1a. Toelichting Bestemmingsplan Oost Kinderdijk 209.pdf
Tekst van het document
Dit zou ook minder kunnen zijn dan de maximale norm waarmee gerekend is. Op basis van bovenstaand kan worden geconcludeerd dat het aantal verkeersbewegingen afnemen op basis van de kencijfers van de CROW. Parkeren. Bij nieuwe functies moet voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein worden gerealiseerd. Bij de bepaling van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de CROW, ASVV 2012. De locatie is gecategoriseerd als ‘matig stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’. Volgens deze publicatie dienen er bij vrijstaande woningen minimaal 1,6 en maximaal 2,6, dit is gemiddeld 2,1 per vrijstaande woning. Bij twee onder een kap woningen minimaal 1,6 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen per woning te worden gerealiseerd, dit is gemiddeld 2,2 parkeerplaats per woning. Voor het plan dienen dan 2x 2,1 = 4,2 en 4 x 2,2 = 8,8 parkeerplaatsen Dit is in totaal 13 parkeerplaatsen. Deze worden ter plaatse gerealiseerd.
- 40 -
4.9 Archeologische waarden en cultuurhistorie Archeologie. De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta, 1992). Nederland heeft dit Verdrag ondertekend en goedgekeurd. Sinds 1 september 2007 is de Wet Archeologische Monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet van kracht. De bescherming van het archeologische erfgoed is een taak van de gemeente geworden. Er dient binnen ruimtelijke ontwikkelingen aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. De planlocatie heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde (dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’). Er is archeologisch onderzoek nodig bij bodemingrepen die een dieper reiken dan 30 cm en oppervlakte beslaan van meer dan 100 m2. De ontwikkeling voldoet hier niet aan. Derhalve is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In mei 2018 heeft SOB Research een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen uitgevoerd (bijlage 1). De conclusies ervan luiden als volgt:
- 41 -
De volgende aanbevelingen worden gedaan:
- 42 -
Daar er op dit moment nog bebouwing ter plaatse aanwezig is kan er nog geen nader onderzoek plaatsvinden. Dit zal worden uitgevoerd als de bebouwing is gesloopt. Het onderzoek is gecontroleerd door de senior archeoloog van de gemeente. Het advies luidt Het plangebied Oost Kinderdijk 209-2013 in afwijking van de aanbeveling in het rapport in zijn geheel vrij te geven voor de geplande ontwikkeling. De kans op archeologische waarden - met name vanaf de 14e-eeuw - is klein. Nader onderzoek zal nauwelijks kenniswinst opleveren en mogelijk aanwezige archeologische waarden worden niet als behoudens waardig beschouwd. Cultuurhistorie. Her plangebied ligt binnen de aanduiding ‘overige zone : beschermd dorpsgebied’. Zonder vergunning mag er niet gesloopt worden. Deze vergunning zal worden aangevraagd. Het plan is op 27 augustus 2019 besproken in de erfgoedcommissie. De commissie vreest voor dakkapellen of opbouwen die de uitstraling niet ten goede komen. Daartoe wordt gelegenheid gegeven door het plaatsen van de kap. Concluderend is het advies van de commissie òf de kap te verwijderen òf de nokhoogte te verlagen, zodat de nok maximaal 1.20 hoger komt te liggen dan de goot. Er ontstaat dan een ontwerp naar de jaren 50. Het plan is hierop aangepast. De kap is verwijderd, zodat er geen dakkapellen of opbouwen mogelijk zijn.
Aan dit advies is in het huidige plan gevolg gegeven door de kap te verwijderen. Dit betekent dat dit onderdeel geen belemmering vormt voor de totstandkoming van dit plan. 4.10 Kabels en leidingen Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. 4.11 Milieueffectrapportage/ vormvrije mer Het plan maakt ontwikkelingen mogelijk die vallen onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Een m.e.r. beoordeling is in dat geval op basis van de Wet milieubeheer verplicht. In dit plan is al ingegaan op de verschillende onderdelen. Echter hieronder motiveren wij nogmaals dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het plan optreden een en ander overeenkomstig de criteria genoemd in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • De omvang van het project betreft de uitbreiding met 6 woningen. • Er is geen cumulatie met andere projecten. • Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreft het afvoeren van hemelwater in de nabij gelegen watergang, geïntegreerde zonnepanelen en de platte daken voorzien van een vegetatiedak. • De productie van afvalstoffen is niet aanwezig. Huishoudelijk afvalwater wordt via de riolering afgevoerd.
- 43 -
• •
•
Er is geen sprake van verontreiniging en hinder. Wij verwijzen naar onderdeel bedrijven en milieuzonering onder 4.4. Er is geen risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. We verwijzen naar het onderdeel externe veiligheid zoals beschreven onder 4.5. Er zijn geen risico's voor de menselijke gezondheid. Wij verwijzen naar het onderdeel externe veiligheid, zoals beschreven onder 4.5.
2. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • Het bestaande grondgebruik betreft bedrijven. • Het gebied ligt niet in een beschermingszone, ligt buiten het bestaand stedelijk gebied maar betreft het een omvorming van bedrijf naar wonen, hetgeen past bij het landschap ter plaatse. • Het gebied heeft geen hoge bevolkingsdichtheid en is cultureel en archeologisch gezien niet waardevol. Wij verwijzen naar paragraaf 4.9. • Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, te weten ‘boezems Kinderdijk’ ligt op circa 1 kilometer afstand van het gebied. 3. Kenmerken van het potentiële effect Gezien de kleinschaligheid van het project zijn er geen potentiële aanzienlijke effecten te verwachten. Dit is ook beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Conclusie: Op basis van de bovenstaande zal het college van burgemeester en wethouders voor de vaststelling van het plan een besluit nemen dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld vanwege de geringe milieueffecten. 4.12 Duurzaamheid In de toelichting van het bestemmingsplan moet worden beschreven hoe het plan bijdraagt aan duurzaamheid.
Dit kan op verschillende manieren waaronder: - energiezuinig of energieneutraal bouwen en wonen; - gebruik van duurzame materialen; - aanpasbaar en herbruikbaar wonen; - gebruik van daken en gevels voor opwekken energie; - waterverbruik. In dit project is op de volgende wijze aandacht besteed: - er wordt voldaan aan de EPC zoals thans geldend; - toepassing van duurzame en onderhoudsarme materialen; - gebruik van FSC gekeurd hout; - geïntegreerde zonnepanelen; - warmtepomp; - luchtdicht bouwen; - toepassen van een vegetatiedak
- 44 -
5. Juridische plantoelichting. Dit bestemmingsplanplan bestaat uit een: -Toelichting -Regels -Verbeelding Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Deze wet vormt het wettelijk kader voor bestemmingsplannen. Vanaf 1 januari 2010 moeten alle nieuwe ruimtelijke plannen digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar worden gemaakt. Het gaat om bestemmingsplannen, provinciale verordeningen, Algemene maatregelen van Bestuur (AMvB's) en structuurvisies. Uitgangspunt hierbij is dat gemeenten, provincies en departementen verantwoordelijk zijn voor het maken en beheren van hun eigen ruimtelijke plannen en verordeningen. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden. Een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen, editie 2012 (SVBP2012), die is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De SVBP2012 is toegepast in de planregels en verbeelding. Daarnaast is in de nieuwe Besluit ruimtelijke ordening een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van bestemmingsplannen moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, wijze van meten, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de antidubbeltelregel.
Het voorliggende plan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP2012. Opzet verbeelding. Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Binnen dit plan is de bestemming ‘Wonen’, de bestemming ‘Tuin’ en een bestemming ‘Verkeer en verblijfsgebied’ van toepassing. Daarnaast geldt er een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2,3,4 en 8’ voor bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Ter bescherming van de Waterstaatfunctie is de dubbelbestemming ’Waterstaat- Waterkering’ opgenomen. Tot slot is er een aanduiding ‘beschermd dorpsgezicht’ opgenomen. Opzet regels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken, waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
- 45 -
6. Uitvoerbaarheid. 6.1 Economische uitvoerbaarheid. Het plan behelst de nieuwbouw van zes vrijstaande woning aan de Oost Kinderdijk. De gronden waarop de woningen worden gebouwd is particuliere eigendom. Het plan wordt door de initiatiefnemer ontwikkeld en betaald. Om de gemeentelijke kosten inclusief de planschade in verband met dit project te verhalen is een zogenaamde anterieure overeenkomst gesloten. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening worden vastgesteld. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemer. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.
- 46 -
7. Vooroverleg en zienswijzen. De planvorming op de onderhavige locatie kent een lange geschiedenis. De eerste plannen zijn in 2007 ingediend. Er is vanaf 2007 tot nu verschillende keren overleg gevoerd met de omwonenden. De plannen zijn na deze overleggen verschillende keren aangepast. In het laatste stadium van 2017 tot nu is er twee maal overleg met de omwonenden gevoerd. Na deze overleggen zijn de ligging van de woningen geoptimaliseerd en is bij de alle woningen de kap verwijderd. Dit om de privacy van de belendende percelen te waarborgen. 7.1 Vooroverleg. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Alblasserdam bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan besproken met de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland. Er zijn wel/geen reacties ontvangen. 7.2 Zienswijzen. Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het bestemmingsplan heeft gedurende de termijn van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er zienswijzen ingekomen. De beantwoording ervan is opgenomen in de bijgaande zienswijzennota.
- 47 -