rvs APV omgevingswet
Tekst van het document
Raadsvoorstel Voorstel tot vaststellen van de 5de wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2015 (APV).
AAN DE RAAD
Samenvatting De raad wordt voorgesteld de 5de wijziging van de APV vast te stellen. Deze wijziging betreft een technische wijziging van de APV naar aanleiding van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 inwerking treedt. Voor de wijziging is de modelwijziging van de VNG gevolgd. De wijziging is nodig om met de APV door te kunnen werken op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Benadrukt wordt dat er bij deze vijfde wijziging van de APV enkel technische wijzigingen zijn doorgevoerd en dat er inhoudelijk geen beleid is aangepast c.q. veranderd. Inleiding De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. De Omgevingswet heeft gevolgen voor de Algemene plaatselijke verordening (APV), omdat de APV ook regels bevat over de fysieke leefomgeving. Tot 2030 is er een overgangsfase waarin inhoudelijke aanpassing tot stand moet komen. Met ingang van 1 januari 2024 moet de APV al wel technisch zijn aangepast aan de Omgevingswet. In verband daarmee zijn de wettelijke grondslagen en formele verwijzingen in de APV geactualiseerd, zodat vanaf 1 januari 2024 doorgewerkt kan worden met de APV.
De belangrijkste verwijzingen zijn: verwijzingen naar wet- en regelgeving zijn aangepast, definities zijn aangepast of aangevuld, de APV-regels over geluidhinder en hinder door verlichting vanuit inrichtingen (de artikelen 4:1 tot en met 4:5a van APV) blijven gelden tot uiterlijk het einde van de overgangsfase. Voor handhaving van de status quo moet wel duidelijk worden gemaakt dat de basis van deze regels gevormd wordt door wet- en regelgeving zoals die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden. Daarom is voor de toepassing van deze APV-artikelen aan de verwijzing naar de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder toegevoegd: zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De tenaamstelling van ‘bestemmingsplan’ zal vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 veranderen in ‘omgevingsplan’. Alle bestemmingsplannen, beheersverordeningen etc. vallen vanaf dat moment namelijk onder het omgevingsplan. Deswege is de tenaamstelling van ‘bestemmingsplan’ in deze wijziging gewijzigd in ‘omgevingsplan’. De toelichting van de Apv is hierin niet meegenomen. Deze zal worden meegenomen op het moment dat de VNG een modeltoelichting uitbrengt.
Beschrijving beleidsterrein inclusief toepasselijke regelgeving APV en Omgevingswet Inhoudelijke toelichting op het voorstel / Artikelgewijze toelichting In deze artikelen worden grondslagen en formele wijzigingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Benadrukt wordt dat dit enkel een technische wijziging betreft. De APV zal inhoudelijk worden aangepast, op het moment dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een nieuwe modelverordening uitbrengt. Zij behoeven geen afzonderlijke toelichting. Een aantal artikelen worden vanwege het bijzondere karakter wel toegelicht.
Wijziging 1. Definities / Artikel 1:1 APV In dit onderdeel wordt een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen in artikel 1:1, waarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied. In diverse artikelen van de APV staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Voorgesteld wordt om: - de definitie van ‘beperkingengebiedactiviteit’ toe te voegen; - de definitie van ‘bevoegd gezag’ te wijzigen in: ‘bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;’; - de definitie van ‘bouwwerk’ te wijzigen in: ‘bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;’, en - de definitie van ‘gebouw’ te wijzigen in: ‘gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;’. Na de toevoeging c.q. wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening; - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; - bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders, dan wel de burgemeester; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. - college: het college van burgemeester en wethouders. - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.
- handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; Weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.
Wijziging 2. Beslistermijn / Artikel 1:2 APV In dit onderdeel wordt opgenomen dat het artikel 1:2 APV niet van toepassing is op een omgevingsvergunning. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Omgevingswet een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5.3 van de Omgevingswet. Voorgesteld wordt om het derde lid te wijzigen in: ‘Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij in deze verordening een andere termijn is bepaald. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Wijziging 3. Voorschriften en beperkingen / Artikel 1:4 APV In dit onderdeel wordt opgenomen dat het tweede lid van artikel 1:4 APV niet van toepassing is op een omgevingsvergunning. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de
Omgevingswet een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen: over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Omgevingswet (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit). Voorgesteld wordt om een derde lid toe te voegen, die als volgt luidt: ‘Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.’ Na de toevoeging luidt het artikel als volgt: Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning, ontheffing of meldingsplichtige activiteit kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning, ontheffing of melding is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend of wiens melding is geaccepteerd, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Wijziging 4. Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing / Artikel 1:5 APV In dit onderdeel wordt opgenomen dat het eerste lid van artikel 1:5 APV niet van toepassing is op een omgevingsvergunning. Voor de vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Omgevingswet een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen: voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Omgevingswet. Voorgesteld wordt om een tweede lid toe te voegen, die als volgt luidt: ‘Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.’ Na de toevoeging luidt het artikel als volgt: Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Wijziging 5. Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing / Artikel 1:6 APV In dit onderdeel wordt opgenomen dat het eerste lid van artikel 1:6 APV niet van toepassing is op een omgevingsvergunning. Voor de vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Omgevingswet een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen: over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Omgevingswet. Voorgesteld wordt om een tweede lid toe te voegen, die als volgt luidt: ‘Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.’ Na de toevoeging luidt het artikel als volgt: Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlengen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.
indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. indien de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Wijziging 6. Voorwerpen op of aan de weg / Artikel 2:10 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele wijzigingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het vijfde lid te schrappen, gezien de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgaat in de Omgevingswet. Dit artikellid verliest, bij instandhouding, haar rechtskracht.
Voorgesteld wordt om het negende lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkngengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.’ Na de toevoeging luidt het artikel als volgt:
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud aan de weg; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,50 m wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6.
Het college kan plaatsen aanwijzen voor het tijdelijk plaatsen van driehoeksborden, sandwichborden, billboards of spandoeken ten behoeve van de aankondiging van evenementen of voor maatschappelijke of culturele doeleinden en nadere regels stellen aan het gebruik van die plaatsen. 7. Het is verboden zonder het college daarvan melding te hebben gedaan de in lid 7 bedoelde voorwerpen te plaatsen op de door het college aangewezen plaatsen. De melding dient 3 weken voorafgaand aan de plaatsing te worden ingediend bij het college. De melding wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt. 8. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatwerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 9. Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Wijziging 7. (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg / Artikel 2:11 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele wijzigingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het derde lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: a.
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als de activiteiten, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn opgesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de
Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Wijziging 8. Maken of veranderen van een uitweg / Artikel 2:12 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele wijzigingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het vijfde lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: a. degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg, een foto van de bestaande situatie en een opgave van de te gebruiken materialen; of b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. De melding wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b.
dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; e. de gebruikte materialen niet naar aard, kwaliteit of aanzicht aansluiten op de materialen die toegepast zijn in de weg. 4. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft berslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Wijziging 9. Voorzieningen voor verkeer en verlichting / Artikel 2:21 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele wijzigingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het tweede lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Wijziging 10. Exploitatie openbare inrichting / Artikel 2:28 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele wijzigingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het tweede lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8, lid 1, kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als: a. naar zijn oordeel moet worden opgenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de leidinggevende onder curatele staat. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of -restaurant; e. tearooms of ijssalons. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.
Wijziging 11. Sluitingstijd / Artikel 2:29 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele wijzigingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het vijfde lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen waarin bedrijfsmatig, al dan niet door middel van een automaat, eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor directe consumptie worden verstrekt zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 03.00 en 06.00 uur. Overige openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 02.00 en 06.00 uur (sluitingstijd). 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven tijdens sluitingstijd. 3. De burgemeester kan op verzoek in bijzondere gevallen incidenteel of permanent ontheffing van het sluitingsuur verlenen. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 6.
Op de ontheffing van lid 3 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Wijziging 12. Speelgelegenheden / Artikel 2:39 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele wijzigingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het derde lid, onderdeel b, te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en c.
speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de Kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30c van de Wet op de Kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de Kansspelen te verrichten.
3. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Wijziging 13. Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren / Artikel 2:60 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het eerste lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op of door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; of c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 4. De eigenaar of houder van een dier draagt er zorg voor dat het dier niet hinderlijk of schadelijk is voor de omgeving.
Wijziging 14. Definitie / Artikel 2:71 APV In dit onderdeel wordt de definitie van consumentenvuurwerk aangepast in artikel 2:71. In artikel 5.43 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt het Vuurwerkbesluit gewijzigd. De definitie van consumentenvuurwerk vervalt. Overal waar consumentenvuurwerk staat wordt dit in het Vuurwerkbesluit vervangen door ‘vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.’ Voor de toepassing van de APV wordt het begrip consumentenvuurwerk gehandhaafd. De verwijzing naar het Vuurwerkbesluit wordt vervangen door bovengenoemde definitie. Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 2:71 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Wijziging 15. Weigeringsgronden / Artikel 3:13 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het eerste lid, onder punt b, te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan; of’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt:
Artikel 3:13 Weigeringsgronden 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan; of c. er aanwijzingen zijn dat in seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; d. de aanvrager met betrekking tot de exploitant en de beheerder geen verklaring omtrent het gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend is afgegeven. 2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; c. de veiligheid van personen of goederen; d. de verkeersvrijheid of -veiligheid; e. de gezondheid of zedelijkheid; of f. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.
Wijziging 16. Definities / Artikel 4:1 APV Dit onderdeel strekt ertoe de bepalingen over het voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting binnen of vanuit inrichtingen te handhaven. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet kunnen de artikelen 4:1 tot en met 4:5a van de APV uiterlijk tot het einde van de overgangsperiode blijven gelden. Voor handhaving van de status quo moet de wetgeving zoals die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt, dus van toepassing blijven. Het gaat om de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat in verschillende artikelen wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer is daarvan een definitie opgenomen in artikel 4:1. Voor de andere genoemde wet- en regelgeving is de toevoeging in het betreffende artikel opgenomen.
Na de toevoeging van de definitie ‘Activiteitenbesluit milieubeheer’ en de wijziging van de definities ‘inrichting’, ‘gevoelige gebouwen’ en ‘gevoelige terreinen’ luidt het artikel als volgt: Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: - Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; - gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Wijziging 17. Overige geluidhinder / Artikel 4:6 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het derde lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Wijziging 18. Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. / Artikel 4:13 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het eerste lid en het derde lid te wijzigen. De wijziging van het eerste lid luidt als volgt: ‘Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d.
mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.’ De wijziging van het derde lid luidt als volgt: ‘Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.’ Na de wijzigingen luidt het artikel als volgt: Artikel 4:13 Opslag voertuigen , vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d.
mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Wijziging 19. Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame / Artikel 4:15 APV In dit onderdeel wordt artikel 4:15, tweede lid, aangepast. Het verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Voorgesteld wordt om het eerste tweede lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.’ Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
Wijziging 20. Definitie / Artikel 4:17 APV
In dit onderdeel wordt de definitie van kampeermiddel in artikel 4:17 aangepast. Door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, die gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt, worden bouwwerken in gevolgklasse 1 vergunningvrij (bouwtechnisch deel). Grondgebonden recreatiewoningen vallen onder gevolgklasse 1 en zouden met alleen een aanpassing van de verwijzing in artikel 4:17 onder het begrip kampeermiddel komen te vervallen. Dat is ongewenst. Het moet gaan om een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. De wijziging luidt als volgt: Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Wijziging 21. Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen / Artikel 4:18 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het eerste lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.’ De wijziging luidt als volgt: Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; of b. de bescherming van een stadsgezicht. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Wijziging 22. Voertuigwrakken / Artikel 5:5 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het eerste tweede lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.’ De wijziging luidt als volgt: Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Wijziging 23. Kampeermiddelen en andere voertuigen / Artikel 5:6 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het derde lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.’ De wijziging luidt als volgt: Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;
b. op een door het college aangewezen plaat te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Wijziging 24. Standplaatsvergunning en weigeringsgronden / Artikel 5:18 APV
In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het tweede lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. Na de wijziging luidt het artikel als volgt: Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van de vergunning worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van standplaatsen. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Wijziging 25. Afbakeningsbepalingen / Artikel 5:20 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele wijzigingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het eerste lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.’ De wijziging luidt als volgt: Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Wijziging 26. Organiseren van een snuffelmarkt / Artikel 5:23 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het derde lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het Omgevingsplan.’ De wijziging luidt als volgt: Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het Omgevingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Wijziging 27. Voorwerpen op, in of boven openbaar water / Artikel 5:24 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting.
Voorgesteld wordt om het vijfde lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.’ De wijziging luidt als volgt: Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.
De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en de omvang van het voorwerp. 4. De melding wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt. 5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordenig of op de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitieregelement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Wijziging 28. Ligplaats vaartuigen / Artikel 5:28 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het tweede lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening. De wijziging luidt als volgt: Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitieregelement of de provinciale omgevingsverordening.
Wijziging 29. Crossterreinen / Artikel 5:32 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het derde lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidsproduktie sportmotoren.’ De wijziging luidt als volgt: Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. b. in het van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
Wijziging 30. Beperking verkeer in natuurgebieden / Artikel 5:33 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het vierde lid te wijzigen. De wijziging luidt als volgt: ‘Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.’ De wijziging luidt als volgt: Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in verband met: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a.
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld: e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Wijziging 31. Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken / Artikel 5:34 APV In dit onderdeel worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Zij behoeft geen afzonderlijke toelichting. Voorgesteld wordt om het eerste en het vijfde lid te wijzigen. De wijziging van het eerste lid luidt als volgt: ‘Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.’ De wijziging van het vijfde lid luidt als volgt: ‘Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 en 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.’ Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a.
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. 6. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Alternatieve beleidskeuzes N.v.t. Financiële consequenties N.v.t. Participatie en Communicatie N.v.t. Vervolgstappen inclusief tijdpad Raadsvergadering Bekendmaking gewijzigd APV week Inwerkingtreding gewijzigde APV de dag na bekendmaking Formeel besluit wijziging APV in de raadsvergadering Inwerkingtreding APV 1 januari 2024 Bijlagen 1. Ledenbrief TRE/U202100529 Lbr. 21/054 van de VNG. 2. Concept Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Aalten 2015 tot en met de 5de verzamelwijziging. 3. Collegevoorstel/-besluit 17 oktober 2023. 4. Concept raadsbesluit Aalten, 17 oktober 2023. Burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten,
drs. A.J.M. Gildhuis, Gemeentesecretaris
mr. A.B. Stapelkamp Burgemeester