CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Waswordt tabel.pdf

Gemeenteraad 21 september 2021, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de Onderwijshuisvestingsverordening gemeente Aalten 202112.371 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Was – wordt – tabel Onderwijshuisvestingsverordening Was

Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder a. minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; b. bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; c. school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs; d. 1. school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; 2. school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeldin artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra

Wordt Hoofdstuk1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: - aanvraag: het verzoek om het bekostigen van een voorziening; - aanvrager: het bestuur dat een aanvraag heeft ingediend; - bekostigingsplafond: het bekostigingsplafond als bedoeld in de artikelen 93 WPO, 91 WEC en 76d WVO; - bestuur: het bevoegd gezag van een volgens de WPO, WEC of WVO bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk is gehuisvest in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; - bvo: bruto vloeroppervlakte; - college: het college van burgemeester en wethouders; - inventaris: de inrichting bestaande uit meubilair en onderwijsleerpakket / leer- en hulpmiddelen; - lokaal bewegingsonderwijs: de ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs of een bad voor watergewenning of bewegingstherapie; - minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - nevenvestiging: het deel van een school dat door de minister op grond van de artikelen 85 WPO, 76a of 76b WEC of 73b WVO voor bekostiging in aanmerking is gebracht; - overzicht: het overzicht van niet-gehonoreerde aanvragen als bedoeld in de artikelen 96 WPO, 94 WEC en 76g WVO; - permanent gebouw: de ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en

Toelichting

e.

f.

g. h.

i.

j.

k.

3. school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs. nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht; voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening; programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze verordening; overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze verordening; aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft ingediend; aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding; voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze

materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; - prognose: een leerlingenprognose die voldoet aan de criteria van bijlage II; - programma: het programma met gehonoreerde aanvragen als bedoeld in de artikelen 95 WPO, 93 WEC en 76f WVO; - programmajaar: het kalenderjaar waarop het programma betrekking heeft; - school: een school voor primair onderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs; - school voor primair onderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 WPO; - school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 WEC; - school voor voortgezet onderwijs: een school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 WVO; - tijdelijk gebouw: een al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; - tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke

nevenvestiging als bedoeld in artikel 73d WVO; - verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;

verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk is; l. voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk is; m. permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; n. noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; o. gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke oefening; p. advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de WPO, artikel 93 van de WEC, artikel 76f van de WVO; q. verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden; r. gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de WPO, artikel 108 van de WEC, artikel 76u van de WVO; s. beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten in

- voor blijvend gebruik bestemde voorziening: een voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is; - voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: een voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 4 en maximaal 15 jaar noodzakelijk is; - voorziening: een voorziening in de huisvesting als bedoeld in artikel 2; - WPO: de Wet op het primair onderwijs; - WEC: de Wet op de expertisecentra; - WVO: de Wet op het voortgezet onderwijs.

een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid van de WPO, artikel 108 , tweede lid van de WEC, artikel 76u, tweede lid van de WVO; t. eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de WPO, artikel 108 van de WEC, artikel 76u van de WVO. Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden: a. de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen bestaande uit: 1. nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie; 2. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 3. gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school; 4. verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de huisvesting van een school; 5. terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1 tot en met 4 omschreven voorziening; 6. inrichting met onderwijsleerpakket (voor vwo, avo en vbo: of met leer- en hulpmiddelen) voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks-

Artikel 2. Voorzieningen in de huisvesting Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden: a. voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit: 1. nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijks bekostiging in aanmerking is gebracht of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie; 2. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 3. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school; 4. verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen ten behoeve van de huisvesting van een school; 5. terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als hiervoor bedoeld onder a. 1 tot en met 4; 6. inventaris voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; 7. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of medegebruik van een lokaal bewegingsonderwijs of een

of gemeentewege in aanmerking is gebracht; 7. inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; 8. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een gymnastiekruimte en voor bepaalde soorten (v)so een bad voor watergewenning of bewegingstherapie; b. aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.9 en 2.9; c. onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I; d. herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; e. herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket (voor vo: of leer- en hulpmiddelen) en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden; f. huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet

bad voor watergewenning of bewegingstherapie; b. renovatie van een gebouw waarin een school is gehuisvest als alternatief voor vervangende nieuwbouw; c. aanpassing en onderhoud van een gebouw voor bewegingsonderwijs in eigendom van een bestuur in het primair of (voortgezet) speciaal onderwijs; d. herstel van een constructiefout, bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; e. herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw of inventaris in geval van bijzondere omstandigheden; f. huur van een sportveld, dat niet in eigendom is van een bestuur, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening.

onderwijs ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening. Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder 1 en 2 kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.

Artikel 3. Vergoeding voorzieningen De vergoeding voor de voorzieningen wordt vastgesteld op basis van de feitelijke kosten. Voor de voorzieningen genoemd in artikel 2 onder a. 1, 2 en 6 en onder f gelden de in bijlage IV opgenomen normbedragen als taakstellend maximum.

1. Het krediet bouwvoorbereiding is bedoeld om die kosten te bekostigen die verbonden zijn aan een onderzoek naar de haalbaarheid c.a. van een onderwijsvoorziening in een te ontwikkelen of te herstructureren gebied. In dit onderzoek komen aan de orde o.a. de noodzaak, omvang en plaats van de voorziening en mogelijk de richting. De uitkomst van dit onderzoek leidt mogelijk tot een aanvraag voor het programma. Bouwvoorbereiding is dus geen voorziening huisvesting onderwijs en dan treedt bijv. art. 6 Wpo in werking (gemeente mag geen uitgaven doen dan op grond van de wet). 2. Het voorbereidingskrediet wordt beschikbaar gesteld in de wetenschap dat er een voorziening wordt gerealiseerd, dus op het programma is of wordt opgenomen. Uitgangspunt van de modelverordening is dat het investeringskrediet pas beschikbaar wordt gesteld op basis van een goedgekeurd bouwplan en de uitkomst van de aanbesteding. Dit betekent dat het schoolbestuur alle kosten van voorbereiding moet voorfinancieren. Het beschikbaar stellen van het voorbereidingskrediet voorkomt dat voorfinanciering noodzakelijk is. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet wordt in mindering gebracht op het totale beschikbare investeringsbedrag, is dus geen bedrag ‘bovenop het normbedrag’.

Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen 1. Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval. 2. De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV , deel A. De vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel B. 3. Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1, a2, a6, a7 en a8. Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a3, a4, a5, b, c, d, e, en f, alsmede op de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding zoals bedoeld in artikel 3. Artikel 5 Informatieverstrekking 1. Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. 2. Het college kan nadere regels stellen aan de gegevensverstrekking. 3. Bij de gegevensverstrekking kan gebruik worden gemaakt van een door het college vast te stellen formulier.

Artikel 4. Informatieverstrekking Het bestuur verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening.

Hoofdstuk 2. Programma en overzicht

Artikel 6 Indiening aanvraag 1. Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een door het college vast te stellen aanvraagformulier; 2. Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt het college niet in behandeling. Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag 1. De aanvraag vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres van de aanvrager; b. de dagtekening; c. de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd; d. welke voorziening wordt gevraagd; e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening; f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening. 2. In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag vergezeld van: a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft

Paragraaf 2.1. Aanvragen programma Artikel 5. Indienen aanvraag 1. Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt door het bestuur bij het college ingediend en moet uiterlijk 31 januari van het jaar voorafgaand aan het programmajaar zijn ontvangen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. 2. Aanvragen die na deze datum worden ontvangen, neemt het college niet in behandeling

Artikel 6. Inhoud aanvraag 1. Een aanvraag vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres van de aanvrager; b. de dagtekening; c. de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd; d. de voorziening die wordt aangevraagd; e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening; f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening. 2. In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag zo nodig vergezeld van: a. een leerlingenprognose van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten; b. een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt; c. de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd; d. een begroting van de kosten. 3. Het college stelt de aanvrager schriftelijk op de hoogte als noodzakelijke gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid ontbreken. Daarbij wordt

als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6 tot en met 8 en artikel 2, onder d, e en f; b. de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1 tot en met 4; c. een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien het een voorziening betreft bestaande uit: i. nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw; ii. onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs of van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of; iii. herstel van een constructiefout.Bij de rapportage kan gebruik worden gemaakt van het door het college vast te stellen formulier 'Bouwkundige opname'. d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is; e. een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,

de aanvrager in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen binnen een door het college te stellen redelijke termijn. Bij overschrijding van de termijn neemt het college de aanvraag niet in behandeling. 4. Als de beoordeling van een aanvraag mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op de teldatum van het jaar voorafgaand aan het programmajaar, is de aanvrager verplicht zo spoedig mogelijk een uitdraai van het op die teldatum bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geregistreerde leerlingenaantal te zenden aan het college. Bij nalatigheid krijgt de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen een door het college te bepalen termijn. Bij overschrijding van de termijn neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

indien de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27. 3. Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling; 4. Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college.

Indien het afschrift niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen Artikel 7. Opgave ingediende aanvragen Het college verstrekt aan de bevoegde Het college verstrekt aan alle besturen een gezagsorganen een opgave van de ingevolge opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en artikel 5 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke geeft daarbij aan welke aanvraag of aanvragen aanvragen niet in behandeling worden genomen. niet in behandeling worden genomen. Paragraaf 2.2. Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over Artikel 8. Toelichting aanvraag ingediende begroting Het college of de aanvrager kan verzoeken een 1. Het college of de aanvrager kan aanvraag nader toe te lichten. verzoeken de aanvraag nader toe te lichten. 2. Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en het over-zicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.

Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in par. 2.3. Artikel 10 Overleg programma en overzicht; Artikel 9. Overleg programma en overzicht advies Onderwijsraad 1. Voordat het college het programma en het 1. Voordat het college het programma en overzicht vaststelt, worden de besturen in een het overzicht vaststelt, worden de overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze bevoegde gezagsorganen in een overleg over de voorgenomen inhoud van dat voorstel in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen.

2.

3.

4.

5.

over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen. Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij worden hierbij tevens in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het voorstel. De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies

2. De besturen die niet deelnemen aan het overleg kunnen vóór het overleg hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. 3. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de besturen naar voren gebrachte zienswijzen, de overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop. Het verslag wordt toegezonden aan alle besturen. 4. Het college kan, al dan niet op verzoek van een bestuur, de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma in relatie tot de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. 5. Het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de besturen. Als het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma, worden de besturen door het college uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader overleg noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het advies. 6. Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de besturen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag.

van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. 6. De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het vierde lid. 7. Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag van het overleg. 8. Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is.

Het college geeft dit aan bij de toezending

van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad. 9. Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde lid. Paragraaf 2.3. Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht Artikel 11 Tijdstip vaststelling Artikel 10. Tijdstip vaststellen 1. Het college stelt het bekostigingsplafond 1. Het college stelt het bekostigingsplafond vast vast voor de vergoeding van de voor de vergoeding van de aangevraagde aangevraagde voorzieningen. Dit voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt bekostigingsplafond kan worden gesplitst worden naar onderwijssoort of voorziening. in afzonderlijke bedragen per 2. Het programma en het overzicht worden onderwijssoort of per voorziening. vastgesteld vóór 1 januari van het 2. Het programma en het overzicht worden programmajaar. vastgesteld op uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt. Artikel 12 Inhoud programma Artikel 11. Inhoud programma 1. De aangevraagde voorzieningen 1.

De aangevraagde voorzieningen waarmee in waarmee in het jaar volgend op het jaar het programmajaar een aanvang kan worden van vaststelling van het programma een gemaakt, komen in aanmerking voor plaatsing op aanvang kan worden gemaakt, komen, het programma als er geen weigeringsgronden voor zover het college heeft vastgesteld van toepassing zijn. Daarbij past het college de dat geen van de in de Wet op het primair criteria toe, zoals opgenomen in de bij deze onderwijs, Wet op de expertisecentra en verordening behorende bijlagen. Wet op het voortgezet onderwijs Van de voor plaatsing op het programma in opgenomen weigeringsgronden van aanmerking komende voorzieningen neemt het toepassing is, in aanmerking voor college uitsluitend voorzieningen op in het plaatsing op het programma. Daarbij past programma voor zover het bekostigingsplafond het college de regels toe met betrekking toereikend is. tot: 2. Ten aanzien van de in het programma a. de beoordelingscriteria als opgenomen voorzieningen geeft het college per bedoeld in bijlage I; voorziening aan het beschikbare bedrag en eventuele voorwaarden.

b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; c. de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programmavoor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn. 2. Op voorstel van het overleg als bedoeld in art. 10, kan het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V. 3. Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven: a. het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld; b. het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin; c. de voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. Artikel 13 Inhoud overzicht 1. Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het bepaalde

Artikel 12. Inhoud overzicht Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die niet in het programma zijn

in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn opgenomen. 2. Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen. Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht 1. De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen. 2. De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd. Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering 1. Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over: a. het bouwheerschap als bedoeld in de WPO, de WECen de WVO; b. het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de aanvrager;

opgenomen. Het college geeft per voorziening aan wat de motivering is van de afwijzing.

Artikel 13. Bekendmaken besluiten De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden door het college zo spoedig mogelijk bekend gemaakt door het toezenden van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige besturen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.

Paragraaf 2.4. Uitvoeren programma Artikel 14. Overleg wijze van uitvoering 1. Indien dit gelet op de aard van de voorziening nodig is, treedt het college binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle nodige informatie uitgewisseld en worden afspraken gemaakt over de uitvoering van de voorziening, waaronder de wijze van aanbesteding. Bij de aanbesteding worden de gemeentelijke, landelijke en Europese richtlijnen in acht genomen. 2. Het college legt de afspraken schriftelijk vast en brengt ze ter kennis van de aanvrager. 3. Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit schriftelijk mee aan

c.

een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; d. de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 16; e. de controle op en het afleggen van verantwoording over de besteding van de beschikbaar te stellen middelen; 2. De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt. 3. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing.

de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de voorziening wordt opgeschort.

4. Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen. N.v.t.

Artikel 14a: Bibob-beleid. 1. De gemeente kan een Bibob-toets uitvoeren met betrekking tot overheidsopdrachten. Van geval tot geval bepaalt de gemeente of het in de rede ligt om bij de gunning van een overheidsopdracht de Wet Bibob toe te passen. 2. De gemeente zal in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren indien er vanuit: a. eigen ambtelijke informatie en/of b. informatie verkregen van het Bureau Bibob en/of c. informatie verkregen vanuit het Openbaar Ministerie (OM) conform artikel 26 van de wet (OM-tip) en/of d. informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC; aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. 3. De gemeente kan in iedere fase van een aanbesteding ter zake een overheidsopdracht een Bibob-toets uitvoeren. Derhalve kunnen aan een Bibob-toets worden onderworpen zowel degenen die de gemeente voornemens is te selecteren tot een volgende fase van de aanbesteding, dan wel degene(n) aan wie de gemeente voornemens is de betreffende overheidsopdracht te gunnen.

Met de toevoeging van dit artikel, dat geen deel uitmaakt van de VNG-modelverordening, wordt benadrukt dat de bestrijding van de ondermijning voor de gemeente Aalten hoge prioriteit heeft.

Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertes 1. Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter instemming bij het college. 2. Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager,

4. De gemeente kan ook na gunning van een overheidsopdracht besluiten een Bibob-toets uit te voeren. De overeenkomst kan worden ontbonden door de gemeente indien (alsnog) feiten en omstandigheden in relatie tot het bedrijf of de persoon van de opdrachtgever bekend zijn geworden die, ware deze bekend geweest vóór het tot stand komen van de overeenkomst, aanleiding zouden zijn geweest om de opdrachtnemer uit te sluiten van verdere deelname aan de aanbesteding. De gemeente kan in het hiervoor bedoelde geval besluiten niet tot ontbinding over te gaan indien zij van oordeel is dat uit de Bibob-toets gebleken mate van gevaar in voldoende mate valt te reduceren door het stellen van (nadere) uitvoeringsvoorwaarden. Artikel 15. Instemmen bouwplannen en begroting 1. Nadat overeenstemming over de uitvoering is bereikt, dient het bestuur het bouwplan en de begroting in bij het college. Het bestuur houdt daarbij rekening met de gemaakte afspraken. Gelijktijdig vermeldt het bestuur het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt verleend. 2. Binnen 8 weken nadat de stukken zijn ontvangen, beslist het college over de bouwplannen, de begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan deze termijn verlengen met 4 weken.

Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start schriftelijk mee aan de aanvrager. 3. Voor de definitieve vergoeding op basis van de feitelijke kosten is de offerte met de economisch meest voordelige inschrijving bepalend.

deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager. 3. Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking. 4. De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 15. 5.

De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde begroting blijft

4. Indien bij de beoordeling van de plannen het college constateert dat er bij de betrokken school sprake is van ingrijpende wijziging van de omstandigheden, komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking.

achterwege indien het de uitvoering betreft van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin.De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing. 6. Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte met de laagste prijsstelling bepalend. Artikel 17 Aanvang bekostiging Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt.

De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het programma geplaatste voorziening.

Artikel 16. Aanvang bekostiging Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start, bepalen dat de gelden in termijnen worden betaald. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening.

Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging 1. De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop. 2. De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft ingediend. 3. Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging van de termijn.

Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.

Artikel 17. Vervallen aanspraak op bekostiging 1. Het college kan bepalen dat de aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de aanvrager niet voor 31 december van het programmajaar een bouwopdracht heeft verleend of een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft afgesloten. 2. De aanspraak op bekostiging vervalt in elk geval niet als het overschrijden van de in het eerste lid genoemde termijn veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.

Hoofdstuk 3. Aanvragen met spoedeisend karakter Paragraaf 3.1. Spoedaanvraag Artikel 19 Indiening aanvraag Artikel 18. Indienen spoedaanvraag Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening Een aanvraag tot het bekostigen van een in de huisvesting die gelet op de voortgang van voorziening, die gelet op de voortgang van het het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt zo snel ingediend bij het college. Hierbij kan gebruik mogelijk na het ontstaan van de calamiteit worden gemaakt van een door het college vast te ingediend bij het college. Hierbij kan gebruik stellen aanvraagformulier. worden gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. Artikel 20 Inhoud aanvraag Artikel 19. Inhoud spoedaanvraag 1. De aanvraag bevat in ieder geval de 1. Een aanvraag vermeldt naast de gegevens gegevens zoals vermeld in artikel 7, genoemd in artikel 6 lid 1 en 2 de eerste lid. In aanvulling daarop dient de omstandigheden waarom de voorziening aanvrager de volgende gegevens te spoedeisend wordt geacht. verstrekken: 2. Het college stelt de aanvrager schriftelijk op de a. een nadere aanduiding van de hoogte als noodzakelijke gegevens als bedoeld in omstandigheden die de het eerste lid ontbreken.

Daarbij wordt de voorziening in de huisvesting aanvrager in de gelegenheid gesteld de spoedeisend maken; ontbrekende gegevens aan te vullen binnen een b. de reden waarom de voorziening door het college te stellen redelijke termijn. Bij in de huisvesting niet kon worden overschrijding van de termijn neemt het college aangevraagdin het kader van een de aanvraag niet in behandeling. nog vast te stellen programma; c. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met 8o en artikel 2, onder d, e en f; d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. 2. Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als bedoeld in het

eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te behandelen. Paragraaf 3.2. Beoordelen spoedaanvraag en uitvoeren besluit Artikel 21 Tijdstip beslissing Artikel 20. Tijdstip beslissing 1. Het college beslist binnen vier weken na 1. Het college beslist binnen 8 weken nadat de ontvangst van de aanvraag of binnen vier aanvraag is ontvangen of binnen 8 weken nadat weken nadat de aanvullende gegevens de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden zijn verstrekt of hadden moeten zijn moeten zijn verstrekt. Het college stelt de verstrekt. Binnen twee weken na de aanvrager zo spoedig mogelijk schriftelijk van de datum van de beslissing wordt de beslissing in kennis. aanvrager hiervan schriftelijk in kennis 2. Als een beschikking niet binnen de gestelde gesteld door het college. termijn kan worden gegeven, deelt het college dit 2.

Indien een beschikking niet binnen vier aan de aanvrager mee en noemt daarbij een weken kan worden gegeven, stelt het redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel college de aanvrager daarvan in kennis tegemoet kan worden gezien. en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Artikel 22 Inhoud beslissing Artikel 21. Inhoud beslissing 1. De aangevraagde voorziening wordt 1. De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft toegewezen, als het college heeft vastgesteld dat vastgesteld dat het treffen van de gelet op de voortgang van het onderwijs het voorziening, gelet op de voortgang van treffen van de voorziening geen uitstel kan lijden het onderwijs, geen uitstel kan lijden en en geen weigeringsgronden van toepassing zijn. geen van de in de WPO, WEC en WVO Daarbij past het college de criteria toe, zoals opgenomen weigeringsgronden van opgenomen in de bij deze verordening behorende toepassing is. Bij deze vaststelling past bijlagen. het college de regels toe met betrekking tot:

a. de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; c. de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III. 2. De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten. 3. Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV , deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten. Artikel 23 Uitvoering beslissing Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering.

Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een termijn van drie weken geldt.

2. De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten. 3. Het college vermeldt het beschikbare bedrag en eventuele voorwaarden.

Artikel 22. Uitvoeren beslissing 1. Na het bekendmaken van een beslissing waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. De artikelen 14, 15 en 16 zijn van toepassing, alleen geldt voor de termijn genoemd in artikel 15 lid 2 eerste volzin een termijn van 4 weken.

2. Binnen 4 maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop, huur- of erfpachtovereenkomst af. Het college kan bepalen dat de aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichting wordt voldaan. De aanspraak op bekostiging vervalt in elk geval niet als het overschrijden van de termijn veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen. Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging 1. Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing. 2. De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn. 3.

Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek afwijst, geldt de

datum van beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen. Hoofdstuk 4 Bekostiging bouwvoorbereiding

Artikel 25 Aanvraag 1. Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van die voorziening. 2. De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een door het college vast te stellen aanvraagformulier. 3. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: a. de naam en het adres van de aanvrager; b. de dagtekening; c. de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt gewenst; d. de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de

Hier verschiet de hoofdstuk-indeling tussen de oude en de nieuwe verordening. Zie ook de opmerkingen bij artikel 3. Bouwvoorbereiding is geen voorziening in de zin van de Wpo. Daarom is Hoofdstuk 4 uit de oude verordening vervallen in de nieuwe verordening.

gewenste locatie van de voorziening; e. het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening; f. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten; g. een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage kan gebruik worden gemaakt van een door het college vast te stellen formulier 'Bouwkundige opname'; h. een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. 4. Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing. Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag 1. Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige artikel, is het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing. 2. Voordat het college een besluit neemt over de bekostiging van

bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Artikel 27 Beschikking op aanvraag 1. Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in art. 11, 2e, een beslissing op de aanvraag. 2. De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: a. er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn; b. de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat; c. er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht. 3. Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag. 4. Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de aanvrager geen rechten worden ontleend ten

aanzien van de plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma. Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. Hoofdstuk 5 Medegebruik en verhuur Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie Artikel 29 Aanduiding omstandigheden Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien: a. er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend; b. het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien; c. er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;

Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur Paragraaf 4.1. Medegebruik Artikel 23. Aanduiden omstandigheden Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als: a. er sprake is van leegstand in een lesgebouw of een lokaal bewegingsonderwijs of indien een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut en; b. door medegebruik in de huisvestingsbehoefte van een andere school kan worden voorzien en het bevoegd gezag van die school een huisvestingsaanvraag heeft ingediend of; c. sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze of; d. de ruimte of het terrein nodig is voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.

d. er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school; e. er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school. Artikel 30 Omschrijving leegstand Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: a. wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte (bvo) zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw in vierkante meters bvo zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters bvo ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen; b. wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters bvo tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan vierkante meters bvo geen sprake is van onderbenutting van de onderwijsruimten. Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte: a.

wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een of meer scholen

Artikel 24. Omschrijving leegstand 1. Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III is vastgesteld dat de capaciteit van het gebouw groter is dan de ruimtebehoefte. 2. Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als het gebruik door de scholen minder is dan 40 klokuren per week.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=44f3713a-7933-46f9-9246-ebb0075b4eac