CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1e wijziging Omgevingsplan Alblasserdam Bodem volledig omgevingsplan.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 23 september 2025, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 6: Vaststelling wijziging 'Omgevingsplan gemeente Alblasserdam' op thema bodemkwaliteit - Voorstel47.267 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Besluitpreview PDF Besluit tot wijziging van het omgevingsplan, thema bodem De GEMEENTERAAD van Alblasserdam; • gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van [-- mei 2025]; • gelet op het doel gezonde en veilige leefomgeving uit de omgevingsvisie; • gelet op de artikelen 2.4, 4.1 en 4.2 van de Omgevingswet; overwegende dat: • overeenkomstig artikel 16.30 Omgevingswet en afdeling 3.4 Awb, het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen en er in die periode [aantal] zienswijzen zijn ontvangen; • gelezen het raadsvoorstel d.d. 3 juli 2025 waarin wordt voorgesteld aan die zienswijzen gedeeltelijk tegemoet te komen B E S L U I T:

Artikel I Het omgevingsplan Alblasserdam te wijzigen zoals is weergegeven in Bijlage A.

Artikel II Dit wijzigingsbesluit treedt in werking op de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. Aldus besloten in de vergadering van d.d. De secretaris,M. van HallDe burgemeester,J.W. Boersma

1

Bijlage A artikel I

Besluitpreview PDF Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

2.

Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 Doelen [Gereserveerd]

Hoofdstuk 3 Programma's [Gereserveerd]

Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 Index van op locaties toegestane activiteiten Paragraaf 4.1.1 Functies [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.2 Cultureel erfgoed [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.3 Evenementen [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.4 Bouwwerken [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.5 Bovengrondse en ondergrondse infrastructuur [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.6 Openbaar gebied activiteit [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.7 Landschap [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.8 Bodem [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.9 Geluid [Gereserveerd]

2

Paragraaf 4.1.10 Omgevingsveiligheid [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.11 Gezondheid [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.12 Milieu overig [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.13 Energie [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.14 Water [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.15 Natuur [Gereserveerd]

Afdeling 4.2 Gebieden [Gereserveerd]

Hoofdstuk 5 Functies Afdeling 5.1 Algemene regels functies [Gereserveerd]

Afdeling 5.2 Agrarische activiteiten [Gereserveerd]

Afdeling 5.3 Bedrijfsactiviteiten [Gereserveerd]

Afdeling 5.4 Culturele activiteiten [Gereserveerd]

Afdeling 5.5 Detailhandelsactiviteiten [Gereserveerd]

Afdeling 5.6 Dienstverleningsactiviteiten [Gereserveerd]

Afdeling 5.7 Horeca-activiteiten [Gereserveerd]

Afdeling 5.8 Kantooractiviteiten [Gereserveerd]

Afdeling 5.9 Maatschappelijke activiteiten [Gereserveerd]

3

Afdeling 5.10 Nutsvoorzieningen [Gereserveerd]

Afdeling 5.11 Recreatie-activiteiten [Gereserveerd]

Afdeling 5.12 Sportactiviteiten [Gereserveerd]

Afdeling 5.13 Verkeer [Gereserveerd]

Afdeling 5.14 Wonen [Gereserveerd]

Hoofdstuk 6 Bouwwerken Afdeling 6.1 Algemene bepalingen [Gereserveerd]

Afdeling 6.2 Bouwwerk slopen [Gereserveerd]

Afdeling 6.3 Bouwwerk in stand houden [Gereserveerd]

Afdeling 6.4 Bouwwerk bouwen Paragraaf 6.4.1 Gebouw of een uitbreiding daarvan bouwen Subparagraaf 6.4.1.1 Dakkapel bouwen [Gereserveerd]

Subparagraaf 6.4.1.2 Bodemgevoelig gebouw bouwen op een bodemgevoelige locatie [Gereserveerd]

Paragraaf 6.4.2 Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen Subparagraaf 6.4.2.1 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen op een bodemgevoelige locatie [Gereserveerd]

Paragraaf 6.4.3 Ander bouwwerk bouwen [Gereserveerd]

Paragraaf 6.4.4 Ondergronds bouwwerk bouwen [Gereserveerd]

Afdeling 6.5 Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen, in stand houden of gebruiken [Gereserveerd]

4

Afdeling 6.6 Ander bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken [Gereserveerd]

Afdeling 6.7 Dakkapel bouwen, in stand houden of gebruiken [Gereserveerd]

Afdeling 6.8 Ondergronds bouwen [Gereserveerd]

Hoofdstuk 7 Overige activiteiten met een direct effect op het openbaar toegankelijk gebied Afdeling 7.1 Roerende zaken opslaan [Gereserveerd]

Afdeling 7.2 Bouwobject plaatsen [Gereserveerd]

Afdeling 7.3 Terras aanbrengen [Gereserveerd]

Afdeling 7.4 Uitstallingen plaatsen [Gereserveerd]

Afdeling 7.5 Weg aanleggen of veranderen [Gereserveerd]

Afdeling 7.6 Parkeeractiviteit verrichten [Gereserveerd]

Afdeling 7.7 Reclame maken [Gereserveerd]

Afdeling 7.8 Uitweg maken, hebben of veranderen of het gebruik daarvan veranderen [Gereserveerd]

Afdeling 7.9 Standplaats innemen, in stand houden, of gebruiken [Gereserveerd]

Hoofdstuk 8 Cultureel erfgoed Afdeling 8.1 Archeologisch waardevolle gebieden [Gereserveerd]

Afdeling 8.2 Gemeentelijke monumenten [Gereserveerd]

Afdeling 8.3 Panden of gebieden met cultuurhistorische waarden [Gereserveerd]

Afdeling 8.4 Rijksbeschermde stadsgezichten

5

[Gereserveerd]

Afdeling 8.5 Bouwwerk slopen in een beschermd dorps- of stadsgezicht [Gereserveerd]

Hoofdstuk 9 Evenementen Afdeling 9.1 Algemene regels evenementen [Gereserveerd]

Hoofdstuk 10 Bovengrondse en ondergrondse infrastructuur Afdeling 10.1 Algemene regels bovengrondse en ondergrondse infrastructuur [Gereserveerd]

Afdeling 10.2 Bovengrondse infrastructuur [Gereserveerd]

Afdeling 10.3 Ondergrondse infrastructuur [Gereserveerd]

Afdeling 10.4 Beperkingengebieden [Gereserveerd]

Hoofdstuk 11 Milieu Afdeling 11.1 Bodem Paragraaf 11.1.1 Algemene bepalingen bodem Artikel 11.1 Oogmerken bodem De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het zuinig gebruik van energie en grondstoffen; en e. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.10 met uitzondering van de beperking voor maatwerkvoorschriften ten aanzien van grondwatersanering zoals gesteld in artikel 11.46.

Artikel 11.3 Aanwijzing bodembeheergebied met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten Er is een locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' met daarbinnen 'bodemkwaliteitsklassen' en 'toepassingszones' voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem en voor het afwijken via een maatwerkvoorschrift van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op grond van de artikelen 4.1273, 4.1275 en 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 11.4 Aanwijzing bodemfunctieklassen binnen bodembeheergebied Er zijn locaties die zijn ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen: a. landbouw/natuur; b. wonen; en c. industrie.

Paragraaf 11.1.2 Toepassen van grond of baggerspecie

6

Artikel 11.5 Toepassingsbereik toepassen van grond of baggerspecie Deze paragraaf gaat over de activiteit 'toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem'.

Artikel 11.6 Oogmerken toepassen grond of baggerspecie De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit, waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Artikel 11.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen thermisch gereinigde grond Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in aanvulling op paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning thermisch gereinigde grond toe te passen.

Artikel 11.8 Aanvraagvereisten vergunning thermisch gereinigde grond Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een planning van de werkzaamheden; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid, kritische parameters van deze bouwstof en indien relevant de eisen van het productcertificaat; d. de ligging en de omvang van de toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden; e. een identificatie en een beschrijving van kritische aspecten en hoe hier de zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt ingevuld, waaronder in ieder geval grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting, PH-buffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie; f. een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving wordt voorkomen in de vorm van stofvorming en ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang, als dit vrijkomt uit het materiaal, wordt voorkomen; g.

een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast; h. de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); i. de schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; j. het akkoord van de opdrachtgever; k. de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; l. de verwachte zetting voor de komende 100 jaar.

Artikel 11.9 Beoordelingsregels thermisch gereinigde grond De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1°. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; e. de toepassing past bij de functie van de locatie; f. de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; g. de thermisch gereinigde grond:

7

h. i.

1°. zodanig wordt toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) ligt en niet in contact komt met het gronden oppervlaktewater; en 2°. wordt toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen; de bovenafdichting waaronder de thermisch gereinigde grond wordt toegepast binnen 1 jaar na toepassing wordt aangebracht; en de thermisch gereinigde grond wordt toegepast over een oppervlakte van minimaal 1.000 m2.

Artikel 11.10 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie 1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, binnen de bodemfunctieklassen landbouw/natuur en wonen alleen grond of baggerspecie toegepast, als daarin niet meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een grootschalige toepassing als bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de afdeklaag als bedoeld in het vierde lid van dat artikel.

Artikel 11.11 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie 1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen grond of baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen en bijbehorende zones als bepaald in tabel 11.11.1. Tabel 11.11.1 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie

2.

Zones

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)

Alle zones

pH waarde is minimaal 5 en maximaal 9

Alle zones

Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride

Alle zones

Maximaal 920 mg/kg droge stof barium

Wonen

Maximaal 90 mg/kg droge stof lood

Volks-/Moestuin

Maximaal 50 mg/kg droge stof lood

Asbestgevoelige locatie

Maximaal 10 mg/kg droge stof asbest (gewogen gehalte)

Met het oog op het gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stof nikkel niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: Tabel 11.11.2 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Zones

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)

Wonen

Maximaal 56 mg/kg droge stof nikkel

a. b. c.

8

voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; afkomstig is uit en toegepast wordt binnen de locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie'; en voor de stof nikkel voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.11.2 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast

Artikel 11.12 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie 1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in aanvulling op artikel 4.1278, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen als bepaald in tabel 11.12.1. Tabel 11.12.1 afwijkende kwaliteitseisen voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie

2.

Zones

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)

Alle zones

Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride

Het eerste lid is niet van toepassing als de baggerspecie wordt verspreid op een naastgelegen perceel of op percelen die reeds belast zijn met chloride in gehalten boven de kwaliteitseis. Dit dient middels een (water)bodemonderzoek of beheerplan te zijn aangetoond.

Artikel 11.13 GERESERVEERD GERESERVEERD.

Artikel 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom 1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij wegbermen buiten de bebouwde kom alleen grond of baggerspecie toegepast met de kwaliteitsklassen wonen of landbouw/natuur.

2.

Onder een wegberm buiten de bebouwde kom wordt verstaan: een strook grond langs een weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet of langs een spoorweg, die buiten de bebouwde kom van de gemeente ligt. Een afstand van 10 meter geldt daarbij als maximale bermbreedte, gemeten vanaf de verhardingskant.

Artikel 11.15 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. afkomstig is uit het 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' en toegepast wordt op een bedrijventerrein met een oppervlakte groter dan 2 hectare; en b. voldoet aan de kwaliteitseisen van de kwaliteitsklassen industrie, wonen of landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 11.16 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stoffen PFOA (perfluoroctaanzuur), PFOS (perfluoroctaansulfonaten) en overige PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: Tabel 11.16.1 afwijkende kwaliteitseisen zone B Zones

Stof

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof)

Landbouw/natuur

PFOA

0,0023

Landbouw/natuur

PFOS

0,0024

Moestuinen en Volkstuinen

PFOA

0,0023

Moestuinen en Volkstuinen

PFOS

0,0024

a. b.

9

voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; afkomstig is uit en toegepast wordt binnen het gebied 'zone B PFAS zonekaart'; en

c.

voor de stoffen PFOA en PFOS voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.16.1die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

Artikel 11.17 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie 1.

Voor zover de milieuverklaring bodemkwaliteit, als bedoeld in artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart, wordt ook met een verkennend bodemonderzoek aangetoond dat aan het eerste en tweede lid van artikel 4.1272 van dat besluit wordt voldaan.

2.

In aanvulling op het eerste lid wordt het verkennend bodemonderzoek: a. verricht overeenkomstig de onderzoeksstrategieën voor (grootschalige) onverdachte locaties, als bedoeld in NEN 5740; b. gebaseerd op een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725 is verricht waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht; en c. niet gedaan naar de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 11.18 Maatwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie 1.

Artikel 4.1267, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing.

2.

In aanvulling op artikel 4.1267, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ook de volgende rapporten verstrekt: a. een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 11.17 als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart; b. een rapport van een bodemonderzoek als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit, als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een bodemonderzoek; en c. een rapport van een partijkeuring als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een partijkeuring.

3.

In aanvulling op artikel 4.1267 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij de toepassing van grond of baggerspecie.

Paragraaf 11.1.3 Toepassen van bouwstoffen Artikel 11.19 Toepassingsbereik toepassen van bouwstoffen Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'toepassen van bouwstoffen op of in de landbodem'.

Artikel 11.20 Oogmerk toepassen van bouwstoffen De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van schade aan het milieu door het gebruik van bouwstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Artikel 11.21 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, toe te passen.

Artikel 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.21, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.1258 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een planning van de werkzaamheden; c. de RD-coördinaten van de ontvangende landbodem; d. de ligging, de omvang en de dimensionering van de functionele toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden;

10

e.

een onderbouwing van de toepassingshoogte na zetting van het werk ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); f. de hoeveelheid AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; g. de aanduiding van de functionele toepassing, als bedoeld in artikel 4.1260 Bal, in het kader waarvan de AVI-bodemassen, grondstabilisatie, immobilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, worden toegepast; h. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, die de kwaliteit duidt, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid en kritische parameters van deze bouwstof; i. de schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; j. het akkoord van de opdrachtgever; k. de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; l.

een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van stofvorming wordt voorkomen en, indien de bouwstof met een toepassingseis gericht op het voorkomen van permanent in contact komen van de bouwstof met hemel-, grond- en oppervlaktewater wordt geleverd, ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal wordt voorkomen; m. bij het toepassen van immobilisaten: een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; n. bij het toepassen van immobilisaten: de hoeveelheid bindmiddelen en de exacte beschrijving en receptuur van het type immobilisaat die in totaal voor de immobilisatie of stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; o. een beschrijving van de voorzieningen en de maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden.

Artikel 11.23 Beoordelingsregels vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 11.22, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1°. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; e. de locatie van de toepassing zich niet in een waterwingebied bevindt, tenzij het de uitvoering van taken betreft door drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet; f. de toepassing past bij de functie van de locatie; g. de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; h.

de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan: 1°. zodanig worden toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) liggen en niet in contact komen met het grond- en oppervlaktewater; en 2°. worden toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen; i. indien de bouwstoffen met aanvullende toepassingseisen (zogenaamde 'wenken' voor de toepasser) worden geleverd, wordt voldaan aan de aanvullende toepassingseisen; j. beschreven is welke voorzieningen of maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20

11

k.

gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in de aanlegfase en in de gebruiksfase de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; en de toepassing in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Paragraaf 11.1.4 Opslaan van grond en baggerspecie Artikel 11.24 Toepassingsbereik opslaan van grond en baggerspecie Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie'.

Artikel 11.25 Oogmerken opslaan van grond en baggerspecie De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit, waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Artikel 11.26 Afscherming bij opslaan grond 1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen wordt, in aanvulling op paragraaf 4.122 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie: a. het depot grond afgeschermd van de omgeving, en b. indien sprake is van asbesthoudende grond: de bovenzijde van het depot met een zeil afgedekt. Er is sprake van asbesthoudende grond als meer dan 10 mg/kg droge stof asbest aanwezig is in de grond of als asbesthoudend materiaal zichtbaar aanwezig is in de partij grond.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 11.27 Maatwerkregel informatieplicht: beëindigen activiteit In aanvulling op artikel 5.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag de resultaten van het bodemonderzoek verstrekt in het bestandsformaat XML.

Paragraaf 11.1.5 Graven in de bodem Subparagraaf 11.1.5.1 Algemene bepalingen graven in de bodem Artikel 11.28 Oogmerken graven in de bodem De regels in subparagraaf 11.1.5.2 en subparagraaf 11.1.5.3 zijn, in aanvulling op artikel 11.1 gesteld met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en doelmatig beheer van afvalstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Subparagraaf 11.1.5.2 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 11.29 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Artikel 11.30 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) onder of gelijk aan 0,060 mg/kg droge stof.

12

Artikel 11.31 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij het graven in de bodem.

Subparagraaf 11.1.5.3 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 11.32 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Artikel 11.33 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op het graven in de bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van meer dan 0,060 mg/kg droge stof.

Artikel 11.34 Maatwerkregel meldingsplicht: voor het begin van de activiteit In aanvulling op artikel 4.1225, tweede lid, onder a, Besluit activiteiten leefomgeving, worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.35 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1.

In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij de het graven in de bodem.

2.

In afwijking van het eerste lid, geldt bij het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week, als bedoeld in artikel 4.1226, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Paragraaf 11.1.6 Saneren van de bodem Subparagraaf 11.1.6.1 Algemene bepalingen saneren van de bodem Artikel 11.36 Oogmerken saneren van de bodem De regels in subparagraaf 11.1.6.2 en subparagraaf 11.1.6.3 zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersysteem; b. het beschermen van het milieu waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Subparagraaf 11.1.6.2 Regels voor saneren van de bodem Artikel 11.37 Toepassingsbereik saneren Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteit 'saneren van de bodem'.

Artikel 11.38 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag 1.

13

Met het oog op het beschermen van het milieu kan, in afwijking van artikel 4.1241, derde en vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, een afdeklaag worden toegepast bestaande uit: a. een halfopen verharding als hieronder tenminste 10 cm grond van de kwaliteit landbouw/natuur aanwezig is en de grond in de halfopen verharding ook van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur is; b. een boomrooster; of c. een gelijkwaardige maatregel die hetzelfde doel bereikt.

2.

Voor een gelijkwaardige maatregel, bedoeld in het eerste lid onder c, is toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet niet vereist.

Artikel 11.39 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem heeft, in afwijking van artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte opgenomen in tabel 11.39.1voor het betreffende bodemgebruik. Tabel 11.39.1 minimale dikte van de afdeklaag Minimale dikte leeflaag (in cm)

Bodemgebruik

50

Industrie- en bedrijventerreinen, groenzones industrie- en bedrijventerrein, zonneparken en wegbermen

Artikel 11.40 Maatwerkregel saneringsaanpak: terugsaneerwaarden lood en PFOA bij verwijdering van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof die boven de waarde, bedoeld in artikel 11.58 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan de waarde opgenomen in tabel 11.40.1voor de betreffende zone. Tabel 11.40.1 terugsaneerwaarden bij verwijderen van verontreiniging Zone en bodemfunctieklasse/ gebruiksfunctie

Waarden stof (in mg/kg droge stof voor standaard bodem)

Lood Moes- en volkstuinen

50

Wonen

90

PFOA zone B Landbouw/natuur

0,0023

Moes- en volkstuinen

0,0023

Wonen

0,007

Industrie

0,007

PFOA zone A Landbouw/natuur

0,0019

Moes- en volkstuinen

0,0019

Wonen

0,007

Industrie

0,007

Artikel 11.41 Maatwerkregel saneringsaanpak: uitdampen naar bodemgevoelig gebouw bij verwijderen van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het saneren van de bodem op een bodemgevoelige locatie met vluchtige stoffen in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

14

Artikel 11.42 Maatwerkregel meldingsplicht saneren In aanvulling op artikel 4.1236, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.43 Maatwerkregel informatieplicht aan het begin van de activiteit saneren In aanvulling op artikel 4.1237 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden ten minste vier weken voor het begin van de activiteit extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij het saneren van de bodem.

Subparagraaf 11.1.6.3 Regels voor grondwatersaneringen Artikel 11.44 Toepassingsbereik grondwatersaneringen Deze subparagraaf is van toepassing op het saneren van de grondwaterbodem ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 11.45 Maatwerkvoorschrift grondwaterverontreiniging Een maatwerkvoorschrift voor een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt alleen gesteld als deze saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 11.46 Maatwerkregel saneringsaanpak grondwaterverontreiniging 1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving: de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging als bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast indien: a. de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 11.47 Maatwerkregel informatieplicht bij begin van de grondwaterbodemactiviteit In aanvulling op artikel 4.1237 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt ook een afschrift van de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten verstrekt.

Artikel 11.48 Maatwerkregel informatieplicht bij beëindiging van de grondwaterbodemactiviteit Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de sanering wordt een afschrift van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan Gedeputeerde Staten verstrekt.

Paragraaf 11.1.7 Nazorg Artikel 11.49 Toepassingsbereik nazorg Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als: a. saneren van de bodem heeft plaatsgevonden, waarbij een afdeklaag is aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt, op grond van: 1°. het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. dit omgevingsplan; 3°. een omgevingsvergunning; of 4°. een maatwerkvoorschrift; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen, die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.

15

Artikel 11.50 Nazorg na afloop van saneren van de bodem Met het oog op het beschermen van de gezondheid, treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie opgenomen binnen de locatie 'locaties nazorg Omgevingswet' de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van de aangebrachte afdeklaag.

Artikel 11.51 Nazorg tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondst Met het oog op het beschermen van de gezondheid, eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie opgenomen binnen de locatie 'locaties nazorg Omgevingswet' de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van de tijdelijke beschermingsmaatregelen.

Paragraaf 11.1.8 Historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 11.52 Toepassingsbereik historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 11.53 Oogmerken historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 11.54 Mitigerende maatregelen historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico 1.

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.52 verricht, neemt in het belang van de bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

2.

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.52 verricht, neemt in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen maatregelen om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken, of als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Paragraaf 11.1.9 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw Artikel 11.55 Toepassingsbereik bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1.

Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie'.

2.

Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt; of b. een woonschip of woonwagen.

Artikel 11.56 Oogmerken bouwen van een bodemgevoelig gebouw De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

16

Artikel 11.57 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie' uit te voeren, voor zover de activiteit 'gebouw bouwen', 'bijbehorend bouwwerk bouwen' of 'bouwactiviteit' als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

Artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie 1.

Voor de stoffen, bedoeld in bijlage XIIIa van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gelden de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

2.

Er is sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

3.

In afwijking van het tweede lid is het zinsdeel "in meer dan 25 m3 bodemvolume" niet van toepassing op de stof asbest.

4.

In afwijking van het eerste lid zijn voor lood de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.55.1.

5.

In afwijking van het eerste lid zijn voor PFOA de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.55.1. Tabel 11.55.1 waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood en PFOA per gebruiksfunctie Gebruiksfunctie (in de zin van de bodemfunctiekaart en bodemfunctieklassen)

Gebruiksfunctie Waarden (in mg/kg droge stof)

Lood Landbouw/natuur

370

Wonen

370

PFOA (perfluoroctaanzuur) Landbouw/natuur

0,030

Wonen

0,030

Industrie

0,060

Artikel 11.59 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie Het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een locatie waar sprake is van een overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is uitsluitend toegestaan als een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 11.60 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw

17

1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bodemonderzoek; en b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

2.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.61 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op een bodemgevoelige locatie 1.

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet worden overschreden; b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als het bevoegd gezag van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorschriften nog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 11.62 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1.

Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

Artikel 11.63 Indieningsvereisten melding bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1.

Een melding als bedoeld in artikel 11.62 bevat: a. de resultaten van een verkennend bodemonderzoek; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 11.58 de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

3.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.64 Maatwerkvoorschriften meldingsplicht bouwen van een bodemgevoelig gebouw Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 11.62. artikel 11.61 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.65 Informatieplicht na het bouwen op een bodemgevoelige locatie Bij overschrijding van een waarde van de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte daarvan op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de maatregelen, bedoeld in artikel 11.59, zijn getroffen.

Paragraaf 11.1.10 Bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Artikel 11.66 Toepassingsbereik bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

18

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie als bedoeld in paragraaf 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening.

2.

Onder een significante verontreiniging van het grondwater wordt verstaan een significante verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 3.131 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 11.67 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' uit te voeren, voor zover de activiteit 'gebouw bouwen', 'bijbehorend bouwwerk bouwen' of 'bouwactiviteit' als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

Artikel 11.68 Voorafgaand grondwateronderzoek 1.

Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als onderzocht is of sprake is van een verontreiniging van het grondwater zoals bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening.

2.

Aan het eerste lid wordt voldaan door: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijk verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 11.69 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit 1.

Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is uitsluitend toegestaan als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.4.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: a. zich niet langer bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een beschikking als bedoeld in artikel 11.68, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zakof drijflaag; of b. zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.

3.

Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: a. het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie; of b. een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141e van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening of een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 11.70 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging 1.

Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. een bronaanpak overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging; of b. een grondwatersanering, zoals bepaald in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft vanuit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit.

2.

Het eerste lid, aanhef onder b, is niet van toepassing indien sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Artikel 11.71 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning en informatieplicht bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

19

1.

Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie wordt het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 11.68, verstrekt.

2.

De resultaten van het voorafgaand onderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

3.

Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt ook een afschrift verstrekt van de volgende gegevens en bescheiden: a. indien sprake is van een verontreiniging van grondwater: 1°. een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten zijn verstrekt; 2°. de resultaten van het voorafgaand bodemonderzoek bedoeld in het eerste lid; 3°. de naam en het adres van degene die de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit heeft verricht; 4°. een onderbouwing van de daarbij toegepaste methode(n), bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; en 5°. de uitkomst van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit; b. indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak bedoeld in artikel 11.70, eerste lid, wordt verricht; en c. indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht.

Artikel 11.72 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw De omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' wordt alleen verleend als aannemelijk is gemaakt dat sanerende maatregelen als bedoeld in artikel 11.70 worden getroffen.

Artikel 11.73 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Het is verboden de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 11.74 Indieningsvereisten melding bouwen van een grondwatergevoelig gebouw 1.

Een melding bevat: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. het voorafgaand onderzoek, zoals bedoeld in artikel 11.68; e. als er sprake is van verontreiniging van grondwater; een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten zijn verstrekt; f. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 11.70 wordt verricht; en g. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt verricht.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.

Artikel 11.75 Informatieplicht ingebruikname na maatregelen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, wordt een grondwatergevoelig gebouw of een gedeelte daarvan op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 11.70, zijn getroffen, of als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.

20

Afdeling 11.2 Geluid Paragraaf 11.2.1 Industrielawaai [Gereserveerd]

Paragraaf 11.2.2 Milieubelastende activiteiten [Gereserveerd]

Paragraaf 11.2.3 Railverkeerlawaai [Gereserveerd]

Paragraaf 11.2.4 Scheepsverkeerlawaai [Gereserveerd]

Paragraaf 11.2.5 Wegverkeerlawaai [Gereserveerd]

Afdeling 11.3 Omgevingsveiligheid Paragraaf 11.3.1 Buisleidingen [Gereserveerd]

Paragraaf 11.3.2 Inrichtingen [Gereserveerd]

Paragraaf 11.3.3 Spoor [Gereserveerd]

Paragraaf 11.3.4 Water [Gereserveerd]

Paragraaf 11.3.5 Wegen [Gereserveerd]

Afdeling 11.4 Milieu overig Paragraaf 11.4.1 Geurhinder [Gereserveerd]

Paragraaf 11.4.2 Lichthinder [Gereserveerd]

Paragraaf 11.4.3 Luchtkwaliteit [Gereserveerd]

Paragraaf 11.4.4 Trillingen [Gereserveerd]

Paragraaf 11.4.5 Windhinder [Gereserveerd]

21

Paragraaf 11.4.6 Magneetveldzone [Gereserveerd]

Hoofdstuk 12 Gezondheid Afdeling 12.1 Speelplekken aanleggen, bouwen, in stand houden of gebruiken [Gereserveerd]

Afdeling 12.2 Hittestress [Gereserveerd]

Hoofdstuk 13 Energietransitie Afdeling 13.1 Aansluitplicht warmtenet [Gereserveerd]

Afdeling 13.2 Afsluitplicht gas [Gereserveerd]

Hoofdstuk 14 Water Afdeling 14.1 Waterberging [Gereserveerd]

Afdeling 14.2 Droogte [Gereserveerd]

Afdeling 14.3 Overstromingen Paragraaf 14.3.1 Beperkingengebied waterkeringen [Gereserveerd]

Afdeling 14.4 Waterkwaliteit [Gereserveerd]

Afdeling 14.5 Grondwater lozen [Gereserveerd]

Afdeling 14.6 Watergang dempen [Gereserveerd]

Hoofdstuk 15 Natuur Afdeling 15.1 Biodiversiteit Paragraaf 15.1.1 Beperkingengebied natuurnetwerk Nederland [Gereserveerd]

Afdeling 15.2 Bomen kappen [Gereserveerd]

Afdeling 15.3 Groen verwijderen

22

[Gereserveerd]

Afdeling 15.4 Stikstofuitstoot [Gereserveerd]

Hoofdstuk 16 Gereserveerd [Gereserveerd]

Hoofdstuk 17 Gereserveerd [Gereserveerd]

Hoofdstuk 18 Gereserveerd [Gereserveerd]

Hoofdstuk 19 Gereserveerd [Gereserveerd]

Hoofdstuk 20 Gereserveerd [Gereserveerd]

Hoofdstuk 21 Gereserveerd [Gereserveerd]

Hoofdstuk 22 Bruidsschat Afdeling 22.1 Algemeen Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3-, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

23

1.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open, erven en terreinen Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/766/documents/16319