CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapportage BK Aalten mrt 2023

Beeldvorming raad 5 september 2023, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot instemmen met het biodiversiteitsplan en ten behoeve van de uitvoeringsagenda van het biodiversiteitsplan € 32.000 dekken uit het budget klimaatakkoord en € 32.000 uit budget duurzaamheid7.102 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Basiskwaliteit Aalten

Een beoordeling van de Basiskwaliteit Landschap en Biodiversiteit in de gemeente Aalten

Robert Kwak & Anton Stortelder Maart 2023

1

Inhoudsopgave Conclusies

1

1. Inleiding

3

2. Landschapstypen in de gemeente Aalten 2.1 Oude hoevenlandschap 2.2 Heideontginningslandschap 2.3 Broekontginningslandschap

7 9 15 19

3. Beoordeling Basiskwaliteit 3.1 Beoordeling Basiskwaliteit Landschap 3.2 Beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit

25 25 37

Bijlage I Ligging waarnemingspunten landschappelijke beoordeling

43

Conclusies De conclusies moeten gelezen worden vanuit de optiek dat Basiskwaliteit Natuur en Landschap een aanduiding is voor een minimum niveau van de kwaliteit van natuur en landschap. Bij voorkeur zou de kwaliteit daar bovenuit moeten stijgen. Waar de Basiskwaliteit niet wordt bereikt is sprake van sterk verarmde landschappen, waar zelfs algemene planten- en diersoorten niet meer kunnen gedijen. 1. Op bijna tweederde van de oppervlakte van de gemeente Aalten is de Basiskwaliteit Landschap op orde (63%). Matig (33%) betekent: vlees noch vis; (sterk) verarmd landschap, maar niet helemaal onherkenbaar. De diversiteit aan landschapselementen scoort vaak goed, terwijl het oppervlak aan elementen vaak onvoldoende is. Veel voorkomende landschapselementen zijn: sloten, bermen, rasters, solitaire bomen en eikensingels. 2. Voor de Basiskwaliteit Biodiversiteit geldt dat ruim de helft van de oppervlakte op orde is. Het deel dat als slecht is beoordeeld is hier wat groter (13%). 3. Uit de kartering blijkt dat in ruim een derde tot de helft van het oppervlak van de gemeente de Basiskwaliteit NIET op orde is. Hier zijn gerichte projecten nodig om het landschap en de natuurwaarden te herstellen. Er kan bijvoorbeeld meer accent worden gegeven aan de aanwezigheid van het gewenste aantal karakteristieke landschapselementen. 4.

De beoordeling van de biodiversiteit (Basiskwaliteit Natuur) is uitgevoerd op landschapsniveau. Dit houdt in dat gekeken wordt op een niveau dat de percelen overstijgt en juist ook de landschapselementen en erven meewegen. De kwaliteit Biodiversiteit in de percelen is overwegend laag, aangezien het overgrote deel bestaat uit monoculturen waarin nauwelijks wilde planten, vogels en vlinders voorkomen. Als er nauwelijks of geen landschapselementen meer aanwezig zijn wordt de biodiversiteit als matig of slecht beoordeeld. 5. De kwaliteitskarteringen vormen een goede basis voor het prioriteren van gebieden waar met projecten ingezet kan worden op het versterken van natuur- en landschapswaarden. Behouden en beschermen van Basiskwaliteit is hier het minimale niveau; kwaliteit versterken is de uitdaging.

1

2

1. Inleiding 1.1 De opdracht In het voorjaar en de zomer van 2022 is door Robert Kwak en Anton Stortelder een landschaps- en natuurverkenning uitgevoerd in het buitengebied van de gemeente Aalten, als een vervolg op de in 2021 uitgevoerde pilotstudie voor de gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk. De pilotstudie werd gecombineerd met de verkenning van het draagvlak voor het concept Basiskwaliteit bij de relevante gebiedspartijen en betrokken personen in de gemeenten (klankbordgroep). Aan de hand van dit gebiedsproces en de pilot-rapportage werd door alle drie gemeenten besloten tot een vervolgopdracht voor de kartering van de rest van de gemeenten, in dit rapport van de gemeente Aalten. Allereerst gaat om een korte karakterisering van de verschillende landschapstypen, inclusief het benoemen van de karakteristieke landschapselementen per landschapstypen, gevolgd door een selectie van (vrij) algemene soorten planten, vlinders, vogels en herpetofauna. Op basis van het voorkomen van deze soorten is beoordeeld of er sprake is van Basiskwaliteit. Behalve de biodiversiteit is er ook een beoordeling gemaakt van de landschapskwaliteit. De beoordeling van de landschapskwaliteit is ontleend aan een eerdere studie naar definiëring van en het draagvlak voor het concept Basiskwaliteit in opdracht van vier Oost Gelderse gemeenten.

Daarin participeerden naast de gemeenten ook lokale stake holders (waterschap, WBE, gebiedsbeheerders, lokale natuurbeschermers, agrarische natuurvereniging, Vogelbescherming Nederland en provincie Gelderland). De criteria die daarbij zijn vastgesteld betreffen herkenbaarheid van het landschap, landschappelijke variatie en toegankelijkheid van het landschap en passend grondgebruik. Zie verder de toelichting in paragraaf 3.1. Inmiddels is deze benadering voor acht gemeenten in Oost-Gelderland op dezelfde wijze toegepast. Het veldonderzoek behelsde een integrale rondgang door de gemeente waarbij een gebiedsdekkende veldverkenning werd uitgevoerd, onderbouwd met systematische scores op een groot aantal waarnemingspunten. Zie verder de toelichting aan het begin van paragraaf 3.1 en 3.2. De resultaten van het pilot-onderzoek uit 2021 is verwerkt in deze rapportage van het hele grondgebied van de gemeente.

3

1.2 Waarom Basiskwaliteit landschap en biodiversiteit? In het rapport wordt onder Basiskwaliteit verstaan de minimale landschappelijke kwaliteit, die nodig is voor het algemeen houden van de gewone planten en dieren. Daarbij wordt ingezoomd op herkenbaarheid en ontstaansgeschiedenis. Het in cultuur brengen van de woeste gronden heeft geleid tot cultuurlandschappen met gebiedseigen inrichting (en daarbij behorende flora en fauna). De autonome ruimtelijke ontwikkelingen en schaalvergroting op gebied van stedelijke ontwikkeling, industrialisering, landbouw, verkeer, recreatie etc. hebben overwegend een negatief effect op landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit. Deze autonome ontwikkelingen hebben een sluipend karakter met grote maatschappelijke gevolgen. Hieruit volgt dat we moeten waken voor dergelijke autonome ontwikkelingen en dat er keuzes gemaakt moeten worden. Gemeenten kunnen hierin sturen. Basiskwaliteit Landschap en Biodiversiteit dient als fundament onder de kwaliteit van het grootste deel van de gemeente waar natuur volgend is: de aanwezige planten en dieren zijn mede het resultaat van allerhande menselijke bedrijvigheid. In de agrarische cultuurlandschappen komen nog steeds wilde planten en dieren voor, veelal gekoppeld aan landschapselementen als sloten, bermen, heggen, bomenrijen, poelen, perceelsscheidingen etc.

die door lokale bewoners en toeristen gezien en hoog gewaardeerd worden. Het gaat dan in het algemeen niet om de kritische soorten van het natuurbeleid, wel om een groot aantal (vrij) algemene soorten planten en dieren die in geuren en kleuren en vogelgeluiden effectief de ruimtes benutten die hen geboden wordt. Ook indien Basiskwaliteit wel wordt gehaald blijft het zinvol in te zetten op verdere versterking van natuur en landschap; het geeft wel aan dat de ondergrens in de kwaliteit niet is overschreden. Basiskwaliteit als gewenste minimum van het productielandschap; de duurzame afstemming van productie eisen en natuurmogelijkheden.

1.3 Ontwikkelingen in de Basiskwaliteit landschap en biodiversiteit De trend is dat de agrarische cultuurlandschappen steeds grootschaliger worden. De ontwikkeling dat agrarische ondernemers opschalen, is begrijpelijk, waardoor echter wel steeds minder plaats is voor wilde flora- en faunaelementen. Ook visueel worden de landschappen hierdoor minder aantrekkelijk. Het begrip landschappelijke en natuurlijke Basiskwaliteit gaat uit van de gedachte dat voor ieder landschapstype kan worden aangegeven welke kwaliteiten, elementen en soorten in ieder geval nog aanwezig moeten zijn wil er sprake zijn van die Basiskwaliteit. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen milieuaspecten, inrichtingsaspecten en beheer-gebruiksaspecten. Wat zijn de minimale milieueisen die aan een landschap gesteld mogen worden? Welke elementen moeten er nog in aanwezig

4

zijn om het landschap te kunnen identificeren en welke wilde planten- en diersoorten horen daarbij? Hoe kunnen percelen zodanig beheerd worden dat er bijvoorbeeld nog een kievit groot kan worden? Wat zijn de boerenerfvogels die redelijkerwijs verwacht mogen worden? Het gaat om het ontwikkelen van een soort standaard-ondergrens voor het cultuurlandschap. In sommige gebieden is de Basiskwaliteit nog wel aanwezig, maar in andere gebieden is die ondergrens al overschreden. Het sterke punt van het idee Basiskwaliteit is dat het een instrument, een toetsingskader biedt voor het landschap waarmee inzichtelijk gemaakt wordt hoe de kwaliteit erbij staat en waarmee men aan de slag kan. Ieder landschapstype heeft zijn eigen historische ontwikkeling doorgemaakt. Bij Basiskwaliteit is het streven niet gericht op een “landschap anno 1930”, maar op een raamwerk van herkenbare landschapsstructuren. Elk landschap wordt gekenmerkt door zijn eigen streekeigen landschapselementen. In broekgebieden zijn dit bijvoorbeeld de elzensingels, knotwilgenrijen en de sloten met moerasplanten of een rietkraag; elementen aan de hand waarvan men het landschap nog kan ‘lezen’. Het gaat erom dat die herkenbaarheid aanwezig blijft en waar mogelijk enigszins wordt hersteld. Enige kennis van het landschap is daarbij noodzakelijk.

In hoofdstuk 2 worden de landschappen en hun kenmerkende structuren daarom uitgebreid toegelicht. Voor de beoordeling van de Basiskwaliteit Biodiversiteit is behulp van lokale deskundigen (Louis-Jan van den Berg – flora) en Jan Stronks (dagvlinders en herpetofauna) per landschap gedefinieerd welke algemene soorten voor zouden moeten komen wil het landschap voldoen aan de Basiskwaliteit Biodiversiteit. De samen met deze deskundigen opgestelde soortenlijsten en criteria worden bij de verschillende landschappen weergegeven.

1.4 Herstel van Basiskwaliteit De resultaten van deze studie zijn geen doel op zich. De beoordelingskaarten kunnen dienen als basis en inspiratiebron voor het herstel van de Basiskwaliteit. Per landschapstype vergt dit een eigen aanpak. Het ligt voor de hand om de gebieden die op de landschapsbeoordelingskaart en/of op de biodiversiteitskaart rood of zijn ingekleurd prioriteit te geven bij het zoeken van projecten die gericht zijn op het herstel van de Basiskwaliteit. Maar ook in de oranje gebieden is de Basiskwaliteit niet op orde en ook daar zijn acties nodig wil de gemeente kunnen spreken van Basiskwaliteit. Hoe hoog de lat wordt gelegd voor de landschappelijke kwaliteit is uiteindelijk een keuze die samen met gebiedspartijen wordt gemaakt. De nadruk ligt op het benoemen van een ‘wenkend perspectief’ voor alle partijen die betrokken zijn bij beheer en

5

inrichting en gemotiveerd zijn om bij te dragen aan de kwaliteit van de eigen omgeving. Een richtinggevend concept als ‘Basiskwaliteit’ kan daarbij helpen als een onderdeel van de plannen die worden opgesteld. Het rapport kan ook bijdragen aan de Omgevingsvisie die voor de gemeente wordt opgesteld.

6

2. Landschapstypen in de gemeente Aalten Op het schaalniveau waarop deze verkenning is uitgevoerd, zijn voor het gebied drie landschapstypen onderscheiden en in kaart gebracht. Het betreft het oude hoevenlandschap, het broek- en het heideontginningslandschap (figuur 1). De begrenzing is tot stand gekomen door een interpretatie van de historische kaart (ca. 1920) en de situatie die in het veld werd aangetroffen. Daardoor kunnen kleine verschillen ontstaan met andere studies. De vier landschappen in het gebied verschillen van elkaar in geomorfologisch en bodemkundig opzicht en gekoppeld daaraan in de ontginningsgeschiedenis en agrarisch landgebruik.

Figuur 1. Landschapstypen in de gemeente Aalten

7

Het oppervlakte aandeel van het oude hoevenlandschap is verreweg het grootste met bijna tweederde van de gemeente (figuur 2). Broek- en heideontginningslandschap zijn samen een kwart van de gemeente. Bebouwd gebied (inclusief industrieterrein) beslaat bijna een tiende van de gemeente.

Figuur 2. Oppervlakte aandeel van de landschapstypen en overig grondgebruik

8

2.1 Oude hoevenlandschap

Oude hoevenlandschap op de Haart ten zuidoosten van Aalten met Saksische boerderij.

Korte beschrijving Het oude hoevenlandschap omvat het grootste deel van de gemeente Aalten (64%) met verspreid staande boerderijen, overwegend melkveehouderijen. Vroeger betrof het hier voornamelijk gemengde bedrijven met droog bouwland en vochtige weidegronden en nat hooiland. Het oude hoevenlandschap betreft de oude occupatiepatronen, waar de landbouw eeuwenlang haar stempel heeft gedrukt. De oudste boerenhoeven werden gebouwd aan de randen van de hogere gronden waar akkerbouw mogelijk was. De hoogste gronden in het gebied zijn de door het landijs opgestuwde hoogten: de essen van Barlo en de hooggelegen gronden direct ten Noorden van Aalten. Men verbouwde vroeger kleinschalig granen als rogge en haver en hakvruchten (bv. aardappels en bieten). De akkers werden bemest met plaggenmest uit de potstal. Als gevolg van het langjarig opbrengen van de plaggenmest met daarin een minerale fractie (zand van de plaggen), werden de lager gelegen akkers geleidelijk opgehoogd. (ongeveer 1 mm per jaar). In de loop der eeuwen ontstond een dikke, humusrijke bovenlaag. Deze bouwlanden, met soms wel 1 meter zwarte grond, worden essen genoemd. Als gevolg

9

van het hoge gehalte aan organische stof waren de essen nauwelijks gevoelig voor verdroging. Door het ophogen van de essen ontstonden langs de randen steilranden. De lage stukken grond tussen de essen werden als grasland (hooiweiden) gebruikt. De graslanden water(d)en af op kleine beekloopjes en grotere beeklopen, later gekanaliseerd, zoals de Keizersbeek en de Boven Slinge. Hogere bomen stonden en staan vooral op de erven rond de Saksische boerderijen met de karakteristieke ronde indeur. Met name eiken waren een belangrijke toekomstinvestering voor voldoende bouwhout (o.a. voor gebinten). Vooral in het kader van ruilverkavelingen is het oude landschap vanaf de zestiger jaren van de vorige eeuw geëgaliseerd en opgeschaald. Hierbij werden de meeste steilranden met bulldozers afgeschoven en naast gelegen graslandjes opgehoogd. Diepe kavelsloten leidden tot verdroging en zorgen ervoor dat het eventuele kwelwater al onderin de sloot wordt afgevangen. Voor de melkveehouderij werden veel essen omgevormd tot monotoon grasland, af en toe afgewisseld met maisteelt.

Streekeigen landschapselementen -

-

-

-

Hoge, bolle essen, afgewisseld met lage graslandjes Relatief reliëfrijk gebied met oude Saksische boerderijen waarvan, als gevolg van de hoogteverschillen soms alleen de daken te zien zijn. Houtwallen De functie van de houtwallen als perceelsscheiding en leverancier van hout is verloren gegaan. Ze lopen de kans uiteindelijk te verdwijnen. Bloemrijke akkerranden (patrijzenranden) Voor het grootschalig gebruik van herbiciden waren akkers met akkeronkruiden de standaard. Vooral in de akkerranden was dit het paradijs van de patrijs en andere akkervogels die zeer algemeen waren. In het kader van het project ‘Samen voor de patrijs’ worden boeren benaderd met de vraag of zij tegen een vergoeding akkerranden van minimaal vijf meter breed met kruidenmengsels willen inzaaien. Steilranden Voor zover de steilranden niet zijn afgeschoven bieden ze ruimte aan wilde planten en dieren, soms met wat struweel of zelfs bomen. Erven met monumentale bomen Voor de bescherming van de boerenbehuizing tegen stormschade, maar ook om te kunnen voorzien in de behoefte aan eikenbalken voor de verre toekomst, werden op de erven bomen geplant. Om mooie stammen te krijgen zonder noesten werden de eiken tot grote hoogte takvrij gehouden. Historische boerderijen

10

-

De traditionele boerengebouwen van het streekeigen Saksische type worden gekenmerkt door grote daken gedekt met oud Hollandse pannen en grote, ronde indeuren. Ze dragen, zeker in combinatie met de oude eiken op het erf, wezenlijk bij aan de herkenbaarheid en de attractiviteit van het hoevenlandschap. De oude gebouwen laten veel ruimte voor nestgelegenheid voor erfvogels als huismus, zwaluwen en witte kwikstaart. Modernere bedrijven zijn gedekt met golfplaten en zijn hiervoor minder geschikt. Smalle, kronkelige wegen Bochtige weggetjes dragen, vooral als ze onverhard zijn, bij aan een aantrekkelijk landschap. Dit in tegenstelling tot de ontginningslandschappen die worden gekenmerkt door rechte wegen. Een van de criteria bij de beoordeling van het landschap is de aanwezigheid van kenmerkende landschapselementen. Daarbij is ervoor gekozen dat minimaal twee van de kenmerkende elementen aanwezig moeten zijn voor de Basiskwaliteit Landschap. Is er nog één kenmerkend element aanwezig dan is de Basiskwalteit als matig beoordeeld. Ontbreken ze volledig dan wordt de Basiskwaliteit als slecht beoordeeld.

Geselecteerde soorten en criteria voor beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit Vogels: -

Erven: kerkuil, steenuil, boerenzwaluw, huiszwaluw, huismus, ringmus, zwarte roodstaart, witte kwikstaart, gekraagde roodstaart Akkers en akkerranden: patrijs, kievit, scholekster, gele kwikstaart, veldleeuwerik, bosrietzanger, spotvogel, grasmus Steilranden met akkermaalshout: kneu, roodborsttapuit, grasmus, bosrietzanger

Criteria: Goed: voorkomen gemiddeld of meer dan gemiddeld Matig: Onder het gemiddelde Slecht: Sterk onder het gemiddelde

11

Planten: (Vrij) algemene soorten • • • • • • • • • •

Bosanemoon Dalkruid Adelaarsvaren Moerasspirea Grote wederik Gewone salomonszegel Kale jonker Wilde bertram Echte koekoeksbloem Pinksterbloem

Zeldzamere soorten • • • • • •

Criteria

Slanke sleutelbloem Gele dovenetel Echte guldenroede Waterviolier Hengel Tweestijlige meidoorn

Goed >5 algemene soorten en 3 of > dan 3 zeldzame soorten Matig >3 algemene soorten en 2 zeldzame soorten Slecht < 3 algemene soorten

Geselecteerde kenmerkende plantensoorten van het oude hoevenlandschap op basis waarvan de basiskwaliteit is berekend met in de rechter kolom de criteria.

Criteria dagvlinders bv dagpouwoog, oranjetipje en koevinkje (links) en herpetofauna bv bruine kikker en watersalamander (rechts) slecht matig goed aantal soorten

<10 10-14 >14 27

slecht matig goed aantal soorten

<3 3 >3 9

12

Oude hoevenlandschap met karakteristieke eiken en steilrand langs es met op de voorgrond braamstruweel langs Bunninkdijk ten oosten van Aalten.

13

14

2.2 Heideontginningslandschap

Heideontginningslandschap ten westen van Lintelo. Karakteristiek zijn de zandweg met berkensingel.

Korte beschrijving Wat nu het heideontginningslandschap wordt genoemd, was rond 1850 nog grotendeels open heide. Het betreft 16% van de oppervlakte van de gemeente. Hier graasden destijds de schapen, maar ook met koeien gingen de hoeders de heide op. De heidevelden waren daarmee een belangrijk onderdeel van het gemengde landbouwbedrijf. Op de nattere gedeelten groeide dophei die stukje bij beetje door de boeren werd afgeplagd voor de potstal. Op de drogere delen groeide vooral struikhei die eind augustus de heidevelden paars kleurde. Met de komst van de kunstmest eind negentiende eeuw werd het mogelijk om de heide vruchtbaar te maken. De heidevelden werden op grote schaal ingericht en ontgonnen, met rechte zandwegen en alleen nog wat hei in de bermen. Tijdens ruilverkavelingen (tussen 1960 en ca. 1980) onderging dit landschap opnieuw grote veranderingen. Relatief grote bedrijven in en nabij de oude dorpen werden

15

uitgeplaatst en er werden grote nieuwe stallen gebouwd in de ruime ontginningsvlakten, waarbij de kleine, steeds minder rendabele bedrijfjes werden beëindigd. De zandwegen (zanddijken) werden deels geasfalteerd, maar in het gebied van de Schaarsheide zijn nog veel zanddijken behouden gebleven, deels met schrale bermen. Mest om de veldgrond verder vruchtbaar te maken, was er inmiddels in overvloed. De inrichtingsstructuur met rechte wegen was landbouwkundig een voordeel in verband met lagere bewerkingskosten van de grotere percelen. De grootste stukken heideontginning in de gemeente Aalten liggen ten Zuiden van de Haart tot aan de grens, ten Oosten van Barlo en ten Zuidwesten van het Aaltense Goor: het Heelwegsche veld. Op de hoge rug direct langs het Aaltense Goor liggen deVennebulten en de Romienendiek. Hier komen nu spontaan opgeslagen dennenbossen en aangeplante naaldhoutbossen op voormalige droge heide voor. Streekeigen landschapselementen -

-

-

-

-

Heischrale bermen Heischrale bermen zijn het best behouden gebleven langs de zanddijken waar, in tegenstelling tot geasfalteerde wegen, relatief weinig meststoffen in de berm terecht komen. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kleurden veel van deze bermen in augustus nog paars van de bloeiende struikhei. Door toevoer van meststoffen zijn deze heidestrookjes steeds verder vergrast. Maar op veel plaatsen is de heide-voorgeschiedenis nog steeds goed te herkennen aan de bermvegetatie met brem, havikskruiden, wilgenroosje, pijpenstrootje en hier en daar nog een pol struikhei. Zandwegen Rechte zandwegen, die in de Achterhoek zanddijken worden genoemd, zijn karakteristiek voor de heideontginningen. Voor een deel zijn ze later verhard, maar met name in de Schaarsheide en rond het veen zijn er nog veel behouden gebleven. Bremstruwelen Met name langs zandwegen zijn spontaan opgeslagen bremstruwelen typerend voor het heideontginningslandschap. Door de uitbundige (gele) bloei in het voorjaar dragen de bremstruiken veel bij aan de landschapsbeleving. Berkensingels Hoewel de berk ook in andere landschappen wel voorkomt, heeft zij toch in het heideontginningslandschap haar optimum. Vliegdennen Ook grove den is een goede, en zelfs exclusieve indicator.

Meestal is de boomsoort te zien aan de randen van kleine bosjes die zijn opgeslagen op kleine stukjes heide die aan de ontginning ontsnapt zijn.

16

Bij de beoordeling van het landschap moeten voor een groene score minimaal twee van deze elementen aanwezig zijn.

Heideontginningslandschap zuidelijk van camping Goorzicht ten westen van Aalten. De huidige heideontginningen zijn vaak sterk opgeschaald.

Geselecteerde soorten en criteria voor beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit Vogels: -

Percelen, winterperiode: wulp, kievit, ganzen, holenduiven Schrale bermen en zanddijken met struweel: roodborsttapuit, boompieper, geelgors, grasmus. Kneu, boompieper

Criteria: Goed: voorkomen gemiddeld of meer dan gemiddeld Matig: Onder het gemiddelde Slecht: Sterk onder het gemiddelde

17

Planten: (Vrij) algemene soorten • • • • • • • • • • • •

Pijpenstrootje Struikhei Pilzegge Blauwe bosbes Bochtige smele havikskruiden Tormentil Klein vogelpootje Fijn schapengras Vroege haver Brem Grove den

Zeldzamere soorten • • • • • • • •

Gewone dophei Tandjesgras Stekelbrem Klein tasjeskruid Liggend walstro Zandblauwtje Wilde gagel Hengel

Criteria Goed >5 algemene soorten en 3 of > dan 3 zeldzame soorten Matig >3 algemene soorten en 2 zeldzame soorten Slecht < 2 algemene soorten of als Pijpenstrootje afwezig is

Geselecteerde kenmerkende plantensoorten van het heideontginningslandschap op basis waarvan de basiskwaliteit is berekend met in de rechter kolom de criteria. Criteria dagvlinders o.a. bont en bruin zandoogje ne kleine vuurvlinder (links) en herpetofauna o.a. levendbarende hagedis en gewone pad (rechts). slecht matig goed aantal soorten

<10 10-14 >14 26

slecht matig goed aantal soorten

<3 3 >3 10

18

2.3 Broekontginningslandschap

Broekontginningslandschap in het Zwanenbroek direct ten zuiden van Bredevoort. Zandweg met voor dit landschap karakteristieke wilgen en elzen.

Korte beschrijving Anders dan de heideontginningen op de van nature zeer voedselarme, zure gronden zijn de broekgronden of gooreerdgronden basisch (voedselrijker). Het elzenbroekbos van de goren is voor een deel pas later (een tot twee eeuwen geleden) ontgonnen, al waren er ook delen die al eeuwenlang door de boeren gehooid werden. Door de aanvoer van basenrijk kwelwater (met hoge grondwaterstanden) en slibafzetting door het beekwater bleef de grond relatief vruchtbaar er kon er zonder al te veel mest naartoe te brengen ieder jaar in een snee hooi geoogst worden. Wel werd er af en toe wat gier uitgereden om de hooiproductie nog wat op te voeren. Het mineraalrijke water in de broeken was de input van het gemengde bedrijf. Een hoge grondwaterstand was in het belang van de hooiproductie. In de hooilanden werden ondiepe greppels en slootjes gegraven, om het water niet te lang op het land te laten staan. In het najaar werden de hooilanden vaak nabeweid, mits het niet al te nat was en de zode niet te veel vertrapt werd. Het hooi

19

werd naar de boerderij gereden en ’s winters aan de koeien gevoerd. De mest uit de potstal werd naar de akkers op de es gebracht om daar de grond vruchtbaar te houden. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, toen er voldoende (kunst)meststoffen voorhanden waren en men niet meer afhankelijk was van de mineralen van het grondwater en het beekwater, werden de van oorsprong natte broekgronden dieper ontwaterd. De hooilandjes waren vroeger vrij smal en meestal loodrecht georiënteerd op gegraven waterlopen, die ook wel beken genoemd werden,. Ze werden omzoomd door elzensingels die als hakhout in beheer waren. In de sloten ontwikkelden zich moerasplanten als waterviolier, dotterbloem, gele lis en diverse zeggesoorten. Ook rietkragen waren karakteristiek voor de kwel in de sloten. In de gemeente Aalten bestaat ongeveer 10% van de oppervlakte uit broek- en gooreerdgronden. Het grootste goor (broek) in de gemeente Aalten is het Aaltense Goor. Bij de ruilverkaveling eind jaren zestig van de vorige eeuw werd het landschap ook hier ingrijpend gewijzigd, met uitzondering van een gebied van 200ha waar het kleinschalige landschap met hooilandjes en elzensingels als natuurgebied in stand is gebleven. De rest van het Aaltense Goor werd ingericht voor de melkveehouderij met diepere ontwatering en veel grotere kavels, waarbij de elzensingels werden opgeruimd.

Er werden nieuwe boerderijen gebouwd met loopstallen. Alleen de plaatselijke rietsloten wijzen nog op de voorheen natte omstandigheden. Inmiddels is weer een klein deel met succes ingericht voor natuurontwikkeling. Door maaiveldverlaging is dit gebied vernat en trekt het o.a. veel weidevogels.

20

Streekeigen landschapselementen -

-

-

-

-

Elzensingels In het oude landschap werden de hooilandjes begrenst door elzensingels die na het graven van de slootjes tussen de percelen spontaan opsloegen. Ze werden beheerd als hakhout. Van deze structuur is in de gemeente weinig overgebleven. Sloten met moerasplanten, waaronder kwelindicatoren Hoewel de sloten in de beekdalen dieper zijn uitgegraven, herbergen ze op veel plaatsen nog de moerasplanten die van oudsher in de ondiepe slootjes voorkwamen. Daaronder zijn kwelplanten als waterviolier en andere moerasplanten. Om deze soorten hun jaarlijkse levenscyclus te laten voltooien, is het belangrijk om de sloten pas laat in de zomer te maaien. Rietkragen Op diverse plaatsen komen langs sloten in de beekdalen rietkragen voor die plotseling opduiken en even abrupt weer ophouden. Het opduiken van een rietkraag heeft te maken met een zogenaamde preferente grondwaterstroom die niet de leem, maar wel gemakkelijk een zandlaag passeert en in de sloten als kwelwater uittreedt. Knotbomenrijen Rijen knotwilgen, knotelzen zijn blikvangers in het beekdallandschap. Ze worden om de drie jaar geknot. Populierensingels Ook populierensingels zijn in hoge mate gekoppeld aan de broekgronden.

Bij de beoordeling van de Basiskwaliteit landschap ervan uitgegaan dat minimaal twee karakteristieke elementen aanwezig zijn.

21

Geselecteerde soorten voor beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit Planten: (Vrij) algemene soorten • • • • • • •

Moerasspirea Dolle kervel Hop Grote wederik Kale jonker Wilde bertram Echte koekoeksbloem Pinksterbloem Gele lis Kattenstaart

• • •

Zeldzamere soorten • • • • • • •

Dotterbloem Stijve zegge Moeraszegge Oeverzegge Blaaszegge Zwarte zegge Waterviolier

Criteria Goed >5 algemene soorten en 3 of > dan 3 zeldzame soorten Matig >3 algemene soorten en 2 zeldzame soorten Slecht < 3 algemene soorten

Geselecteerde kenmerkende plantensoorten van het Broeklandschap op basis waarvan de basiskwaliteit is berekend met in de rechter kolom de criteria. Vogels: -

Rietkragen: bosrietzanger, kleine karekiet, spotvogel, rietgors, grasmus Elzensingels en wilgenstruweel: bosrietzanger, spotvogel, fitis, winterperiode: sijs, putter Sloten: watersnip, wilde eend Broekbosjes: wielewaal, nachtegaal, zwartkop, tuinfluiter, matkop

Criteria: Goed: voorkomen gemiddeld of meer dan gemiddeld Matig: Onder het gemiddelde Slecht: Sterk onder het gemiddelde Criteria dagvlinders o.a. oranjetipje, gehakkelde aurelia en cirtorenvilner (links) en herpetofauna oa. Groene kikken en kleine watersalamander (rechts). slecht matig goed aantal soorten

<10 10-14 >14 27

slecht matig goed aantal soorten

<3 3 >3 9

22

Broekontginningslandschap langs de Schaarsbeek aan de westkant van Bredevoort. Sterk nivellerend voor de huidige broeklandschappen is de doorwerking van de diepe ontwatering. Van oudsher waren de broeken natte gebieden met kruidenrijke hooilanden. Door het achterlaten van het maaisel op de schouwpaden van de watergangen wordt een kans gemist bloemrijke stroken te ontwikkelen.

23

24

3. Beoordeling Basiskwaliteit 3.1 Beoordeling Basiskwaliteit Landschap Onder een landschap met Basiskwaliteit verstaan wij een landschap dat aan de hand van de streekeigen elementen, zoals in hoofdstuk 2 van dit rapport beschreven, nog enigszins ‘leesbaar’ is omdat er nog voldoende (restanten) van deze landschapselementen aanwezig en waarneembaar zijn. Zowel de hoeveelheid aan landschapselementen als ook de diversiteit draagt bij aan de attractiviteit van het landschap. Ieder landschapstype heeft zijn eigen (streekeigen) elementen en structuren. Het gaat hier niet om de historische situatie te herstellen, wel om de kenmerkende structuren in zekere mate overeind te houden. Dit houdt in en tussen de percelen opgaand groen aanwezig is in de vorm van singels en struwelen, waardoor er nog sprake is van enige beslotenheid. Om de ontstaansgeschiedenis van deze landschappen te kunnen herkennen moet de fietser of wandelaar binnen gezichtsafstand (maximaal 500m) voldoende karakteristieke elementen kunnen waarnemen. Alleen dan is er sprake van een leesbaar landschap. Voor de beoordeling is het landschap verkend en geëvalueerd. Op 52 locaties (zie voor locaties op kaart bijlage I) is het landschap aan de hand van de hiernavolgende criteria beoordeeld in drie klassen: -

Goed (groen) = op Basiskwaliteit Matig (oranje) = onder Basiskwaliteit Slecht (rood) = ver onder Basiskwaliteit

De steden en dorpen zijn niet in de beoordeling betrokken. Toegepaste criteria Criterium 1: Aanwezigheid van landschapselementen en grondgebruik 1a Oppervlakte die door de landschapselementen wordt ingenomen. Scores: minder dan twee procent (rood), twee tot vijf procent (oranje) en meer dan vijf procent (groen).1 1b Aantal verschillende typen landschapselementen. Op ieder waarnemingspunt zijn de landschapselementen die vanaf dat punt binnen een straal van 500m kunnen worden waargenomen genoteerd. Sommige elementen komen algemeen voor zoals sloten, bermen, rasters en bomenrijen; andere zijn meer karakteristiek voor het desbetreffende

1

De 5% grens is ontleend aan de studie: Landscape complexity and farmland biodiversity: Evaluating the CAP-target on natural elements. A. Cormonta, H. Siepel, J. Clement, T.C.P. Melman, M.F. Wallis DeVries, C.A.M. van Turnhout, L.B. Sparrius, M. Reemer, J.C. Biesmeijer, F. Berendse, G.R. de Snoo: Journal for Nature Conservation 30 (2016) 19–26. De stichting Deltaplan Biodiversiteitsherstel heeft in 2022 het ‘Aanvalsplan landschapselementen’ gelanceerd. Het Aanvalsplan zet in op 10% gebiedseigen groenblauwe dooradering van het landelijk gebied. Hiermee wordt de kwaliteit en diversiteit van het Nederlandse landschap verhoogd, en een bijdrage geleverd aan ambities op het gebied van biodiversiteit, klimaat en schoon water. In dit rapport is de 5% gekozen om de ondergrens van basiskwaliteit te kunnen kwantificeren. De 5% geeft dus niet een ambitie aan maar een ondergrens. De 5% is daarbij ook slechts een van de bij de beoordeling gehanteerde criteria naast andere belangrijke factoren.

25

landschapstype. Scores: goed; meer dan zeven elementen matig vijf tot zeven elementen, slecht: minder dan vijf elementen. 1c Aantal voor het desbetreffende landschap karakteristieke elementen. Bij de landschapsbeschrijving is aangegeven welke landschapselementen karakteristiek zijn voor elk landschapstype. Bij de beoordeling is ervan uitgegaan dat minimaal twee van die elementen binnen de waarnemingscirkel aanwezig moeten zijn voor een groene score. Oranje bekent een karakteristiek element en rood wanneer geen enkel karakteristiek element zichtbaar is. 1d Mate waarin structuureigenschappen van het landschap, zoals perceelsvorm en reliëf die typerend zijn voor dat landschapstype nog voorkomen. Scores: minder dan 20%, 20-50% en meer dan 50% van de oppervlakte. 1e Passend agrarisch grondgebruik. Bij dit criterium is gekeken naar de mate waarin het type agrarisch grondgebruik nog aansluit bij bodem, geomorfologie en waterhuishouding. Voor de essen is dit bouwland, grenzend aan lager gelegen weiland en voor de broekontginningen grasland. Scores: minder dan 20%, 20-50% en meer dan 50% van de oppervlakte. Criterium 2. Toegankelijkheid van het landschap Attractieve landschappen waarin gewandeld en gefietst kan worden trekken recreanten en hebben daardoor een belangrijke economische meerwaarde. Maar ook de plaatselijke bevolking waardeert een toegankelijk buitengebied.

Door schaalvergroting zijn veel oude paden en landweggetjes verdwenen. De mate van toegankelijkheid wordt bepaald door de aard en intensiteit van de ontsluiting voor wandelaars en fietsers. Waar uitsluitend doorgaande wege aanwezig zij is de score rood. Wanneer er ook Bweggetjes voorkomen is de score oranje. En waar daarenboven ook wandel- en fietspaden zijn aangelegd, inclusief vrij toegankelijke landbouwweggetjes en zandwegen, is de score groen. Hierbij is steeds uitgegaan van de lokaal aanwezige cq zichtbare feitelijke situatie. Criterium 3. Het beheer Hierbij is gekeken naar de mate waarin de landschapselementen en het openbare groen worden onderhouden. Voor de bermen en maaipaden is er gelet op het tijdstip van maaien en het afvoeren van het maaisel (vaak te zien aan de vegetatie) en voor de knotwilgen en (meidoorn)hagen naar al dan niet achterstallig onderhoud. Scores: minder dan 20%, 20-50% en meer dan 50% van de oppervlakte. Criterium 4. Landschappelijke inpassing van de bebouwing. Hierbij is gekeken naar de visueel-ruimtelijke inpassing en de mate waarin hierbij streekeigen soorten bomen en struiken zijn gebruikt. Een laurierhaag of een rij fijnsparren worden niet beschouwd als een goede inpassing. Gebruik van inheems plantmateriaal is belangrijk voor de insectenwereld, bloemrijke en bes-dragende heester hebben de voorkeur.

Gemeenten stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing bij de bouw van nieuwe, vaak grote stallen. Erven zijn, mits goed ingericht, ook belangrijk voor zogenaamde erfvogels zoals zwaluwen en uilen. Niet altijd hoeven

26

daarbij gebouwen geheel worden afgedekt door groen. Een historische Saksische boerderij bijvoorbeeld is beter ingepast met enkele fraaie oude solitaire bomen en een boerentuin dan dat deze is opgesloten in een dichte windsingel. Scores: minder dan 20%, 20-50% en meer dan 50% van de oppervlakte goed ingepast. Zodanig ontstaan 8 scores per waarneemlocatie. Deze scores zijn in het veld geïntegreerd in een eindoordeel. In het veld zijn de grenzen tussen de categorieën goed, matig, slecht (groen, oranje, rood) op de kaart ingetekend.

Basiskwaliteit Landschap in kaart Het resultaat van de landschappelijke beoordeling van de Basiskwaliteit wordt weergegeven in figuur 3 en 4.

Figuur 3. Basiskwaliteit Landschap (de witte begrenzingen betreffen in het veld onderscheiden karteereenheden) (“overige” betreffen gebruiksvormen waarbij het landschap niet herkenbaar is) Het kaartbeeld laat zien dat in meer dan 60% van de gemeente Aalten de Basiskwaliteit van het landschap op orde is. Met name rond de kern van Aalten richting Bredevoort, Barlo en de Radstake kleurt het landschap overwegend groen. Richting Dinxperlo zien we veel oranje en ook enkele rode gebieden. Dit geldt ook voor de landbouwgebieden ten noorden van het Aaltense Goor en de heideontginningsgebieden ten Oosten van Barlo (Schaarsheide). 27

Figuur 4. Oppervlakteaandeel van de drie verschillen scores Basiskwaliteit landschap.

Hoe de verschillende criteria voor de beoordeling van de Basiskwaliteit van het landschap zijn geconstateerd is weergegeven in figuur 5.

Figuur 5. Resultaat van de beoordeling op 56 locaties per criterium

De diversiteit aan landschapselementen en karakteristieke landschapselementen scoren vaak goed. Veel voorkomende landschapselementen zijn: sloten, bermen, rasters, solitaire bomen en eikensingels. De criteria oppervlakte landschapselementen en landschappelijke inpassing van de bebouwing hebben de hoogste scores in het rood. Op beide onderdelen lijkt de gemeente het landschap te kunnen verbeteren. De hoogste score in het oranje (matige) bereik betreft de criteria onderhoud van de landschapselementen en de toegankelijkheid van het landschap. Bij het eerstgenoemde onderdeel heeft dat te maken met het probleem dat het maaisel op de maaipaden niet

28

wordt afgevoerd. Het tweede wordt veroorzaakt door het feit dat het landschap overwegend niet is ontsloten met wandel- en/of fietspaden. Hieronder wordt in tabelvorm per landschapstype aangegeven hoe vaak de landschapselementen zijn aangetroffen op basis van de veldopnames op locatie. Het onderstaande kader geeft een toelichting op de wijze van presentie van deze informatie.

Toelichting op de weergave in figuur 6-1 t/m 6-3 In de tabel staat in de rechter kolom het percentage van de opnamelocaties waar het desbetreffende landschapselement aanwezig is. De inkleuring gaan van 100% (groen) naar 0% (lichtgeel) om snel te kunnen zien welke landschapselementen in het landschapstype het meest zijn aangetroffen. In de kolom “kenmerkend” is met een grijs vlakje met een 1 aangegeven welke landschapselementen als kenmerkend voor het specifieke landschapstype gelden. In de kolom totaal% staat het percentage van de waarneemlocaties waarop het landschapselement aanwezig was. Het aantal locaties dat is beschreven staat boven in de tabel. De percentage verdeling slaat steeds op het percentage van de opnamelocaties waar een element werd aangetroffen. Dus als er in een landschap 8 opnamelocaties waren waarvan er op 6 een wegberm aanwezig was dan is de score 75%. Het aantal opnamelocaties per landschap staat steeds boven in de tabel genoemd.

29

Figuur 6-1. Oppervlakteaandeel van de drie verschillen scores Basiskwaliteit landschap in het oude hoevenlandschap op de 33 opnamelocaties

30

Basiskwaliteit Landschap in het Oude Hoevenlandschap

De gebieden in het oude hoevenlandschap kleuren voor het overgrote deel groen en slechts 2% rood. Dit heeft te maken met de van oudsher grote diversiteit in het oude hoevenlandschap, waarvan er in de meeste gevallen, ondanks dat ook daar de intensivering van de landbouw en de schaalvergroting het landschap sterk is verarmd. Binnen onze halve cirkel van 500m zijn vaak echter nog voldoende restanten aanwezig om nog te kunnen spreken van Basiskwaliteit Landschap, hoewel een derde van de oppervlakte deze score niet haalt en oranje kleurt. Inmiddels is 34% van de oppervlakte in de categorie matig terechtgekomen door landschappelijke aantasting in combinatie met schaalvergroting. Oude houtwallen zijn op verschillende plaatse geïntegreerd in grotere percelen, waarbij ze sluipenderwijs zijn gesloopt. In sommige gevallen resteren alleen nog enkele zware eiken, vaak met afgetrapte aanzetten van de boomwortels, waardoor deze eiken op termijn alsnog het loodje leggen. Relatief kleine rode gebieden vinden we o.a. tussen de Heurne en Dinxperlo, een gebied ten Oosten van Lintelo en een gebied langs de Genderingseweg. Deze gebieden zijn te grootschalig ingericht om de criteria, gericht op landschappelijke diversiteit te doorstaan. Van de kenmerkende landschapselementen scoren lanen en oude Saksische boerderijen met dan 50%, direct gevolgd door eikensingels en oude loofhoutbosjes.

31

Figuur 6.2. Oppervlakteaandeel van de drie verschillen scores Basiskwaliteit landschap in het Broekontginningslandschap op de 9 opnamelocaties

32

Basiskwaliteit Landschap in het Broekontginningslandschap

Ook het broekontginningslandschap kent weinig rode gebieden voor de Basiskwaliteit Landschap (1%), al is hier het aandeel oranje wat groter (40%). De broekgebieden worden in de regel intensief agrarisch beheerd, al vinden we hier vaak nog wel enkele rietsloten en verspreid landschapselementen als knotwilgenrijen en populierensingels. Dat laatste zorgt ervoor dat deze gebieden niet rood scoren en als oranje of zelfs groen op de kaart staan. In gebieden die als natuur zijn ingericht is sprake van bijzondere kwaliteit. Van de kenmerkende elementen scoren alleen de elzensingels en de zandwegen meer dan 50%.

33

Landschapselementen Heideontginngslandschap 14 locaties water-elementen

Kenmerkend

Totaal%

moerasoever rietsloot

50 43

sloot greppel beekloop rivierloop strandjes en kribben plas(jes)/kolken kruidachtige elementen

kade dijkhelling

7 7

perceelsrand akkerrand steilrand berm schrale berm

1

schouwpad met kruiden raster zoom

79 7 7 50 14

ruderaal terrein rietkraag

14

weitje bloemrijk grasland struikachtige elementen

43

gemend struweel meidoornstruweel braamstruweel bremstruweel

1

wilgenstruweel boom-elementen

57 14 50 36

solitaire bomen bomenrij laan dichte singel knotwilgen(rij) elzensingel berkensingel

1

eikensingel

7 29 64

populierensingel

7 21

houtwallen loofbos(je) oud loofhoutbos(je) populierenbos(je) ooibosje boomgaard vliegdennenbosje cultuur-elementen

ontginningsboerderij zandwegen abiotiek

1

21

1 1

29 29

Saksiche boerderij

reliëf micro reliëf macro

Figuur 6.3. Oppervlakteaandeel van de drie verschillen scores Basiskwaliteit Landschap in het Heideontginngslandschap op de 14 opnamelocaties.

34

Basiskwaliteit Landschap in het Heideontginningslandschap

In de heideontginningslandschappen vinden we de meeste rode gebieden (11%). Kennelijk zijn hier de minste belemmeringen om het landschap uit te ruimen en groot op te schalen met monocultures. Toch is de Basiskwaliteit Landschap in 65% van de oppervlakte nog wel op orde met schrale bermen en berkensingels. Opvallend in deze tabel is dat geen enkele van de kenmerkende elementen boven de 50% scoort. De van oorsprong voedselarmere heideontginningen zijn door vermesting hun heischrale karakter grotendeels kwijt geraakt. Vooral het ontbreken van heischrale bermen met havikskruiden is daarvan de consequentie.

35

36

3.2 Beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit Beoordeling in de provinciale studie Om een beeld te verkrijgen van hoe het er met de biodiversiteit in de verschillende landschappen in de gemeente voor staat, is in een eerdere studie (2019) in opdracht van de provincie Gelderland op basis van verspreidingsgegevens per landschapstype en daarbinnen per vierkante kilometerhok de diversiteit van flora en fauna bepaald (intern rapport provincie Gelderland 2). De beoordeling voor vogels, dagvlinders, herpetofauna en wilde planten (vaatplanten) is berekend per landschapstype op basis van in hoofdstuk 2 geselecteerde soorten. Daarbij wordt uitgegaan van bestaande verspreidingsgegevens van de soorten per kilometerhok. Per landschapstype is voor iedere soortengroep een lijst van karakteristieke soorten opgesteld die (vrij) algemeen zijn in dat landschapstype (zie hoofdstuk 2). Het aantal soorten uit deze categorieën dat per km-hok is gevonden dient als maat voor de kwaliteit. Voor ieder landschapstype zijn criteria opgesteld voor het aantal van de karakteristieke soorten dat in het desbetreffende landschap aanwezig moet zijn om te scoren in de klassen onvoldoende, matig tot goed. Criteria vogels Voor de beoordeling biodiversiteit vogels wordt uitgegaan van de verhouding tussen het aantal waargenomen vogels en het aantal vogels dat gemiddeld in dat landschapstype verwacht kan worden.

Dat laatste getal is berekend op basis van het voorkomen in de getelde kilometerhokken en telpunten van de vogelatlas 2012-2015. Is deze verhouding kleiner dan een half dan scoort het kilometerhok onvoldoende (rood). Waar de verhouding boven de een ligt, scoort het kilometerhok voldoende (groen). Ligt de verhouding daar tussen in dan scoort het hok matig (oranje). Criteria wilde planten Voor ieder landschapstype zijn criteria opgesteld voor het aantal van de karakteristieke (algemene en zeldzamere) soorten dat in het desbetreffende landschap aanwezig moet zijn om te scoren in de klassen slecht, matig tot goed. De geselecteerde soorten en de criteria worden hieronder voor ieder landschapstype vermeld. Zie hiervoor hoofdstuk 2. Criteria dagvlinders en herpetofauna Ook voor deze groepen zijn per landschapstype criteria opgesteld om op kilometerhokniveau de kwaliteit te beoordelen (zie hoofdstuk 2). Voor een uitgebreide toelichting op de toegepaste methodiek wordt verwezen naar het rapport van Kwak & Stortelder (2019) dat in opdracht van de Provincie Gelderland voor Oost Gelderland is uitgevoerd.

2

Rapportage in opdracht van de Provincie Gelderland: R.G.M. Kwak & A.H.F. Stortelder (2019): Landschappen en Natuurkwaliteit Oost-Gelderland. Intern rapport.

37

Het resultaat van de biodiversiteitsbeoordeling op het niveau van kilometerhokken wordt weergegeven in figuur 8.

Figuur 7. Beoordeling Basiskwaliteit biodiversiteit op km-hokniveau voor planten (linksboven in het kilometerhok), dagvlinders (rechtsboven), herpetofauna (linksonder) en vogels (rechtsonder). Wanneer een score ontbreekt zijn niet voldoende gegevens voorhanden voor een verantwoorde beoordeling. Bovenstaande beoordeling is in het veld gebruikt als uitgangspunt voor de beoordeling van de biodiversiteit in de karteringseenheden (zie verderop).

Beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit in de gemeente Voor de provinciestudie het zijn de beoordelingen (goed, matig, slecht) van de vier categorieën (vogels, dagvlinders, herpetofauna en wilde planten) geïntegreerd in een eindbeoordeling. Als minimaal twee van de soortgroepen in de klasse goed scoort, werd in de studie voor de provincie het kilometerhok groen ingekleurd. Kennelijk zijn in dat kilometerhok de leefomstandigheden voor minimaal twee groepen van organismen op orde. Wanneer alle soortgroepen slecht scoren is het kilometerhok rood ingekleurd. De rest van de kilometerhokken is oranje beoordeeld. Voor de gemeentelijke kartering (op een wat grotere schaal) is de benadering op kilometerhokniveau veel te grof. Bij de veldverkenning is de Basiskwaliteit biodiversiteit beoordeeld voor de in het veld gekarteerde kaarteenheden. De kaart met

38

de scores op kilometerhokniveau diende daarbij als leidraad. De twee beoordelingen komen bij de verdere uitwerking niet altijd overeen. Als bijvoorbeeld een kilometerblok groen scoort omdat in een deel van dat blok veel landschapselementen voorkomen, kan het zijn dat de rest van dat blok wordt ingenomen door soortenarme monoculturen. Op onze kaart wordt dan het ene deel groen en het andere deel oranje of zelfs rood.

Basiskwaliteit biodiversiteit in kaart

Figuur 8. Basiskwaliteit Biodiversiteit in de gemeente Aalten

Het kaartbeeld van de biodiversiteit vertoont vrij veel overeenkomst met de landschappelijke beoordeling. Dit is niet verbazingwekkend. Immers, waar landschapselementen aanwezig zijn, kunnen (vrij) algemene organismen nog overleven. De toestand van het landschap bepaalt de omstandigheden voor wilde planten en dieren om zich te kunnen vestigen. Het schept de randvoorwaarden. Biodiversiteit versterken betekent het verbeteren van deze randvoorwaarden. Er zijn echter ook verschillen. Met name in de heideontginningen zijn er relatief grote gebieden die landschappelijk als matig (oranje) zijn beoordeeld, maar rood gekleurd zijn op de biodiversiteitskaart. Voorbeelden zijn de landbouwgebieden in het Aaltense Goor, de Schaarsheide en het Vragenderveld. Verder zijn er gebieden die landschappelijk groen scoren maar er bij de biodiversiteitsbeoordeling als matig uit de

39

bus komen. Voorbeelden zijn het broekontginningsgebied ten zuidoosten van Corle en gebieden aan de zuidkant van de Schaarsheide. Al met al treffen we in 57% van de gemeente voldoende planten en dieren aan om het criterium Basiskwaliteit Biodiversiteit te halen (57% - figuur 9). In meer dan 40% is de Basiskwaliteit echter niet op orde.

Figuur 9. Oppervlakteaandeel van de drie verschillen scores Basiskwaliteit Biodiversiteit.

40

Beoordeling Biodiversiteit op landschapsniveau De biodiversiteit in het huidige landschap is vooral te vinden in landschapselementen en op erven. Door de biodiversiteit van het landschap integraal te beoordelen binnen onze halve waarnemingscirkel van circa 500m, wordt op plaatsen waar nog landschapselementen voorkomen de biodiversiteit hoger beoordeeld dan waar deze elementen schaars zijn. Dat is ook de reden dat de kaart met de beoordeling van het landschap veel overeenkomt vertoont met de biodiversiteitkaart. De drie onderscheiden landschapstypen hebben allen op 50 – 59% van het oppervlakte een redelijke biodiversiteit. Op 11 – 19% is echter de biodiversiteit zo ver onder de maat dat zelfs algemene planten en dieren goeddeels ontbreken.

Figuur 10-1 t/m 10-3 Basiskwaliteit Biodiversiteit per landschapstype

10-1 Hoevenlandschap

10-2 Broekontginningslandschap

10-3 Heideontginningslandschap

41

42

Bijlage 1

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=b4a6a04b-e93b-4c88-a8e8-a52e1d97626d