rvs 4e wijziging APV.pdf
Tekst van het document
Raadsvoorstel Voorstel tot 4de wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2015 Aalten (APV).
AAN DE RAAD
Samenvatting
De raad wordt voorgesteld de 4de wijziging van de APV vast te stellen. Deze wijziging betreft opneming, wijziging of aanvulling van artikelen waarvan de wenselijkheid of noodzaak in de praktijk is gebleken. Inleiding
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2022 zal een groot deel van de regels die nu nog in de APV staan gaandeweg onderdeel gaan uitmaken van de uit die Omgevingswet voortvloeiende gemeentelijke regelgeving. In het kader daarvan worden de systematiek en de regels van de vigerende APV heroverwogen. Vanwege de relatief korte tijd die resteert tot invoering van de Omgevingswet is een integrale herziening van de APV in dit stadium niet meer zinvol. Wel is het zeer wenselijk of noodzakelijk om voor de hierna omschreven onderwerpen op korte termijn en vooruitlopend op de Omgevingswet nog artikelen aan de APV toe te voegen of bestaande artikelen te wijzigen of aan te vullen. De aanleiding voor de voorgestelde wijzigingen 6 (Lachgasverbod), 10 (Gevaarlijke honden), 12 (Openlijk drugsgebruik), 13 (Verbod oplaten ballonnen), 14 (Plaatsing kampeermiddelen en 15 (Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving) is gelegen in maatschappelijke ontwikkelingen of in de uitvoeringspraktijk opgedane ervaringen. Per wijziging wordt daarop hierna nader ingegaan. De aanleiding voor de overige voorgestelde wijzigingen ligt met name in de noodzaak van het voorkomen en tegengaan van (criminele) ondermijning.
Beschrijving beleidsterrein inclusief toepasselijke regelgeving
APV, ondermijning en uitvoeringspraktijk
Inhoudelijke toelichting op het voorstel Wijziging 1. Openbare geweldpleging / artikel 2:1 APV. Vechten op straat draagt bij aan subjectieve onveiligheidsgevoelens van winkelend en uitgaanspubliek. Daarnaast is het slecht voor het imago van de gemeente. Toch is in de APV geen specifiek verbod op vechten in de openbare ruimte / openbare geweldpleging opgenomen. Als er geen sprake is van noemenswaardig lichamelijk letsel en er geen aangifte wordt gedaan is het bovendien voor de politie nagenoeg onmogelijk om op te treden op basis van het Wetboek van Strafrecht. In dergelijke gevallen is er dus een leemte in de handhaving van de openbare orde, terwijl het, bijvoorbeeld bij uitgaansgeweld, van het grootste belang is dat lik op stuk kan worden gegeven. In die gevallen waarin dat niet via het strafrecht mogelijk is, is het wenselijk dat bestuursrechtelijk kan worden opgetreden tegen openbare geweldpleging. Daarom wordt voorgesteld om aan het bestaande
Pagina 1 van 14
eerste lid van artikel 2:1 (‘Samenscholing en ongeregeldheden”) van de APV de woorden “te vechten” toe te voegen. Na de toevoeging luidt het artikellid als volgt: Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten, of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
Voorgesteld wordt naar aanleiding van deze wijziging aan de toelichting op artikel 2:1 lid 1 APV de volgende tekst toe te voegen: “Een expliciet verbod op vechten voorziet in een leemte in de handhaving van de openbare orde, in die gevallen waarbij op grond van openlijke geweldpleging, eenvoudige mishandeling en deelneming aan een vechtpartij (artikelen 141, 300 en 306 Sr) niet kan worden opgetreden. Als twee personen vechten, er geen sprake is van letsel en er geen aangifte wordt gedaan kan de politie niet optreden met het gevolg dat daders zonder sanctie worden heengezonden. Dit is onwenselijk, omdat elke vorm van geweld onacceptabel is. Door het vechtverbod kan door de politie effectief worden opgetreden tegen lichtere vormen van geweldpleging. Bovendien gaat er een preventieve werking vanuit. Het vechtverbod komt niet in plaats van het strafrechtelijke optreden, hetgeen uitgangspunt blijft. Het verbod heeft betrekking op zowel georganiseerde als op “spontane” gevechten op openbare plaatsen. Een boete op basis van de APV is in deze gevallen een ultimum remedium om te voorkomen dat geweldplegers zonder sanctie worden heengezonden”.
Wijziging 2. Gebiedsontzegging / artikel 2.1a APV Op basis van het huidige artikel 2.1a is alleen een gebiedsontzegging mogelijk als een persoon openbare orde verstorende handelingen verricht en zich daarbij gedraagt in strijd met de bepalingen van de APV. In de praktijk is gebleken dat de mogelijkheid van gebiedsontzegging ook vaak wenselijk is als de veiligheid van een burger in het geding is door het gedrag van een persoon dat niet zozeer de overtreding van een regel in de APV inhoudt maar waarbij er wel sprake is van strafbare feiten. Denk bijvoorbeeld aan bedreiging van een moeder met kinderen door een gewelddadige ex-partner waarbij grote angst bestaat dat de ex-partner zich naar de woning begeeft. Het gebiedsverbod kan er dan toe strekken dat de ex-partner zich gedurende een bepaalde periode niet binnen een bepaalde straal van de woning van de vrouw en kinderen mag bevinden. Daarom wordt voorgesteld om aan het bestaande eerste lid van artikel 2:1a van de APV de woorden “die strafbare feiten verricht” toe te voegen. Na de toevoeging luidt het artikellid als volgt: Artikel 2:1a Gebiedsontzegging 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid aan diegene die strafbare feiten verricht of zich gedraagt in strijd met de wettelijke bepalingen van deze verordening, een verbod opleggen zich te bevinden in een door de burgemeester aangewezen gebied en de daarin gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen.
Voorgesteld wordt naar aanleiding van deze wijziging in de toelichting op artikel 2:1a lid 1 APV de tekst: “De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid aan diegene die zich gedraagt in strijd met de wettelijke bepalingen van deze verordening, een verbod opleggen zich te bevinden in een door de burgemeester aangewezen gebied en de daarin gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen. Het verbod geldt gedurende de periode van 4 weken. De burgemeester kan aan de gebiedsontzegging nadere voorschriften verbinden. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod”.
te vervangen door de tekst: “De gebiedsontzegging wordt opgelegd aan personen die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten en veelal al eenmaal een bestuurlijke waarschuwing hebben ontvangen. Voor het toepassen van een openbare ordemaatregel, zoals een gebiedsontzegging, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Er moet zijn voldaan aan het situatievereiste, dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van omstandigheden die tot ingrijpen ter handhaving van de openbare orde kunnen noodzaken. Daarnaast moet ook voldaan zijn aan het doelcriterium: de maatregel moet zijn gericht op het beëindigen of voorkomen van (verdere) ordeverstoringen of overlast of het beperken van de gevolgen daarvan. Het toepassen van de bevoegdheid kan alleen ten tijde van een (dreigende) ordeverstoring. De duur van deze concrete maatregel moet direct gekoppeld zijn aan de situatie dat er gevaar dreigt voor de openbare orde. Hierdoor kan de duur van de maatregel niet onevenredig lang zijn. Doorgaans is daarom ook sprake van een trapsgewijze opbouw. Bij de toepassing van de maatregel mag niet worden afgeweken van wettelijke voorschriften. Ten slotte moet de maatregel voldoen aan de eisen van subsidiariteit (er is geen minder zwaar middel voorhanden) en proportionaliteit (het bevel moet in verhouding staan tot de te bestrijden problematiek of het te bereiken doel).
Van belang is dat voor een bestuursrechtelijk besluit, ook het bestuursrechtelijk bewijsstelsel geldt. De overtreding zal dus voldoende aannemelijk moeten zijn en niet, zoals in het strafrecht, wettig en overtuigend bewezen”.
Wijziging 3. Ordeverstoring bij evenementen / artikel 2:26 APV. Sinds 2016 heeft het Openbaar Ministerie met succes diverse civiele juridische procedures gevoerd om zogenaamde Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) verboden te verklaren omdat hun werkzaamheid veelal in strijd is met de openbare orde. Denk hierbij aan liquidaties en pogingen daartoe, afpersingen, drugshandel, afdreigingen, mishandelingen, vuurwapengeweld en meer. Het
Pagina 2 van 14
OM werkt nauw samen met diverse ketenpartners in de aanpak van Outlaw Motorcycle Gangs. Een civiel verbod is een belangrijke stap, maar op zichzelf staand niet toereikend. Ook bestuurlijk en strafrechtelijk ingrijpen blijft nodig. In verband daarmee is het nodig dat het bestaande artikel 2:26 APV en de daarbij behorende toelichting, dat nu enkel een algemeen verbod bevat om bij een evenement de orde te verstoren, wordt uitgebreid. Daarnaast is het nodig een nieuw artikel 2:50a “Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties” aan de APV toe te voegen (zie hierna). Voorgesteld wordt om de huidige tekst van artikel 2:26 te vernummeren tot lid 1 en daarnaast een tweede en derde lid toe te voegen. Het artikel komt dan als volgt te luiden: Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Voorgesteld wordt de toelichting op artikel 2:26 APV als volgt te wijzigen en uit te breiden: Het eerste lid geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt. Op grond van het tweede lid is het verboden om bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Te denken valt hierbij aan zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs (OMG). Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (derde lid). Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Een groot aantal leden is gedurende een reeks van jaren betrokken bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten.
Ze vormen een wezenlijke aantasting van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, is sprake van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers. Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan. Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden.
Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak. Om toch te kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit uiterlijk vertoon in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, is een verbodsbepaling opgenomen in de APV. Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruimte tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.
Wijziging 4. Exploitatie openbare inrichtingen / artikel 2:27 en 2:28 APV. Door de in het huidige artikel 2:27 APV lid 1 gegeven definitie van openbare inrichting geldt voor het overgrote deel van de horecabedrijven de verplichting van een exploitatievergunning. Voor de volledigheid dienen, naast pensions, ook Bed & Breakfasts (B&B’s) met minimaal 6 gastenkamers in de opsomming van artikel 2:27 lid 1 opgenomen te worden. Het ligt voor de hand de vergunningplicht van pensions aan hetzelfde minimum aantal gastenkamers te binden als geldt voor B&B’s. Uit onder meer informatie van het landelijk opererende Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CVV) blijkt dat ook grotere campings en vakantieparken en bepaalde fitnesscentra en sportscholen in de vorm van (criminele) ondermijning een verhoogd risico op verstoring van de openbare orde en veiligheid met zich meebrengen. Ter bescherming van die belangen is het daarom nodig ook de grotere campings en vakantieparken alsmede de zogenaamde “24-7” fitnesscentra en sportscholen als openbare inrichting en daarmee als exploitatievergunningplichtig aan te merken zodat ook dit soort inrichtingen aan een BiBOB onderzoek kunnen worden onderworpen.
Voor wat betreft de kwalificatie “grotere” vakantieparken en campings wordt aangehaakt op het maximum van 40 kampeermiddelen dat in de lokale ruimtelijke regelgeving wordt gehanteerd als criterium voor kleinschalig kamperen. Met “24-7 sportscholen en fitnesscentra” wordt gedoeld op
Pagina 3 van 14
bedrijven in die branche die (nagenoeg) 24 uur per dag of in ieder geval ook gedurende de nachtelijke uren geopend zijn. In verband met het voorgaande worden de volgende wijzigingen van en aanvullingen op de APV voorgesteld: Artikel 2:27 APV. Aan de opsomming in artikel 2:27 lid 1 APV worden toegevoegd B&B’s vanaf 6 gastenkamers, campings en vakantieparken vanaf 40 standplaatsen en 24-7 fitnesscentra en sportscholen zodat dit lid als volgt komt te luiden: “1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension of Bed & Breakfast met minimaal 6 gastenkamers, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt, campings en vakantieparken met minimaal 40 standplaatsen alsmede fitnesscentra en sportscholen als bedoeld in lid 2.”.
Na lid 1 wordt een nieuw lid 2 toegevoegd zodat artikel 2:27 lid 2 komt te luiden: 2. In deze afdeling wordt verstaan onder: • 24-7 Fitnesscentrum: een inrichting waar bedrijfsmatig tegen betaling gedurende 24 uur per dag dan wel geheel of gedeeltelijk gedurende de periode tussen 23.00 uur ’s avonds en 06.00 uur ’s ochtends met behulp van toestellen gelegenheid wordt gegeven om, veelal op individuele basis, te trainen of te sporten ter bevordering van de gezondheid, conditie en/of spierontwikkeling met uitzondering van de oefenruimte behorende tot een fysiopraktijk; • 24-7 Sportschool: een inrichting waar bedrijfsmatig tegen betaling gedurende 24 uur per dag dan wel geheel of gedeeltelijk gedurende de periode tussen 23.00 uur ’s avonds en 06.00 uur ’s ochtends gelegenheid wordt gegeven om uiteenlopende binnensporten, vooral gevechtssporten, te beoefenen en waar men aan zijn lichaam kan werken door ritmische beweging of fitnesstraining en krachttraining met behulp van daartoe voorziene apparatuur.
Het huidige lid 2 wordt vernummerd tot lid 3. Aan de toelichting op artikel 2:27 wordt de volgende zin toegevoegd: “Daarnaast gelden de bepalingen voor campings en vakantieparken vanaf 40 standplaatsen en zogenaamde 24-7 fitnesscentra en sportscholen. Onder een standplaats wordt niet alleen verstaan een plek waar een caravan of tent kan worden geplaatst maar ook een plek waarop een vakantiehuisje, chalet enz. is gerealiseerd. Door het instellen van een vergunningsplicht voor camping- en vakantieparkhouders kan de gemeente controle uitoefenen op de naleving van de gestelde voorwaarden (bijvoorbeeld het parkreglement) en handhaven bij overtreding. Bovendien gaat van een vergunningsplicht een preventieve werking uit. Bij de aanvraag van een vergunning kan de Wet Bibob worden ingezet. Sportscholen en fitnesscentra, en dan vooral die, die (ook) in de nachtelijke uren (24-7) geopend zijn, worden regelmatig gebruikt voor witwaspraktijken. Ter bescherming van de openbare orde en veiligheid is het daarom gewenst voor dergelijke bedrijven een exploitatievergunningplicht in te stellen zodat ook daarvoor de Wet Bibob kan worden ingezet en eventueel op vergunningsvoorschriften kan worden gehandhaafd.
Artikel 2:28 APV. Artikel 2:28 lid 3 van de huidige APV luidt: 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 lid 1 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Voor een goede regulering van het openbare inrichtingen is het noodzakelijk dat, behalve de eis van het aanleveren van een recente Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) van lid 2 voor leidinggevenden, er een aantal kwaliteitseisen aan de exploitant en de leidinggevenden wordt gesteld. Het niet langer voldoen aan deze kwaliteitseisen kan ook aanleiding vormen om een reeds verleende vergunning in te trekken. Voorgesteld wordt de bestaande tekst van artikel 2:28 lid 3 te vervangen door de volgende tekst: “3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 lid 1 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
Pagina 4 van 14
b. c.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of de leidinggevende onder curatele staat.
Voorgesteld wordt om aan de bestaande toelichting op artikel 2:28 “Derde lid” na de tweede zin de volgende tekst toe te voegen: Ook is onder curatele plaatsing en slecht levensgedrag van de exploitant of leidinggevende een weigeringsgrond. Indien niet aan deze eisen wordt voldaan, wordt de exploitatievergunning geweigerd. Het niet voldoen aan de eis ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn’ vormt ook een reden om een lopende vergunning in te trekken (artikel 1:6). Naar analogie van de eisen zoals deze gesteld worden in de Drank- en Horecawet, vindt altijd een antecedententoets van de exploitant en leidinggevende plaats. Voor de reikwijdte van het begrip “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag” moet aansluiting worden gevonden bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. De toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit oordeel (zie ook ABRvS 26 juni 2002, 200106008/1). Op basis van jurisprudentie is een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken van in enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151(2001) 7141, 2).
Wijziging 5. Vervoer inbrekerswerktuigen / artikel 2:44 APV. De vigerende APV kent een verbod op het vervoeren van inbrekerswerktuigen. Tot voor 2014 werd dat verbod in den lande alleen bestraft met een OM-afdoening. Deze meestal kleine geldboete had echter nauwelijks een afschrikkende werking, met hoge recidive als gevolg. Daarom werd in 2014 door de gemeente Putten voor het eerst een bestuursrechtelijke last onder dwangsom toegepast om herhaling van de overtreding door dezelfde persoon te voorkomen. Dit was een groot succes. Doordat de dwangsom vele malen hoger was dan de strafrechtelijke geldboete is er beduidend minder sprake van recidive. De last onder dwangsom ter handhaving van het verbod op vervoer van inbrekerswerktuigen heeft inmiddels de rechterlijke toets ook doorstaan en is daarmee een beproefd middel. Teneinde deze handhavingsoptie expliciet in de APV te benoemen wordt voorgesteld aan de toelichting op artikel 2:44 van de huidige APV de volgende tekst toe te voegen: ¨In navolging van de gemeente Putten zetten steeds meer gemeenten de last onder dwangsom in om inbraak tegen te gaan. Met dit bestuurlijk instrument kunnen potentiële inbrekers een stevige dwangsom opgelegd krijgen wanneer zij inbrekerswerktuigen vervoeren. Het voorhanden hebben van inbrekerswerktuigen werd tot 2014 alleen bestraft met een relatief lichte OM-afdoening.
Om inbrekers toch te ontmoedigen, leggen steeds meer gemeenten tegenwoordig een last onder dwangsom op, als aanvulling op het strafrecht. Het bedrag van zo’n dwangsom kan in sommige gevallen wel oplopen tot 10.000 euro. Wanneer de politie iemand met inbrekerswerktuig aantreft, is er sprake van overtreding van de artikel 2:44 van de APV. Aangewezen politiemedewerkers maken in dat geval rapport op en stellen het gemeentebestuur op de hoogte van de overtreding. De gemeente zal de betreffende persoon vervolgens eerst schriftelijk waarschuwen en op de hoogte stellen van de dwangsom. Elke keer dat de overtreder hierna met inbrekerswerktuig(en) betrapt wordt, kan de dwangsom worden verbeurd. De inzet van dit instrument om inbraak te voorkomen, heeft ook de juridische toets doorstaan. Een overtreder ging in hoger beroep. Op 6 april 2016 verklaarde de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State dit hoger beroep ongegrond. Gezien de overtreding was het college bevoegd geweest om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. Na deze uitspraak nam de belangstelling van andere gemeenten voor deze Puttense aanpak een hoge vlucht.
Wijziging 6. Lachgasverbod / artikel 2:48a APV. Bij brief 19-2021 heeft de CDA fractie raadsvragen gesteld over de mogelijkheid van het opnemen van een verbod op lachgas in de APV. Het recreatief gebruik van lachgas door jongeren wordt steeds populairder en het gebruik ervan neemt gestaag toe. Er zijn aanwijzingen dat (langdurig) gebruik van lachgas gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Lachgas is echter (nog steeds) niet geplaatst op bijlage II behorend bij de Opiumwet zodat het een legaal middel is en het bezit of gebruik ervan is niet verboden. Los van de discussie over de gevolgen van het gebruik op de gezondheid leidt het toenemende gebruik van lachgas door jongeren in de openbare ruimte nogal eens tot overlast voor de omgeving. Het gaat dan om geluidsoverlast maar ook om vervuiling van de omgeving. En als het gaat om overlast, vervuiling en/of verstoring van de openbare orde is de gemeenteraad bevoegd hieromtrent regels in de APV op te nemen. Daarom wordt de raad voorgesteld het hierna volgende artikel 2.48a en de daarbij behorende toelichting in de APV op te nemen: een verbod op het gebruik van lachgas in de openbare ruimte in relatie tot het veroorzaken van overlast en verstoring van de openbare orde opgenomen. Artikel 2:48a Lachgasverbod 1.
Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.
Pagina 5 van 14
2.
3.
Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Toelichting op artikel 2:48a Lachgasverbod Los van de discussie over de gevolgen van het gebruik op de gezondheid leidt het toenemende gebruik van lachgas door jongeren in de openbare ruimte nogal eens tot overlast voor de omgeving. Het gaat dan om geluidsoverlast maar ook om vervuiling van de omgeving. Daarom Is in artikel 2.48a een verbod op het gebruik van lachgas in de openbare ruimte in relatie tot het veroorzaken van overlast en verstoring van de openbare orde opgenomen. Als het gaat om gebruik van lachgas op evenementen, dan kan in de vergunningsvoorschriften een verbod worden opgenomen. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke.
Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan, als dat afdoende lijkt te zijn, in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid). Voor de bevoegdheidsverdeling wat betreft de aanwijzing van het gebied en de handhaving van het verbod in dat gebied zie ABRvS, 14-12-2016, nr. 201508834/1/A3 (Vuurwerkverbod Hilversum).
Wijziging 7. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en/of malafide ondernemersklimaat / artikel 2:49b. Ondermijnende criminaliteit neemt vele vormen aan en kan landelijk en lokaal zeer ontwrichtend zijn. De bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit is een belangrijk samenstellend onderdeel van de integrale, gezamenlijke strijd tegen ondermijning door politie, justitie, gemeenten, belastingdienst en andere instanties. Met de juiste APV-bepalingen is de gemeente goed voorbereid en kan ondermijning zo veel mogelijk worden voorkomen of bestreden. Daarom wordt voorgesteld in de APV een artikel op te nemen dat de burgemeester de bevoegdheid geeft gebieden en gebouwen aan te
wijzen waarin het zonder een door hem verleende vergunning verboden is bepaalde bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen of bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvan de uitoefening verboden is zonder een vergunning van de burgemeester. De burgemeester is daartoe het aangewezen bestuursorgaan omdat de vergunningplicht wordt ingesteld in het belang van openbare orde en veiligheid. Voorgesteld wordt naar het voorbeeld van de gemeente Tilburg het volgende artikel inclusief toelichting aan de APV toe te voegen: Artikel 2:49b. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat. 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebieden, gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.
Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebied of een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied of gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; c. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
Pagina 6 van 14
d.
Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening; e. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf hebben geëxploiteerd of daar leiding aan hebben gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 APV kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; d. De exploitant of beheerder onder curatele staat of in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g.
Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10.
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. Toelichting Eerste lid De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV, al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik.
Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Tweede lid De systematiek van artikel 2:49b gaat uit van een gebieds-, pand- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de gemeente geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten (strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken.
Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn. Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche kan op grond van het APV artikel een vergunningplicht voor een branche worden ingevoerd. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden. De burgemeester wijst een pand of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid ten goede te keren.
Pagina 7 van 14
Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebied of gebouw zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waarop de aanwijzing betrekking heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Vierde en vijfde lid De algemene intrekkings- en/of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1:6 van de APV. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4 APV). Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. Indien de exploitant zijn verplichtingen uit de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub c in lid 4 en sub i in lid 5 is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld.
Negende lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts één van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. Elfde lid De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen.
Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn.
Wijziging 8. Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten / Artikel 2:49c. Het is van belang dat de burgemeester de bevoegdheid krijgt tot het sluiten van voor publiek toegankelijke ruimten. Het doel van deze sluitingsbevoegdheid is het herstel van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid en/of het weren en terugdringen van (georganiseerde) criminaliteit in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen, alsmede het beëindigen van aanhoudende en ontoelaatbare overlast die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden. Het is voor de toepassing van deze bevoegdheid niet noodzakelijk dat alle hiervoor genoemde doelen worden aangetast. Aantasting van één van deze doelen volstaat hier voor ook. Voorgesteld wordt daarom artikel 2:49c inclusief toelichting in de APV op te nemen. Artikel: 2:49c Sluiting van voor publiek toegankelijke gebouwen en/of erven 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten, als daar: a. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of b. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; of c.
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; of d. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid. 2. Onverminderde hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het erf. 3. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, zonder toestemming van de burgemeester zelf het gebouw of het erf te betreden of daarin te verblijven of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
Pagina 8 van 14
5. 6. 7.
Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Toelichting. In dit artikel is door de gemeenteraad aan de burgemeester de bevoegdheid gegeven om bij het vaststellen van feiten en omstandigheden die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid, voor het publiek toegankelijk gebouwen en /of erven te sluiten. Dit artikel kan in ieder geval worden toegepast op gebouwen en/of erven waar sprake is van overtredingen van de Wet wapens en munitie, heling en illegaal gokken. Weliswaar betreft het ook strafbare feiten, maar het belang voor de burgemeester om in deze gevallen een bestuursrechtelijke maatregel te nemen is gelegen in het beschermen van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid. Doel van de sluiting is de loop er uit te halen en de bekendheid van het gebouw en/of erf als locatie waar de ongewenste activiteiten plaatsvinden te ontnemen. Daarbij zullen deze in ieder geval gedurende de periode van sluiting zich niet herhalen. De maatregel is gericht op het pand en of erf en niet op de exploitant. Bij sluiting geldt deze dus ook voor een eventuele rechtsopvolger. Wet wapens en munitie Het mag evident zijn dat vuurwapengeweld leidt tot een ernstige aantasting van de veiligheid en gezondheid. Gewapende overvallen en straatroven, liquidaties, aanslagen, intimidaties en ripdeals zijn daar voorbeelden van.
De politie treft bij regelmaat illegale vuurwapens en of explosieven aan bij verdachten. Vaak bij personen die verdacht worden van deelname aan of betrokkenheid bij de handel dan wel productie van drugs. Criminelen proberen hun waar te beschermen en hebben daarvoor vuurwapens in bezit. Waar in de Opiumwet onderscheid wordt gemaakt tussen hard- en softdrugs vanuit het belang van volksgezondheid, is dit verschil in de sfeer van handel en productie amper aanwezig. De wereld van de softdrugs is op deze onderdelen net zo gewelddadig geworden als de handel in harddrugs. Maar ook in andere criminele omgevingen is het bezit en gebruik van vuurwapens en explosieven steeds vaker gemeengoed. Bijvoorbeeld in het illegaal gokcircuit en de mensenhandel (zoals gedwongen prostitutie). Het zijn activiteiten waar georganiseerde criminele verbanden zich mee bezig houden. Dat bezit van (vuur)wapens en of explosieven (zoals handgranaten) leidt tot gebruik blijkt wel uit een door de politie uitgevoerde analyse naar incidenten waarbij (vuur)wapens werden gebruikt. Daarenboven blijken de vuurwapens die worden gebruikt c.q. aangetroffen van een zwaarder kaliber. Het gaat niet alleen om pistolen en revolvers, maar steeds vaker om semiautomatisch of automatische wapens, handgranaten en zelfs raketwerpers.
Het gebruik van zwaardere vuurwapens en explosieven die thuishoren op een militair slagveld, leidt tot grote risico’s voor de openbare orde en veiligheid en de gezondheid. De veiligheid en gezondheid van onschuldige burgers (de bezoekers van de zaak) en het personeel van de politie welke geacht worden de samenleving daartegen te beschermen zijn daarbij in het geding. Wet op de kansspelen Het aanbod van illegaal gokken levert op verscheidene gebieden een schadelijk effect op voor de samenleving. De ernst van dit illegale aanbod wordt duidelijk zodra men bedenkt dat illegaal gokken niet onder toezicht staat, en niet worden getoetst op consumentenbescherming, verslavingspreventie en een juiste afdracht van middelen, zoals kansspelbelasting. Minderjarigen verkrijgen eenvoudig toegang tot dit aanbod doordat identificatiemaatregelen ontbreken. Daarnaast ontbreken er maatregelen om kansspelverslaving te voorkomen. Het verslavingsrisico bij bijvoorbeeld gokzuilen is extra groot vanwege het hoge speeltempo. Dit risico neemt toe zodra ook live betting in het aanbod is opgenomen. De negatieve effecten van kansspelverslaving zijn bekend: schulden, criminaliteit, huiselijk geweld, etc. Het andere risico van illegaal gokken, ondermijning van het financiële stelsel, is minder zichtbaar voor de burger, maar niet minder schadelijk.
De omzet die een exploitant door het illegale aanbod van kansspelen kan behalen, is aanzienlijk en hierover wordt geen belasting afgedragen. Het bezit van grote hoeveelheden aan (contant) zwart geld leidt naar een opvolgend financieel delict, namelijk het witwassen of herinvestering in andere illegale activiteiten. Illegale gokactiviteiten die plaatsvinden in een voor publiek openstaand gebouw brengen op zichzelf al een schending van de openbare orde met zich mee. Daarnaast is bekend dat personen die deelnemen aan illegale gokactiviteiten in een onaanvaardbare afhankelijkheidsrelatie kunnen komen, doordat er gokschulden ontstaan. Bekend is ook dat illegale gokactiviteiten ernstig uit de hand kunnen lopen en dat daarmee het risico groot is dat er geweldsincidenten plaatsvinden in de gelegenheid of in de omgeving. Dit kan een negatief uitstralend effect hebben op de openbare orde. Gebleken is dat illegaal gokken een landelijk probleem is. Het feit dat met een geringe investering een hoge onbelaste omzet behaald kan worden, verklaart voor een groot deel de aantrekkelijkheid van dit illegale aanbod voor een ondernemer. De Kansspelautoriteit (hierna: Ksa) heeft het toezicht op gokzuilen tot een van haar prioriteiten benoemd. Dat kan zij in de meeste gevallen niet alleen.
De handhavingsinstrumenten waarover de Ksa beschikt leiden niet altijd tot een directe en snelle oplossing van de problematiek. Ketenpartners, zoals de gemeente, beschikken vaak wel over dergelijke instrumenten. Daarom is het gewenst naast de aanpak van gokzuilen door de Ksa dit te ondersteunen met flankerende maatregelen door ketenpartners vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Heling Vermogensdelicten zoals straatroven, woninginbraken en overvallen hebben een grote impact op de slachtoffers en de samenleving als geheel en vormen daardoor een gevaar voor de open bare orde en het woon- en leefklimaat. Waar het gaat om vermogensdelicten zoals overvallen en straatroof is de veiligheid en gezondheid van de slachtoffers in het geding. De bestrijding van deze High Impact Crime vraagt een brede en intensieve aanpak van de overheid samen met burgers en andere maatschappelijke partners. Een belangrijk onderdeel in deze aanpak is het bestrijden van de handel in goederen afkomstig van deze vermogensdelicten. Dat heling verband houdt met criminele omgevingen mag evident zijn. De producten die worden geheeld zijn verkregen door criminaliteit en het geld dat wordt betaald voor deze producten houdt de vermogenscriminaliteit in stand en stimuleert het plegen daarvan.
Naast de voornoemde misdrijven gaat het ook om diefstal van fietsen, diefstallen uit auto’s, winkeldiefstal, ladingdiefstal en zakkenrollerij. De met deze misdrijven verkregen producten worden via helingcircuits aan afnemers verkocht. Onder andere via ontmoetingsplaatsen zoals voor publiek toegankelijke gebouwen. Vooral horecazaken zijn daarbij interessant.
Pagina 9 van 14
Ondernemers moeten er alert op zijn dat in hun gelegenheid geen ruimte wordt geboden voor deze vorm van criminaliteit. Helers verkopen daarbij tegen vaak opvallend lage bedragen aan anderen hun uit diefstal verkregen waar. Het geld dat op deze wijze met criminaliteit wordt verkregen geld wordt uiteindelijk wit gewassen. Al dan niet via de gelegenheid waar de heling plaatsvindt. De integrale aanpak van heling maakt deel uit van de bestrijding van vermogenscriminaliteit. Het sluiten van voor publiek toegankelijke gebouwen waar heling plaatsvindt draagt daaraan bij. Het sluiten zorgt er voor dat deze verkoopplaatsen niet meer gebruikt kunnen worden voor heling en de daarmee samenhangende negatieve effecten op de samenleving in de vorm van het faciliteren van vermogensdelicten. Andere feiten en omstandigheden Ook andere feiten en omstandigheden kunnen noodzaken om in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid tot sluiting van een voor publiek toegankelijk gebouw en of erf over te gaan. Bijvoorbeeld bij het ontstaan van een ernstige vechtpartij in de zaak al dan niet met gewonden of situaties waarbij sprake is van langdurige ernstige overlast. De verwijtbaarheid van de exploitant is daarbij niet van belang. De noodzaak om bestuursrechtelijk op te treden is gelegen in het belang van het beschermen van de openbare orde, veiligheid en gezondheid.
Relatie met andere bevoegdheden tot sluiting Sluiting op grond van artikel 2:49c is niet mogelijk voor zover dat reeds mogelijk is op een andere grond genoemd in de APV of artikel 13b van de Opiumwet. In situaties van een ordeverstoring, die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken, biedt de Gemeentewet (artikel 174) in eerste instantie uitkomst. Sluiting op grond van de Gemeentewet kan echter slechts voor een beperkte periode en bij (een dreiging van) ernstige verstoring van de openbare orde. Als langere sluiting is gewenst of wanneer sluiting op grond van de Gemeentewet niet mogelijk is, biedt artikel 2:49 c van de APV hiertoe de bevoegdheid. In gevallen waarin artikel 2:49c niet kan worden toegepast, maar waar wel sprake is van een concreet voorzienbare en actuele dreiging, kan de burgemeester nog altijd gebruik maken van artikel 174 van de Gemeentewet.
Wijziging 9. Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties / artikel 2:50a APV. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven onder 3. is gezegd over Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) wordt voorgesteld het volgende artikel met toelichting aan de APV toe te voegen: Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toelichting artikel 2:50a Op grond van dit artikel geldt een verbod om op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde. Te denken valt hierbij aan zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs (OMG).
Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een antisamenloopbepaling (tweede lid). Voor evenementen, die niet altijd hoeven plaats te vinden op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, is in artikel 2:26 eenzelfde verbod opgenomen. Zie uitgebreider de toelichting op het tweede en derde lid van dat artikel.
Wijziging 10. Gevaarlijke honden / artikel 2:59 APV. Het Openbaar Ministerie heeft ons bericht dat ons APV artikel over gevaarlijke honden niet goed aansluit op de door het OM gehanteerde relevante feitcode waardoor niet effectief kan worden opgetreden. Om dat te verhelpen wordt voorgesteld aan het bestaande lid 2 het woord “kort” toe te voegen en om aan het bestaande artikel 2:59 een vijfde lid toe te voegen waarin een expliciet verbod is opgenomen om te handelen in strijd met het opgelegde aanlijn- of aanlijn- en muilkorfgebod. Door toevoeging aan lid 3 van de woorden “naast de verplichting bedoeld in het tweede lid” wordt benadrukt dat een muilkorfgebod altijd gepaard gaat met een aanlijngebod. Na verwerking van de voorgestelde toevoegingen luidt het artikel: 1.
2. 3.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond, naast de verplichting bedoeld in het tweede lid, voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
Pagina 10 van 14
b.
4.
5.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Het is verboden te handelen in strijd met het gebod als bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Wijziging 11. Drugshandel op straat / artikel 2:74 APV. In artikel 2:74 kent de vigerende APV al een verbod op openbare orde verstorende drugshandel in de openbare ruimte. Ter verduidelijking van het toepassingsbereik van dit artikel wordt voorgesteld in de bestaande toelichting op dit artikel, vόór het kopje “Jurisprudentie” de volgende tekst te voegen: “In het artikel wordt gesproken over middelen uit lijst I en II van de Opiumwet, dus zowel hard- als softdrugs en “daarop gelijkende waar”. Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren. Ook met het bestuurlijk instrument van de last onder dwangsom kan (herhaling van) openbare orde verstorende openlijke handel in en openlijk gebruik van drugs (zie artikel 2:74a APV worden tegengegaan. Verwezen wordt naar hetgeen in de toelichting op artikel 2:44 APV (“Vervoer van inbrekerswerktuigen”) wordt gezegd over het toepassen van de last onder dwangsom”.
Wijziging 12. Openlijk drugsgebruik / artikel 2:74a APV. In artikel 2:74 a kent de vigerende APV al een verbod op openbare orde verstorend drugsgebruik in de openbare ruimte. Ter verduidelijking van het toepassingsbereik van dit artikel wordt voorgesteld aan de bestaande toelichting op dat artikel de volgende tekst te voegen: “Zie over de betekenis van ‘daarop gelijkende waar’ het gestelde bij de toelichting op artikel 2:74. Ook wat betreft de toepasbaarheid van de bestuurlijke last onder dwangsom wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2:74”.
Wijziging 13. Verbod oplaten ballonnen / artikel 4:9a APV. Naar aanleiding van schriftelijke vragen van D66 en PP hebben wij in raadsmededeling 43-2019 toegezegd dit onderwerp bij de eerstvolgende wijziging van de APV aan uw raad voor te leggen. Inmiddels kent ruim 40% van de gemeenten een oplaatverbod voor ballonnen. Ter vermindering van zwerfafval en brandgevaar en ter voorkoming van dierenleed wordt voorgesteld het volgende artikel met toelichting in de APV op te nemen: Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen 1. In dit artikel wordt onder ballon mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, sfeerballon, geluks-lampion, Thaise wensballon, papierballon en geluksballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur of gas opstijgt en zonder sturing wegdrijft. 2. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen of te doen laten opstijgen. 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op een luchtballon, zijnde een luchtvaartuig, of een ballon ten behoeve van wetenschappelijk of meteorologisch onderzoek.