1649202-0038 v0.3 - Integraal Huisvestingsplan Primair Onderwijs definitieve versie.pdf
Tekst van het document
100
200
300
400
Kosten locatiegebonden
€
177
€
114
€
96
€
98
Kosten bouw kundige staat
€
512
€
492
€
499
€
485
Kosten onderw ijskundige kw aliteit
€
638
€
638
€
638
€
638
Kosten veiligheid
€
110
€
96
€
93
€
91
Kosten energiebesparend
€
529
€
504
€
454
€
437
Kosten uitstraling
€
264
€
164
€
149
€
115
Totale kosten
€
2.230
€
2.009
€
1.930
€
1.866
6.1.4 Prijspeil, risico’s bouwkosten en andere randvoorwaarden
6.2. Financiële vertaling onderwijs
De financiële vertaling is exclusief: Indexering. Locatie specifieke kosten. Grondverwerving. N, CO2 en P-Fas problematiek. Bijkomende kosten voor organisationele en/of externe ondersteunding. Investeringen voor interimvoorzieningen, sloopkosten, gymzalen en voorfinanciering kinderopvang worden in de volgende paragrafen ingeschat. Er is rekening gehouden met het maximale bedrag voor TCO vanuit de schoolbesturen maar dit wordt zoals omschreven in par. 6.1.2. project specifiek bepaald.
De investeringsniveaus zijn bepaald op prijspeil 1 januari 2019, inclusief btw. Niet opgenomen zijn: eventuele kosten of baten van grondverwerving of grondexploitatie bij vrijkomende terreinen, dan wel het aankopen of verkopen van gebouwen anders dan in dit IHP opgenomen.
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Pagina 21 van 33
6.2.1 Demarcatie kosten Bij het vaststellen van de projectkaders in de uitvoeringsonderzoek is het raadzaam om tijdig en gezamenlijk een eenduidige demarcatielijst op te stellen. In deze lijst wordt inzichtelijk gemaakt wie de budgeteigenaar is of hieraan bijdraagt (gemeente of schoolbestuur) en waaruit de kosten worden betaald (type budget). Er wordt onderscheid gemaakt naar de volgende budgetgroepen: 1. Locatie kosten: dit zijn kosten die gemaakt moeten worden om de grond over te dragen aan de bouwheer (in basis is dit het schoolbestuur). Hieronder vallen de kosten voor o.a. aankoop van gronden en opstallen, sloopkosten opstallen, bouwrijp maken, aanpassingen openbare ruimte, bestemmingsplan wijziging, incl. bezwaren, etc. 2. Bouwkosten: betreft de kosten voor het ontwerp en realisatie van het gebouw prijsvast einde werk. Dit is incl. de vaste (gebouwelijke) voorzieningen waarop de gebruiker de inrichting en voorzieningen op kan aansluiten. 3. Inrichtingskosten: alle losse en vaste inrichting en voorzieningen om het schoolgebouw te gebruiken voor de doelgroep/ type leerling. 4. Overige kosten/opbrengsten: tijdelijke huisvesting, festiviteiten, verkoop gronden, verhuiskosten, interne kosten onderwijsinstellingen/opdrachtgever.
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Pagina 22 van 33
0-5 Nieuw bouw
Nokkenw iel (Boerenpad)*
Aant. Ll. 2019 261
m2 - RMB 2019 1.527
*incl. 84 leerlingen Palet
261
1.527
Het Kompas
Aant. Ll. 2019 287
m2 - RMB 2019 1.644
IKC De Schalm
251
1.463
251
1.463
Aant. Ll. 2019 111
m2 - RMB 2019 568
227
1.142
111 623
Opgave
Totaal Bedrag per m2
Totale Kosten
Basiskw aliteit Gemeente
Extra Kw aliteit Schoolbesturen
€ 2.395
€ 3.655.297
€ 3.315.227
€ 340.070
€ 3.655.297
€ 3.315.227
€ 340.070
Totaal Bedrag per m2
Totale Kosten
Basiskw aliteit Gemeente
Extra Kw aliteit Schoolbesturen
€ 2.395
€ 3.936.607
€ 3.570.365
€ 366.242
€ 2.395
€ 3.503.197
€ 3.177.277
€ 325.920
7.439.804
6.747.642
692.162
Totaal Bedrag per m2
Totale Kosten
Basiskw aliteit Gemeente
Extra Kw aliteit Schoolbesturen
€ 2.923
€ 1.660.463
€ 1.507.725
€ 152.739
€ 2.665
€ 3.043.220
€ 2.774.525
€ 268.695
568
€ 4.703.684
€ 4.282.250
€ 421.434
3.558
€ 15.798.785
€ 14.345.119
€ 1.453.666
5-10 Nieuw bouw Opgave
10-20 Nieuw bouw Opgave Nokkenw iel (Maasplein) Ds Joannes Beukelmanschool (Weverstraat)
TOTAAL
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Pagina 23 van 33
6.3. Financiële vertaling Sloopkosten In algemene zin geldt een kostenniveau van € 65 incl. btw per m2 voor sloop. Voor IKC ’t Nokkenwiel Boerenpad betreft dit ca. € 77.000 incl. btw.
6.4. Financiële vertaling Interimvoorzieningen Bij vaststelling van het IHP is zicht op de fasering van de opgaven en kan er een plan worden gemaakt voor de tijdelijke huisvesting in het uitvoeringsprogramma. Afhankelijk van de fasering kan er eventueel gebruik worden gemaakt van bestaande huisvesting en/of leegstand in scholen. De beschikbaarheid van (bouw)locaties speelt hierbij ook een wezenlijke rol. In Alblasserdam kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van het huidige gebouw van De Loopplank / de Twijn. Er dient wel nog onderzoek uitgevoerd te worden in hoeverre het gebouw voldoende groot is als tijdelijke huisvesting voor een specifieke school. Ook dient het gebouw nog geschikt gemaakt te worden als tijdelijke huisvesting. In algemene zin gelden de volgende kengetallen voor huur en koop van units voor tijdelijke huisvesting. Koop kan een gunstigere optie zijn indien de te realiseren tijdelijke huisvesting gedurende een lange periode en dus door meerdere scholen gebruikt wordt: Huur (noodlokalen, prijzen excl. btw en excl.
aansluitkosten gas en elektra): Huurprijs per m² per week € 3,50 Leveren en plaatsen inclusief montage per m² € 50 Demontage en afvoer per m² € 35 Funderingskosten indien van toepassing per m² € 30 Het huren van circa 1 lokaal (72 m², rekening houdend met gangruimte) voor 2 jaar kost circa € 34.500,00 exclusief btw en € 42.000 inclusief btw, ofwel circa € 580,00 per m² inclusief btw. Koop (semipermanent):
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Voor de koop van semipermanente tijdelijke huisvesting geldt een bedrag van circa € 1.500,00 per m², circa 1 lokaal (72 m²) kost circa € 108.000,00 inclusief btw. Voor tijdelijke huisvesting wordt voor IKC ’t Nokkenwiel Boerepad rekening gehouden met 1.578m2 huur voor 2 jaar, dit betreft ca. € 900.000 euro incl. btw.
6.5. Financiële vertaling Gymzalen Gezien de leeftijd en de beschikbare capaciteit van de gymzalen in de gemeente Alblasserdam wordt geen rekening gehouden met een investeringsopgave.
6.6. Financiële vertaling voorfinanciering kinderopvang Gemeente en schoolbesturen streven naar het verder versterken van de voorschoolse voorzieningen, de doorgaande ontwikkelingslijn en vorming van IKC’s. Er zijn beleidsuitgangspunten geformuleerd voor de realisatie van kinderopvang in bij nieuwbouw/renovatie. Basisbeginsel is dat middelen voor onderwijshuisvesting ook voor dat doel worden ingezet; bij nieuwbouw of renovatie - zoals in dit IHP genoemd - kan de onderwijshuisvesting op initiatief van het schoolbestuur (of de schoolbesturen) worden aangevuld met niet-onderwijsfuncties die bijdragen aan de doelstellingen van een IKC. Deze aanvullende functies dienen ook te worden gefinancierd. IKC-gerelateerde functies (bijvoorbeeld kinderopvang en buitenschoolse opvang) zullen bij nieuwbouw huur betalen voor het deel van het gebouw dat voor deze functie aan het bouwvolume van de school is toegevoegd door voorfinanciering van de gemeente, of zelf moeten investeren in deze nieuwbouw. De schoolbesturen en kinderopvangorganisaties in Alblasserdam geven de voorkeur aan de eerste variant. De tweede variant is tevens niet haalbaar bij kleinschalige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld alleen een peuterspeelzaal. In geval van voorfinanciering zal het schoolbestuur de ruimte verhuren aan de kinderopvang.
De vergoeding voor de investeringslasten dekt de kapitaallasten van de investering die de gemeente voorfinanciert en overige eigenaarskosten. Het
Pagina 24 van 33
schoolbestuur draagt dit deel van de opbrengst jaarlijks af aan de gemeente. De gebruiksvergoeding voor onderhoud en exploitatie wordt afgedragen aan het schoolbestuur (zie ook par. 3.2., bouwsteen 5e). Voorfinanciering brengt risico’s met zich mee, bijvoorbeeld bij leegstand. De afspraken hierover worden per project in een overeenkomst vastgelegd. De ruimten kunnen niet worden opgeëist voor onderwijs als de school groeit. Dit houdt in dat deze vierkante meters geen onderwijsbestemming hebben, en dus niet gevorderd kunnen worden door de gemeente bij een ruimtetekort voor onderwijs. Het is wenselijk dat elke school (schoolbestuur) op inhoudelijke gronden een keus maakt voor een aanbieder van kinderopvang.
vervangingstermijn niet overschrijden. Zo gaan investeringen in duurzaamheid niet ten koste van middelen voor onderwijs. De tussentijdse verduurzaming van schoolgebouwen is daarmee een taak van de schoolbesturen, dit kan worden verwerkt in de meerjarenonderhoudingsplanning van de gebouwen.
6.7.2 Actualisatie van projecten Bij het opstarten van een in dit IHP gedefinieerd project, dient in het uitvoeringsplan en het projectinitiatief getoetst te worden aan de dan geldende randvoorwaarden. De toetsing is bedoeld om te zorgen dat het project aansluit bij de dan geldende omstandigheden. Het gaat om actualisaties van bijvoorbeeld:
In onderstaande tabel zijn de kosten voor de voorfinanciering van kinderopvang voor de eerste termijn inzichtelijk gemaakt. Daarbij is in het IHP uitgegaan van de door Wasko ingeschatte kinderopvangruimten. Er is uitgegaan van de prijs per m² die hoort bij de financiële vertaling uit paragraaf 6.2. Dit is een financieel kader. Per project zal dit nader worden uitgewerkt.
Opgave
Aanbod 1 KDV groep
1 PSG t Nokkenwiel Boerenpad (combi met 1 BSO groep) 1 BSO groep
RMB
Totaal Bedrag per m2
Totale Kosten
€ 2.332
€ 513.040
60 80 80
6.7. Randvoorwaarden bij uitvoering IHP Bij het uitvoeren van het IHP dient rekening gehouden te worden met een aantal randvoorwaarden.
6.7.1 Duurzaamheid Door vaststelling van het IHP krijgen schoolbesturen zicht op de vervangingstermijnen van hun gebouwen. Dit stelt schoolbesturen in staat om vanuit hun verantwoordelijkheid voor onderhoud en exploitatie te investeren in duurzaamheid. Daarbij kan met name worden ingezet op duurzaamheidsmaatregelen waarbij de terugverdientijden de
Referentie: 1649202-0035.0.1.
De leerlingenprognose met een scope van 15 jaar. Dit IHP is uitgegaan van het gemiddelde leerlingenaantal van de komende 10 jaarper 1-10-2018 en de bijbehorende ruimtebehoefte voor het ramen van de investeringsopgaven. Op deze wijze wordt geen rekening gehouden met de lichte daling van het leerlingenaantal die op de korte termijn in de gemeente Alblasserdam wordt voorzien. Van belang is dat de definitieve leerlingenaantallen waarvoor gebouwd wordt in het uitvoeringsprogramma (definitieve planvorming) nader worden gedefinieerd. Een definitieve afweging tussen nieuwbouw of renovatie. De dan bekende bouwkostenniveaus en geïnventariseerde risico’s. De TCO-benadering, waarbij er wordt bepaald welke investeringsbijdrage van het schoolbestuur wordt verwacht, op basis van exploitatievoordelen (onderhoud, energie) en extra kwaliteit voor het betreffende schoolbestuur.
6.7.3 Vergroening en multifunctionaliteit buitenruimte Bij het opstarten van een project wordt aandacht besteed aan de mogelijkheden om de buitenruimte van scholen te vergroenen en multifunctioneel inzetbaar te maken.
6.7.4 Participatie bij de uitvoering van projecten Bij het opstarten van een project wordt aandacht besteedt aan participatie van de volgende doelgroepen: Leerlingen. Docenten. Ouders.
Pagina 25 van 33
Omwonenden.
6.7.5 Bouwheerschap De schoolgebouwen zijn het eigendom van de schoolbesturen. In de onderwijswetgeving is bepaald dat het bouwheerschap in principe bij de schoolbesturen rust. Dit sluit aan bij de eigendomsverhouding. Conform de VVHO vindt hier overleg over plaats.
6.7.6 Herijking van het IHP Dit IHP geeft een beleidsmatige doorkijk over een periode van 20 jaar. Om het IHP upto-date te houden, is elke 4 jaar een herijking van het IHP wenselijk. Bij deze herijking kunnen de leerpunten van de evaluatie van het eerste 5-jaren tijdvak worden opgenomen en kan het IHP op onderdelen worden herzien en uitgebreid met een nieuwe scope van 20 jaar. Over herijking dient, net als over het voorliggende IHP, overeenstemming te zijn tussen gemeente en schoolbesturen. Daarnaast voeren gemeente en schoolbesturen jaarlijks overleg over de voortgang van het IHP.
6.7.7 Aanpassingen bij wijzigingen wet- en regelgeving Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van opstellen daarvan. Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland. Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het Gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bouwbesluit, energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Pagina 26 van 33
Bijlage I: Beleidskaders Deze bijlage gaat in op de beleidskaders die gelden voor het IHP: de wettelijke taak van de gemeente en schoolbesturen op het gebied van onderwijshuisvesting en relevante ontwikkelingen.
Zorgplicht Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO). De voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouwen uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Renovatie is (vooralsnog) niet wettelijk geregeld.
Verordening De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de verordening. Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), Wet op het Primair Onderwijs (artikel 102), Wet op de Expertisecentra (artikel 100) en Wet op het Voortgezet Onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht bij verordening een regeling vast te stellen. De verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestingsbeleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken. De Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Alblasserdam is voor het laatst vastgesteld op 15 december 2015 door de gemeenteraad.
Eigendom Schoolbesturen hebben het juridisch eigendom van een schoolgebouw met de daarbij behorende ondergrond. Dit houdt in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Wanneer een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw valt het gebouw in juridisch eigendom terug aan de gemeente. Uitzondering hierop zijn huursituaties waarbij de gemeente haar
Referentie: 1649202-0035.0.1.
zorgplicht invult door te huren van een derde, welke ook het eigendom heeft. De reden hiervoor is dat de gemeente gebouw en ondergrond heeft bekostigd. De gemeente heeft dus het economisch claimrecht. Schoolbesturen kunnen vanwege hun positie een gedeelte van het gebouw in medegebruik (voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden) geven aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met een ideëel doel of verhuren (commerciële partij). In alle gevallen dient de gemeente daar toestemming voor te geven.
Doordecentralisatie Er is een uitzondering op het bovenstaande. Gemeenten kunnen met één of meerdere schoolbesturen overeenkomen dat het schoolbestuur zelf geheel verantwoordelijk is voor de onderwijshuisvesting, dus ook nieuwbouw en uitbreiding (artikel 76 Wet op het Primair Onderwijs en artikel 111 Wet op het Voortgezet Onderwijs). Met andere woorden, de taken en verantwoordelijkheden van de gemeente worden overgedragen aan het schoolbestuur. Daarvoor ontvangt een schoolbestuur jaarlijks een bedrag van de gemeente. Gemeenten en schoolbesturen maken afspraken over de manier waarop gemeenten en schoolbesturen de gemaakte afspraken monitoren en hoe ze verantwoording afleggen. Dit wordt doordecentralisatie genoemd. Bij doordecentralisatie dragen gemeenten de uitvoering van de zorgplicht over aan schoolbesturen, maar niet de zorgplicht als zodanig.
Kinderopvang Voor een omschrijving van de wet- en regelgeving omtrent kinderopvang wordt verwezen naar bijlage II.
Tekortkomingen huidig stelsel De huidige rolverdeling (waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor nieuwbouw en schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor onderhoud, aanpassing en exploitatie) vertoont tekortkomingen. Het stelsel biedt beide partijen theoretisch de mogelijkheid om de eigen uitgaven te beperken. Gemeenten kunnen eigen uitgaven beperken door relatief goedkope gebouwen neer te zetten, met als gevolg hoge onderhouds- en exploitatiekosten. Schoolbesturen kunnen de eigen uitgaven beperken door weinig te investeren in onderhoud en eerder nieuwbouw aan te vragen bij de gemeente. Daarbij komt dat een aantal zaken, zoals bekostiging als gevolg van aangescherpte eisen in
Pagina 27 van 33
het Bouwbesluit en maatschappelijk wenselijke voorzieningen waaronder op het gebied van duurzaamheid, en de voorziening renovatie niet geregeld zijn.
schoolbesturen komen in een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar. Belangrijke elementen uit het voorstel zijn:
Niet structureel geregeld Budget Frisse Scholen Echte onderwijskundige aanpassingen Financiële vertaling Bouwbesluit ‘Renovatie’ bestaat niet Ruimte voor IKC-functies
Wetsvoorstel stelselwijziging Op 15 december 2016 hebben de PO-raad, de VO-raad en VNG een gezamenlijk voorstel gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting op te lossen. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat gemeenten en schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de (kwaliteit van de) huisvesting van scholen. Op 9 mei 2018 is het verder uitgewerkte voorstel gepubliceerd door PO-raad, VO-raad en VNG. Inmiddels is het voorstel ook formeel door de VNG goedgekeurd. Het wordt naar verwachting binnenkort formeel aan de huidige minister aangeboden. Het voorstel pleit voor aanpassing van het stelsel om een aantal van de geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Daarbij worden de nadelen van de scheiding van de financiële middelen zoveel mogelijk opgeheven. Gemeenten en
Referentie: 1649202-0035.0.1.
De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 4 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma (IHP), met een doorkijk tot ten minste het 20e jaar. De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op levensduurverlenging van ten minste 25 jaar. Het investeringsverbod voor het PO en SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de betreffende bepalingen uit Wet op het Voortgezet Onderwijs. PO en SO besturen krijgen daarmee de mogelijkheid om in huisvesting te investeren. De concretisering van het Huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de huidige financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten dan wel het moment van investeren kan vervroegen.
Vooruitlopend op de kaders van de vigerende wetgeving en rekening houdend met een terugvaloptie streeft Alblasserdam er naar mee te gaan met deze ontwikkeling.
Verhoging normbedragen VNG In maart 2018 heeft de VNG geadviseerd om de normbedragen voor nieuwbouw e.d. te verhogen met 40%. De aangekondigde verhogingen gelden vanaf 2019. De reden hiervoor is dat de jaarlijkse indexering van de normbedragen over de afgelopen jaren de werkelijke prijsontwikkelingen in de markt niet goed blijkt te hebben gevolgd. De verhoging van de normbedragen heeft (nog) geen invloed gehad op de beschikbare middelen voor onderwijshuisvesting in het gemeentefonds.
Pagina 28 van 33
Energieakkoord en Klimaatakkoord Het Energieakkoord werd gesloten op 6 september 2013 door 47 organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging, natuur- en milieuorganisaties, maatschappelijke organisaties en financiële instellingen. Dit akkoord bevat afspraken voor energiebesparing en opwekking van duurzame energie. Het akkoord was een initiatief van de SER en moest zorgen voor een inhaalslag van Nederland op het gebied van duurzame energie. Het Klimaatakkoord van Nederland bouwt voort op het Energieakkoord. Het is een uitwerking van het Klimaatakkoord van Parijs. Daar heeft Nederland samen met 194 andere landen het doel neergezet om de opwarming van de aarde tot 2 graden te beperken. De doelstelling is om in 2030 vergeleken met 1990 een CO2-reductie te realiseren van 49% (mogelijk tot 55%). Het einddoel is om in 2050 CO2-arm te zijn.
-
-
Gebouweigenaren kunnen tijdelijk afwijken van normering, wanneer zij een natuurlijker moment voor vergaande verbetering kunnen laten zien. De normering dient wel in 2050 gehaald te zijn. Routekaarten per sector (deadline was 1 mei 2019) geven inzicht hoe sectoren een CO2 neutrale portefeuille in 2050 realiseren.
De routekaarten zijn van belang. Twaalf sectoren in het maatschappelijk vastgoed hebben afgesproken per 1 mei 2019 een routekaart op te zullen leveren: Rijksvastgoedbedrijf, VNG, IPO, Politie, PO en VO, MBO, HBO en WO, zorg- en sportvastgoed en monumenten. Een aantal sectoren heeft deze routekaart al ingediend bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. De PO raad en VO raad zullen de routekaart naar verwachting op korte termijn publiceren. .
Het Nederlandse kabinet zet dit om in beleid middels het Klimaatakkoord. De Nederlandse regering heeft gekozen voor een aanpak samen met de maatschappij en bedrijven bij de totstandkoming van het Klimaatakkoord. Dit werd zichtbaar in de vijf klimaattafels en het overkoepelende Klimaatberaad. Dit heeft geleid tot het ‘Ontwerp van het Klimaatakkoord”. Ook de gemeente Alblasserdam zet zich bewust in voor een duurzame ontwikkeling. Zo heeft de gemeente in februari 2018 samen met 29 andere partijen uit de regio het Energieakkoord Drechtsteden getekend. Hierin wordt o.a. vastgesteld dat Alblasserdam uiterlijk in 2050 een energieneutraal dorp wil zijn. In het coalitieakkoord van 2018 wordt zelfs gesproken over de ambitie om in 2040 energieneutraal te willen zijn
6.7.8 Routekaart PO en VO Eén van de klimaattafels betreft de ‘gebouwde omgeving’. Onder deze tafel valt ook de utiliteitsbouw en daarmee ook de onderwijshuisvesting. Voor de utiliteitsbouw zijn aparte afspraken gemaakt. De belangrijkste zijn: Er komt een normering vanaf 2021 voor alle utiliteitsbouw op basis van gebouw gebonden en niet-gebouw gebonden energieverbruik. Het is nu nog onduidelijk wat deze normering zal zijn.
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Pagina 29 van 33
Bijlage II: Kinderopvang
Deze bijlage gaat in op de (voor dit IHP relevante) wettelijke kaders die gelden voor kinderopvang. Het geeft tevens een toelichting op het beleidsuitgangspunt om ook bij nieuwbouw/renovatie van schoolgebouwen peuteropvang te behouden.
Landelijk wettelijk kader
Drie wetten zijn hier van belang: 'Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen' (Wet KO), de Wet ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie (Wet OKE)’ en ‘Wet Harmonisatie Kinderopvang en Peuterspeelzalen. 4 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wet KO) In de wet KO zijn globale eisen en concrete eisen voor kinderopvang opgenomen, zoals een verplichte Verklaring Omtrent het Gedrag voor personeel, een risicoinventarisatie veiligheid en gezondheid, het organiseren van inspraak van ouders en het gebruik van de Nederlandse taal als voertaal. De kwaliteitseisen zijn verder uitgewerkt in het ‘Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen’. De uitgewerkte eisen betreffen onder meer het pedagogisch beleidsplan, de groepsgrootte, de beroepskracht/ kind-ratio en de verblijfsruimten. Ook zijn vier pedagogische basisdoelen benoemd waar organisaties hun pedagogisch beleid op moeten baseren: sociaal-emotionele veiligheid sociale competenties persoonlijke competenties overdracht van normen en waarden Voldoen aan de kwaliteitseisen is een voorwaarde voor start en exploitatie.
de verplichting voor gemeenten om een goed voorschools aanbod te doen aan alle jonge kinderen met een taalachterstand een landelijk kwaliteitskader voor peuteropvang; hiermee wordt een groot deel van de kwaliteitsregels voor de kinderopvang ook van toepassing op peuteropvang. behoud van de financiële toegankelijkheid van peuteropvang voor ouders van kinderen die in aanmerking komen voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE); ouders van doelgroepkinderen betalen per saldo niet meer dan ouders in de kinderopvang die voor de hoogste belastingtoeslag in aanmerking komen. toezicht en handhaving op de kwaliteit van peuteropvang en voorschoolse educatie.
Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzalen Per 1 januari 2018 moet peuteropvang voldoen aan alle eisen die de Wet KO stelt. De overheid heeft kinderdagverblijven en peuterspeelzalen geharmoniseerd. Zowel de financiering, de kwaliteitsregelgeving en de inspectie, als het aanbod van VVEprogramma’s zijn op elkaar afgestemd en onder één wettelijk kader gebracht. Het doel van de harmonisatie is om verschillen tussen peuterspeelzalen en kinderopvang weg te nemen en te zorgen voor een betere afstemming tussen kinderopvang, peuterspeelzaalwerk en onderwijs. De harmonisatie van voorschoolse voorzieningen berust op drie pijlers: 1. Versterking van de pedagogische kwaliteit 2. Gelijkschakeling van de kwaliteitseisen voor peuterspeelzaalwerk en kinderopvang 3. Gelijkschakeling van de financieringsstructuur
Verschil tussen kinderopvang en peuteropvang Wet ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie (Wet OKE) Op 1 augustus 2010 is de Wet ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie (Wet OKE) van kracht geworden. Het doel van de wet is om de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren en de kwaliteit van de peuterspeelzalen te verbeteren. De wet wijzigt drie wetten: de 'Wet Kinderopvang', de 'Wet op het onderwijstoezicht' en de 'Wet op het primair onderwijs'. De belangrijkste onderdelen van de Wet OKE zijn: 4 Beleidsnota peuteropvang 2018 – 2022 Gemeente Edam-Volendam
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Ondanks de harmonisatie is er een verschil tussen kinderopvang en peuteropvang. Kinderopvang heeft van oorsprong een andere doelstelling dan peuteropvang, namelijk de opvang van kinderen. Kinderopvang biedt ouders de mogelijkheid om arbeid en zorg te combineren en levert een bijdrage aan de ontwikkeling en opvoeding van kinderen. Peuteropvang is gericht op het bieden van een veilige speel- en ontmoetingsplek voor jonge kinderen en hun ouders, waarbij het primair gaat om gerichte ontwikkelingsstimulering. Peuteropvang heeft groepen met uitsluitend
Pagina 30 van 33
leeftijdgenootjes (2 tot 4 jaar). Peuteropvang heeft niet het doel de arbeidsmarktparticipatie te bevorderen. Wel wordt peuteropvang veelal door ouders gebruikt om een cursus te kunnen volgen of een drukke gezinssituatie even te ontlasten.
hoeven doen, maar omdat peuteropvang niet erg rendabel is voor kinderopvangorganisaties en de gemeente wel de wettelijke plicht heeft om een aanbod aan VVE in de gemeente te hebben, wordt ook deze groep (D) voor een klein deel gesubsidieerd.
Verantwoordelijkheden in het aanbod
Verantwoordelijkheden voor huisvesting
De gemeentelijke verantwoordelijkheid is verschillend voor diverse groepen ouders. Voor de gemeente is het van belang om vanwege de harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzalen onderscheid te maken tussen ouders op basis van twee dimensies: wel of niet ouders van een kind wat in aanmerking komt voor VVE ouders met of zonder recht op kinderopvangtoeslag
De gemeente heeft geen formele verantwoordelijkheden als het gaat om het huisvesten van kinderopvang (dus ook peuteropvang). Het feit dat de gemeente geen verantwoordelijkheid heeft voor de huisvesting van kinderopvangorganisaties heeft te maken met datgene waartoe de wet de schoolbesturen verplicht: het contracteren van een partij die bereid is de kinderopvang voor leerlingen van de betreffende basisschool te verzorgen. Het aanbieden van de kinderopvang vanuit de organisatie kan plaatsvinden op welke locatie dan ook. Wel kan een gemeente een faciliterende rol invullen als het gaat over het huisvesten van kinderopvang (bijvoorbeeld bij IKContwikkeling). In dit IHP is dit een belangrijk onderdeel van de visie. Daarbij zou kinderopvang in de regel een bijdrage betalen aan zowel de gebruikslasten alsmede de investeringslasten (zie par. 3.1.).
Type ouder Ouders die géén recht hebben op kinderopvangtoeslag Ouders die w él recht hebben op kinderopvangtoeslag
Ouders van doelgroep Ouders van reguliere VVE peuters peuters A
B
C
D
Groep A: deze ouders hebben geen recht op kinderopvangtoeslag en zijn aangewezen op de gemeente voor financiering van de kindplaats en VVE. Groep B: deze ouders hebben geen recht op kinderopvangtoeslag en zijn aangewezen op de gemeente voor financiering van de kindplaats Groep C: deze ouders hebben recht op kinderopvangtoeslag. Financiering van de kindplaats verloopt tussen ouders en Belastingdienst. Daarnaast hebben deze ouders de gemeente nodig voor financiering van VVE. Groep D: deze ouders hebben recht op kinderopvangtoeslag. Financiering van de kindplaats verloopt tussen ouders en Belastingdienst.
De wettelijke verplichting geldt voor de ouders in groep A en C, kinderen met een VVE indicatie. Hiervoor ontvangt de gemeente een doeluitkering. Voor de ouders van groep B en D heeft de gemeente geen wettelijke verplichting in het voorzien van aanbod en de toegankelijkheid daarvan. Voor groep B heeft de gemeente weliswaar geen zorgplicht, maar wel een verantwoordelijkheid. Het gaat hier om kinderen van éénverdieners of geenverdieners. Hoe de gemeente deze verantwoordelijkheid invult is aan de gemeente zelf. Op dit moment komen in Alblasserdam deze kinderen (groep B) in aanmerking voor een door de gemeente gesubsidieerde plek. Ten slotte geeft de gemeente Alblasserdam ook subsidie voor groep D. Dit zou de gemeente eigenlijk niet
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Door de harmonisatie zou peuteropvang op gelijke wijze behandeld worden en tevens gebruikslasten en investeringslasten betalen. Echter ontstaat hier een discrepantie tussen wet- en regelgeving en realiteit. Peuteropvang is een voorziening welke in de regel (met name wanneer zij solitair zijn gehuisvest) dergelijke bedragen lastig kunnen opbrengen. Peuterspeelzalen zijn vaak verlieslijdend voor kinderopvangorganisaties. Daarmee is het aanbod van peuteropvang dus enerzijds afhankelijk van de mate waarin een gemeente dit faciliteert (lees: subsidieert) voor ouders die hier geen ‘recht’ op hebben en de mate waarin een gemeente in nieuwe situaties huisvestingslasten doorbelast aan peuteropvang. Tegelijkertijd heeft een gemeente rekening te houden met de Wet Markt en Overheid, welke aangeeft dat een gemeente geen staatssteun mag verlenen voor de huisvesting van kinderopvang. In geval van realisatie van nieuwbouw of renovatie dient dus goed te worden bekeken of het gewenste aanbod aan peuteropvang onder het gehanteerde uitgangspunten voor medegebruik/verhuur in dit IHP in stand kan worden gehouden of dat er een maatwerkoplossing gevonden dient te worden.
Pagina 31 van 33
Bijlage III: Waardenwijzer Bijlage IV: Capaciteitsanalyse Bijlage V: Herkomstanalyse
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Pagina 32 van 33
Colofon Uitgave: Datum:
HEVO B.V. 7 november 2019
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Contact Statenlaan 8 5223 LA 's-Hertogenbosch
Postbus 70501 5201 CB 's-Hertogenbosch
T +31 (0)73 6 409 409 info@hevo.nl www.hevo.nl
www.rpmbyhevo.nl
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven
Referentie: 1649202-0035.0.1.
Pagina 33 van 33