Raadsmededeling 4-2022 Beantwoording vragen diverse fracties over raadsmededeling 199-2021 Prioritering aanbevelingen Rekenkamercie onderzoek Jeugdzorg.pdf
Tekst van het document
Raadsmededeling openbaar Nummer Datum B&W datum Beh. Ambtenaar Portefeuillehouder Onderwerp
: : : : : :
4-2022 11 januari 2022 A. Tiemessen / J. Storm A.J. te Lindert Beantwoording vragen diverse fracties over raadsmededeling 1992021prioritering aanbevelingen rekenkamercie onderzoek jeugdzorg
Aanleiding: Door verschillende fracties zijn vragen gesteld over het rapport van de rekenkamer en de daaropvolgende raadsmededeling van het college. Zoals inmiddels bekend is (gedeeld door de griffie en besproken in de agendacommissie) schuift dit agendapunt door naar de raadcyclus van februari. Dit punt wordt toegevoegd aan de beeldvormende bijeenkomst van 18 januari over de tussenevaluatie van het transformatieplan Sociaal Domein. Allereerst een opmerking vooraf. Dit rapport stemt ons tot tevredenheid. Wij vinden dit een mooi rapport. Er zijn eigenlijk geen echt grote verbeterpunten. Ook dit rapport van de rekenkamer toont aan dat we het goed doen. Het is daarbij prettig dat de rekenkamer ook verbeterpunten noemt waarmee we ons werk nog beter kunnen doen. Het is altijd zinvol om beter vast te leggen, meer zichtbaar te maken, nog preventiever te werken enzovoort. Daar staan we voor open en werken we aan zoals ook te zien is in ons transformatieplan. Voorbeelden van zaken die we al in hebben gezet zijn het drugspreventieteam, de pilot preventiemedewerker, extra schuld en armoedebeleid en de jongerenhuizen in Aalten en Dinxperlo. Van de 39 punten uit het rapport waren de meeste al in behandeling, klaar of worden al opgepakt. De verklarende lijst per punt gaat alsnog hierbij. Gemakshalve en voor de duidelijkheid hieronder de beantwoording per vraag.
Inhoud mededeling: ChristenUnie: 1. In de raadsmededeling staan een aantal aanbevelingen genoemd die prioriteit krijgen. Kan het college aangeven hoe dit vorm gegeven gaat worden? Welke (concrete) acties worden per aanbeveling uitgevoerd, door wie en wanneer? Antw: de uitwerking vindt veelal regionaal plaats. Er komt een plan van aanpak hoe we dat gaan doen. Hoe precies en door wie en wanneer vinden we echt bedrijfsvoering. Maar het plan delen we met de raad. 2. Welke actiepunten worden regionaal uitgevoerd, en welke op lokaal niveau? Antw: de meeste punten pakken we op met de buurgemeenten. Maar daar waar het zinvol is en wat toevoegt is regionaal zinvoller. Dit rekenkameronderzoek is voor de drie gemeenten gezamenlijk gedaan vandaar dat we ook de prioritering van de punten met de drie gemeenten gezamenlijk hebben opgepakt. Dit betekent dat zowel Oost-Gelre, Winterswijk als Aalten met de zes prioriteiten aan de gang gaan. Uiteraard zijn er wel verschillen in de uitvoering. Een actie in Aalten is bijvoorbeeld de herijking van de sociale basis/voorliggende voorzieningen (prioriteit 3). Dit speelt bij de andere twee gemeenten minder. Een andere actie is de samenwerking tussen het OT en de sportverenigingen (prioriteit 3). Hier zijn op dit moment Oost-Gelre en Aalten mee bezig. Pagina 1 van 3
Aan het zichtbaar maken van resultaten (prioriteit 1) hebben wij in Aalten het afgelopen jaar al veel prioriteit gegeven. Terwijl Oost-Gelre en Winterswijk daar het komende jaar meer aandacht aan geven.
3. Het lijkt erop dat alles binnen staande organisatie kan worden opgepakt/uitgevoerd. Klopt dit? Zijn geen aanvullende mensen/middelen nodig? Antw: Vooralsnog niet. We zijn nu nog even druk met de inkoop, maar straks komt er weer ruimte voor, zeker in de tweede helft van 2022. Niettemin zijn we meteen al gestart met de uitwerking (zie prioriteit 1). 4. Ten aanzien van een evaluatie: kan toegezegd worden dat over een bepaalde periode (bijvoorbeeld over een jaar) inzichtelijk wordt gemaakt hoe de aanbevelingen zijn uitgevoerd en wat de resultaten zijn? Ofwel het meetbaar maken van de acties en het vervolg? Antw: Dat is zeker de bedoeling en zelfs ook al eerder wanneer er wat te melden valt. Daarvoor gebruiken we de normale P&C cyclus, bijvoorbeeld de voor- en najaarsnota. Over een jaar houden we verder de aanbevelingen nog extra eens tegen het licht en evalueren waar we dan staan. Wat zijn kortom de vorderingen? We melden dit dan weer met RM.
D66: In het rapport staan 39 aanbevelingen. In de oordeelsvormende vergadering hierover in maart 2021 heeft het college de volgende toezegging gedaan: “Er zal een reactie komen van het college op het rapport. Die reactie zal in de vorm van een raadsmededeling zijn. Die raadsmededeling is dan het begin om het met elkaar te hebben over die 39 aanbevelingen. Welke doen we wel, welke met prioriteit, wat kunnen we opschuiven.” 1. Waarom staan er in de raadsmededeling slechts een paar punten dat een prioriteit gaat zijn en wordt er geen uitleg gegeven waarom deze wel, anderen niet en wanneer deze dan wel uitgevoerd gaan worden? Antw: Zie boven bij de inleiding. 2. Wanneer gaat het college bovenstaande toezegging wél uitvoeren? Antw: Deze raadsmededeling en de behandeling ervan in de raad voorziet daarin.
VVD: 1. De allereerste conclusie van het rapport luidt dat de doelen te abstract geformuleerd zijn zodat ze daarmee niet evalueerbaar zijn. Erkent het college dat met deze prioritering precies hetzelfde gebeurt? Antw: Nee zeker niet omdat wij alle punten in uitvoering nemen of hebben genomen. En we komen met een evaluatie over de voortgang (zie het antwoord op vraag 4 van de ChristenUnie). Kunt u aangeven met welk resultaat per prioritering het college tevreden is? En hoe kan het college het bereiken van het resultaat aan de raad terugkoppelen? Antw: Het college is nu al tevreden over dit rapport en de stand van zaken van de uitvoering. Veel punten zijn klaar of opgepakt. De raad wordt verder regelmatig op de hoogte gehouden. 2. Prioritering 1: Resultaten zichtbaar maken. Volgens de toelichting wordt hier in het dashboard over gecommuniceerd. Wat vindt het college van het dashboard? Welke onderdelen ontbreken nog in het dashboard om alle resultaten goed zichtbaar te maken? Antw: Wij zijn tevreden over het dashboard. Het geeft veel informatie en nadere verklaringen. En daar waar verdere uitleg wenselijk is, is de commissie sociaal domein bij uitstek geschikt. Het dashboard staat daar als vast agendapunt ter bespreking. Maar ook bijvoorbeeld in de laatste najaarsnota staat veel informatie.
Wat ons betreft ontbreken er geen onderdelen om het nog beter zichtbaar te maken, maar we staan altijd open voor suggesties. 3. Prioriteit 2: ‘Meer oog voor de lange termijn en onderzoek naar de oorzaken kan ons helpen om de al aanwezige doe-kracht in te zetten voor interventies die het meeste effect hebben’. Hoe meet het college of ingezette interventies effect hebben? Antw: Dat moet blijken uit de tevredenheid van onze klanten en op den duur het nog meer beheersbaar krijgen van de jeugdzorg. Bijvoorbeeld minder uithuisplaatsingen. Dit is in ons dashboard te volgen. Daarnaast zijn wij hierover ook in gesprek met het OT. Wij willen beter Pagina 2 van 3
inzichtelijk krijgen wat er wel/niet via het OT gaat en of daar verbeterslagen mogelijk zijn. Verder zijn we op dit moment druk bezig om te kijken of deze cijfers goed uit onze systemen te halen zijn. Dan kan deze informatieonderdeel worden van het dashboard. 4. Prioriteit 3: ‘Daarnaast vragen we van zorgaanbieders om zich bekend te maken in de buurt, zodat ook die lijnen kort zijn.’ Wat bedoelt u hier precies mee? Antw: We kennen al veel organisaties natuurlijk, maar niet allemaal. Voor een goede integrale dienstverlening is het handig om een zo groot mogelijk netwerk te hebben en om ook te zorgen dat dat netwerk bekend is bij partners als het onderwijs maar ook bij ouders. 5. Welke concrete acties zet het college om tot een verbeterde toegang tot hulp te komen? Denkt het college ook aan de manier zoals in Winterswijk met De Post? Antw: Nog meer preventief werken en voorlichten. Maar ook de signalen uit het veld oppakken. Zoals gezegd zijn we nu bezig bij de sportverenigingen. De toegang tot het Sociaal Domein in Aalten is in het afgelopen jaar minder versnipperd. Door een betere inrichting van de werkprocessen en afspraken daarover met het OT is de werkwijze eenduidiger geworden. Ook in de communicatie naar inwoners (onder andere via website) is meer eenduidigheid; als inwoners contact zoeken voor jeugdhulp loopt dit altijd via het OT.
Ook blijft natuurlijk de toegang tot jeugdhulp via de huisarts. Door het borgen van de POH Jeugd (praktijkondersteuner huisarts) in de huisartsenpraktijken is deze toegang tot jeugdhulp en de samenwerking met de gemeente verbeterd. Daarnaast is op dit moment een regionale werkgroep bezig met het opstellen van een ‘klantreis toegang en backoffice’ om te zorgen dat de toegang tot de jeugdhulp n.a.v. de nieuwe inkoop goed verloopt. 6. Prioriteit 6: ‘Verkennen of verdere samenwerking tussen de jeugdconsulenten van de drie gemeenten kan bijdragen aan krachtenbundeling en het verminderen van de werkdruk.’ Volgens het rapport is dit zeer wenselijk. Waarom staat er dan zo aarzelend ‘verkennen of’. Waarom niet geformuleerd als maximaal inzetten op krachtenbundeling om de werkdruk en de administratieve lasten te verminderen? Antw: Omdat het de vraag is of dat de oplossing is én omdat er al best veel samengewerkt wordt (de vraag wekt een beetje de suggestie alsof ervan af ‘0’ begonnen moet worden met samenwerken). We werken al met het OT-team dat volledig bestaat uit medewerkers van de drie gemeenten. Dit levert al vele voordelen. En we geloven niet dat door samenwerking per definitie de werkdruk minder wordt en de administratieve last naar beneden gaat.
Wordt met deze prioritering recht gedaan aan de wens van de betrokkenen in het veld dat er meer samengewerkt gaat worden (elkaar leren kennen, afstemmen en procedures meer op elkaar laten aansluiten)? Antw: Het is echt niet zo dat onze jeugdconsulenten op een eiland zitten. In onze optiek wordt er al heel veel samengewerkt. Toch horen ook wij dat die samenwerking beter kan. We gaan continu de dialoog aan en zoeken naar verbeteringen op dit punt. Een voorbeeld uit de praktijk is dat jeugdconsulenten van de ene gemeente gevraagd zijn om mee te denken bij een complexe casus vanuit een andere gemeente (uiteraard anoniem). 7. Worden door deze prioritering de obstakels weggenomen om te komen tot één gezin, één plan, één regisseur? Zo niet, wat is daar dan nog voor nodig? Antw: Los van de rapportage willen we daar al meer naar toe. We werken daaraan, zie daarvoor ook de lijst met 39 punten Los van de prioritering moet dat volgend jaar al meer gestalte gaan krijgen. 8. Leidt deze gezamenlijke prioritering ook tot meer samenwerking tussen deze drie gemeentes? Welke afspraken zijn daarover gemaakt? Antw: Ambtelijk en bestuurlijk weten de drie gemeenten elkaar goed te vinden. De afgelopen periode zijn er talloze zaken in gezamenlijkheid opgepakt en verder doorontwikkeld: PPJ, OT, THINK op school, huiskamerproject, POH-jeugd, etc.
De gezamenlijke prioritering van het rekenkamerrapport en de uitwerking daarvan draagt daar zeker aan bij.
De volgende stukken zijn voor u bijgevoegd: Uitwerking aanbevelingen rekenkameronderzoek. Pagina 3 van 3
Uitwerking aanbevelingen Rekenkameronderzoek ‘Voor de toekomst’ Leeswijzer: Vet = gezamenlijk prioriteit van Aalten, Oost Gelre en Winterswijk 1. Realiseren maatschappelijke opgaven 1. Verder bouwen en investeren in opgaven gestuurd werken: doen wat nodig is! > De concrete kind- of gezinsopgave stuurt wat nodig is. > De bedoeling voor de opgave van het kind telkens concreet maken: waar doen we het voor? Waar is het ons ook alweer om te doen? De integrale verordening sociaal domein biedt ons de mogelijkheid om meer te werken vanuit de bedoeling. De situatie, hulpvraag en het gewenste effect staan centraal. Jeugd-, Wmo- en Participatie consulenten werken hiervoor nauw samen. Daarnaast werken we vanaf 1 juli 2022 vanuit de inkoop meer resultaatgericht. De consulent bepaalt dan samen met de cliënt welke doelen we willen bereiken (het ‘WAT’), de zorgaanbieder bepaalt op welke manier dat het beste kan (het ‘HOE’). Op deze manier sluiten wij beter aan op het gewenste resultaat. In eerste instantie op cliëntniveau, maar daarmee natuurlijk ook op maatschappelijk niveau. 2. Zichtbaar bijdragen aan algemene beleidsdoelen vraagt heel veel concrete acties voor kind- en gezinsopgaven. Deze acties tellen op naar een groter resultaat. Maak deze resultaten zichtbaar.
Elk resultaat telt! Er wordt op verschillende punten gewerkt om concrete resultaten te behalen, daar wordt ook over gecommuniceerd/gerapporteerd (raadswerkgroep/dashboard/p&c cyclus) maar uit het rekenkameronderzoek valt op te maken dat we hier nog stappen in dienen te maken. In het afgelopen jaar hebben wij hier in Aalten al prioriteit aan gegeven en wordt periodiek het dashboard aan de raad gepresenteerd. 3. Algemene beleidsdoelen voor jeugdzorg evalueerbaar maken. > Door een doel heel concreet te formuleren is het ook evalueerbaar. > Omgekeerd, als je evalueerbaar werkt ben je ook resultaat gerichter. Dan heb je een veel concreter beeld van wat je wilt bereiken. > Evalueerbaar formuleren betekent specifiek, meetbaar en tijdgebonden én dat je de kern van de zaak raakt. Dit maakt mogelijk na te gaan of het resultaat is gerealiseerd. Kortom, wanneer ben je succesvol? > Dat kan aan de hand van een veelzeggend beeld, een goed voorstelbaar verhaal en een getal dat de kern raakt. De doelstellingen zijn niet voldoende concreet. We gaan een voorstel doen om dit concreter te maken en aansluiten bij het dashboard. 4. Met preventie aangrijpen op krachtige en (gemakkelijk) beïnvloedbare oorzaken. Dat vraagt ook goed inzicht in de oorzaken en gevolgen, bijvoorbeeld van alcoholconsumptie en drugsgebruik onder jongeren.
(Zie ook paragraaf 3.6: ‘Passende inzet maatregelen en interventies’) We zien hier al veel doe-kracht, denk hierbij aan de steeds weer uitbreidende activiteiten van het Preventieplatform die inspelen op de actualiteiten, de samenwerking met politie en Halt, interventies van het jongerenwerk en de aanwezigheid op middelbare scholen van OT en jongerenwerk. Meer oog voor de lange termijn en onderzoek naar de oorzaken kan ons helpen om de al aanwezige doe-kracht in te zetten voor interventies die het meeste effect hebben. 5. Met elkaar regelmatig de resultaten bespreken en benoemen. Daar hoef je niet per se een heel systeem voor op te tuigen, noch hoef je daarop te wachten. Dit gebeurde op informele wijze tijdens de werkateliers voor dit onderzoek. (Zie ook paragraaf 3.4: ‘Monitoring en evaluatie’) Het dashboard wordt periodiek naar de raad gebracht en kan aanleiding zijn om periodiek de resultaten te bespreken.
1
6. Breng de totale maatschappelijke kosten en baten in beeld met focus op de kind- en gezinsopgaven. > Werk met een format en een set vaste doelen en budgetten om het plan in te richten. > Hanteer dit plan tegelijkertijd als evaluatiekader om de kosten-baten in te schatten. Bouw al doende kennis op over het evalueerbaar maken van de opgaven – hou dat vast. (Zie ook paragraaf 3.7: ‘Lerende organisatie’) > Heb oog voor zaken die je kwantitatief hard kunt maken inclusief het verhaal daarachter. > Ondersteun professionals hierbij: met goede formats en bijvoorbeeld door taakverdeling met en binnen het Ondersteuningsteam. De maatschappelijke baten van goede jeugd- en gezinshulp liggen vaak op een ander terrein zoals bij onderwijs/economie (meer jongeren met een diploma), politie (minder overlast en criminaliteit), verenigingen (meer leden en vrijwilligers). Tegelijkertijd dragen al deze partijen ook bij aan onze gezamenlijke opdracht om de jeugd gezond en veilig op te laten groeien. Het in beeld brengen van de totale maatschappelijke kosten en baten is dan ook een omvangrijke opdracht. Wij zien daarom meer in het uitdragen dat we met alle partijen een gezamenlijke opdracht hebben, dan om dit middels cijfers te onderbouwen. 2. Goede ketensamenwerking 1. De uitspraak ‘It takes a village to raise a child’ wordt vaak in werkateliers uitgesproken.
Dit betekent: verder bouwen aan maatschappelijke netwerken tot in de haarvaten van de gehele (lokale) samenleving. > Dat vraagt bijvoorbeeld om een sluitend netwerk met sport- en spelverenigingen rondom het kind, zoals voetbal en scouting. > Het vraagt ook om faciliteiten voor vrijwilligers bij signaleren en doorverwijzen. > Het is tevens zaak maximaal in te spelen op lokale initiatiefnemers en het benutten van mogelijkheden voor co-creatie. Een sterke sociale basis is onontbeerlijk om de beleidsdoelen van de gemeente te realiseren. Er liggen hier kansen, we hebben immers al veel lijnen naar sport- en spelverenigingen. Daar werken bijvoorbeeld de talentverbinder dan wel buurtsportcoaches en de cultuurcoach aan. Het Ondersteuningsteam heeft al korte lijnen naar onderwijs en kinderopvang. We gaan onderzoeken of het Ondersteuningsteam mogelijkheden heeft om de lijnen naar het verenigingsleven aan te halen. Daarnaast vragen we van zorgaanbieders om zich bekend te maken in de buurt, zodat ook die lijnen kort zijn. Deze sociale basis willen we verder uitbouwen zodat er een sluitend netwerk ontstaat waarbij wij ook vrijwilligers maximaal faciliteren. 2. Bouw netwerken zoveel mogelijk rond gemeenschappelijke opgaven. > De huidige aanpak van puntsturing werkt niet meer voor grote maatschappelijke uitdagingen.
> Bundel krachten in gemeenschappelijke opgaven: samen bijdragen aan het geheel. Over en weer bijdragen aan elkaars doelen en belangen. In onze Nota Sociaal Domein worden de opgaven waar we gezamenlijk met inwoners, voorliggende voorzieningen (sociale basis) en zorgaanbieders in het komende jaar aan gaan werken. Verder overleggen we bijvoorbeeld met het onderwijs hoe we de NPO gelden op een manier in kunnen zetten om een structureel effect te bereiken op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Op die manier kunnen we over en weer bijdragen aan elkaars doelen en belangen. Daarnaast hebben wij bij de nieuwe contractering van zorgaanbieders aandacht voor het feit dat we allemaal gezamenlijk voor een opdracht staan: elk kind krijgt de ondersteuning die hij nodig heeft en dat gebeurt binnen de financiële kaders. Door de nieuwe manier van financieren dragen we dat ook uit: het geeft de zorgaanbieder meer vrijheid om de opdracht waar hij voor staat op een efficiënte manier te vervullen. 3. Als ‘één gezin, één plan, één regisseur’ werkelijk belangrijk is, dan is het zaak de huidige barrières serieus te nemen en deze te beslechten. > Dit is vooral nodig voor de zware/ complexe kind- en gezinsopgaven. > Als basis voor het maken van prestatieafspraken met partners.
2
Accepteer anders dat er meerdere zorgplannen naast elkaar blijven bestaan. Waar het kan werken we volgens één gezin, één plan, één regisseur. Eén regisseur is niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld als één kind in het gezin onder toezicht is gesteld (dan is de jeugdbeschermer de regisseur) en andere kinderen niet (dan is de consulent de regisseur). In die samenwerking met de betrokken ketenpartners blijkt privacy wel een hindernis. We verwachten dat de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) dat zal vereenvoudigen, in ieder geval bij de gezinnen waar complexe problematiek speelt en afstemming en dus werken aan dezelfde doelen het hardst nodig is. Het wetsvoorstel verankert de wettelijke taak voor gemeenten voor een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek en de hiervoor noodzakelijke gegevensdeling tussen partijen. 4. Samenwerken is permanent leren. Een deelnemer aan een werkatelier: “Dat vraagt investeren in elkaar leren kennen. We zijn groot genoeg om voor elkaar wat te betekenen en klein genoeg om elkaar te leren kennen.” Daar investeren we al heel lang in. De netwerken van de consulenten en het Ondersteuningsteam zijn al heel groot. We verwachten dat de samenwerking met zorgaanbieders gaat verbeteren door per 1 juli 2022 minder zorgaanbieders te contracteren en zij meer betrokken worden bij de gezamenlijke opdracht die we hebben.
Met een kleiner aantal zorgaanbieders is het makkelijker overleggen dan met heel veel zorgaanbieders, waarvan je een groot deel nauwelijks kent. 3. Grip en toegevoegde waarde door de raad 1. Organiseren van grip door de jeugdzorg beter te doorgronden en je daarin te verdiepen. Bijvoorbeeld: > Organiseer veel vaker werkbezoeken in het veld. > Neem vaker een kijk aan de keukentafel: ga mee op huisbezoek. > Organiseer informele bijeenkomsten met sleutelpersonen uit de gehele (keten)samenwerking en vooral met de professionals die aan de frontlijn werken. Dit zou door de drie gemeenteraden van Aalten, Oost Gelre en Winterswijk gezamenlijk opgepakt kunnen worden, maar dit is aan de raad. Daarnaast zijn wij natuurlijk beschikbaar als de raad dit wenst. 2. Afstemmen van raadsinformatie op beeldvorming waardoor raadsleden beter invulling kunnen geven aan oordeelsvorming en besluitvorming. > Kijk daarbij ook naar de aanpak in Oost Gelre en de organisatie van informatiebijeenkomsten (zie de voorbeelden). Zie 3.1 3. Afscheid nemen van de taakverdeling: ‘beleid op hoofdlijnen’ (raad) en ‘details en uitvoering’ (college en ambtelijke organisatie). Deze scheidslijn werkt niet – dit werkt zeker niet in het sociaal domein. Wij zien hierin geen meerwaarde: er is een wezenlijk verschil in de taak van de raad en de taak van de uitvoering.
Door er een extra laag tussen te zetten wordt het onduidelijker wie waarvoor verantwoordelijk is en wordt het voor de raad lastiger om de controlerende taak uit te voeren. Laat raad, college en ambtelijke organisatie hun eigen rol pakken, waarbij we natuurlijk wel allemaal voor hetzelfde doel gaan. 4. Organiseren van een goed proces zodat de raad tot een doorleefde en zorgvuldige afweging komt. > Voorkom besluiten zonder inzicht in consequenties voor concrete maatschappelijke opgaven – óók als het gaat om bezuinigingen. > Voer altijd de “open deur toets” uit: Is de raadsuitspraak sturend in concrete situaties of is deze vrijblijvend algemeen en abstract? Dit is aan de raad. 5. Sturen op de maatschappelijke opgave en maatschappelijk rendement – in plaats van sturen op kosten en overschrijdingen: opgaven gestuurd in plaats van geld-gestuurd. Door het evalueerbaar maken van de doelstellingen (zie 1.3) zal het makkelijker zijn om te sturen op maatschappelijke opgaven en rendement.
3
6. Veel meer tijd inruimen voor gezamenlijke reflectie en evaluatie. Stel dynamische kaders die snelle en flexibele aanpassing mogelijk maken. De opgaven voor de jeugdzorg zijn complex en dynamisch. Laat je bijvoorbeeld niet (uitsluitend) leiden door een vierjaarlijkse ‘nota jeugdbeleid’. Dit is aan de raad. 7. Meer samenwerken door de drie raden bij visievorming, evaluatie en monitoring. Denkbaar is ook het afspreken van een onderlinge taakverdeling tussen de raden waardoor meer rust en focus ontstaat. > Het Ondersteuningsteam is een gezamenlijke samenwerking. > De opgaven in de gemeenten verschillen, maar de overeenkomsten zijn groter dan deze verschillen. Dit is aan de raad. 4. Monitoring en evaluatie in relatie tot planning, control en kwaliteitszorg 1. Samenwerken door de drie gemeenten bij het ontwikkelen van een gezamenlijke visie op monitoring en monitoringsystematiek. Door samenwerking grotere ambities realiseren op het gebied van monitoring, monitoringsystematiek, analyse en ICT-faciliteiten. > Gemeente Aalten en gemeenten Oost Gelre zijn bijvoorbeeld allebei bezig met het inrichten van dashboards voor het bieden van inzicht en overzicht aan de hand van data uit de verschillende systemen. Dit punt heeft directe lijnen met prioriteit nr. 1: Zichtbaar bijdragen aan algemene beleidsdoelen.
Hiervoor maken Winterswijk en Oost Gelre ook gebruik van de voorbeelden van het Aaltense dashboard. Ook zullen we kijken of de Achterhoekse KPI’s en andere indicatoren die van belang zijn bij de nieuwe inkoop van jeugdhulp meegenomen kunnen worden in het dashboard. 2. Uitbouwen van lopende initiatieven voor dashboards en monitoring. > Focus op uitvoering en bedrijfsprocessen verbreden naar maatschappelijke effecten (van “business intelligence” naar “societal intelligence”). Mede aan de hand van kwalitatieve informatie. > Zicht op het realiseren van de specifieke kind-/gezinsopgaven. > Zicht op het realiseren van preventieve opgaven, zoals de preventie van drugs- en alcoholgebruik onder jongeren of preventie van uithuisplaatsing. > Zicht op bijdragen van alle opgaven aan de algemene beleidsdoelen van gemeenten, zoals ‘gezond en veilig opgroeien’. > Verstevigen van een gedeelde informatiepositie. Door integrale analyse van de situatie in wijken, dorpen, kernen – mede door van ‘big data-analyse’ en ‘artificial intelligence’. (Zie ook paragraaf 3.8: ‘Voldoende hulpbronnen’) Zie 4.1 3. Een informatiesysteem/ ‘kind-volg-systeem’ ontwikkelen met partners waarmee realisatie van de kind- en gezinsopgaven kan worden gemonitord. > Volgen van kinderen/ gezinnen ‘door de verschillende lijnen’ heen – in ieder geval de eerste en tweede lijn.
> Goede terugkoppeling vanuit de tweede lijn naar de doorverwijzende eerste lijn mogelijk maken. > Snel inspelen op veranderingen in de situatie en de zorgverlening: kansen voor afschalen benutten als dat bijdraagt aan realisatie van de opgave. De ingezette hulp wordt aan het einde van het traject, en zo nodig tussendoor, in de driehoek van cliënt, consulent en zorgaanbieder geëvalueerd om samen te bekijken of er vervolg of aanpassing van de ondersteuning nodig is. Als dat het geval is, wordt hiertoe opdracht gegeven en verwerkt in het systeem. Wij zien geen prioriteit om hiervoor een informatiesysteem/kind-volg-systeem op te zetten omdat wij de administratieve lasten niet willen verhogen. Per 1 juli 2022 verwachten wij dat de kansen voor afschaling beter benut zullen worden. Zorgaanbieders worden dan namelijk niet meer per uur betaald, waardoor er een stimulans is om eerder af te schalen naar de sociale basis.
4
4. Professionals in de frontlijn goed faciliteren om resultaten te documenteren en te evalueren. > Op een zodanige wijze dat dit niet ten koste gaat van de huidige energie die is gericht op ‘doen’ en realiseren. > Op een manier dat professionals het nut en de meerwaarde hiervan inzien, bijvoorbeeld in de vorm van leren. > Het is een uitdaging hieraan te werken met behoud van de menselijke maat, de kleinschalige aanpak en de bestaande doe-cultuur. We werken aan de uitbreiding van de mogelijkheden van het bestaande systeem (Suite voor Sociale Regie). 5. Gemeenschappelijke werkwijze en passende competenties 1. Op essentiële zaken werkwijzen bundelen en verankeren in een gemeenschappelijke werkwijze: met een gemeenschappelijke taal, een gemeenschappelijk handelingsrepertoire en gereedschap en een gemeenschappelijk kennisfonds. > De kwaliteit en werkwijze minder afhankelijk maken van individuele personen en afwegingen. > De behoefte en noodzaak aan onderlinge afstemming en coördinatie verminderen: de gemeenschappelijke werkwijze voorziet in een afwegingskader om tot maatwerk te komen en ondersteunt situationeel handelen. Binnen de gemeenten zijn consulenten al getraind voor een gemeenschappelijke werkwijze op bijvoorbeeld normaliseren. Maar ook op ‘omgekeerd werken’, oftewel werken volgens de bedoeling van de wet.
Daarnaast vraagt de nieuwe inkoop op hoofdlijnen een gezamenlijke manier van werken van alle Achterhoekse consulenten en zorgaanbieders. Vanuit het inkooptraject wordt regionaal bekeken of hiervoor een gezamenlijke training georganiseerd kan worden. Daarnaast wordt gekeken of we Achterhoek-breed met gelijkluidende formulieren kunnen werken zodat het voor zorgaanbieders makkelijker wordt, bijvoorbeeld om te rapporteren op evaluatiemomenten. 2. De gemeenschappelijke werkwijze permanent door-ontwikkelen. In de samenwerking tussen Aalten, Oost Gelre en Winterswijk bespreken we al vanaf het begin van de decentralisaties onze werkwijzen en kijken we wat het beste werkt. We leren daarin ook van elkaar, dat is een continu proces. Ook de structurele intervisie, waar OTmedewerkers en jeugdconsulenten aan deelnemen onder leiding van een externe begeleider, draagt hieraan bij. 3. Kennismanagement en borging. Lessen borgen en vertalen naar methodieken en ‘gereedschap’. Ontsluiten en delen van lessen. (Zie ook paragraaf 3.7: ‘Lerende organisatie’) In samenwerking met Avans Hogeschool is een opleidingstraject van 2 jaar ingezet met diverse modules. Daarnaast maken we ieder jaar gebruik van het opleidingsaanbod van Moviera en Veilig Thuis. 4.
Vaker informeel en integraal het gesprek voeren als onderdeel van de gemeenschappelijke werkwijze: ‘doen we het samen goed?’ We zijn op verschillende momenten met (keten)partners, zowel binnen als buiten de gemeente, in gesprek. Daarin investeren we ook in de relatie. Het werken met integrale verordening sociaal domein draagt hier ook aan bij omdat via deze methode casuïstiek integraal en vanuit de verschillende oogpunten besproken wordt. 5.
Realiseren van een aantrekkelijke omgeving voor moderne professionals: minder energie aan procedures, vergaderen, administratieve lasten en niet functionele administratie. Dit is belangrijk – er zijn ook voorbeelden van personeelsverloop en mensen die eraan onderdoor gaan. (Zie ook paragraaf 3.8: ‘Voldoende hulpbronnen) We zijn gehouden aan een aantal stappen in de procedure en administratie. Er wordt alleen vergadert als dat wat toevoegt. We kijken altijd waar het efficiënter kan.
6. De afstand tussen beleid en uitvoering zo klein mogelijk maken door meteen of heel snel te beginnen met realiseren. Richten en realisatie gaan samen op in wisselwerking. Visies en
5
kaders zijn handige halffabricaten die werkende weg invulling en betekenis krijgen tijdens de realisatie van concrete opgaven. Het zijn faciliteiten voor realisatie. Er is periodiek overleg tussen beleid en uitvoering, en daarnaast weten we elkaar makkelijk te vinden als dat nodig is. Voor wat betreft de aansluiting Ondersteuningsteam en beleid: tijdens de eerste jaren van het Ondersteuningsteam is het beleid nauw betrokken geweest. Sinds het team en de werkwijze staat, zit beleid alleen als agenda-lid aan tafel. Mogelijk zullen de wijzigingen n.a.v. de nieuwe inkoop en de benodigde basisfuncties van het lokale team, wel vragen om nauwer contact. Dat pakken we dan op. 6. Passende inzet maatregelen en interventies 1. Interventies van verschillende partijen, uit verschillende domeinen beter aansluiten en richten op de gemeenschappelijke opgave, zoals de preventie van alcohol- en drugsgebruik onder jongeren. Het Preventie Platform Jeugd bestaat uit veel verschillende professionals die op enigerwijze betrokken zijn bij jeugdhulp. Vanuit de informatie die binnen het platform wordt gedeeld richten we ons op gemeenschappelijke opgaven. Regionaal werken we al aan een gemeenschappelijke opgave via de Thematafel De Gezondste Regio (thema gezonde jeugd), daar zit een link met Achterhoek rookvrij en Achterhoek in beweging. 2.
Het verschil maken door maatregelen en interventies zoveel mogelijk te richten op krachtige en manipuleerbare oorzaken. Dit is een continu proces: we kijken wat het probleem is en proberen daarop in te grijpen. De integrale verordening sociaal domein helpt ons daarbij. De verordening biedt de mogelijkheid om te kijken naar de oorzaak en de oplossing te vinden in de ‘bedoeling van de wetten’ en niet alleen in de regels. 3. Kansrijke individuele kind- en gezinsopgaven verbinden voor het realiseren van nieuwe collectieve voorzieningen. In samenwerking met vrijwilligers van lokale voorzieningen. Bijvoorbeeld voor kinderen met autisme of jongeren die op zoek zijn werkervaringsplaatsen. Dit is een continu proces. Als er signalen komen vanuit de samenleving en de sociale basis die gecombineerd kunnen worden, zal hier een collectief aanbod voor gecreëerd worden. Zo werken we samen met het onderwijs aan onderwijs-zorg arrangementen. We gaan in kaart brengen op welke gebieden collectieve voorzieningen meerwaarde hebben. Er is al wel een route bepaald voor het opzetten van collectieve voorzieningen en op de site van Sociaal Domein Achterhoek staat een overzicht van collectieven voorzieningen en preventieprojecten. 4.
(Bij voorkeur gezamenlijk) weer oppakken van de pilot in gemeente Winterswijk om met één systeem te werken voor ouders, gemeente en partners –vanuit de werkwijze ‘1 gezin, 1 plan, 1 regisseur. De obstakels voor realisatie van de pilot moeten zeer serieus genomen worden. Zie ook paragraaf 3.2: ‘Goede samenwerking’, in het bijzonder het voorbeeld: ‘Dat ene zorgplan bestaat niet’. De pilot ‘1 gezin, 1 plan’ was bedoeld om via een internetapplicatie te komen tot het gezamenlijk werken aan de doelen voor de cliënt/het gezin. Uit de pilot is gebleken dat dit middel om te komen tot één plan een brug te ver is. Daarom richten we er ons nu op het doel: door intensieve samenwerking te werken aan dezelfde doelen. De Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) zal ons hierbij ondersteunen (zie ook 2.3). 7. Lerende organisatie/gezamenlijk leren 1. Meer aandacht voor gezamenlijk leren: een collectief leerproces waarbij de uitkomsten ten goede komen aan alle betrokken partijen gezamenlijk – maar tegelijkertijd ook bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling van mensen. Met raadsleden, portefeuillehouders, professionals. > Binnen een gemeente en tussen de gemeenten. > Met alle partners.
6
Zie 5.3 en 5.4. Er wordt al op meerdere momenten ingezet op gezamenlijk leren, zowel formeel als informeel. 2. Borgen van leren door doen. > Nieuwe werkwijzen, competenties, houding en gedrag vragen om verbinding tussen leren en concreet doen en uitproberen. > Leren en evalueren zijn onderdeel van het dagelijkse werk. Een andere werkwijze leer je niet op de ‘hei’ door veel discussiëren of er over te lezen. Binnen de gemeenten is er al veel aandacht voor het borgen van leren door doen. Daarvoor worden consulenten en OT-medewerkers gecoacht en getraind (ook gezamenlijk) en is er intervisie ingericht. We herkennen wel dat dit door werkdruk onder druk staat. Toch blijft er aandacht voor training, zoals de training voor de omgekeerde toets, voor de nieuwe werkwijze van indiceren en samenwerken met zorgaanbieders per 1 juli 2022 en de opleiding via Avans Hogeschool die is gestart. 3. Borgen van leren door lessen te vertalen naar gemeenschappelijke werkwijzen en een gezamenlijk kennisfonds. (Zie ook paragraaf 3.5: ‘Gemeenschappelijke werkwijzen en passende competenties’) Er is periodiek overleg met andere partijen, zoals bijvoorbeeld de Gecertificeerde Instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van de Gelderse Verbeteragenda Jeugdbescherming. Deze overleggen zijn bedoeld om elkaar te leren kennen en de samenwerking op elkaar af te stemmen.
Daarnaast is er structureel intervisie tussen de consulenten van Aalten, Oost Gelre en Winterswijk en de medewerkers van het Ondersteuningsteam (zie ook 5.2). En vanaf 1 juli 2022 zijn er minder zorgaanbieders actief in onze regio waardoor er veel meer contact zal zijn en kennis blijvend gedeeld wordt. 4. Op gepaste momenten: gezamenlijk leren en reflectie ondersteunen met de blik van een kritische buitenstaander. Reflectie vindt doorlopende plaats onder leiding van een externe begeleider tijdens de intervisiebijeenkomsten. Ook vindt reflectie (veelvuldig) plaats gedurende de toetsing van de casuïstiek (met gedragswetenschapper). 8. Voldoende hulpbronnen 1. De zorg voor jeugdigen vooral als een investering in het sociaal kapitaal van de gemeenten zien – in plaats van als kostenpost of ‘financiële overschrijding’. > Investeringen afwegingen in het licht van maatschappelijk rendement. > Investeren in sociaal kapitaal ‘afschrijven’: de kosten verdelen over een aantal jaren. Dat is heel gebruikelijk in het fysieke domein. > De systematiek in het sociaal domein is daarin nog niet meegegroeid - dit geld overigens voor veel gemeenten in Nederland. Kosten voor de zorg mogen niet geactiveerd worden en dus ook niet verdeeld worden over een aantal jaren (kapitaallasten). Bij activeren geldt ook dat we eigenaar zijn en dat is bij zorglevering totaal niet aan de orde.
Ook al zouden we de kosten mogen activeren dan is er nog geen financieel voordeel omdat de afschrijvings- en rentelasten cumulatief uiteindelijk op hetzelfde niveau terecht komen. In het fysieke domein is dit inderdaad wel gangbaar bij grote investeringen (als de gemeente eigenaar wordt). Deze worden geactiveerd en vervolgens in een aantal jaren afgeschreven. Je hebt dan niet in enig jaar de volledige last maar over een langere periode afschrijvings- en rentelasten. Deze werkwijze is dus in het sociaal domein niet mogelijk. 2. Verkennen of verdere samenwerking tussen de jeugdconsulenten van de drie gemeenten kan bijdragen aan krachtenbundeling en het verminderen van de werkdruk. Op dit moment onderzoeken we hoe het Ondersteuningsteam gepositioneerd moet worden, om tegemoet te komen aan de basisfuncties van de lokale teams. Dit heeft prioriteit. Naar aanleiding daarvan bekijken we of een verdere samenwerking wenselijk is. 3. Investeren in ICT die de gemeenschappelijke werkwijze ondersteunt. De rekenkamercommissie verwijst hierbij ook naar een eerder onderzoek voor gemeente Winterswijk in 2017: “Inspelen op de digitale revolutie in gemeente Winterswijk;
7
Informatietechnologie als strategische hulpbron voor het realiseren van maatschappelijke opgaven”. In het bijzonder: > Gezamenlijke monitoringsystematiek en kind volgsysteem met alle partners. Zie paragraaf 3.4: ‘Monitoring en evaluatie’. > Een gezamenlijk systeem om ‘1 gezin, 1 plan, 1 regisseur’ te faciliteren. Zie paragraaf 3.6: ‘Passend inzet van maatregelen en interventies’. Zoals genoemd in 4.4 raden we niet aan om te investeren in een (nieuw) kind-volgsysteem, maar te blijven werken in de Suite en de gebruiksmogelijkheden daarvan uit te breiden. 4. Mogelijk maken van informatiegestuurd werken in het sociaal domein met ICT en het verbinden van data. > Actueel inzicht van de situatie in een gebied. > Analyses maken via diverse invalshoeken. Op basis van data kunnen voorspellen welke opgaven spelen, bijvoorbeeld rond armoede, veiligheid, eenzaamheid, voortijdig schoolverlaten, gezondheid. > In samenspel met de (keten)partners van de gemeenten kijken welke interventies zinvol zijn en wat dit vraagt aan onderlinge samenwerking. Dit doen we middels ons dashboard met actuele data en analyses. Daarbij onderzoeken we de mogelijkheid of het regionale datalab GO ons kan ondersteunen bij het verbinden van data.
8
Schriftelijke vragen januari 2022 Raadsmededeling prioritering aanbevelingen Rekenkamercommissie Jeugdzorg 1. In de raadsmededeling staan een aantal aanbevelingen genoemd die prioriteit krijgen. Kan het college aangeven hoe dit vorm gegeven gaat worden? Welke (concrete) acties worden per aanbeveling uitgevoerd, door wie en wanneer? 2. Welke actiepunten worden regionaal uitgevoerd, en welke op lokaal niveau? 3. Het lijkt erop dat alles binnen staande organisatie kan worden opgepakt/uitgevoerd. Klopt dit? Zijn geen aanvullende mensen/middelen nodig? 4. Ten aanzien van een evaluatie: kan toegezegd worden dat over een bepaalde periode (bijvoorbeeld over een jaar) inzichtelijk wordt gemaakt hoe de aanbevelingen zijn uitgevoerd en wat de resultaten zijn? ofwel het meetbaar maken van de acties en het vervolg?
Schriftelijke vragen uitwerking rekenkameronderzoek jeugdzorg In het rapport staan 39 aanbevelingen. In de oordeelsvormende vergadering hierover in maart 2021 heeft het college de volgende toezegging gedaan: “Er zal een reactie komen van het college op het rapport. Die reactie zal in de vorm van een raadsmededeling zijn. Die raadsmededeling is dan het begin om het met elkaar te hebben over die 39 aanbevelingen. Welke doen we wel, welke met prioriteit, wat kunnen we opschuiven.” 1. Waarom staan er in de raadsmededeling slechts een paar punten dat een prioriteit gaat zijn en wordt er geen uitleg gegeven waarom deze wel, anderen niet en wanneer deze dan wel uitgevoerd gaan worden? 2. Wanneer gaat het college bovenstaande toezegging wél uitvoeren?
Schriftelijke vragen beeldvormende fase januari 2022 Vragen uiterlijk 27-12-2021 om 9.00 uur indienen bij griffie@aalten.nl NAAM FRACTIE: VVD ONDERWERP Vragen Prioritering aanbevelingen rekenkameronderzoek 1. De allereerste conclusie van het rapport luidt dat de doelen te abstract geformuleerd zijn zodat ze daarmee niet evalueerbaar zijn. Erkent het college dat met deze prioritering precies hetzelfde gebeurt? Kunt u aangeven met welk resultaat per prioritering het college tevreden is? En hoe kan het college het bereiken van het resultaat aan de raad terugkoppelen? 2. Prioritering 1: Resultaten zichtbaar maken. Volgens de toelichting wordt hier in het dashboard over gecommuniceerd. Wat vindt het college van het dashboard? Welke onderdelen ontbreken nog in het dashboard om alle resultaten goed zichtbaar te maken? 3. Prioriteit 2: ‘Meer oog voor de lange termijn en onderzoek naar de oorzaken kan ons helpen om de al aanwezige doe-kracht in te zetten voor interventies die het meeste effect hebben’. Hoe meet het college of ingezette interventies effect hebben? 4. Prioriteit 3: ‘Daarnaast vragen we van zorgaanbieders om zich bekend te maken in de buurt, zodat ook die lijnen kort zijn.’ Wat bedoelt u hier precies mee? 5. Welke concrete acties zet het college om tot een verbeterde toegang tot hulp te komen? Denkt het college ook aan de manier zoals in Winterswijk met De Post? 6.
Prioriteit 6: ‘Verkennen of verdere samenwerking tussen de jeugdconsulenten van de drie gemeenten kan bijdragen aan krachtenbundeling en het verminderen van de werkdruk.’ Volgens het rapport is dit zeer wenselijk. Waarom staat er dan zo aarzelend ‘verkennen of’. Waarom niet geformuleerd als maximaal inzetten op krachtenbundeling om de werkdruk en de administratieve lasten te verminderen? Wordt met deze prioritering recht gedaan aan de wens van de betrokkenen in het veld dat er meer samengewerkt gaat worden (elkaar leren kennen, afstemmen en procedures meer op elkaar laten aansluiten)? 7. Worden door deze prioritering de obstakels weggenomen om te komen tot één gezin, één plan, één regisseur? Zo niet, wat is daar dan nog voor nodig? 8. Leidt deze gezamenlijke prioritering ook tot meer samenwerking tussen deze drie gemeentes? Welke afspraken zijn daarover gemaakt?