CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1f. Bijlage 3a - Memo quickscan.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 27 januari 2022, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 3: Vaststelling bestemmingsplan Oost Kinderdijk 209 - Voorstel2.635 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo

memonummer datum aan van project projectnr. betreft

181130-005 19 januari 2019 Mevr. E. van Huut Juridisch Planologisch Adviesbureau R3 S.J.M.P. Halters Buijs Eco Consult B.V. Ontwikkeling woningbouw aan de Oost Kinderdijk 209 te Alblasserdam 181130 Ecologische quickscan Wet natuurbescherming Oost Kinderdijk 209 Alblasserdam

Ecologische veldcontrole (quickscan) Op 18 januari 2019 heeft een terreinbezoek plaatsgevonden op bovengenoemde locatie. De globale locatie van de werkzaamheden is opgenomen in figuur 1.

Figuur 1: Globale planlocatie (Bron: opdrachtgever)

Aanleiding en doel Er wordt beoogd om de bedrijfsactiviteiten te staken en het plangebied na sloop om te vormen naar een gebied met diverse woningen. (zie figuur 1). De huidige openbare ruimte (straat, bermen) blijft ongewijzigd, wel zo voor ontsluiting van de woningen een extra straat worden gerealiseerd vermoedelijk enkele bomen worden gekapt.

blad 1 van 18

Tevens zal de huidige watergang (herstel beschoeiing) worden aangepast. Omdat hier sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling dient de opdrachtgever op de hoogte te zijn van eventueel aanwezige natuurwaarden, danwel beschermde soorten flora en fauna in/nabij de planlocatie. In het kader van het aspect ‘ecologie’ van dit niet bestendig beheer/ruimtelijke ontwikkeling dient er een quickscan gedaan te worden om te bepalen of er mogelijk negatieve effecten voor aanwezige beschermde plant- en/of diersoorten in de (per 1-1-2017 van kracht geworden) Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen activiteiten ontstaan en vastleggen of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en welke voorwaarden hier eventueel voor gelden. De opdrachtgever heeft aan Buijs Eco Consult de opdracht gegeven om in dit kader een quickscan Wet natuurbescherming, onderdeel soortbescherming in het plangebied uit te voeren. Wettelijk kader Vanuit de Wet natuurbescherming is bij ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Het doel van de Wet natuurbescherming is o.a. het in standhouden van de inheemse flora en fauna.

Door, voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer, stil te staan bij aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkomen of beperkt. Voor een uitgebreide toelichting op de Wet natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 1. Voor vogels wordt voor niet bestendig beheer en ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing verleend in het kader van de Wet natuurbescherming. Werkzaamheden zijn hierdoor enkel mogelijk buiten de kwetsbare periode (buiten het broedseizoen) of indien geen sprake is van aanwezige vogelnesten. Bestaande situatie De planlocatie ligt ten noorden van de Oost Kinderdijk. Een overzichtsplaatje van de planlocatie is opgenomen in figuren 2 en 3. Hieruit blijkt eveneens dat de planlocatie niet in NNN-gebied en nabij Natura 2000 gebied gelegen is (en hier geen deel van uit maakt).

Figuur 2: Ligging plangebied in rode contour met in groen NNN-gebied (bron: kaarten Zuid Holland)

Figuur 3: Ligging plangebied in rode contour met groene arceringen Natura 2000 gebieden (bron: kaarten Zuid Holland)

De locatie is niet gelegen in Natura2000 gebied (Boezems Kinderdijk, Vogelrichtlijngebied). Het perceel ligt tevens niet in NNN-gebied. Natura 2000 gebied (Boezems Kinderdijk ligt op > 500 m afstand. Het dichtstbij zijnde NNN-gebied ligt op ca 350 m afstand. Gezien het feit dat de plannen niet in de NNN gebieden gelegen zijn en werkzaamheden> 100 m van deze gebieden zullen plaatsvinden zijn de werkzaamheden niet van invloed op deze gebieden.

blad 2 van 18

Aangezien de werkzaamheden niet Natura 2000 gebied en/of NNN-gebied plaatsvindt, vindt geen kwaliteitsverlies of versnippering plaats. Het aspect stikstofdepositie wordt in een separate rapportage behandeld en vormt geen onderdeel van deze beoordeling. Toekomstige situatie Op de locatie is het voornemen om de bedrijfsbebouwing, bestaande uit diverse loodsen, overkappingen en opslaglocaties te verwijderen. Daarnaast zullen enkele bomen verwijderd worden en zal de watergang binnen dit plangebied aangepast worden (herstel beschoeiing).. (zie figuur 4)

Figuur 4: Toekomstige situatie (bron: opdrachtgever)

Uitvoering veldcontrole Op 18 januari 2019 is door middel van een veldbezoek ter plaatse van plangebied figuur 1 door S.J.M.P. Halters van Buijs Eco Consult (hierna BEC) beoordeeld of sprake is van rust en/of verblijfplaatsen van beschermde soorten volgens de Wet natuurbescherming. Bij de veldcontrole is een algemene beoordeling gemaakt voor de geschiktheid van het gebied voor overige (niet aangetroffen) beschermde soorten. In onderstaande figuur 5 is een impressie van de planlocatie opgenomen.

blad 3 van 18

blad 4 van 18

blad 5 van 18

blad 6 van 18

blad 7 van 18

blad 8 van 18

blad 9 van 18

blad 10 van 18

blad 11 van 18

blad 12 van 18

blad 13 van 18

Figuur 5: impressie plangebied

In de omgeving van het plangebied zijn vogels zoals merel, gaai, roodborst, winterkoning en turkse tortel waargenomen. Verder is een roepende buizerd ten noordoosten van het plangebied gehoord. Daarnaast kunnen algemeen voorkomende soorten zoals kleine zoogdieren (muizen konijn, haas, egel etc.) en amfibieën voorkomen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor deze algemene soorten een algemene provinciale vrijstelling, uiteraard moet wel de zorgplicht in acht worden genomen. Beschermde flora is niet waargenomen en wordt niet verwacht. Tevens blijkt uit verspreidingsatlassen dat de rugstreeppad in de (directe) omgeving voorkomt. Het terrein gebruikt kunnen worden door de rugstreeppad zowel als overwinteringslocatie als voortplantingswater (de watergang). De voorgenomen activiteiten kunnen de soort ook verder aantrekken Deze habitatrichtlijnsoort is in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving meermaals waargenomen. Omdat deze soort op dit moment winterslaap houdt, is op dit moment niet direct nader te beoordelen of deze soort ter plaatse aan- danwel afwezig is. Hiervoor is nader onderzoek nodig. Verder is een gedeelte van de te slopen bebouwing in spouw uitgevoerd. Deze spouw is bereikbaar voor bijvoorbeeld vleermuizen. Nader onderzoek moet uitwijzen of de soort in het plangebied aanwezig is (en/of verblijfplaatsen heeft).

Verder zijn enkele grotere bomen in het plangebied aanwezig. De grotere elzen achter op het terrein zijn vanaf de grond zonder gaten/kieren en/of scheuren. In de boom meer zuidelijk op het plangebied zijn een tweetal vrij ondiepe gaten/scheuren aanwezig. Hier zouden verblijfplaatsen (met een beperkte bufferende werking) zoals paarverblijf aanwezig kunnen zijn.. In deze bomen zijn geen grote nesten, waargenomen.

blad 14 van 18

Tabel 1 Soort/ functieaantasting Vogels met Jaarrond beschermde nesten Vogels

Aanwezigheid Geen nesten waargenomen Ja, diverse soorten

Beschermingsregime Vogelrichtlijn, lijst jaarrond beschermde nesten Vogelrichtlijn

Vleermuizen

Mogelijk diverse soorten

Habitatrichtlijn

Overige zoogdieren

Vermoedelijk

Amfibieën en reptielen

Mogelijk rugstreeppad en algemene soorten

Vissen Overige fauna

Mogelijk kleine modderkruiper -

Overige soorten en algemene vrijstellingsregeling Rugstreeppad, habitatrichtlijn, overige soorten Niet meer beschermd

Flora

-

-

Vervolg/actie

(Voorbereidend) werk buiten broedseizoen Nader onderzoek cf. Vleermuisprotocol 2017 Zorgvuldig handelen toepassen Nader onderzoek cf. Kennisdocument RugstreeppadZorgvuldig handelen toepassen Zorgvuldig handelen toepassen -

Resume en aandachtspunten: 1 De planlocatie is niet gelegen in en/of nabij Natura2000/ NNN-gebied. Aangezien geen sprake is van werkzaamheden in Natura 2000 en/of NNN gebied is kwaliteitsverlies danwel versnippering van deze natuurgebieden als gevolg van de plannen is niet aan de orde. 2 Vanwege voorgenomen sloop en kap is nader onderzoek (volgens het vleermuisprotocol 2017) noodzakelijk. 3 Omdat aanwezigheid van rugstreeppad in het gebied vooraf niet is uit te sluiten is nader onderzoek (volgens het kennisdocument Rugstreeppad) noodzakelijk. 4 Op de planlocatie zelf zijn verder algemeen voorkomende soorten te verwachten. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. 5 Door de (voorbereidings)werkzaamheden (sloop en kap) na het nader onderzoek en buiten het broed/voortplantingsseizoen (15 maart t/m 15 juli) uit te voeren wordt invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig handelen. Hiermee wordt voorkomen dat nesten van vogels worden verstoord. In- en uitpandig worden broedvogels tijdens het broedseizoen verwacht. Indien werkzaamheden wel in deze periode uitgevoerd moeten worden is het noodzakelijk om voorafgaande deze periode een ecologisch werkprotocol op te laten stellen, eventuele maatregelen te nemen, en de werkzaamheden onder ecologische begeleiding uit te voeren.

6 Ook als de rugstreeppad op dit moment nog niet voorkomt kan deze worden aangetrokken door de herinrichting. Deze soort komt nl voor in pionier situaties. Literatuur  Bekker, D.L. & J.B.M Thijssen 2012. Verspreidingsonderzoek, Nederlandse Zoogdieren. VONZ 2011. Rapport 2012.03. Zoogdiervereniging, Nijmegen.  Diepenbeek, A. van, 1999. Veldgids diersporen, KNNV Uitgeverij, Utrecht.  Strumpel, T. & Strijbosch H., 2006. Veldgids amfibieën en reptielen, KNNV Uitgeverij, Utrecht.  Wynhoff, I., Swaay, van C., & Made van der J., Veldgids Vlinders, KNNV Uitgeverij, Utrecht.  Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl Websites:  www.zuidholland.nl  www.verspreidingsatlas.nl  www.telmee.nl  https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-017-Kennisdocument-Rugstreeppad-1.0.pdf Volledigheid inventarisatie De inventarisatie is een uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming.

Wat betreft het vooronderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

blad 15 van 18

Bijlage 1 Wettelijk kader Hieronder volgt een algemene beschrijving van de Natuurwetgeving, gevolgd door betreffende onderdelen van de wetgeving. De Nederlandse natuurwetgeving De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingsweg 1998 en omvat de Natura 2000-gebieden. Per 01/01/2017 zijn beide onderdelen (en de Boswet) geïntegreerd in de Wet natuurbescherming (Wn). Gebiedsbescherming In de Natura 2000 gebieden zijn de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied (Voorheen Speciale beschermingen Zones, Sbz’s) opgenomen. Globaal kan worden gesteld dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebiedsspecifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied. Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking.

Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen e projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield. Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wn) staan vernoemd in onderstaand kader.

blad 16 van 18

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wn)

Bron: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken

Met in het rode kader specifiek de verbodsbepalingen voor de Habitatrichtlijnsoorten (rugstreeppad en vleermuizen)

De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied.  Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, konijn, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.

 Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’.

blad 17 van 18

Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht.  Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander.  Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd.

Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk.

Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien.

blad 18 van 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/246/documents/5986