Transformatieplan Sociaal Domein Aalten 2020.pdf
Tekst van het document
1
Inhoud 1. Inleiding
3
2. Proces tot nu toe
4
3. Aftrap
5
4. Analyse Aaltense situatie
6
5. Transformatie en maatregelen
8
6. Tot slot
14
Bijlage 1: Financieel overzicht maatregelen Bijlage 2: Uitgebreide Analyse gegevens Sociaal Domein (Jeugd en WMO)
2
1. Inleiding In 2015 vonden drie grote decentralisaties plaats en werden gemeenten verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Jeugdwet, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en de Participatiewet. Hierdoor werd het sociaal domein in één klap het grootste onderdeel van het gemeentelijk takenpakket, zowel financieel als inhoudelijk. De decentralisatie ging gepaard met forse bezuinigingen binnen het Sociaal Domein. De gemeenteraad is de afgelopen jaren middels de reguliere planning en control cyclus geïnformeerd over de financiële tegenvallers binnen het sociaal domein en de gevolgen daarvan voor de financiële situatie van onze gemeente. De uitvoering van de zorgtaken op het gebied van Jeugd en Wmo voor de gemeente Aalten leiden tot tekorten. Het tekort binnen het Sociaal Domein wordt met name veroorzaakt doordat de groei van de Rijksbijdrage niet in lijn is met de stijgende kosten en toenemende zorgvraag. In de gemeentelijke begroting 2020-2023 staat aangegeven en is uitgelegd dat er forse ombuigingen van beleid en maatregelen noodzakelijk zijn om te komen tot een sluitende begroting. In dit plan worden de ombuiging van beleid (ofwel de transformatie) en de maatregelen die daarvoor nodig zijn beschreven. De transformatie heeft een tweeledige doelstelling: 1.
Het realiseren van een andere rolverdeling tussen inwoners, maatschappelijke instellingen en de overheid waarbij we hulp en ondersteuning blijven bieden aan inwoners die dat écht nodig hebben. 2. Het uitvoeren van deze taken binnen de gestelde financiële kaders en de stijging van de kosten waar mogelijk een halt toe roepen. De hoofdvraag van deze notitie is: Welke maatregelen moeten worden genomen om op korte, middellange en lange termijn deze transformatie vorm te geven, waarbij de structurele omvorming in 2021 daadwerkelijk moet worden bereikt. Voor het realiseren van de transformatie zijn we gebonden aan de financiële kaders zoals beschreven in de meerjarenbegroting waarbij voor 2020 een ombuiging van € 385.000 voor de WMO en € 50.000 voor de jeugd is opgenomen. Dit is helaas lang niet voldoende. Bij het opstellen van de jaarrekening 2019 is weer een overschrijding geconstateerd, deze trend loopt door in de eerste maanden van 2020. Al met al hebben we naar verwachting in 2020 een aanvullend tekort op het sociaal domein van ruim € 1,5 miljoen structureel per jaar. Dit bedrag komt bovenop de al gestelde bezuinigingen in de begroting. Totaal betekent dit een tekort van ongeveer € 2,7 miljoen.
3
2. Proces tot nu toe Al bij de start van het college in de zomer van 2018 bleek dat de balans tussen uitvoering van de taken in het Sociaal Domein en het beheersbaar houden van de kosten een grote opgave is. Vanaf 2017 zijn de bestedingen groter dan de van het Rijk ontvangen bijdrage. Hierdoor zijn tekorten ontstaan. Tot en met 2018 zijn tekorten aangevuld uit de reserve Sociaal Domein. De reserve Sociaal Domein is echter vanaf 2019 leeg. Vandaar dat in de voor- en najaarsnota 2019 een aanzienlijk bedrag moest worden bijgeraamd. Ook in 2020 blijven de uitgaven stijgen met een aanvullend tekort op het sociaal domein tot gevolg. Rapportages en dashboard Om goed en gemotiveerd om te kunnen buigen is inzicht nodig in waar de kosten gemaakt worden. In het derde kwartaal 2018 begon een zoektocht naar een geschikt “dashboard” om dat inzicht te geven. In 2019 is de samenwerking tussen bedrijfsvoering en beleid op dit gebied geïntensiveerd. Hierdoor wordt steeds duidelijker wat de oorzaken van de overschrijdingen zijn. Ook wordt sinds de aanpassingen in de managementrapportages duidelijker waar de knoppen zitten om aan te draaien. Het is een feit dat niet alle factoren te beïnvloeden zijn en dat in de loop van 2019 het beroep op en de waarde van de verstrekte voorzieningen fors omhoog gegaan zijn. Terwijl wij niet altijd aan de knoppen van de indicatie zitten.
De managementrapportages worden steeds meer doorontwikkeld richting dashboards. Met daarin de beïnvloedingsmogelijkheden: toegang, inkoop, werkwijze en samenwerking. Op dit moment hebben we hier dus forse stappen in gemaakt met als resultaat dat we ‘scherper aan de wind zeilen’. Dit neemt echter niet weg dat het in het recente laatste en eerste kwartaal wel erg hard is gegaan. Als gevolg van het eerder beschreven dashboard zijn we nu dus wel beter in staat om te analyseren en vooruit te kijken. Ook dit is ‘winst’ Cultuuromslag en verandering van werkwijze Het wordt steeds duidelijker dat de transformatie in het sociaal domein niet alleen gaat over het gebrek aan (rijks)middelen en het toenemend beroep op voorzieningen. Transformatie betekent vooral een cultuuromslag in denken, werken en uitvoeren. Dat wil zeker niet zeggen dat het niet goed gebeurde, maar dat het nog beter kan. Niet het indiceren van een “recht op voorzieningen” is leidend, maar het zo goed mogelijk ondersteunen van de inwoner bij de hulpvraag vanuit de bedoeling van de wetten. Hier is het college mee aan de slag gegaan en dit heeft in het najaar van 2019 geleid tot de verordening Sociaal Domein. Deze “omgekeerde verordening” werd met algemene stemmen en veel waardering aangenomen in de raadsvergadering van november 2019.
Ombuigingsstrategie Natuurlijk is een verdere verandering van de werkwijze alleen niet voldoende om de stijgende financiële tekorten het hoofd te bieden. Daarom is de vraag gerechtvaardigd waarom we niet eerder met een allesomvattende ombuigingsstrategie zijn gekomen. In de zomer van 2019 heeft het college de begroting 2020 sluitend gemaakt met onder andere een voorgenomen ombuiging in het Sociaal Domein. Daarvoor zijn in het voorjaar 2019 voorstellen tot maatregelen vanuit de teams aangedragen waaruit het college een keus gemaakt heeft. Na vaststelling van de begroting 2020 is een start gemaakt met projectteams jeugd en WMO. In februari 2020 heeft een eerste presentatie van maatregelen tot ombuiging plaatsgevonden Hier was het college niet tevreden over. De maatregelen waren gefragmenteerd, te weinig gericht op (en afgestemd met) de uitvoering en het maatschappelijke veld en onvoldoende integraal. Het ging over bezuinigen, maar niet over transformeren en werken volgens de bedoeling. Gedurende het ombuigingsproces bleek dat de aanwezige leiderschapsstijl niet aansloot bij de wens en noodzaak tot transformeren. Hierop is door de algemeen directeur besloten om in te grijpen. Er is besloten om de afdeling Sociaal domein op te splitsen. Team Zorg is (tijdelijk) toegevoegd aan afdeling Bedrijfsvoering en team Organisatie en Welzijn aan de afdeling Ruimte.
Hernieuwde start In maart 2020 zijn team Zorg, team Informatiebeheer, het MT en de P-houders gestart met een plan om ombuigingen te realiseren door middel van transformatie. Dit heeft geleid tot het Transformatieplan Sociaal Domein gemeente Aalten.
4
3. Aftrap De gedachte achter de decentralisaties in het Sociaal Domein is dat, doordat gemeenten dichter bij hun inwoners staan, hulp en ondersteuning sneller en beter geboden wordt. De belangrijkste kernwaarden van de drie wetten zijn: Jeugdwet Jongeren en hun ouders zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor gezond en veilig opgroeien. Daarnaast heeft de Jeugdwet onder ander als doel om te normaliseren, demedicaliseren en ontzorgen van de jeugdsector. De gemeente heeft onder andere als taak preventie en het tijdig bieden van juiste hulp op maat. Wmo Het doel van de wet is om inwoners te helpen, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen en deel kunnen nemen aan de maatschappij. Daarbij wordt van inwoners verwacht dat zij zelf zoveel mogelijk oplossen en organiseren. Participatiewet De Participatiewet heeft tot doel om inwoners te helpen (zo snel mogelijk) zelf in het bestaansminimum te kunnen voorzien. Bij voorkeur door betaald werk en anders door een andere (tegen)prestatie. Waar nodig vullen we het inkomen tijdelijk aan. Het gemeenschappelijke van bovenstaande wetten is dat de inwoner in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor zijn of haar leven. We zetten volop in op de noodzakelijke doorontwikkeling in het Sociaal Domein.
De nadruk ligt op wat mensen zélf kunnen, al dan niet met hulp van mensen uit hun eigen omgeving of met hulp vanuit onze basisstructuur. Daarnaast komt de vraag of, en zo ja welke professionele hulp of ondersteuning nodig is. Visie In de gemeente Aalten zijn de uitgangspunten van de decentralisatie vertaald in de volgende visie: We geloven in de kracht en vitaliteit van onze inwoners en samenleving. Ieder doet wat hij kan. Onze inwoners gebruiken deze kracht en vitaliteit bij het oplossen van hun vragen. Hierbij motiveren we inwoners hun kwaliteiten in te zetten en ondersteunen we waar nodig. We vinden preventie erg belangrijk. Het doel van preventie is te zorgen dat mensen gezond blijven door hun gezondheid te bevorderen en te beschermen. We gaan samen met de inwoner na wat hij zelf kan en wil veranderen. We kijken hoe de omgeving steun kan bieden. Soms kan een algemeen toegankelijke voorziening een bijdrage leveren. In andere situaties levert hulp op maat meer effect op dan hulp uit het eigen netwerk of algemene voorziening. De schotten tussen de wetten in het sociale domein verdwijnen. We stoppen met een regel gestuurde en aanbodgerichte werkwijze. We gaan naar een oplossings- en vraaggerichte aanpak over de taakvelden heen. We beginnen dus niet bij de letter van de wet, maar bij het doel van de wet. Daarbij staat de inwoner centraal.
Wij doen dit als gemeente niet alleen, maar samen met zorg verlenende en maatschappelijke organisaties en iedereen die daar een bijdrage aan wil leveren. Dit bereiken we door elkaar te kennen, goede afspraken te maken en verwachtingen duidelijk te hebben. We weten wat we van elkaar kunnen verwachten, werken effectief samen en versterken elkaar. We zorgen voor een solide sociale basis waardoor inwoners meedoen, het naar hun zin hebben, gezonder leven, zich gesteund voelen en omkijken naar elkaar
5
4. Analyse Aaltense situatie Het tekort binnen het Sociaal Domein wordt met name veroorzaakt doordat de groei van de Rijksbijdrage niet in lijn is met de toenemende zorgvraag en stijgende kosten. Voor wat betreft de kosten voor Jeugd en WMO is sprake van zowel een groei van het aantal inwoners dat gebruikt maakt van de regelingen, als een toename in zorgzwaarte en zorgduur.
Bovenstaande grafische weergave1 geeft bij benadering het verschil aan tussen de van het rijk ontvangen middelen en kosten voor de uitvoering van jeugd- en Wmo-taken in de afgelopen jaren. In 2019 hebben we bijna € 13 miljoen aan rijksbijdrage gekregen terwijl de zorg aan onze inwoners bijna € 16 miljoen kostte. Kantelpunt zit in 2017 en het verschil loopt op naar een kleine € 3 miljoen in 2019.
Wmo
1 Er is een verschil in de bedragen tussen de grafiek en bedragen in de tabellen. In de grafiek is de totale besteding (inclusief overhead, subsidies etc) opgenomen. De twee tabellen gaan over de kosten van de gedeclareerde (dus geïndiceerde) zorg ten behoeve van onze inwoners.
6
De stijging van de kosten in de Wmo is voor een belangrijk deel te verklaren door de toename van het aantal meldingen door de invoering van het abonnementstarief. Sinds 1 januari 2019 geldt het abonnementstarief Wmo: één vast maandtarief voor álle Wmo-voorzieningen. Zowel voor de maatwerkvoorzieningen als de algemene voorzieningen. De maximale eigen bijdrage Wmo is voor iedereen € 19 per maand (vanaf 2020) per huishouden. Tot 1 januari 2019 bestond dit tarief uit een vast deel (voor lage inkomens) en een variabel deel. Lage inkomens betaalden tot 2019 een lagere eigen bijdrage dan midden en hogere inkomens. Het abonnementstarief is dus financieel gunstig voor midden- en hoge inkomens. Zij betalen vanaf 2019 een lagere eigen bijdrage dan voorheen en doen vaker een beroep op de Wmo. Naast de invoering van het abonnementstarief is ook de invoering van de AmvB “Reële prijs WMO” van invloed geweest op de stijging van de kosten voor zorg. Jeugdzorg
Uit een analyse van de cijfers (zie bijlage 2) blijkt dat de stijging van de kosten binnen de Jeugd met name wordt veroorzaakt door toegenomen aantallen indicaties (bij een ongeveer gelijkblijvende of zelfs licht dalende populatie jeugdigen). Dit sluit aan bij het landelijke beeld dat de toename van het aantal cliënten in tweedelijns zorg en de toename van de zorgzwaarte (nog) niet is gestabiliseerd. Dat is ook in Aalten het geval. Uit onderzoek van bureau Significant bij 26 gemeenten blijkt dat de gemiddelde kosten per cliënt in de Jeugdzorg van gemeenten tot 50.000 inwoners iets meer was dan € 9.000 per cliënt, hiermee lijkt de kosten per cliënt in Aalten (bijna € 8.000) overeen te komen. Monitoring We moeten ons er bewust van zijn dat we op onderdelen een beperkte invloed hebben op de uitgaven in het sociaal domein. Voorbeelden zijn de ontwikkeling in de vraag naar jeugdzorg of het gebruik van Wmo-voorzieningen ten gevolge van het abonnementstarief. Bovendien is een belangrijk deel van de toeleiding naar (jeugd)zorg in handen van andere partijen dan de gemeente. Het complexe, dynamische- en open einde karakter van het sociaal domein brengt mee dat dit transformatieplan een dynamisch karakter kent. Een strakke control- en monitoring van de kostenontwikkeling is noodzakelijk.
Hierbij hoort ook de inrichting van de Planning & Controlcyclus binnen het sociaal domein en de analyse van de begroting, waarbij we ook rekening houden met de verwachte ontwikkelingen in het aantal cliënten en de samenstelling van de zorg. Het beoogde resultaat is dat we in de begroting en meerjarenraming expliciet rekening houden met de verwachte volumegroei van de uitgaven, de ontwikkeling in de inkomsten van het rijk en de maatregelen die we als gemeente dan zelf nog kunnen en moeten nemen om de zorg in de gemeente Aalten betaalbaar te houden.
7
5. Transformatie en maatregelen Vanuit de analyse van de Aaltens situatie is een set van maatregelen opgesteld om gestructureerd en planmatig verder invulling te geven aan de transformatie én het beheersbaar maken van de financiële houdbaarheid van het sociaal domein in de gemeente Aalten. Transformatie binnen de eigen organisatie Eind 2019 heeft de raad met het vaststellen van de nieuwe Verordening Sociaal Domein een belangrijke stap gezet richting transformatie. Uitgangspunt van deze verordening is de ‘omgekeerde toets’. De omgekeerde toets sluit aan bij de gedachte om een regelgestuurde en aanbodgerichte werkwijze in te ruilen voor een oplossings- en vraaggerichte aanpak over de domeinen heen, waarbij de inwoner centraal staat. Als gevolg van deze integrale benadering moeten de schotten tussen de drie wetten, de Jeugdwet, de Wmo en de Participatiewet verdwijnen. De methodiek stimuleert creatieve oplossingen, die soms niet voor de hand liggen, maar wel goed kunnen zijn voor de inwoners van de gemeente Aalten. Hiermee sluiten we meer aan bij de geest dan bij de letter van de wet. In de afgelopen maanden zijn stappen gezet om de transformatie in de uitvoering van team Zorg vorm te geven. Zo hebben de medewerkers van team Zorg en een aantal andere medewerkers uit andere teams eind 2019 een training “omgekeerd toetsen” gevolgd van Stimulansz.
Dit transformatieproces binnen team Zorg moet echter sneller en beter. De teamcoördinator heeft als opdracht gekregen dit proces te begeleiden en te versnellen. Werkplan “Zo persoonlijk mogelijk” Uiterlijk 15 juli 2020 is het werkplan “Zo persoonlijk mogelijk” gereed. In dit plan worden de stappen beschreven die intern gezet moeten worden om de transformatie in de manier van werken in team Zorg versneld vorm te geven. In het werkplan wordt in ieder geval het volgende opgenomen: Hoe de integrale toegang tot zorg georganiseerd wordt. Hoe de werkwijze omgekeerde toets verder geïmplementeerd wordt. Hoe we meer gebruik gaan maken van vrij toegankelijke voorzieningen Hoe zorgindicaties in de toekomst getoetst worden. Hoe de administratieve verwerking van zorgindicaties verbeterd wordt. Hoe we komen tot kortere indicaties en frequentere contactmomenten. Hoe het eerste keukentafelgesprek hier een rol in krijgt. Hoe we betere interventies plegen om duurdere zorg te voorkomen Hoe we administratieve verlengingsaanvragen beoordelen Hoe we de overgang van de jeugdwet naar wmo/p-wet organiseren. Andere teams en afdelingen De vraag van de inwoner is niet altijd in een wet uit te drukken. Soms ligt de oplossing van de vraag op een heel ander vlak. Hierbij valt te denken aan leerlingenvervoer, sport, cultuur of handhaving.
Ook wonen of buitenruimte kunnen oplossingen bieden voor de individuele inwoner. Integrale samenwerking tussen alle teams binnen de gemeente is essentieel. Samenwerking andere organisaties en hulpverleners Een goede integrale benadering in zorg en ondersteuning draagt bij aan een toekomstbestendig zorglandschap. Doel is het zo snel en eenvoudig mogelijk oplossen van problemen én het versterken van zelfregie, zelfredzaamheid en participatie. Daarvoor moet een samenwerking worden opgezet met deskundigen uit het veld, zoals huisartsen, hulpverleners, maar ook gebruikers.
8
Maatregelen Jeugd A1 Normaliseren De Jeugdwet kent geen concrete afbakening van zorg. Het is aan de gemeenten om maatwerk te leveren en per casus te bekijken welke zorg nodig is. De vraag is dan, wat is normaal, wat hoort bij de opvoeding en waar moet het accent van de hulp gelegd worden. Is dit bij het kind of bij de ouders? We gaan meer inzetten op het normaliseren. Niet alle problemen of gedragsuitingen hebben een eerstelijns of tweedelijns inzet nodig. Heel veel gedrag hoort bij een bepaalde leeftijd. Door aan de voorkant meer te sturen op de inzet van de opvoeding, neemt de vraag naar zorg af. We verwachten een besparing van 1 a 2% op het totaal van de gedeclareerde jeugdzorg. Dit betekent €60.000 in 2020 oplopend naar €100.000 in 2021 en verder. A2 Van Centrum voor Jeugd en Gezin naar OT en PPJ Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) is sinds 2010 actief in Aalten. De rol van het CJG is in de afgelopen jaren grotendeels overgenomen door het ondersteuningsteam (OT) en Preventie Platform Jeugd (PPJ). Begin 2020 hebben er gesprekken plaatsgevonden waarbij is aangekondigd dat het CJG en de vergoeding voor de organisaties met ingang van 2021 stopt. De organisatiekosten van het CJG vervallen per 2021. Hierdoor realiseren we een besparing van €25.000 vanaf 2021.
A3 Meer inzet praktijk ondersteuner huisartsen (POH) jeugd Op dit moment beschikken drie van de zes huisartspraktijken over een POH jeugd. De ervaring wijst uit dat door de inzet van POH-jeugd de lijnen korter worden en er vaker eerstelijns zorg wordt ingezet in plaats van (duurdere) tweedelijns zorg. Eind 2020 wordt het project geëvalueerd. Als de evaluatie de verwachte verschuiving van kosten en daarmee een besparing laten zien dan gaan we hier op investeren. Verzekeraar Menzis wil een financiële bijdrage leveren voor de inzet van de POH als blijkt dat de POH een besparing is. Deze bijdrage wordt gebruikt als aanvulling op de investering om meer POH ’s te gaan inzetten zodat alle huisartspraktijken een POH jeugd hebben. We verwachten een besparing van ca 4% op de basis- en specialistische JGGZ. Dit betekent €30.000 vanaf 2021. A4 Verbeterde samenwerking gecertificeerde instellingen (GI) en zorgaanbieders. Er was in 2019 sprake van een forse stijging van zorg die wordt gedeclareerd door de gecertificeerde instellingen (GI ’s). Ook is er sprake van een grote toename van kinderen met een nieuwe OTS (onder toezicht stelling) maatregel. Het is belangrijk dat duidelijk wordt waar deze stijging vandaan komt en dus om goed met de GI ’s in gesprek te zijn. Dit is geregeld door middel van regionale samenwerkingsafspraken tussen de gemeenten en de GI ’s.
Regionaal zijn afspraken gemaakt dat GI ’s eerst contact hebben met een consulent van de gemeente alvorens de bepaling (beschikking vanuit de GI) op te stellen. Het mag nu niet meer voorkomen dat er een kind met een OTS in onze gemeente verblijft zonder dat wij hiervan op de hoogte zijn en meegedacht hebben. A5 Preventieve jeugdbescherming optimaal benutten In het regionale actieplan jeugdbescherming Achterhoek is de doelstelling opgenomen dat Preventieve jeugdbescherming optimaal benut wordt waar nodig. Om dit te realiseren moeten de volgende acties ondernomen worden: - Onderzoek de rol van de preventieve jeugdbescherming en stem met GI de onderlinge verwachtingen af hierover - Breng het niveau van Preventieve jeugdbescherming in beeld - Maak rollen, taken en verantwoordelijkheden duidelijk en deel dat. A6 Verkorten duur OTS-maatregel De Achterhoekse gemeenten zijn met de GI ’s in gesprek om de duur van de OTS-maatregel te verkorten. Dit is een onderdeel van het regionale actieplan jeugdbescherming Achterhoek. Binnen het actieplan wordt gezocht naar mogelijkheden waarbij er een peloton hulp klaarstaat als de OTS is uitgesproken. Het doel hiervan is om binnen een half jaar perspectief te kunnen bieden. Zo duurt een OTS-maatregel nooit langer dan nodig. Daarnaast levert meer samenwerking tussen aanbieders en de consulent meer kennisuitwisseling op. 9
Van de gecombineerde maatregelen A4, A5 en A6 verwachten we een besparing van 2,5% op het budget verblijf en crisis vanaf 2021. Dit betekent €50.000. Ook in 2020 wordt er al een (klein) resultaat geboekt. A7 Onderwijs Achterstanden Budget (OAB) beter benutten Het OAB budget is bedoeld om onderwijsachterstanden bij jonge kinderen tegen te gaan of te verminderen. De gemeente mag de doelgroep zelf omschrijven en aangeven of het budget alleen ingezet wordt voor taalachterstanden of ook voor het tegengaan van ontwikkelingsachterstanden. We gaan onderzoeken welke activiteiten die momenteel vanuit de jeugdwet gefinancierd worden, bekostigd kunnen worden uit het OAB budget. We verwachten een besparing van 0,5 tot 1% op het totaal van de gedeclareerde jeugdzorg vanaf 2021. Dit betekent € 25.000. A8 Betere kostenverdeling bij zorg in onderwijs Voor zorg in onderwijs zijn afspraken gemaakt met het Primair Onderwijs. Onder andere dat er vanuit de gemeente 50 % wordt bijgedragen. We gaan nauwkeuriger kijken of we dat alleen betalen voor 50% van de zorgkosten (en niet voor meer). Met het Voortgezet Onderwijs zijn minder duidelijke afspraken over de kostenverdeling. We gaan met het onderwijs in gesprek om scherpere afspraken te maken over zorgarrangementen. We verwachten een besparing van €5000 per jaar vanaf 2021.
A9 Maatschappelijke Stage De Maatschappelijke stage is niet meer verplicht op de scholen. De gemeente Aalten vindt het wel van belang dat jongeren ‘verder kijken’ dan alleen hun eigen omgeving. De maatschappelijke stage is daarvoor een goed middel om jongeren kennis te laten maken met maatschappelijke organisaties en zich daarvoor in te zetten. De gemeente bekostigt een groot deel van de kosten die de maatschappelijke stage met zich meebrengt. Door de organisatie van de maatschappelijke stages anders in te richten kunnen kosten bespaard worden. We verwachten een besparing van €17.000 vanaf 2021. Maatregelen Wmo B1 Versterken Inloopvoorzieningen Er zijn op diverse plekken en vanuit verschillende geledingen inloopvoorzieningen in de gemeente Aalten. Zo organiseren diverse geloofsgemeenschappen, ouderenbonden, ouderenorganisaties, maar ook Figulus en Kulturhusen inloopvoorzieningen. Deze inloopvoorzieningen zijn een alternatief voor geïndiceerde dagbesteding, hierdoor kan eenzaamheid worden voorkomen en worden mantelzorgers ondersteund. In 2019 is de ontwikkeling in gang gezet om inloopvoorzieningen prominenter te positioneren in de gemeente Aalten, deze ontwikkeling wordt voortgezet en uitgebouwd. We verwachten een besparing op hulp-op-maatvoorzieningen (WMO Begeleiding) van 5% in 2020 oplopend naar 7,5% in 2021 en 12.5% op de lange termijn.
Dit betekent €140.000 oplopend naar €210.000 tot € 350.000. Er is wel een investering voor nodig om inloopvoorzieningen beter te positioneren en in samenhang met elkaar te brengen. Hiervoor reserveren we € 50.000. B2 Ondersteuning individueel groepsgewijs aanbieden De dienst ondersteuning individueel is gericht op het vergroten dan wel behouden van de zelfredzaamheid en de deelname aan de samenleving. Ondersteuning individueel wordt op dit moment vormgegeven door inzet van ambulante begeleiders die cliënten in hun eigen thuissituatie begeleiden. We gaan er van uit dat deze begeleiding ook groepsgewijs kan plaatsvinden op een centrale locatie. Cliënten met eenzelfde ondersteuningsvraag, bijvoorbeeld het plannen van de week, kunnen dit gezamenlijk doen. Hierdoor kan op hetzelfde moment één begeleider meerdere cliënten ondersteunen. In 2017 is hier reeds ervaring mee opgedaan voor een locatie waar meerdere cliënten met een verstandelijke beperking zelfstandig wonen met ondersteuning individueel. Naast een besparing van menskracht kan deze werkwijze ook zorgen voor het leren van elkaar. Tevens leidt dit tot meer sociale contacten tussen cliënten.
10
We verwachten een besparing van 3 à 4% in 2021 oplopend naar 13% op de lange termijn op met name WMO Begeleiding. Dit betekent €100.000 oplopend tot € 360.000. B3 Doorstroming naar andere vormen van daginvulling Een deel van de cliënten die de maatwerkvoorziening ondersteuning groep (dagbesteding) ontvangt, is jonger dan 67 jaar. In 2018 waren er 13 cliënten tussen 18-27 jaar en in 2019 waren dit 12 cliënten. In de leeftijdscategorie 27-67 jaar bedroeg het aantal cliënten in beide jaren 37. Cliënten die op jonge leeftijd een indicatie ondersteuning groep hebben ontvangen, ontvangen dit veelal voor een lange periode. Wanneer wordt geïnvesteerd om een aantal van deze cliënten door te laten stromen naar andere vormen van daginvulling (bijv. vrijwilligerswerk, beschut werk of betaald werk) bespaart dit voor een lange periode. Switchen in de keten Er is een pilot ‘switchen in de keten’ in voorbereiding. Dit wordt opgezet in samenwerking met Estinea, Laborijn en gemeente Aalten. Voor de pilot worden 15 cliënten gezocht vanuit Wmo en Pwet die hieraan kunnen deelnemen. Er is een overzicht gemaakt van mogelijke kandidaten vanuit de Wmo. deze cliënten hebben een indicatie van in totaal 84 dagdelen per week. Uit de pilot moet blijken hoeveel cliënten kunnen doorstromen van dagbesteding naar andere vormen van daginvulling.
We verwachten dat 30% (5 cliënten) gaat doorstromen naar andere daginvulling dan dagbesteding vanuit Wmo. Het te besparen bedrag wordt op termijn geraamd op € 54.000. Hiervoor dient eerst wel te worden geïnvesteerd in de pilot. De kosten voor het uitvoeren van deze pilot bedragen € 48.000. De helft van deze kosten kan door Laborijn bekostigd worden. We verwachten een besparing van ca 5% in 2021 oplopend naar 7% op de lange termijn op met name WMO Begeleiding. Dit betekent € 162.000 oplopend tot € 216.000. B4 Herindicatie hulp bij huishouden Voor het bepalen van het aantal uren per week huishoudelijke hulp wordt momenteel een normenkader gehanteerd uit 2013. Dit normenkader zorgt ervoor dat op dit moment gemiddeld 3,5 uur/week huishoudelijke hulp wordt geïndiceerd. Door te gaan beoordelen volgens de omgekeerde toets en nog meer te kijken naar wat daadwerkelijk nodig is, kan het gemiddelde aantal uren per week terug gebracht worden naar 2,5 uur per week (het landelijk gemiddelde). Het oude normenkader past niet meer bij de huidige praktijk en wordt vervangen door een nieuw normenkader HH. Dit om de indicaties juridisch goed te onderbouwen. Bijvoorbeeld een alleenstaande, woonachtig in een seniorenwoning, kan tot nu toe 3,5 uur huishoudelijke hulp krijgen. Daarbij kijken we natuurlijk nu ook al naar de woonoppervlakte en wat iemand daadwerkelijk nog zelf kan.
Maar dit soort maatwerk gaan we verder uitbouwen en overal toepassen aan de hand van de nieuwe kaders. We merken inmiddels dat inwoners op de hoogte raken van de financiële situatie van onze gemeente en bereid blijken om met ons mee te denken en niet onwelwillend zijn wanneer wij de inzet van huishoudelijke hulp willen terugbrengen. Uiteraard schalen wij alleen zorg af bij inwoners bij wie dat ook kan. Vanaf september 2020 gebruiken wij anderhalf jaar om alle indicaties Huishoudelijke Hulp opnieuw te beoordelen. Om deze reden verwachten wij een besparing van ca 15% in 2020 oplopend naar 30% in 2021 en verder op het budget huishoudelijke hulp. Dit betekent een besparing van € 350.000 oplopend naar € 700.000. B5 Herindicatie begeleiding Begeleiding is een vorm van zorg-op-maat gebaseerd op specifieke problemen en ontwikkelpunten van de individuele cliënt in zijn context. Door te werken volgens de omgekeerde toets, kan eenduidigheid van indiceren worden verbeterd en wordt geïndiceerd naar wat werkelijk nodig is. We verwachten een besparing oplopend in 3 jaar naar 5% van het budget WMO Begeleiding. Dit betekent een besparing van € 150.000.
11
B6 Hulpmiddelenpool Om het verstrekken van hulpmiddelen vanuit de Wmo te beperken is enige jaren geleden gestart met een hulpmiddelenpool. Deze hulpmiddelenpool is gesitueerd bij Figulus. Mensen die niet structureel of weinig frequent gebruik maken van een hulpmiddel worden naar deze pool verwezen. Uit evaluatie blijkt dat de hulpmiddelenpool onvoldoende ingebed is in de Aaltense samenleving. Door de hulpmiddelenpool meer te promoten en inwoners actiever te verwijzen worden er minder hulpmiddelen geïndiceerd. We verwachten een besparing oplopend naar ca 2% van het budget WMO hulpmiddelen. Dit betekent een besparing van € 10.000. B7 Wonen en Zorg Om het aantal woningaanpassingen te verminderen, hebben we afgesproken om samen met de beleidsmedewerkers Wonen nieuwe prestatieafspraken met de woningcorporatie te maken. Aangepaste of levensloopbestendige woningen zijn vaak niet beschikbaar voor inwoners die grote woningaanpassingen moeten doen. Wanneer meer geschikte woningen beschikbaar zijn, kan vaker worden verhuisd naar een geschikte woning en is het aanpassen van de huidige woning niet noodzakelijk. Daarnaast wordt op dit moment vanuit het team Zorg samen met Wonen een uitgangspuntennotitie geschreven die dient als onderlegger voor het bouwen van nieuwe geschikte woningen voor m.n. ouderen.
Tevens staat hierin dat de gemeente graag ziet dat de Wlz-capaciteit voor verpleeghuizen wordt uitgebreid. Realisatie van deze plannen brengt het aantal indicaties vanuit de Wmo omlaag. We verwachten een besparing oplopend naar ca 6% van het budget WMO hulpmiddelen op de lange termijn. Dit betekent een besparing van € 50.000. Verschil in besparingsmogelijkheden WMO en Jeugd Uit de maatregelen blijkt dat de besparingsmogelijkheden bij de Wmo groter zijn dan bij de Jeugdwet. Een verklaring hiervoor is dat, in tegenstelling tot de Wmo, bij de Jeugdwet een belangrijk deel van de toeleiding naar zorg in handen is van andere partijen dan de gemeente. Ook huisartsen en de rechterlijke macht kunnen een indicatie stellen tot jeugdzorg. In veel gevallen gaat het om de duurdere vormen van zorg. Als gevolg hiervan is de beïnvloedbare ruimte bij de WMO groter dan bij Jeugdzorg. Daarnaast moet duidelijk zijn dat niet alleen de maatregelen die genoemd worden bij Jeugd effect op de uitgaven voor jeugdzorg. Ook de maatregelen die hieronder beschreven hebben effect op de uitgaven bij jeugd (en ook WMO). Overige maatregelen C1 Inzetten voorliggende voorzieningen De Wmo kent een aantal voorliggende voorzieningen en ook bij Jeugd zijn er mogelijkheden. We gaan nog meer dan voorheen onderzoeken of een inwoner die een melding doet bij de gemeente, een beroep kan doen op een van deze voorzieningen.
De voorliggende voorzieningen zijn: De Wet langdurige zorg (Wlz). de Zorgverzekeringswet (Zvw). Wettelijke aansprakelijkheid. Wanneer een inwoner slachtoffer is van een ongeluk waarbij een andere partij aansprakelijk is voor de letselschade en een beroep doet op Wmo-voorzieningen, dan kan de gemeente de kosten hiervoor in kaart brengen voor de inwoner. Overig Er zijn (wettelijke) arbeidsvoorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan voordat de maatwerkvoorziening “begeleiding” wordt overwogen. We verwachten een besparing van ca 1% van het totale zorgbudget op de middellange termijn. Dit betekent een besparing van € 130.000.
12
C2 Herijken voorliggend veld Preventie en een sterk voorveld zijn belangrijk om te voorkomen dat problemen bij inwoners groter worden, met alle gevolgen van dien. We hebben als gemeente met diverse maatschappelijke organisaties afspraken gemaakt om inwoners te ondersteunen. Zij bieden deze ondersteuning zonder dat hiervoor een indicatie of verwijzing nodig is, het voorliggend veld. De diverse organisaties hebben ieder hun eigen rol hierin. Er zijn organisaties die individuele ondersteuning geven, anderen geven groepsgewijze ondersteuning. Sommige organisaties hebben een specifieke doelgroep waar zij ondersteuning aan geven. Anderen ondersteunen juist particuliere initiatieven. Met deze organisaties heeft de gemeente Aalten een subsidierelatie. Er zijn nu tal van preventieve activiteiten waarbij onvoldoende in beeld is hoeveel gebruik ervan gemaakt wordt, wat het effect is en of we het beter en/of goedkoper kunnen aanbieden. Daarnaast ontbreekt op dit moment de samenhang in het voorliggend veld. We gaan dit in beeld brengen door te monitoren wat het gebruik en effect is. Naar aanleiding van de monitoring wordt bepaald welke activiteiten voortgezet of zelfs geïntensiveerd worden en welke activiteiten stoppen.
Door te meten maken we het gebruik en effect inzichtelijk en dat geeft ons meer duidelijkheid waar we op moeten inzetten waardoor hulp-op-maat minder vaak ingezet hoeft te worden. Bovendien wordt de zichtbaarheid van het voorliggend veld voor de inwoner verder verbeterd. We verwachten een kleine besparing op het totale zorgbudget op de middellange termijn. De herijking van het voorliggende veld is een belangrijke stap in de transformatie van het Sociaal Domein. Maatregelen vervoer D1 Electrokarren Sinds 2014 worden electrokarren in de kernen Aalten en Dinxperlo ingezet voor korte ritten (minder dan 3 km). Na introductie van de electrokarren, daalde het aantal korte ritten met ZOOV. In 2020 wordt één electrokar in de kern Aalten vervangen door een elektrische auto. Daarnaast kan er vanaf dit jaar gebruik worden gemaakt van de elektrische auto in Breedenbroek. Hierdoor wordt de capaciteit van deze vorm van vervoer vergroot. D2 Drempelbedrag ZOOV Ongeveer 300 cliënten die een indicatie voor collectief vraagafhankelijk vervoer (ZOOV) hebben, maken hier geen gebruik van. Door het instellen van een vaste bijdrage voor ZOOV per maand van € 5 voor alle geïndiceerden (900 cliënten) is de verwachting dat inwoners hun indicatie laten beëindigen indien zij hier nauwelijks gebruik van maken en minder snel een indicatie aanvragen.
Deze vaste bijdrage zou met ingang van 1-1-2020 al ingevoerd worden, maar dat is niet gebeurd omdat er ook sprake was van een forse tariefsverhoging van ca 10%. D3 Vervoersvoorzieningen Bij een gering aantal inwoners zijn meerdere vervoersvoorzieningen geïndiceerd. We gaan in de beleidsregels opnemen dat ten hoogste één vervoersvoorziening kan worden geïndiceerd, m.u.v. ZOOV. ZOOV wordt dan gebruikt voor het vervoer op langere afstanden. Als er dan al een vervoersvoorziening is, wordt het aantal te reizen kilometers gehalveerd. We verwachten met deze gecombineerde maatregelen een besparing van ca 40% van het vervoersbudget op de middellange termijn. Dit betekent een besparing oplopend tot € 50.000 per jaar. Maatregelen bedrijfsvoering E1 Verplichtingen administratie inrichten Een verplichtingen administratie geeft inzicht waardoor we beter kunnen sturen. Met de verplichtingen administratie kunnen we per balansdatum beter beoordelen welke zorg al geleverd is en welke zorg nog niet. Daarnaast kunnen we de verschillen tussen indicatie en facturatie beter duiden. We verwachten een besparing van 1% op het totale zorgbudget. Dit betekent een jaarlijkse besparing van € 130.000 vanaf 2021.
13
6. Tot Slot In deze nota geven we een analyse van de stijging van de uitgaven in het Sociale Domein en een beschrijving van de maatregelen om het financieel in de greep te krijgen. Het feit dat alle Nederlandse gemeenten worstelen met tekorten in het sociaal domein doet niet af dat we de gemeente Aalten weer gezond moeten krijgen. We zorgen dat het geld op de juiste plaats terecht komt, bij die mensen die het echt nodig hebben. Daarom zetten we ook nadrukkelijk in op de transformatie. Door aan de hand van de verordening sociaal domein gebruik te maken van de omgekeerde toets. Dit wil niet zeggen dat we alles niet goed deden, maar wil wel beogen dat we anders moeten gaan werken om de zorg te blijven bieden. Met deze nota zijn we er niet, we moeten ook uitvoeren. Daarom worden per maatregel proceseigenaren benoemd die ieder hun deel moeten uitvoeren en implementeren. Met de voorgestelde maatregelen zetten wij een goede stap om meer grip te krijgen op de financiën in het sociaal domein. De besparingen per maatregel zijn ramingen. Het exacte effect van de verschillende besparingen is immers op voorhand niet te berekenen. Op basis van de nadere uitwerkingen per maatregel krijgen we beter en scherper inzicht in de te realiseren (realistische) bezuinigingsopbrengsten.
Ondanks de voorgestelde maatregelen is het niet mogelijk om alle noodzakelijke zorgkosten te dekken vanuit de rijksbijdrage. Als we een sociale gemeente willen blijven die de zorg verleent die inwoners nodig hebben dan moeten de kosten in de totale begroting gedekt worden. Dat betekent dat we ook op andere terreinen moeten kijken naar kostenbesparende of opbrengstverhogende maatregelen. We benadrukken dat het transformatieplan sociaal domein een dynamisch karakter heeft. Beleidsmatige keuzes, groei van de vraag naar zorg, hoogte rijksbijdragen, rechterlijke uitspraken aanpassing van wetgeving, maar natuurlijk ook onvoorziene gebeurtenissen als corona kunnen aanleiding zijn tot bijstelling van dit plan. Nota Sociaal Domein Het transformatieplan wordt als opmaat gebruikt om te komen tot een Integrale nota Sociaal Domein. De nota gaat aansluiten op de verordening Sociaal Domein en met als doel de volgende stap te zetten in de transformatie van het sociaal domein. Onmisbaar voor dit beleid zijn de inwoners die hierin meedenken en doen, een goede relatie met organisaties (bedrijven en maatschappelijke instellingen) en een breed politiek draagvlak. Het benutten van de samenwerking is belangrijk.
Voor het opstellen van de Nota Sociaal Domein wordt dan ook een uitgebreid participatieprogramma opgesteld, waarin we met name inwoners, maar ook andere stakeholders uit de maatschappij een rol willen geven.
14
Bijlage 1: Financieel overzicht maatregelen
15
Bijlage 2: Analyse gegevens Sociaal Domein (Jeugd en WMO) Ontwikkeling kosten gedeclareerde zorg Het kostenverloop van de gedeclareerde zorg van de Wmo en Jeugdwet laat voor onze gemeente sinds de decentralisaties het volgende beeld zien:
Wmo - een stijging van de kosten: van plusminus € 5.1 miljoen in 2015 naar plusminus €6.7 miljoen in 2019.
Jeugdhulp - een stijging in de kosten: van plusminus €3.3 miljoen in 2015 naar bijna €6.5 miljoen in 2019.
Naar verwachting hebben we in 2020 een aanvullend tekort op het sociaal domein van ruim € 1,5 miljoen structureel per jaar. Dit bedrag komt bovenop de al gestelde bezuinigingen in de begroting. Totaal betekent dit een tekort van ongeveer € 2,7 miljoen.
16
Analyse huidige situatie Om tot de juiste set van maatregelen te komen is een analyse van de huidige situatie noodzakelijk. Hiervoor wordt op hoofdlijnen een analyse gemaakt met de volgende gegevens:
Aantal indicaties: het aantal openstaande beschikkingen gedurende het genoemde jaar (bron: Suite voor Jeugd en WMO). Aantal cliënten indicatie: het aantal cliënten met een openstaande beschikking(en) gedurende het genoemde jaar (bron: Suite voor Jeugd en WMO). Aantal unieke cliënten declaraties: het unieke aantal cliënten (persoon komt maar een keer voor, ook al geniet deze meerdere zorgvormen) dat zorgkosten genereert gedurende het genoemde jaar (bron: Suite voor Jeugd en WMO). Totale waarde declaraties in euro’s: de totaalbedragen van de uitgaven voor Jeugd en WMO zoals verwerkt in Suite van het genoemde jaar. Aantal inwoners gemeente Aalten: het aantal personen ingeschreven in de BRP (basisregistratie personen) op 1 januari van het genoemde jaar (bron: demografische rapportage, vka college d.d. 10 maart 2020). Aantal personen in de doelgroep: het aantal personen ingeschreven in de BRP (basisregistratie personen) op 1 januari van het genoemde jaar uitgesplitst naar leeftijdscohort (bron: demografische rapportage vka college d.d. 10 maart 2020).
Bovenstaande gegevens worden verwerkt tot kengetallen. Hiervoor wordt de volgende onderverdeling gehanteerd: Per wet Per jaar (referentiejaar 2018)2 De volgende kengetallen worden gehanteerd:
Aantal indicaties per cliënt Aantal indicaties per 1.000 inwoners Aantal indicaties per persoon in de doelgroep Aantal cliënten per 1.000 inwoners Waarde per cliënt Waarde per indicatie Waarde per persoon in de doelgroep Waarde per 1.000 inwoners
Aangezien 2018 als referentiejaar gehanteerd wordt zijn alle kengetallen relatieve getallen. Het heeft de voorkeur deze kengetallen te vergelijken met andere gemeenten in de regio Achterhoek die gebruik maken van Init8 en waar mogelijk met landelijke cijfers van gemeenten met een vergelijkbare omvang. Gezien de verschillen tussen Init83 en de eigen administratie, en de beperkte beschikbaarheid van landelijke cijfers, is een benchmark vooralsnog erg lastig op te stellen en moet gewerkt worden met verhoudingscijfers ten aanzien van voorgaande jaren. Wel is het zaak om de cijfers in Init8 beter aan te sluiten op de eigen administratie. Hier wordt lokaal en regionaal aan gewerkt.
2 Er is voor 2018 als referentiejaar gekozen omdat vanaf 2018 financiën, ICT en productcodes goed op elkaar
aangesloten zijn. 3 Computersysteem waarin de samenwerkende Achterhoekse gemeenten gegevens m.b.t. het sociale domein
verzamelen.
17
WMO
# indicaties # cliënten indicatie # unieke cliënten declaraties kosten geleverde zorg € x €1.000 # inwoners Aalten # personen doel 65+
2018 3.301 1.614 1.275 5.642 26.974 5.846
2019 3.575 1.761 1.433 6.739 27.012 5.972
afwijking 8% 9% 12% 19% 0% 2%
# indicaties per cliënt # indicaties per 1.000 inwoners # indicaties per persoon doelgroep 65+ # cliënten per 1.000 inwoners € per cliënt € per indicatie € per persoon doelgroep 65+ € per 1.000 inwoners
2.05 122,38 0,56 59,84 € 4.425 €1.709 €965 €209.158
2.03 132,35 0,60 65,19 € 4.703 €1.885 €1.128 €249.480
- 1% 8% 6% 9% 6% 10% 17% 19%
WMO 1 120 110 100 90 80 2018
2019
Indicaties per cliënt
Indicaties per 1.000 inwoners
Indicaties per persoon doelgr 65+
Cliënten per 1.000 inwoners
WMO 2 130 120 110 100 90 80 2018
2019
€ per cliënt
€ per indicatie
€ per persoon doelgroep 65+
€ per 1.000 inwoners
18
Op basis van de gegevens kunnen de volgende feiten worden vastgesteld:
Het aantal indicaties is in 2019 gestegen met 8%. Het aantal cliënten met een indicatie is in 2019 met 9% gestegen. Het aantal personen in de doelgroep 65+ stijgt met 2%. Het aantal indicaties per cliënt daalt met 1%. Wel stijgt de waarde van de indicaties per cliënt met 6% in dezelfde periode. Het aantal cliënten per 1.000 inwoners stijgt evenredig met het aantal cliënten met een indicatie. Een beperkt deel wordt veroorzaakt door de stijging van het aantal personen in de doelgroep 65+. Zowel het aantal indicaties per 1.000 inwoners als het aantal indicaties per persoon binnen de doelgroep (65+’ers) is relatief gezien hoger dan in 2018. De waarde per indicatie is in met 10% toegenomen, een deel wordt veroorzaakt door een prijsstijging voornamelijk als gevolg van de gestegen loonkosten bij HbH. In grafiek 2 is duidelijk te zien dat de kosten per 1.000 inwoners zijn gestegen met 20%, dit is het gevolg van een gestegen aantal cliënten in combinatie met een fors gestegen waarde per indicatie.
Op basis van de gegevens, voorgaande grafieken en genoemde feiten mogen de volgende voorzichtige conclusies worden getrokken, deze worden verder uitgewerkt en aan maatregelen gekoppeld:
Het aantal indicaties is gestegen t.o.v. 2018 o.a. doordat de doelgroep 65+’ers een groei van 2% kent. Het relatieve aantal indicaties daalt per cliënt, terwijl dit stijgt per 1.000 inwoners als ook per persoon in de doelgroep 65+. Geconcludeerd mag worden dat de consulenten niet vaker indiceren dan voorheen, integendeel zelfs. Aangenomen mag worden dat activering van het sociale netwerk van de cliënt en gebruik van het voorliggend veld hier debet aan zijn. De waarde per indicatie stijgt met 10% in 1 jaar tijd. Een deel is te verklaren door een prijsstijging als gevolg van de gestegen CAO-VVT (o.a. thuiszorg). Onderzocht moet worden of duurdere zorg wordt geïndiceerd dan in 2018, immers het aantal indicaties per cliënt daalt maar de waarde per indicatie stijgt waardoor de kosten per cliënt ook stijgen met ongeveer 10% in 2019 ten opzichte 2018.
Jeugd
# indicaties # cliënten indicatie # unieke cliënten declaraties € x €1.000 # inwoners Aalten # personen doel -19
2018 1.421 678 646 5.318 26.974 6.087
2019 1.708 791 666 6.476 27.012 5.974
afwijking 20% 17% 3% 22% 0% -2%
# indicaties per cliënt # indicaties per 1.000 inwoners # indicaties per persoon doelgroep -19 # cliënten per 1.000 inwoners € per cliënt € per indicatie € per persoon doelgroep -19 € per 1.000 inwoners
2,10 52,68 0,23 25,14 € 8.232 € 3.742 € 874 € 197.150
2,16 63,23 0,29 29,28 € 9.724 € 3.792 € 1.084 € 239.748
3% 20% 22% 17% 18% 1% 24% 22%
19
Jeugd 1 130 120 110 100 90 2018 Indicaties per cliënt
2019 Indicaties per 1.000 inwoners
Indicaties per persoon doelgr -19
Cliënten per 1.000 inwoners
Jeugd 2 130 120 110 100 90 80 2018
2019
€ per cliënt
€ per indicatie
€ per persoon doelgroep -19
€ per 1.000 inwoners
Op basis van de gegevens en voorgaande grafieken kunnen de volgende feiten worden vastgesteld:
Het aantal indicaties is in 2019 gestegen met 20% Het aantal cliënten indicaties is in 2019 gestegen met 17% Het aantal personen in de doelgroep daalt met ongeveer 2%. Het aantal unieke cliënten met een declaratie stijgt met 3%. Het aantal cliënten per 1.000 inwoners stijgt met 17% bijna evenredig als het absolute aantal indicaties. Zowel het aantal indicaties per 1.000 inwoners als het aantal indicaties per persoon binnen de doelgroep (-19’ers) is relatief gezien veel hoger. In grafiek 2 is duidelijk te zien dat de kosten per 1.000 inwoners zijn gestegen met 22%.
Op basis van de gegevens, voorgaande grafieken en genoemde feiten mogen de volgende voorzichtige conclusies worden getrokken:
Het aantal indicaties per cliënt is in 2019 relatief gezien bijna gelijk aan referentiejaar 2018, dit geldt ook voor de waarde van de indicaties. Hieruit mag geconcludeerd worden dat de consulenten niet meer of duurder zijn gaan indiceren. De omvang van de doelgroep daalt met 2%, maar het aantal cliënten indicaties in de doelgroep stijgt explosief met 17%
20