Verordening sociaal domein 2023
Tekst van het document
Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2023 De Raad van gemeente Aalten; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 10 november 2022; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Jeugdwet; de Participatiewet, de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening, de Leerplichtwet 1969, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet; Besluit: Vast te stellen de Verordening Sociaal Domein Gemeente Aalten 2023.
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9. Hoofdstuk 10. Hoofdstuk 11. Hoofdstuk 12. Hoofdstuk 13.
Inleiding Verordening sociaal domein gemeente Aalten De hulpvraag Gezond en veilig opgroeien Wonen in een veilige en gezonde omgeving Participatie Inkomensondersteuning en schulden De vorm van de hulp Afspraken tussen inwoner en gemeente Inspraak en inwonerparticipatie Kritiek op de uitvoering Kwaliteit, inkoop en aanbesteding Van de oude naar de nieuwe verordening Begrippen
p. 2 p. 4 p. 8 p. 10 p. 13 p. 15 p. 19 p. 22 p. 25 p. 27 p. 29 p. 30 p. 31
1
Hoofdstuk 1 Inleiding Verordening sociaal domein gemeente Aalten Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: • Meedoen in de samenleving • Gezond en veilig opgroeien • Wonen in een veilige en gezonde omgeving • Hulp bij het oplossen van schulden
1.1 Waarom deze regels? In de gemeente Aalten vinden we het belangrijk, dat: • mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; • mensen in ieder geval een minimum inkomen hebben; • mensen hun financiën op orde hebben; • mensen een huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; • mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zo lang mogelijk zelfstandig en veilig kunnen wonen; en • kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: • Participatiewet (PW), • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo); • Jeugdwet (JW); • Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz); • Leerplichtwet 1969 (LPW); • Algemene wet bestuursrecht (Awb); en • Gemeentewet (Gemw). De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld.
1.2 Participatiewet Deze verordening geeft geen gemeentelijke regels over de Participatiewet (behalve de inkomensondersteuning). Inwoners van de gemeente Aalten worden voor een bijstandsuitkering en passend werk geholpen door Laborijn. Laborijn is een samenwerkingsverband van verschillende gemeenten in de Achterhoek. Deze gemeenten hebben de afgelopen jaren samen regels afgesproken en verordeningen opgesteld die over de Participatiewet gaan. Deze regels worden in deze verordening niet opnieuw benoemd.
1.3 Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: 1. zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; 2. zijn goed leesbaar; 3. regelen niet meer dan nodig is; 4. houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; 5. kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; 6. zijn onderling afgestemd op elkaar; 7. respecteren de genoemde wetten, maar geven daar wel een invulling aan die nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen.
1.4 Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: 2
1. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren. 2. Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken. 3. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk). 4. Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, krijgen als dat nodig is hulp om hun talenten te ontwikkelen en mee te doen aan de samenleving. 5. De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen. De kernwaarden vormen een extra toets voor het nemen van besluiten. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 13.
1.5 Artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Niet alle wetten zijn op ieder artikel van toepassing. Dat verschilt per artikel. Per artikel is aangegeven welke wetten op dat artikel van toepassing zijn.
3
Hoofdstuk 2. De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Hierin beschrijven wij hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route. Dit wordt aan het einde van dit hoofdstuk genoemd. De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Kernwaarden • De gemeente maakt hulp makkelijk bereikbaar. • De gemeente vraagt niet meer informatie dan nodig is. • De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en hulp van het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.
2.1 Stap 1: Melding bij de gemeente Aalten Advies- en meldpunt geweld en kindermishandeling. De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. Advies en meldpunt verward gedrag. Ook kan iedere inwoner die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander dat bij de gemeente melden. Voor deze meldingen is het Advies- en meldpunt verward gedrag in het leven geroepen. Het Advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst en onderzoekt of de inwoner waarop de melding betrekking heeft moet worden geholpen. 2.1.1 Indienen hulpvraag [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen. 2.1.2 Doel en procedure [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] Het doel van de melding is om de hulpvraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is.
De gemeente bevestigt de melding aan de inwoner en nodigt de inwoner uit voor een gesprek, tenzij dit niet nodig is (zie 2.3.1 lid 2). In de uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de hulpvraag. De gemeente geeft informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen van een onafhankelijk deskundige clientondersteuner. Daarnaast informeert de gemeente over de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dit noemen we een persoonlijk plan of familiegroepsplan). 2.1.3 Gegevens [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek en het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.
2.2 Stap 2: Gesprek na de melding 2.2.1 Uitnodiging voor gesprek [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is. 4
2.2.2 Doel en procedure gesprek [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Een medewerker van de gemeente maakt, nadat de inwoner zich heeft gemeld, een afspraak voor een gesprek over de hulpvraag en informeert de inwoner over de gang van zaken bij dat gesprek. De medewerker zet zich ervoor in, dat dit gesprek zo snel mogelijk en maximaal binnen 6 weken na de melding plaatsvindt. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs, tenzij de identiteit al bij de gemeente bekend is. Als de inwoner een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek. De inwoner kan iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn. 2.2.3 Inhoud gesprek [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] 1. De medewerker bespreekt met de inwoner welke hulpvraag hij heeft en welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker: a. de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect? c. de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van de hulpvraag? d.
de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden, en hoe kan er met de gemeente worden samengewerkt om de inwoner goed te helpen? 2. De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (Pgb), zie paragraaf 7.3. De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag. 3. Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Het kan dan gaan om deskundigen, een onafhankelijke clientondersteuner, iemand die de inwoner vertegenwoordigt, een of meer mantelzorgers of familie. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen. 2.2.4 Verslag [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] 1. Binnen 2 weken na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner een ondersteuningsplan met daarin een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner. 2. Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het ondersteuningsplan, waardoor dit niet binnen 2 weken kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd. 3.
Uit het ondersteuningsplan blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn. 4. De inwoner ondertekent het ondersteuningsplan en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het ondersteuningsplan kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen.
2.3 Stap 3: Aanvraag 2.3.1 Aanvraag [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft. 1. Als de inwoner hulp-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende ondersteuningsplan. De gemeente ziet het ondersteuningsplan als een aanvraag. 2. De gemeente kan besluiten dat ook voor bepaalde andere vormen van hulp melding en aanvraag op hetzelfde moment worden gedaan. Inwoners kunnen dan bij de melding direct een aanvraag indienen. Een apart onderzoek naar en een gesprek over die andere vormen van hulp zijn dan niet nodig. 2.3.2 Aanvraag voor hulp-op-maat [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] 1. Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
5
a. De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in artikel 1.1 genoemde wetten te bereiken; b. De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met hulp van andere voorzieningen of organisaties; en c. De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. d. Het is een individuele voorziening (hulp-op-maat). 2. De hulp-op-maat is voldoende in inzet en van kwaliteit, zodat de inwoner het gewenste effect kan bereiken. 3. De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig en is passend om langdurig het gewenste effect te bereiken. 4. De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als de inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij dit had kunnen voorzien. De gemeente kan hulp-op-maat ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft zonder dat de gemeente daarvoor vooraf toestemming heeft gegeven. Als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (onevenredig nadeel ervaart), dan kan de gemeente de hulpop-maat wel toekennen.
2.3.3 Advisering [Gemeentewet, Awb] De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. De medewerker die aanvragen voor jeugdhulp beoordeelt is SKJ of BIG geregistreerd. 2.3.4 Beoordelen aanvraag [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet, Awb] 1. Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: a. de behoeften van de inwoner; b. de (on)mogelijkheden van de inwoner; c. de persoonlijke situatie van de inwoner; d. de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente. 2. Het gespreksverslag en een eventueel persoonlijk plan / familiegroepsplan vormen het uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag 3. Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, houdt de gemeente onderstaande volgorde aan: a. de gemeente stelt eerst vast welk effect/resultaat de inwoner wil bereiken. b. de gemeente stelt hierna vast welke problemen en beperkingen er precies zijn. 4.
De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, hulp van anderen uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen of organisaties. 5. De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 6. Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt. 2.3.5 Afstemming met andere vormen van hulp. De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken kunnen onder andere gaan over: • procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; • communicatie met andere organisaties; • afbakening van taken en verantwoordelijkheden; • een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en hulp-op-maat; De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm.
6
2.3.6 Beslistermijn [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet, Awb] De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken, nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen, en in ieder geval binnen 8 weken na de melding. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt en deze hierop door de gemeente is gewezen. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.
2.4 Stap 4. Beslissing 2.4.1 Inhoud besluit [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Pw, Gemeentewet, Awb] 1. De gemeente stelt een besluit vast (beschikking) en stuurt deze per brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt toegekend. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. Hulp in natura betekent dat de hulp (een dienst of een product) gegeven wordt door de gemeente zelf of een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft. 2. Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. waarvoor de hulp bedoeld is; b. wat de hulp inhoudt of welke zorgaanbieder het zorgplan samen met de inwoner maakt; c. wanneer de hulp in gaat en hoelang de hulp duurt; d. door wie de hulp wordt gegeven; e. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3. Geeft de gemeente hulp in de vorm van een Pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. Waarom de hulp niet in natura kan worden verstrekt; b. waarvoor het Pgb bedoeld is en welk effect daarmee bereikt moet worden; c. welke kwaliteitseisen er gelden voor de besteding van het Pgb; d. hoe hoog het Pgb is; e. wanneer het Pgb ingaat en wanneer het Pgb eindigt; f.
hoe de inwoner duidelijk maakt op welke wijze het Pgb is besteed; g. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het Pgb gelden. 4. Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. voor welk doel het geld wordt gegeven; b. wanneer het geld wordt betaald; c. hoe vaak het geld wordt betaald; d. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 5. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten. Dit is de eigen bijdrage.
2.5 Uitzonderingen 2.5.1 Jeugdhulp via arts en anderen [Jeugdwet, Awb] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist of gecertificeerde instelling de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. 2. De gemeente maakt afspraken met huisartsen, medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. 3. De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief (een beschikking) naar de inwoner, als de jeugdige of zijn ouders daar om vragen. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. 2.5.2 Spoedeisende gevallen [Jeugdwet, Wmo, Wgs] In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner direct/tijdig de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente: a. het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; c. het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning, d. schuldhulpverlening / inkomensondersteuning. 7
Hoofdstuk 3 Gezond en veilig opgroeien Jeugdigen in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en in bepaalde situaties tot 23 jaar. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Ze moeten kunnen groeien naar zelfstandigheid. Ze moeten voor zichzelf leren zorgen (zelfredzaamheid) en kunnen meedoen in de samenleving. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van hun ouders, de jeugdigen zelf en hun sociale netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. De gemeente houdt hierbij rekening met de omstandigheden van het gezin. Daarbij kijkt de gemeente naar wat de ouders, de jeugdige en hun sociale netwerk kunnen. Ook de leeftijd van de jeugdige speelt een rol. Kernwaarden • De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien. • De jeugdige moet kunnen groeien naar zelfstandigheid en voor zichzelf leren zorgen. • De jeugdige moet kunnen meedoen in de samenleving. • De jeugdige en zijn ouders/opvoeders zijn zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de jeugdige gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de jeugdige en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen.
3.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp [Jeugdwet] 1. Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouders. 2. De hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun sociale netwerk. 3. De gemeente betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. 4. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. 5. Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de welzijnsorganisatie of het Ondersteuningsteam Oost Achterhoek. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt een individuele voorziening (hulp-opmaat) ingezet. 3.2 Preventie [Jeugdwet, Leerplichtwet] 1. De gemeente zet zich ervoor in dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval met: a. opvoed- en opgroeiondersteuning; b. informatie, advies en trainingen; c.
jeugdgezondheidszorg; d. Jongerenwerk; e. onafhankelijke clientondersteuning; f. een vertrouwenspersoon via het Advies- en klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ); g. ondersteuning bij opleidings- en loopbaankeuzes. Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing nodig en ook geen besluit van de gemeente. 2. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. 3. Als er sprake is van verzuim op school worden de mogelijkheden ingezet die de Leerplichtwet biedt. De leerplichtambtenaar kijkt of er sprake is van een zorgvraag en biedt ondersteuning met als doel dat de leerling weer naar school gaat. De leerplichtambtenaar werkt volgens de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS). De werkwijze staat beschreven in de ambtsinstructie Leerplicht.
8
3.3 Individuele voorzieningen (hulp-op-maat) [Jeugdwet] 1. De gemeente kan in ieder geval de volgende voorzieningen aanbieden, als het nodig is: a. Ondersteuning bij opvoeden en opgroeien; b. Een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling, als thuis wonen (tijdelijk) niet meer mogelijk is. Pleegzorg en gezinshuis hebben hierbij de voorkeur; c. Specialistische jeugdhulp, zoals behandeling bij een GGZ-instelling; d. Hulp bij persoonlijke verzorging; e. Logeeropvang; f. Crisishulp; g. Hulp bij Ernstige Enkelvoudige Dyslexie; h. Sociaal medische indicatie (SMI). Met deze regeling kan de gemeente gezinnen tijdelijk financieel ondersteunen in de kosten van de kinderopvang: I. als de ouders door bepaalde sociaal medische omstandigheden (tijdelijk) in aanmerking komen voor de kinderopvangtoeslag; en, II. ontlasting van de opvoedingstaak bijdraagt aan een gezonde ontwikkeling van het kind / de kinderen. 2. De gemeente zorgt voor de inzet van jeugdhulp, als de rechter of de gecertificeerde instelling dit nodig vindt om een kinderbeschermingsmaatregel te kunnen uitvoeren. 3. De gemeente hoeft de jeugdhulp van een niet-gecontracteerde aanbieder waarnaar wordt verwezen door de huisarts, medisch specialist of een jeugdarts niet te vergoeden. 3.4 Overgang van 18- naar 18+ [Jeugdwet] 1.
De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jeugdigen uit de jeugdhulp als ze 18 jaar worden wanneer nodig ondersteuning houden. 2. De gemeente en de aanbieder van de jeugdhulp zorgen samen voor een plan voor de jeugdige waarin in ieder geval aandacht is voor: a. scholing, werk of participatie; b. wonen; c. inkomen; d. zorg en ondersteuning; e. vrije tijd; f. het netwerk van de jongere. 3. Pleegzorg of verblijf in een gezinshuis wordt ingezet tot de dag dat de jongere 21jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan. 4. Jeugdhulp kan worden verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan onderdeel van het plan. Er is een aantal voorwaarden voor verlengde jeugdhulp. Deze hulp kan alleen worden ingezet als: a. de jongere al voor zijn 18e levensjaar jeugdhulp kreeg en de gemeente voortzetting noodzakelijk vindt; b. na beëindiging van de jeugdhulp (die was begonnen voor het 18e levensjaar) binnen een termijn van half jaar de gemeente vaststelt dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is; c. als blijkt dat andere hulp niet toereikend en/of passend is; d. de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering.
9
Hoofdstuk 4 Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met psychische en/of psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om deze inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor problemen bij het normale gebruik van hun woning, bij hun normale dagelijkse activiteiten en bij het voeren van een huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente op grond van de Wmo aan deze inwoners kan geven, zoals hulp-op-maat. Kernwaarden • Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen in hun eigen • omgeving. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner.
4.1 Uitgangspunten [Wmo] 4.1.1 Uitgangspunten 1. De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. De inwoner kan voor hulp-op-maat in het kader van de Wmo in aanmerking komen als voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 en van dit hoofdstuk. De hulp moet een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. 2. Voor hulp op maat op basis van de Wmo moet de inwoner onder de doelgroep van de Wmo vallen. Dit betekent dat de inwoner een beperking, een langdurig psychisch probleem en/of een psychosociaal probleem heeft, én: a. hierdoor niet goed voor zichzelf kan zorgen, en/of; b. hierdoor ondersteuning nodig heeft bij het voeren van een huishouden, en/of; c. niet voldoende kan meedoen in de maatschappij. Ook als de inwoner opvang nodig heeft kan de inwoner daarvoor hulp-op-maat op grond van de Wmo krijgen. 3. De gemeente geeft geen hulp-op-maat, als: a. de inwoner zijn beperkingen zelf kan oplossen of verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren, bijvoorbeeld bij de huishoudelijke taken; b. de inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling of een andere voorziening, van eigen kracht of van zijn sociale netwerk; c.
de voorziening een therapeutisch doel heeft; d. de voorziening niet grotendeels op de individuele inwoner is gericht; e. de aanvraag is voor een hulpmiddel dat aan de inwoner al eerder is afgegeven op grond van een wettelijke regeling. Het moet dan gaan om een hulpmiddel waarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Dit geldt niet als: i. de eerder afgegeven voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; ii. de inwoner (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; iii. de eerder afgegeven voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag van de inwoner.
4.2 Zelfstandig en veilig wonen 4.2.1 Geschikte woning [Wmo] 1. De inwoner met een beperking kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, als: a. het normale gebruik van de woning niet mogelijk is door de beperking van de inwoner; en b. verhuizing naar een geschikte woning niet mogelijk is of duurder is dan de woonvoorziening. 10
De woonvoorziening houdt in dat de woning voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. Als verhuizing voorgaat komt de inwoner die verhuist naar een geschikte woning in aanmerking voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten. Deze op de NIBUD prijzengids gebaseerde vergoeding is vastgelegd in het Besluit Sociaal Domein. 2. De inwoner die tijdelijk een andere woning nodig heeft om de periode te overbruggen tot er een geschikte woning beschikbaar komt kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de extra kosten van de tijdelijke huisvesting. De hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het Besluit Sociaal Domein. 3. De gemeente verstrekt niet altijd hulp-op-maat in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen hulp-op-maat in de volgende situaties: a. De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. b. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een onzelfstandige woning waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. c. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte. d.
Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. e. De inwoner is verhuisd terwijl hiervoor geen aanleiding bestond op grond van zijn beperkingen en er was geen belangrijke reden voor verhuizing. f. De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen. Dit is anders als de gemeente daarvoor vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven. 4. Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als: a. de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven; b. de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of c. de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner. 4.2.2 Een schone en leefbare woning [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. 2. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan bestaat de hulp-op-maat ook uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. 3. De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner de voorziening Huishoudelijke ondersteuning aangeboden krijgt.
Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp. Wanneer dat nodig is wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding en/of het aanleren van huishoudelijke vaardigheden. 4.2.3 Wmo wonen [Wmo] 1. De inwoner behoort tot de doelgroep van hulp-op-maat Wmo Wonen als hij 18 jaar of ouder is en er sprake is van complexe psychische en/ of psychosociale problematiek op meerdere levensterreinen. De inwoner kan zijn zorgvraag niet (uit)stellen. Hierdoor heeft de inwoner 24-uurs toezicht of bereikbaarheid van een professionele organisatie nodig. De gemeente stelt vast of de inwoner behoort tot de doelgroep van Wmo Wonen. 2. Wmo wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. Wmo wonen kan hierbij nodig zijn om: a. de zelfstandigheid van de inwoner te vergroten en hem beter mee te laten doen in de samenleving; b. het psychosociale functioneren van een inwoner te verbeteren; c. een psychiatrisch ziektebeeld te stabiliseren; d. maatschappelijke overlast te voorkomen; of e. de inwoner geen gevaar voor zichzelf of zijn omgeving te laten zijn.
11
3. De gemeente heeft beleidsregels voor WMO wonen gemaakt. Hierin staat waar inwoners die beschermd wonen nodig hebben zich kunnen melden en hoe er wordt omgegaan met de uitvoering van beschermd wonen. 4.2.4 Maatschappelijke opvang [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang als: a. de inwoner de thuissituatie heeft verlaten en deze opvang nodig is omdat de inwoner zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen; of b. er sprake is van dreiging van huiselijk geweld. Inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben kunnen zich rechtstreeks melden bij de centrumgemeente Doetinchem.
12
Hoofdstuk 5 Participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners meedoen in de samenleving, door betaald werk, door activiteiten, door vrijwilligerswerk, en door deelname aan het buurtleven. Waar nodig met ondersteuning. De mogelijkheden, talenten en eigen regie van de inwoner staan centraal. Meedoen is niet alleen een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf of van de gemeente, maar ook van de samenleving (omkijken naar elkaar). Kernwaarden • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • Iedereen doet mee aan de samenleving. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen.
5.1 Werk [PW] 5.1.1 Werk Werk is een belangrijke vorm van daginvulling. Mensen die niet werken maar dit wel kunnen worden door Laborijn geholpen bij het vinden van passend werk. De voorzieningen die hierbij worden ingezet moeten op een goede manier worden verdeeld over verschillende doelgroepen. Hoe de voorzieningen worden verdeeld wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de inwoners. De regels over deze voorzieningen zijn beschreven in de verordeningen die over de Participatiewet gaan. In deze verordening worden deze regels niet opnieuw benoemd.
5.2 Meedoen [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat inwoners kunnen meedoen in de samenleving. In de gemeente zijn hiervoor: 1. plekken waarin inwoners elkaar kunnen ontmoeten; 2. activiteiten voor iedereen; en 3. mogelijkheden om vrijwilligerswerk te kunnen doen. Iedereen mag meedoen. Ook voor ondersteuning bij het vinden van deze activiteiten en ontmoetingsplekken kunnen inwoners bij de gemeente terecht. Hiervoor is geen besluit van de gemeente nodig. 5.2.1 Integrale ondersteuning De inwoner die de dag niet goed kan invullen of die de normale dagelijkse activiteiten niet zelf kan doen, kan in aanmerking komen voor integrale ondersteuning. Dat kan alleen als andere voorzieningen niet geschikt of niet voldoende zijn. De hulpverlener helpt dan bij de dagelijkse gang van zaken en bij terugkerende activiteiten. Ook kan de hulpverlener de inwoner helpen om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. Ook kan de inwoner bijvoorbeeld meedoen aan sociale, recreatieve of andere groepsactiviteiten. Als de inwoner daarbij vervoer nodig heeft, kan de gemeente ook helpen. 5.2.2 Persoonlijke verzorging [Wmo] Persoonlijke verzorging richt zich op het helpen bij, inslijten en/of aanleren van Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg. Persoonlijke verzorging is gericht op het aanleren, oefenen en bestendigen van vaardigheden en gedrag.
Zodat de inwoner deze taken (weer) zelfstandig of met behulp van zijn/haar omgeving kan uitvoeren. 5.2.3 Contact met anderen [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking in hun mobiliteit onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp houdt in dat inwoners geholpen worden bij vervoer dichtbij huis. Zo kunnen zij meedoen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen doen. Die hulp kan bestaan uit het aanbieden van: a. de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer (ZOOV) b. een taxi; c. een scootmobiel, of d. het gebruikmaken van een ander vervoermiddel. 13
2. Als de inwoner van het voorgaande geen gebruik kan maken kan de gemeente de inwoner een bijdrage in de kosten geven voor: a. het gebruik van een eigen auto; b. het gebruik van een (rolstoel)taxi. De prijzen zijn gebaseerd op de prijzen in de NIBUD prijzengids en staan in het Besluit Sociaal Domein gemeente Aalten. 3. Het moet gaan om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een langere afstand tot 20 kilometer van huis; of c. het vervoer naar de plek waar de inwoner deelneemt aan een activiteit in de gemeente. 5.2.4 Rolstoel [Wmo] 1. De inwoner die zich niet kan verplaatsen in en om de woning, kan in aanmerking komen voor een rolstoel, als deze noodzakelijk is voor dagelijks zittend gebruik. 2. De inwoner die door een beperking niet kan sporten zonder sportvoorziening van de gemeente, kan eens in de 3 jaar in aanmerking komen voor een sportrolstoel. 5.2.5 Vervanging vervoermiddel en rolstoel [Wmo] Als de inwoner hulp-op-maat wil en het gaat om vervanging van een eerder door de gemeente verstrekte rolstoel of vervoermiddel, dan doet de gemeente dit alleen, als het vervoermiddel of de rolstoel: a. technisch is afgeschreven; b. verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of c. geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het vervoer dicht bij huis.
5.3 Mantelzorg 5.3.1 Ondersteuning mantelzorger [Wmo] De gemeente biedt aan alle mantelzorgers, zowel jeugdigen als volwassen inwoners, allerlei mogelijkheden voor ondersteuning: 1. Voorlichting en advies; 2. Het versterken van het netwerk; 3. Individuele begeleiding; 4. Ondersteuningsgroepen en groepsactiviteiten; 5. Lotgenotencontact; 6. Cursussen en trainingen; 7. Respijtzorg en praktische hulp; 8. Inzet zorgvrijwilliger. Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, en ook geen besluit van de gemeente. 5.3.2 Maatwerkvoorziening mantelzorgondersteuning [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, hulp-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken; of 2. Als het voor een korte periode niet meer lukt om de mantelzorg vol te houden en de mantelzorg niet overgenomen kan worden door vrijwilligers kan de hulp-op-maat worden gegeven in de vorm van een professional die de mantelzorg tijdelijk overneemt. 5.3.3 Mantelzorgwaardering 1. De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers (volwassen en jonge mantelzorgers) voor inwoners in de gemeente Aalten met een zorgbehoefte. Daarom biedt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering aan.
Het doel van de mantelzorgwaardering is om een blijk van waardering aan de mantelzorgers te geven. 2. Een mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door of namens de inwoner die mantelzorg ontvangt. Er moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: a. De mantelzorg wordt tenminste 3 maanden verleend voor tenminste 8 uur per week. b. De mantelzorg wordt verleend door iemand die geen betaalde hulp aan de inwoner geeft.
14
Hoofdstuk 6 Inkomensondersteuning en schulden De gemeente heeft een financieel vangnet voor inwoners die te weinig inkomen en vermogen hebben om de dagelijkse kosten te betalen: een maandelijkse bijstandsuitkering. Deze inwoners en andere inwoners met een lastige financiële situatie kunnen bij de gemeente een aantal aanvullende voorzieningen en toeslagen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Voor een aantal extra’s wordt een inkomensgrens genoemd. Dit is geen harde grens, maar een uitgangspunt bij het beoordelen van aanvragen. Daarnaast geven we enkele basisregels voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem. Kernwaarden • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De gemeente zet zich in voor het voorkomen van armoede en schulden. • De gemeente zorgt voor een financieel vangnet. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. • De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. • Iedereen doet mee aan de samenleving.
6.1 Armoedebeleid en schuldenbeleid In deze paragraaf wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken en uitvoeren van beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan. 6.1.1 Uitgangspunten [PW, Gemeentewet] 1. De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. De gemeente neemt maatregelen om armoede en schulden te voorkomen (preventie) en te bestrijden. 2. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of die schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. 3. De gemeente richt het armoedebeleid en schuldenbeleid zo in, dat inwoners met een laag inkomen voldoende ondersteund worden. 4. De gemeente betrekt bij het maken van het armoedebeleid en schuldenbeleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. 5. De gemeente zorgt ervoor dat gemeentelijke inkomensondersteunende voorzieningen en toeslagen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden.
6.1.2 Preventieve Maatregelen [PW, Gemeentewet] De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden.
6.2. Bijzondere bijstand Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet. 6.2.1 Vangnet [PW] 1. De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer: a. extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald; en b. voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten.
15
2. Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de uitgangspunten van het gemeentelijke armoedebeleid die bij artikel 6.1.1. beschreven zijn. 3. De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening. 4. De gemeente werkt in beleidsregels uit welke rol bijzondere bijstand heeft bij armoedebestrijding. 6.2.2 Vergoeding kosten zwemlessen Water is overal om ons heen en een ongeluk zit vaak in een klein hoekje. Het is dus belangrijk dat inwoners leren zwemmen. Inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer kunnen daarom (voor hun kinderen) in aanmerking komen voor vergoeding van de kosten van de zwemlessen voor het behalen van zwemdiploma A.
6.3 Individuele inkomenstoeslag Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de individuele inkomenstoeslag is bedoeld. 6.3.1 Doelgroep [PW] De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. 6.3.2 Hoogte van de toeslag [PW] 1. De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar vastgesteld voor: a. een alleenstaande; b. een alleenstaande ouder; c. gehuwden of samenwonenden. 2. De gemeente bekijkt elk jaar of de individuele inkomenstoeslag verhoogd moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna.
6.4 Kindpakket Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen worden het kindpakket genoemd. Hier zijn de uitgangspunten benoemd die voor het kindpakket gelden. 6.4.1 Doelgroep [PW, Gemeentewet] Het kindpakket is bedoeld voor gezinnen met minderjarige (thuiswonende) kinderen, die geen goede financiële buffer hebben en moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. De bijdrage van de gemeente is een vastgesteld maximaal bedrag per kind per schooljaar. 6.4.2 Inhoud kindpakket [Gemeentewet] De gemeente bepaalt de inhoud van het kindpakket, na overleg met scholen en/of andere organisaties die het gezond opgroeien van kinderen tot doel hebben. Het kindpakket bestaat in ieder geval uit: 1. een bijdrage in de kosten voor de aanschaf van een computer die nodig is voor het volgen van onderwijs; 2. een bijdrage in de extra kosten die een gezin moet maken voor de overgang van basis- naar voortgezet onderwijs van een kind; 3. een bijdrage voor het meedoen aan schoolactiviteiten, aanschaf van een fiets of iets dergelijks.
6.5 Meedoenregeling Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Inwoners met een laag inkomen
16
en zonder goede financiële buffer kunnen gebruik maken van de Meedoenregeling. Daarmee kunnen inwoners kosten betalen om te sporten en om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. 6.5.1 Doel [Gemeentewet] De Meedoenregeling is bedoeld voor sociale, sportieve, culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten. 6.5.2 Doelgroep [Gemeentewet] De inwoner die een laag inkomen en geen goede financiële buffer heeft kan in aanmerking komen voor de Meedoenregeling. Inwoners hebben in ieder geval een laag inkomen als zij een inkomen hebben dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. De bijdrage van de gemeente is een vastgesteld maximaal bedrag per jaar. De regeling is voor zowel jeugdige als volwassen inwoners.
6.6 Zorgkosten Voor inwoners met veel medische kosten heeft de gemeente de volgende regelingen: 1. bijzondere bijstand zorgkosten; 2. vergoeding eigen risico zorgkosten. 6.6.1 Doelgroep [Gemeentewet] Inwoners van de gemeente Aalten met veel medische kosten komen in aanmerking als zij een inkomen hebben dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Ook als het inkomen hoger is dan 120% van de bijstandsnorm kunnen inwoners in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) vergoeding. Hoeveel dit is hangt af van de hoogte van het inkomen, de zorgkosten en de gezinssamenstelling. 6.6.2 Bijzondere bijstand zorgkosten [PW] 1. De gemeente kan vanuit deze regeling extra noodzakelijke kosten vergoeden die de inwoner moet maken door ziekte of beperking. De kosten kunnen eenmalig zijn, maar ook wekelijks of maandelijks terugkomen. 2. De inwoner krijgt geen vergoeding als de kosten al vergoed worden, bijvoorbeeld door de zorgverzekeraar. 6.6.3 Vergoeding eigen risico zorgkosten [Gemeentewet] De eerste € 100,- van het verplichte eigen risico van de zorgkosten betaalt de inwoner zelf. Van het resterende bedrag kan de inwoner tot 50% vergoed krijgen van de gemeente.
6.7 Schuldhulpverlening De gemeente heeft de taak om inwoners met (dreigende) schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen. 6.7.1 Samenwerking en toegang [Wgs] 1. De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. 2. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden. 3. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is. 4. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. 6.7.2 Schuldhulpverlening [Wgs] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt. 2. De gemeente informeert de inwoner die hulp kan krijgen over de manier waarop de hulp wordt gegeven en welke voorwaarden daarvoor gelden.
17
3. De gemeente stuurt iedere inwoner die geen hulp kan krijgen een brief waarin staat waarom er geen hulp wordt gegeven.
18
Hoofdstuk 7 De vorm van de hulp De hulp die de gemeente geeft wordt in principe ‘in natura’ verstrekt: de gemeente zorgt ervoor dat hulp wordt ingezet en betaalt deze hulp. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning) maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget. Elke vorm van hulp wordt ook wel “een voorziening” genoemd. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage van de inwoner kan vragen. Kernwaarden • De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. • De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar.
7.1 Hulp in natura [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet] 7.1.1 Hulp in natura 1. De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen of in eigendom verstrekt. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de aanbieder van een product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken. 3. De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft en de inwoner informeert over alles wat van belang is om te weten over het product. 4. De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder van een dienst de inwoner informeert over alles wat van belang is om te weten over de dienst.
7.2 Hulp in geld [Jeugdwet, Wmo, PW, Gemeentewet, Awb) 7.2.1 Hulp in geld 1. De inwoner ontvangt van de gemeente hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald. 2. De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen 2 weken nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling of als aan de voorwaarden is voldaan. 3. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon/organisatie betalen. 4. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen, als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een terugbetaling op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. 5. De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd, als bij de overboeking voldoende duidelijk wordt gemaakt waarom de betaling wordt gedaan.
7.3 Hulp in de vorm van een persoonsgebonden budget 7.3.1 Voorwaarden [Jeugdwet, Wmo] 1. In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (Pgb) krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat. Hiervoor moet wel voldaan zijn aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen.
19
2. De gemeente kent een Pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het Pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. 3. De inwoner moet aangeven waarom hij een Pgb wil ontvangen in plaats van hulp-op-maat in natura. Hiervoor moet de inwoner duidelijke redenen aangeven en alle informatie aan de gemeente geven die nodig is. Hieronder valt bijvoorbeeld het doorgeven wie namens de inwoner zijn belangen behartigt of op welke wijze de kwaliteit van de hulp-op-maat voorziening is gewaarborgd. De inwoner doet dit in een Pgb-budgetplan. 4. Het Pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het Pgb kan niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangbehartigers; b. het voeren van een Pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een Pgb-administratie; en d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s). 5. De gemeente verstrekt geen Pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend. b. Het gaat om kosten van vervoer, maar de inwoner kan gebruik maken van collectief taxivervoer. c. Uit het door de inwoner ingediende Pgb-plan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. d.
De inwoner kan het Pgb niet zelf beheren en de beoogde Pgb-beheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener. Uitgezonderd hiervan zijn ouders die jeugdhulp geven aan een eigen minderjarig kind. Deze ouders kunnen voor die jeugdhulp wel een Pgb beheren. 6. De inwoner levert bij de aanvraag voor hulp-op-maat voor een product één of meer offertes van aanbieders aan. In deze offerte(s) moet staan hoe hoog de kosten van het product zijn. De gemeente vergoedt de gebruikelijke kosten voor het product. De offerte bevat tenminste de volgende onderdelen: het product, het tarief en tenslotte de effecten die de inwoner wil bereiken. De offerte maakt onderdeel uit van het Pgb-budgetplan. De gemeente houdt bij de hoogte van het Pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten. 7. Bij een wijziging van het financieel besluit in het nadeel van de cliënt hanteert de gemeente een afbouwregeling of kan de cliënt tijdig schriftelijk van een voor hem of haar te wijzigen situatie op de hoogte worden gebracht.. 8. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen en de eisen met betrekking tot de deskundigheid. 7.3.2 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk [Jeugdwet, Wmo] 1. De persoon die hulp geeft mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn.
Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken. 2. Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien. 7.3.3 Hoogte en tarief Pgb [Jeugdwet, Wmo] 1. De inwoner maakt een plan voor de besteding van het Pgb. Dit is het Pgb budgetplan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het Pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en stelt daarna het Pgb vast. 2. Als hulp wordt gegeven door een professionele hulpverlener die geen contract met de gemeente heeft gesloten over het geven van hulp-op-maat wordt het Pgb tarief afgestemd op de tarieven van de gecontracteerde zorg conform het laagst geoffreerde tarief van het segment. Bij Wmo wonen kan het zijn dat de inwoner woonkosten moet betalen. Bij het vaststellen van de hoogte van het Pgb wordt daarmee rekening gehouden. 3. Het tarief Pgb voor professionele huishoudelijke hulp, niet zijnde gecontracteerde aanbieders, wordt berekend door op het geldende ZIN-tarief huishoudelijke ondersteuning 15 % overheadkosten in mindering te brengen. 4. De gemeente baseert het tarief Pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen op een offerte voor de aangegeven kosten.
In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen.
20
a. De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor dat product. De hoogte van het Pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp-in-natura tarief). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet; b. De gemeente houdt bij de hoogte van het Pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten. 5. Als hulp wordt gegeven door een niet-professionele hulpverlener of iemand uit het sociale netwerk dan hangt het tarief Pgb af van de soort hulp: a. De hoogte van het Pgb is gelijk aan het wettelijk minimumloon per uur, inclusief vakantiebijslag, bij een 36-urige werkweek, voor de volgende vormen van hulp: I. huishoudelijke ondersteuning; II. ondersteuning en persoonlijke verzorging; III. integrale ambulante jeugdhulp in de vorm van ondersteuning en persoonlijke verzorging. b. Voor de volgende vormen van hulp is de hoogte van het Pgb een maximaal bedrag per maand: I. Wmo-wonen; II. logeren; III. jeugdhulp in de vorm van groepsgewijze ondersteuning. 6. Het college stelt de maximale tarieven en tegemoetkomingen voor persoonsgebonden budgetten vast in het Besluit Sociaal Domein gemeente Aalten. 7.3.4 Verantwoording en uitbetaling Pgb [Jeugdwet, Wmo] 1.