Verordening Sociaal Domein.pdf
Tekst van het document
7.4 Wat is de eigen bijdrage? [Wmo] 7.4.1 Wat is de eigen bijdrage 1. De inwoner betaalt, ongeacht inkomen of vermogen, een vaste eigen bijdrage in de kosten voor Wmo-hulp-op-maat, zolang de inwoner gebruik maakt van de hulp of voor de periode waar voor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. De kostprijs van hulp-op-maat in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 3. Gaat het om kosten voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een vaderschapsactie in ingesteld en de rechter dit verzoek heeft afgewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek), en voor degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner. 4. De inwoner die tegen Wmo-tarief gebruik maakt van het collectief taxivervoer is aan de gemeente een jaarlijkse bijdrage in de kosten verschuldigd. Deze bijdrage wordt vermeld in het Besluit Sociaal Domein. 5.
De gemeente vraagt geen bijdrage voor een (sport)rolstoel en het onderhoud daarvan.
21
Hoofdstuk 8 Afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de hulp-op-maat voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen. Kernwaarden • De gemeente ziet inwoners als volwaardige partners. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De inwoner geeft de informatie die nodig is.
8.1 Hoe gaan we met elkaar om? 8.1.1 De rol van de gemeente [Gemeentewet, Awb] 1. De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a. Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. b. De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, recht op een gesprek op het gemeentekantoor of bij hem thuis. c. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. d. Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een hulp-op-maat voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. e. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. f. De gemeente respecteert de privacy van de inwoner. g. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. h. De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.
2. De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende: a. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: i. zijn rechten en plichten; ii. wat er van hem wordt verwacht; iii. welk gedrag niet deugt; iv. wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en v. waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. b. De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren. c. De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: I. de ernst van het gedrag; II. de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en III. de persoonlijke situatie van de inwoner. d. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het ontoelaatbare gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet). 8.1.2 De rol van de inwoner [Gemeentewet, Awb] 1. De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. Hij gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft (eigen kracht).
De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is.
22
2. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: a. De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang kan zijn voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend. b. De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner. c. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren. d. De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
8.2 Wijziging, beëindiging en terugvordering voorziening 8.2.1 Wijziging voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Gemeentewet] Soms is een wijziging van het Besluit Sociaal Domein in het nadeel van een inwoner. In dat geval wordt hij daarvan zo vroeg schriftelijk op de hoogte gebracht. Dan heeft hij voldoende tijd om zich op de gewijzigde situatie in te stellen. Lukt dat niet dan past de gemeente een afbouwregeling toe. 8.2.2 Beëindiging voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Gemeentewet] 1. De gemeente kan een hulp-op-maat voorziening (in natura of pgb) beëindigen als: a. de voorziening niet langer passend of nodig is; b. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; c. de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; d. de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; e. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; f. de inwoner niet binnen de gestelde termijn (verschilt per voorziening) gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen. 2. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
8.2.3 Terugvordering voorziening [Wmo, Burgerlijk Wetboek] De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment dat is vastgesteld dat er één of meer redenen voor beëindiging zijn (zie artikel 8.2.2). Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt. Als een hulp-op-maat voorziening (in natura of pgb) volledig wordt ingetrokken, heeft de terugvordering betrekking op de kosten die zijn gemaakt vanaf het moment van de toekenning van de voorziening tot aan het moment dat de voorziening is stopgezet. 1. Als een hulp-op-maat voorziening (in natura of pgb) gedeeltelijk wordt ingetrokken, heeft de terugvordering betrekking op de kosten die zijn gemaakt in de periode dat de inwoner ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de voorziening. 2. Als het recht op een bij een inwoners in bezit zijnde of in bruikleen verstrekte hulp-op-maat voorziening is ingetrokken, wordt ook die voorziening teruggevorderd. 3. Bij zorg in natura kan de gemeente ervoor kiezen het contract met de zorgaanbieder te verbreken.
8.3 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? 8.3.1 Controle [Jeugdwet, Wmo, PW] 1. De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een voorziening. En of hij de juiste voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van: a. huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet; b. bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst, andere gemeenten en aanbieders; c. signalen en tips van organisaties of andere inwoners; d. andere passende onderzoeksmethoden. 23
2. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier en voor het juiste doel wordt gebruikt. 3. Bij de controle van voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd. 4. Bij beëindiging van een voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging en of er een vervolgactie nodig is. De gemeente kan ook nagaan of de voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt. 8.3.2 Voorkomen van fraude [Jeugdwet, Wmo] De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een passende manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen. 8.3.3 Beleidsplan en beleidsverslag [Jeugdwet, Wmo, PW] 1. De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe de gemeente fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving). 2. In het beleidsplan staat in ieder geval: a. wat de gemeente doet om fraude te voorkomen; b. wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over zijn rechten en plichten (voorlichting); c. welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en d.
hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan. 3. De gemeente stelt na afloop van de periode waarvoor het beleidsplan is bedoeld, een beleidsverslag vast. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor die periode zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd. 8.3.4 Privacy [Jeugdwet, Wmo] Bij het doen van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. 8.3.5 Toezichthouders [Jeugdwet, Wmo, PW, Awb] De gemeente wijst een of meer medewerkers aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
24
Hoofdstuk 9 Inspraak en inwonerparticipatie Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Dat wordt inspraak genoemd. Ook is geregeld dat er een Sociale Raad is. De taak van deze raad is beschreven. Ten slotte is hier ook geregeld op welke manier inwoners met aanbieders kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor de inwoners die hulp nodig hebben. Kernwaarden • De gemeente ziet inwoners als volwaardige partners. • De gemeente betrekt inwoners zo vroeg mogelijk bij het maken van beleid. • De gemeente gaat zorgvuldig, eerlijk en open om met de inwoner.
9.1 Inspraak van inwoners [Jeugdwet, Wmo, PW, Gemeentewet] 9.1.1 Inspraak van inwoners 1. De gemeente geeft inwoners inspraak bij de uitvoering van de volgende wetten: a. Jeugdwet; b. Wmo; c. Participatiewet; d. Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. 2. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: a. plannen voor beleid en regels; b. de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert; c. de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening); d. de manier waarop aanbieders hun taken uitvoeren. 3. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid of andere regels. 4. De gemeente kan inwoners op de volgende manier inspraak geven: a. via de Sociale Raad; b. door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld via sociale media, via inwonerpanel ‘U Spreekt’ of via de kinderraad; of c. door samen met inwoners een plan te ontwerpen. 5. De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep die het betreft en zorgt ervoor, dat inwoners zo snel en goed mogelijk inspraak kunnen hebben.
9.2 Sociale Raad [Jeugdwet, Wmo, PW, Gemeentewet] 9.2.1 Sociale Raad 1. Het doel van de Sociale Raad is om inwoners te betrekken bij de ontwikkeling van gemeentelijk beleid en gemeentelijke regels en bij de uitvoering van de wetten waarop dat beleid en die regels zijn gebaseerd. Het gaat om de wetten die in artikel 9.1, eerste lid, zijn genoemd. 2. De Sociale Raad is, zover redelijkerwijs mogelijk, zo samengesteld dat de leden een binding hebben met de doelgroepen binnen het Sociaal Domein. 3. De leden van de Sociale Raad wonen in de gemeente Aalten. Het college kan hiervan afwijken als er geen geschikte kandidaten worden gevonden. Die kandidaten moeten dan aantonen dat ze binding hebben met de gemeente Aalten en de doelgroepen binnen het Sociaal Domein. 4. De leden van de Sociale Raad treden op als vertegenwoordigers van de doelgroepen binnen het Sociaal Domein. 5. De Sociale Raad bestaat uit maximaal 12 leden plus een secretaris en onafhankelijk voorzitter. a. De leden en de voorzitter, worden benoemd door het college. b. De leden worden aangedragen door de Sociale Raad voor benoeming. Indien noodzakelijk zorgt de gemeente voor werving van leden via een gemeentelijke publicatie. c. De Sociale Raad kiest uit haar leden een vicevoorzitter, secretaris en penningmeester. 6. De leden van de Sociale Raad worden benoemd voor een periode 4 jaar.
Deze periode kan eenmaal worden verlengd met maximaal 4 jaar. 7. Bij ernstig disfunctioneren van een of meer leden van de Sociale Raad kan door de meerderheid van de Sociale Raad het vertrouwen worden opgezegd. De Sociale Raad kan dan het college vragen te beslissen. 8. De Sociale Raad vergadert elk jaar ten minste 6 keer. 25
9. De gemeente zorgt ervoor dat de Sociale Raad gebruik kan maken van een vergaderruimte en van andere voorzieningen die nodig zijn om de taken goed te kunnen uitvoeren. 10. De gemeente evalueert elk jaar ten minste één keer met de Sociale Raad hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed functioneert. De Sociale Raad stuurt na afloop van dit overleg een verslag aan de gemeenteraad.
9.3 Taken en bevoegdheden Sociale Raad [Jeugdwet, Wmo, PW, Gemeentewet] 9.3.1 Taken en bevoegdheden Sociale Raad 1. De Sociale Raad adviseert de gemeente over plannen om beleid of regels daarvan bij te stellen en over de kwaliteit van de uitvoering van de dienstverlening. 2. De gemeente zorgt ervoor, dat: a. op het moment waarop inspraak kan worden gegeven de Sociale Raad voldoende mogelijkheden heeft om invloed te hebben op plannen van de gemeente over beleid, regels of de uitvoering daarvan; en b. de Sociale Raad deskundig wordt ondersteund door een medewerker van de gemeente, om de Sociale Raad te helpen zijn werk goed te doen. 3. De gemeente zorgt ervoor dat de Sociale Raad op tijd alle informatie krijgt die nodig is om zijn taak goed te kunnen doen. 4. De Sociale Raad kan ongevraagd voorstellen doen aan de gemeente over verandering van beleid, regels of de uitvoering daarvan. 5. De Sociale Raad zorgt ervoor dat adviezen binnen 6 weken worden gegeven, zodat de gemeente deze adviezen kan betrekken bij voorgenomen besluiten. Gemeente en Sociale Raad kunnen in overleg afwijken van deze termijn. 6. De gemeente neemt adviezen van de Sociale Raad over of geeft de redenen aan waarom een advies niet wordt overgenomen.
Gaat het om besluiten van de gemeenteraad, dan worden het advies van de Sociale Raad en de reactie van de gemeente (burgemeester en wethouders) aan de gemeenteraad gestuurd, zodat deze informatie bij de besluitvorming kan worden betrokken. 7. Alle adviezen, informatieverzoeken en verbetervoorstellen die door de Sociale Raad schriftelijk worden verstrekt, worden door het college beoordeeld. De gemeente geeft binnen 4 weken een schriftelijke, gemotiveerde reactie. 8. De Sociale Raad bespreekt geen klachten, bezwaarschriften of andere onderwerpen die over individuele personen gaan. 9. Ieder lid van de Sociale Raad kan onderwerpen op de agenda van een vergadering zetten. 10. De Sociale Raad kan derden uitnodigen in verband met een agendapunt van de vergadering. 11. Alle leden zijn, met uitzondering van de onafhankelijk voorzitter, stemgerechtigd. Alle besluiten worden met een meerderheid van stemmen genomen, op voorwaarde dat tweederde van de leden aanwezig is. 12. Voor de besluitvorming is geen unaniem standpunt van de leden vereist. Afwijkende standpunten kunnen gemotiveerd in het advies aan de gemeente worden opgenomen. Daarbij wordt vermeld voor welke doelgroep(en) het afwijkende standpunt is bedoeld. 13. De vergaderingen van de Sociale Raad zijn openbaar. De stukken voor de vergadering zijn in principe 5 dagen voor de vergadering voor derden beschikbaar.
De agenda wordt gepubliceerd in de gemeenterubriek van de lokale weekkranten. 14. De Sociale Raad kan alleen besluiten tot het houden van een besloten vergadering als het de behandeling van privacygevoelige zaken betreft. 15. De Sociale Raad kan besluiten (tijdelijk) uit zijn eigen middelen een of meer commissies of werkgroepen te vormen. De onkosten komen ten laste van het budget van de Sociale Raad. 16. De leden van de Sociale Raad ontvangen per vergadering een vergoeding tot maximaal 12 vergaderingen per jaar. De gemeente stelt vast hoe hoog de vergoeding is. 17. Het college stelt voor de Sociale Raad een jaarlijks budget beschikbaar, bedoeld voor het functioneren van de Raad. Hiervoor is een stichtingsbestuur dat deze gelden beheert. Deze bestaat uit de vicevoorzitter, secretaris en penningmeester van de Sociale Raad.
9.4 Inspraak bij aanbieders [Jeugdwet, Wmo] 9.4.1 Inspraak bij aanbieders 1. Aanbieders die jeugdhulp of Wmo-hulp geven, zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten, inspraak te geven en daarover regels te maken. 2. De gemeente controleert of de aanbieder zich houdt aan de regels voor inspraak. 26
Hoofdstuk 10 Kritiek op de uitvoering [Awb, Gemeentewet] De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente of een besluit van de gemeente. In dit hoofdstuk staan regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Daarbij is aangesloten bij de Interne klachtenprocedure van de gemeente (volgens de Verordening interne klachtenregeling gemeente Aalten 2022) en de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman. Kernwaarden • De gemeente ziet inwoners als volwaardige partners. • De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus. • De gemeente helpt de inwoner om op een eenvoudige manier zijn mening te geven. 10.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure 1. De gemeente ziet een klacht of bezwaar als: a. een mogelijkheid om de dienstverlening aan de inwoner te verbeteren; b. een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken; c. een middel voor de inwoner om zijn mening kenbaar te maken; d. een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen; en e. een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren. 2. De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten.
Dit gebeurt niet als het voor de gemeente overduidelijk is dat een mondelinge toelichting niets toevoegt. 3. De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente uiten via een eenvoudige en effectieve klachtenprocedure of bezwaarprocedure. De gemeente volgt daarbij de wettelijke regels. 4. De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld. 5. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt. 10.2 Klachten over de gemeente [Awb, Gemeentewet] 1. De inwoner kan bij de gemeente een klacht indienen over: a. het gedrag van medewerkers en bestuurders en de manier waarop hij is behandeld; b. de manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld; c. de manier waarop de gemeente voorzieningen heeft verstrekt. 2. De inwoner moet een klacht zo snel mogelijk indienen bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe een klacht kan worden ingediend en hoe de klachtenprocedure verloopt. 10.3 Klachten over andere personen of organisaties [Awb, Gemeentewet] 1. De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een persoon of organisatie die door de gemeente is ingehuurd, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie.
Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld. 2. De gemeente controleert of de klachtenregeling van personen of organisaties die hulp verlenen volgens een besluit van de gemeente, wordt nageleefd. 3. Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de hulpverlenende persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente. 4. De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of organisaties die hulp verlenen volgens een besluit van de gemeente, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe die melding wordt behandeld. 10.4 Klachtbehandelaar en vertrouwenspersoon [Gemeentewet, Jeugdwet] 1. De gemeente zorgt ervoor, dat de inwoner, die aan de gemeente een hulpvraag heeft gesteld, de klachtbehandelaar kan spreken. De inwoner kan bij deze klachtbehandelaar terecht voor knelpunten die de hij ervaart in het contact met de gemeente binnen het Sociaal Domein. 2. Jaarlijks maakt de gemeente een verslag van het aantal klachten in het afgelopen kalenderjaar, de soort klachten, de afhandeling en de maatregelen die zijn genomen. 3. Naast de klachtbehandelaar kan de inwoner, via het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), ook een vertrouwenspersoon spreken als het gaat om jeugdhulp. De vertrouwenspersoon kan de 27
inwoner (jeugdige, ouder of pleegouder) op zijn verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen over de hulpverlening door de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). 10.5 Bezwaar [Gemeentewet, Awb] 1. Als de gemeente een besluit neemt, informeert de gemeente de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit. 2. De inwoner die het niet eens is met een besluit van de gemeente, kan binnen 6 weken bezwaar maken volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Aalten d.d. 20 december 2022.
28
Hoofdstuk 11 Kwaliteit, inkoop en aanbesteding [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet] De producten en diensten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van producten en diensten aan bepaalde regels houden. Deze regels staan in de ‘Algemene inkoopvoorwaarden Achterhoekse Gemeenten voor leveringen en diensten’. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten. Kernwaarden • Diensten en producten van de gemeente zijn kwalitatief goed en passend bij de behoefte van de inwoner; • De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus; • De gemeente werkt efficiënt en doelgericht; • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner, met daarbij de focus op het resultaat dat de inwoner wil behalen. 11.1 Kwaliteit 1. Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt, moeten van goede kwaliteit zijn, zodat het gewenste effect voor de inwoner wordt bereikt. 2. De producten en diensten: a. passen bij de hulpvraag van de inwoner; b. zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner; c. voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard; d. respecteren de rechten van de inwoner; e.
worden afgestemd op andere producten of diensten die aan de inwoner worden geleverd; f. worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld. 3. De gemeente kan aanvullende kwaliteitseisen en andere voorschriften vaststellen en controleert of deze eisen door aanbieders worden nageleefd. 11.2 Inkoop en aanbesteding 1. De gemeente zorgt er voor dat de kwaliteit van de producten en diensten in het kader van deze verordening gegarandeerd is. 2. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van aanbieders dat zij rekening houden met de voorwaarden uit artikel 11.1, het tweede lid. 3. De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding door: a. een vaste reële prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of b. in overleg met de aanbieder tot een reëel (lumpsum) budget te komen om een opdracht uit te voeren of een populatie te bedienen. 4. De gemeente bewaakt de kwaliteit van de producten en diensten door het vaststellen van een kwaliteitskader Jeugdwet en Wmo. Dit kwaliteitskader is bedoeld voor alle vormen van ondersteuning die de gemeente inkoopt. 5. Bij inkoop en aanbesteding van producten en diensten wordt van een aanbieder verwacht dat deze reële tarieven hanteert en dat er transparantie is in de opbouw van de tarieven.
29
Hoofdstuk 12 Van de oude naar de nieuwe verordening In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat de gemeente met regelmaat beoordeelt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is. Kernwaarden • De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus. • De gemeente werkt efficiënt en doelgericht. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. 12.1 Onderzoek naar de werking van de verordening [Gemeentewet] 1. De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die zij wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om dit goed te kunnen onderzoeken. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). 2. De gemeenteraad bespreekt een verslag van dit onderzoek en past de verordening aan als dat nodig is. 12.2 Uitvoeringsregels [Gemeentewet] De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld.
Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet. 12.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) [Gemeentewet] De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als dit zou betekenen dat er een onredelijke uitkomst is voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald. 12.4 Intrekken oude verordeningen [Gemeentewet] De volgende verordening wordt ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat: Verordening Sociaal Domein Gemeente Aalten 2021. 12.5 Overgangsrecht [Gemeentewet] 1. Een maandelijkse voorziening die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na de ingangsdatum van deze verordening doorlopen. Deze voorziening loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening heeft genomen.
Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, die is ingediend vóór de ingangsdatum geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe. 2. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de bij 12.4 genoemde ingetrokken verordening, past de gemeente de regels van die ingetrokken verordening toe. Artikel 12.5.a. Overgangsrecht met betrekking tot de nieuwe wijze van inkoop per 1 juli 2022. Een voorziening die afgegeven is voor 1 juli 2022 voor Wmo/Jeugd ondersteuning individueel of Wmo/Jeugd ondersteuning groep of Wmo/Jeugd wonen en logeren of jeugdhulp met verblijf en jeugdhulp crisis, of generalistische basis JGGZ of specialistische JGGZ loopt door tot het einde van de beschikking, maar uiterlijk tot 31 december 2022. 12.6 Ingangsdatum en naam [Gemeentewet] 1. Deze verordening wordt genoemd: Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2023. 30
2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023.
Hoofdstuk 13 Begrippenlijst Aanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling. Andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen. Armoedeval: achteruitgang in inkomen als een uitkeringsgerechtigde een baan aanneemt op of rond het minimumloon. Dit komt door het (gedeeltelijk) wegvallen van tegemoetkomingen van de gemeente of van toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag. Beperking: de vermindering van mogelijkheden waardoor een belemmering ontstaat in het sociaalmaatschappelijk functioneren. Bijstandsnorm: dit betreft de geldende bijstandsnorm, de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet.
Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. CAK: Centraal Administratie Kantoor Clientondersteuner: een onafhankelijke professional die hulp biedt aan de inwoner in de vorm van informatie, advies en algemene ondersteuning. De hulp aan de inwoner is gericht op het benutten van diensten die door gemeenten en andere organisaties worden geleverd op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werken inkomen (artikel 1.1.1 van de Wmo). Collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd). Effect: het resultaat of het doel. Eigen vervoermiddel: een vervoermiddel dat er inwoner zelf bezit of dat hij mag gebruiken. Daaronder valt ook een vervoermiddel dat de gebruiker ter beschikking staat, zoals een deel-, leen-, of leaseauto. Financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. Fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens.
Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte hiervan vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Gemeente: een medewerker of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten.
31
Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken, bespreekt. Hulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, of schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs. Hulp in natura: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven. Hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening. • Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jeugdige of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. • Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening. • Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de bijzondere bijstand. • Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden. Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. Inkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet. Inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet.
Met inspraak wordt in hoofdstuk 9 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen. Inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente Aalten volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om Wmo-hulp, dan wordt onder inwoner verstaan: de ingezetene als bedoeld in artikel 1.2.1 Wmo. Gaat het om schuldhulpverlening, dan wordt onder inwoner verstaan: degene die in de basisregistratie personen van de gemeente Aalten is ingeschreven. Voor de toepassing van de hoofdstukken 8 en 10 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van de gemeente Aalten heeft gehad, maar zijn woonplaats niet meer in de gemeente Aalten heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door de gemeente. Jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Jeugdige: de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener- en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft.
Kindpakket: een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. Lerenwerkt: zorgt voor de bestrijding van schoolverzuim en schooluitval, zodat dat alle jongeren het onderwijs verlaten met een startkwalificatie. Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. Mantelzorg: De hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, Wmo wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (artikel 1.1.1 Wmo). Medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt.
32
NIBUD-prijzengids: een handboek dat wordt uitgegeven door het NIBUD. In deze gids staan gangbare, actuele prijzen van producten en diensten. Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging. Ondersteuningsplan: wordt samen met de inwoner opgesteld door de gemeente. Hierin staan een weergave van het gesprek tussen de inwoner en de gemeente, de te bereiken resultaten, welke ondersteuning het betreft, de duur van de indicatie, de zorgaanbieder en de evaluatievormen. Ouders: ouders, voogden of verzorgers van de jeugdige. Persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt aangegeven. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan. Pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen. Pgb-budgetplan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden.
Professional / professionele hulpverlener: iemand die beroepsmatig de hulp verleent. PW: Participatiewet Samenwerkingsverband: • voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 a lid 2 en 15 van de Wet op het primair onderwijs; of • voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17 a lid 2 en 16 van de Wet op het voortgezet onderwijs. Samenwonen: een gemeenschappelijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. Sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers). Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad wordt altijd als hulp door iemand uit het sociaal netwerk gezien. SVB: Sociale verzekeringsbank. De organisatie die het pgb uitbetaalt aan inwoners. Vermogen: totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. Voorziening: hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb of geldbedrag. Vrij toegankelijke hulp: hulp die beschikbaar is zonder verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts of besluit van de gemeente. Wettelijk minimumloon: het minimumloon per maand, zoals dit is omschreven in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Als het om een werknemer jonger dan 21 jaar gaat, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, zoals het is omschreven in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van die wet. Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Wmo-hulp: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. Woning: hoofdverblijf.
33
WMO-wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving (beschermd wonen; Zorgplan: Een plan dat de zorgaanbieder samen met de inwoner opstelt over de invulling en inzet van de hulp-op-maat, (waaronder omvang, uren, frequentie) en de wijze waarop dit bijdraagt aan de realisatie van de door de gemeente opgestelde resultaten en effecten.
34