzwaluwen te open. Deze zijn hier daarom niet te verwachten.

In de opening in de overstek kunnen huismussen broeden.

26

Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in de plangebieden aanwezig en grote nesten zijn niet in de bomen aangetroffen. Nesten van deze vogelsoorten zijn daarom niet in de plangebieden te verwachten. 4.2.5

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Reptielen komen in de regio niet voor. In de afgelopen 10 jaar is slechts eenmaal een ringslang gemeld in Streefkerk, ongeveer 7 kilometer van de onderzoekslocaties verwijderd aldus verspreidingsgegevens van de NDFF. Reptielen zijn hier daarom niet te verwachten. Nader onderzoek is niet nodig.

4.2.6

Amfibieën Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). In de omgeving van de drie plangebieden komen de rugstreeppad en de heikikker voor, aldus verspreidingsgegevens van de NDFF. De heikikker komt voor in vochtige heidegebieden waar sprake is van veenvorming en in hoog- en laagveengebieden. Ook wordt de heikikker wel in vochtige schraalgraslanden, veenweide, duinvalleien, bosranden, langs meren en rivieren en in komkleigebieden aangetroffen. Laag struweel en hoge kruidige gewassen zijn hier van belang (Goverse et al. 2015). Dieren trekken afhankelijk van de temperatuur meestal eind februari of begin maart naar het voortplantingsbiotoop.(Creemers & van Delft 2009). Het voortplantingsbiotoop bestaat uit ondiepe stilstaande wateren met oevervegetatie (Creemers & van Delft 2009, Goverse et al. 2015). De meeste eieren worden in maart en soms in april gelegd. Na de ei-leg verlaten de dieren het water. De juvenielen verlaten het water in juni.

De dieren overwinteren op het land van eind oktober tot begin maart ingegraven op vorstvrije plekken.(BIJ12 2017d, Creemers & van Delft 2009). De heikikker is veelvuldig aangetroffen in het nabijgelegen Natura 2000-gebied en in de veenweidegebieden buiten de kern. De sloten rond de Jonker-locatie bestaan uit on27

diepe stilstaande wateren met oevervegetatie en staan in directe verbinding met de wateren van het Natura 2000-gebied. Heikikkers worden normaliter niet in de kern gezien maar gezien het natuurlijke karakter van het gebied en het naastgelegen park is niet uit te sluiten dat de heikikker ook hier voorkomt. Nader onderzoek is noodzakelijk om de aan- of afwezigheid van de soort vast te stellen.

Veen en rietland is geschikt leefgebied voor de heikikker. De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (BIJ12 2017h, Creemers & van Delft 2009). De rugstreeppad is meerdere keren gemeld in de directe omgeving van de Jonker-locatie, zowel in het aangrenzende park als rond de volkstuinen ten zuidoosten van deze locatie. Het plangebied is met de ondiepe slootjes en kale grond uitermate geschikt leefgebied voor de rugstreeppad. Daarom is aannemelijk dat deze soort de buitenruimte rond de kas als leefgebied gebruikt. Daarnaast kan de soort zich in de aanwezige ondiepe slootjes voortplanten. Wanneer er woningen in het plangebied worden gebouwd zal dit leefgebied verdwijnen.

Ook kunnen bij werkzaamheden aanwezige rugstreeppadden worden gedood. Er is dan sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek naar de rugstreeppad is daarom noodzakelijk. Mogelijk dient voor de ontwikkeling een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen. Op de Baas-locatie en van Beest locatie is het op het moment niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het plangebied voorkomt, omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Als deze gebieden in een later stadium, na de sloop van bebouwing, echter uit braakliggend terrein zullen bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het plangebied zal vestigen. Dit is zeker te verwachten wanneer de soort op de Jonker-locatie wordt aangetroffen. Aangeraden wordt daarom, om de terrein dan af te zetten met een amfibiescherm. Hiermee kan de rugstreeppad buiten de bouwterreinen worden gehouden. Wanneer de soort niet op de Jonker-locatie wordt aangetroffen is het voldoende ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mo-

28

gelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen.

De ondiepe slootjes en kale, vergraafbare grond zijn geschikt leef- en voortplantingsgebied voor de rugstreeppad.

Daarnaast kunnen algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bruine kikker en gewone pad voorkomen in de plangebieden. Met name de Jonker-locatie bevat geschikt amfibieëngebied. Deze soorten zijn weinig veeleisend aan hun leefomgeving en komen wijdverspreid voor. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling van de verboden in de Wet natuurbescherming bij projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een overtreding van de Wet natuurbescherming is niet te verwachten bij aanwezigheid van deze soorten en nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. 4.2.7

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper. De grote modderkruiper leeft in ondiepe, stilstaande wateren zoals vennen, plassen en oude afgesneden meanders. In deze wateren is een dikke modder- of zandlaag en een uitbundige waterplantengroei noodzakelijk, vaak is er sprake van kwel. In drooggevallen wateren kan de soort enige tijd ingegraven in de modder overleven. In Nederland komt de soort voornamelijk nog voor in oude slootjes gelegen in ingepolderde voormalige overstromingsvlakten (BIJ12 2017c, Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). De grote modderkruiper komt voor in het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Op de Baas-locatie en van Beest-locatie zijn geen watergangen aanwezig. Beschermde vissoorten zijn hier uitgesloten. Op de Jonker-locatie zijn wel meerdere slootjes aanwezig. De slootjes hebben een duidelijke dikke modderlaag. De sloten waren ten tijde van het veldbezoek recentelijk geschoond. Daarom was een uitbundige waterplantengroei niet aanwezig. Het is te verwachten dat dit normaliter wel het geval is. De sloten staan in directe verbinding met de wateren van het Natura 2000-gebied. Daarom kan niet worden uitgesloten dat de grote modderkruiper ook hier aanwezig is.

Wanneer de sloten worden gedempt gaat mogelijk leefgebied van de grote modderkruiper verloren. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of de soort op de Jonkerlocatie aanwezig is. Mogelijk is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

29

Ondiepe sloten met een dikke modderlaag zijn geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper.

4.2.8

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). De platte schijfhoren en rivierrombout komen in de omgeving van de ontwikkelingslocaties voor. Rivierrombout is een libelle die voorkomt langs rivieren en grote beken op plaatsen waar zand en slib is afgezet (Vlinderstichting.nl). Dergelijk gebied is niet binnen één van de plangebieden aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/220/documents/5771