Landelijk Gebied, Kleuverspad_Nieuwe Bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
•
De beste periode voor aanplant betreft eind oktober – begin april met sterke voorkeur voor het najaar. Bij aanplant in het voorjaar is kans op sterfte aanzienlijke, gezien er nog geen degelijk wortelstelsel is ontwikkeld, maar wel verdamping optreedt. Bij voorkeur niet aanplanten bij een temperatuur hoger dan 15 ° C.
•
Kies voor een grote maat plantgoed, anders zal het onkruid de aanplant verstikken. Maai onkruid jaarlijks weg met een bosmaaier.
•
Bij voldoende aanplant van struikgewassen, is het inzaaien van een bodembedekker niet noodzakelijk. Bij voorkeur dient gekozen te worden voor tweejaar oud aanplantmateriaal van Nederalndse herkomst. Jong materiaal zal overwoekerd worden en bij oud materiaal kan aanplant minder succesvol zijn.
•
Grondbewerking lijkt niet noodzakelijk te zijn, alleen toepassen als er nog hinderlijke resten van het laatst verbouwde aanwezig is. Het is verstandig om bij de agrarier na te gaan of er problemen waren met ontwatering. Als er stagnerend water op de akker was dan zou een vorm van diepe bodembewerking noodzakelijk zijn. Veel bomen die op zandgronden staan kunnen namelijk niet tegen natte voeten. Geschikte grondbewerking betreft ploegen en vervolgens met een kopeg erdoorheen. Vervolgens kan er tevens machinaal aangeplant worden.
•
Indien > 30% van de aanplant afsterft, dien er ingeboet te worden. Dat betekent dat het afgestorven plantmateriaal vervangen dient te worden (zie tevens Hoofdstuk 4).
4 Beheerplan 4.1 Doelstelling In het gehele nieuw aan te leggen bos zullen na verloop van tijd beheermaatregelen worden uitgevoerd gericht op het instandhouden en versterken van de biodiversiteit. Het gaat dan om aspecten zoals het instandhouden van de menging, het versterken van de structuur en zorgen voor staand en dood hout in het bos. Het uitgangspunt bij de aanleg van een geïntegreerd bos is dat de eerste 10 jaar geen of weinig ingrepen in het bos nodig zijn. Daarna kan de samenstelling van structuur worden bijgestuurd met dunningen. In de eerste 10 jaar enkel ingrijpen: 1.
Voor de ontwikkeling van de bosrand;
2.
Maaien als aanplant dreigt te verstikken;
3.
Bij extreme droogte voor irrigatie (c.q. voldoende bewatering) zorgen;
4.
Inboeten als aanplant afsterft (bij >30 % van je totale aanplant).
Na 20 jaar: 1.
Creëren van dunningspaden en open plaatsen;
2.
Inbrengen van schaduwsoorten en rijkstrooiselsoorten;
3.
Ringen van bomen voor eerste impuls dood hout;
Na 30 jaar: 1.
10 jaarlijkse dunningen, stimuleren van bepaalde soorten voor biodiversiteit.
7
5
Literatuur Fairhurst, G. 2020. Quickscan Wet natuurbescherming Kleuverspad ong. te Aalten. Blom Ecologie B.V. Waardenburg Rebergen,
K.J. 2021.
‘Nee-tenzij’ toets Gelders
Natuurnetwerk, houtopstanden
en
compensatieplan Kleuverspad ong. te Aalten. Blom Ecologie B.V. Waardenburg. Van Woerkom, Y.O., 2021. Rapportage groeiplaatsonderzoek Kleuverspad te Aalten. Econsultancy. Doetinchem Websites arcgis.com geoportaal.gelderland.nl gldanders.planoview.nl google.maps.nl maps.prorail.nl natuurinformatie.nl planviewer.nl ruimtelijkeplannen.nl wrij.nl
Bijlage 1 Inrichtingsplan
Figuur 1 Situatieschets (bron: Gemeente Aalten). De ontsluitingsweg is weergegeven d.m.v. zwarte omlijning. Om de realisatie hiervan mogelijk te maken dienen een aantal bomen gekapt te worden.
9
Bijlage 4
Planteninventarisatie
Landelijk Gebied, Kleuverspad
NL.IMRO.0197.BP00104-VG01
ontwerp
63
GEMEENTE AALTEN T.a.v. dhr. L. van Rijnsbergen Postbus 119 7120 AC Aalten Kenmerk
BE/2021/869/n
Onderwerp
Notitie planteninventarisatie Kleuverspad ong. te Aalten
Datum
18 oktober 2021
Auteur
ir. ing. D. de Boer
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Notitie planteninventarisatie Kleuverspad ong. te Aalten Aanleiding Aan het Kleuverspad ong. te Aalten loopt een spoorwegovergang met daarnaast agrarische percelen, een houtsingel en een bosschage. Gemeente Aalten is voornemens de spoorwegovergang te sluiten in het kader van Programma Niet Actief Beveiligde Overweg (NABO) Naast het sluiten van de spoorwegovergang dient tevens een ontsluitingsweg naar de Buningdijk aangelegd te worden. Hierdoor dienen een aantal bomen (circa 1040 m2) en een houtsingel (circa 20 bomen) gekapt te worden en worden nieuwe bomen (compensatie bos ca. 2016 m3 en 678 m3) aangeplant. Een deel van de planlocatie is gelegen in Gelders Natuurnetwerk. Om dit gedeelte te mogen kappen, zal een aangrenzend gebied ingericht worden als N15.02. Om de huidige kwaliteit van het aanwezige N15.02 bosgebied te bepalen, is een planteninventarisatie uitgevoerd om te bepalen welke doelsoorten (tabel 1) er in het gebied aanwezig is.
Figuur 1
Een deel van de planlocatie aan het Kleuverspad ong. te Aalten is gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk. Hier is de planteninventarisatie uitgevoerd (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
De biotische kwaliteit van habitattype N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos wordt uitgedrukt in het voorkomen van onderstaande kwalificerende soorten (tabel 1). Tabel 1
De doelsoorten van N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos (bron: bij12.nl)
Methode Op 23 september 2021 is door ir. ing. D. de Boer en ing. G. Fairhurst een planteninventarisatie door Blom Ecologie B.V. uitgevoerd binnen de planlocatie behorend tot het Gelders Natuurnetwerk (figuur 1). Tijdens deze inventarisatie is het desbetreffende gebied en de directe omgeving hiervan vlakdekkend onderzocht op aanwezigheid van doelsoorten van het habitattype behorende tot de bosschage, namelijk N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos (tabel 1). Resultaten Tijdens de planteninventarisatie zijn twee doelsoorten aangetroffen. Dit betreft dalkruid en valse salie (figuur 2; tabel 2). Van dalkruid is één groeiplaats aangetroffen met een geschatte oppervlakte van maximaal 10x10 m met 50-100 individuen. Van valse salie zijn twee groeiplaatsen aangetroffen. Beide groeiplaatsen betroffen een klein oppervlak van circa 1x1 m.
Figuur 2
Locaties van de groeiplaatsen van dalkruid en valse salie (bron kaartmateriaal: geoportaal.gelderland.nl).
Tabel 2
De exacte locatie van de groeiplaatsen van dalkruid en valse salie
Soort Dalkruid Valse salie (oost) Valse salie (west)
X-coördinaat 51.9295 51.9300 51.9296
Y-coördinaat 6.6269 6.6275 6.6260
Nauwkeurigheid 6m 4m 4m
Naast de doelsoorten van N15.02 zijn ook andere flora en fauna waargenomen. Waargenomen soorten zijn beschreven in bijlage 2.
Conclusie Tijdens de planteninventarisatie zijn twee doelsoorten aangetroffen, namelijk dalkruid en valse salie. De groeiplaats van dalkruid zal behouden blijven binnen de beoogde ingreep. Op basis van de vastgestelde soorten tijdens het veldbezoek d.d. 23 september 2021 kan voor de planten als soortgroep beoordeeld worden dat er reeds een lage kwaliteit aanwezig is (< 4 kwalificerende soorten in het gebied).
We hopen u met dit schrijven voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1: beeldmateriaal dalkruid en valse salie Bijlage 2: waargenomen soorten
Disclaimer: De planteninventarisatie is uitgevoerd in de periode september. Sommige (doel)soorten betreffen therofyten (eenjarige planten), die na de bloei afsterven. Het vaststellen van de aanwezigheid van deze soorten kan het beste in de periode mei – juli plaatsvinden.
BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
Bijlage 1: beeldmateriaal dalkruid en valse salie
Figuur 1
Dalkruid
Figuur 2
Valse salie
Bijlage 2: Waargenomen soorten Tabel 1
Waargenomen soorten tijdens de planteninventarisatie
Soortgroep Planten
Vogels Zoogdieren
Soorten Adelaarsvaren, akkerviooltje, Amerikaanse eik, dalkruid, gewone braam, grote brandnetel, grote weegbree, havikskruid spec., hulst, klein springzaad, klimop, koningskaars, lijsterbes, ruwe berk, Oosterse kamozijnbes, paarse dovenetel, prunus spec., schapenzuring, sint janskruid, sporkehout, stekelvaren, tamme kastanje, taxus, valse salie, veldzuring, vuilboom, witte dovenetel, zachte berk, zachte ooievaarsbek, zomereik. Koolmees, merel, vink, zwarte kraai Haas, rode eekhoorn (waargenomen aan overzijde spoor)
Landelijk Gebied, Kleuverspad
NL.IMRO.0197.BP00104-VG01
ontwerp
70
Bijlage 5
Quickscan Flora en Fauna
Landelijk Gebied, Kleuverspad
NL.IMRO.0197.BP00104-VG01
ontwerp
71
BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. L. Arends Sweerts Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Datum
25 mei 2020, revisie 18 oktober 2021
Kenmerk
BE/2020/343/r
Uw kenmerk
Email d.d. 15 april 2020
Auteur(s)
ing. G. Fairhurst
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet natuurbescherming Kleuverspad ong. te Aalten Aan de Kleuverspad ong. te Aalten loopt een spoorwegovergang met daarnaast agrarische percelen en een bosschage (c.q. houtwal). Gemeente Aalten is voornemens de spoorwegovergang te verwijderen. Hierbij dient er een nieuwe zuidelijk gelegen ontsluitingsweg gerealiseerd te worden. Om deze ontsluitingsweg mogelijk te maken dienen er een aantal bomen van de aanwezige bosschage (c.q. houtwal) gekapt te worden. Ter compensatie zullen nieuwe bomen (ca. 2016 m2) worden aangeplant. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.
verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Kleuverspad ong. te Aalten (figuur 1). Het betreft een spoorweg met spoorovergang, een bosschage (c.q. houtwal) en een aantal agrarische percelen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door landelijk gebied. Om de planlocatie liggen soortgelijke agrarische percelen met landschapselementen als houtwallen, struwelen en bosschages. De planlocatie ligt op circa 2 km ten oosten van de bebouwde kom van Aalten.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Kleuverspad ong. te Aalten (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het verwijderen van de spoorovergang, het kappen van een aantal bomen (benodigd voor de realisatie van de nieuwe ontsluitingsweg) en het aanplanten van nieuwe bomen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •
kappen en snoeien van bomen: kap- en snoeiwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie zuidelijk gelegen ontsluitingsweg: algemene bouwwerkzaamheden.
Figuur 3
Situatieschets (bron: Gemeente Aalten)
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 21 april 2020 en is uitgevoerd door ing. ir. K.J. Rebergen. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 12 Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
4
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie zijn enkel inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status aangetroffen. Enkele waargenomen soorten betreffen: fluitenkruid, gewone hoornbloem, kleefkruid, klimop en paarse dovenetel. De planlocatie betreft een agrarische perceel en een bosschage met soorten als: Amerikaanse vogelkers gewone braam, lijsterbes, ruwe berk, zomereik en zwarte els. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 3 km is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: beverrat, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, das, egel, grote bosmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bunzing, damhert, das, grote bosmuis, hermelijn, rode eekhoorn en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bunzing, hermelijn en steenmarter zijn marterachtigen die de voorkeur geven aan kleinschalige landschappen met verschillende structuren als houtwallen, bosschages, openvelden en bomenrijen.
Mogelijk komen deze soorten (sporadisch) voor op de planlocatie.
5
Echter maakt de planlocatie geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied, daarnaast zal er een groencompensatie plaatsvinden. Hierdoor is er geen sprake van afname van leefgebied van de bunzing, hermelijn en steenmarter. Het damhert komt voornamelijk voor in lichte, open loof- en gemengde bossen met een voorkeur aan (oude) bossen met een dichte ondergroei. Mogelijk komt de soort (zeer sporadisch) voor in en om de planlocatie. De soort is verstoringsgevoelig. Door het regelmatig treinverkeer, zal de damhert zich aannemelijk buiten het plangebied ophouden. Daarbij zal er compensatie plaatsvinden, waardoor er qua netto bosgebied geen afname beoogd zal zijn. Negatieve effecten op het damhert zijn uitgesloten. De das is voor de laatste keer waargenomen in 2010 en betreft slechts één waarneming. In de bosschage zijn geen sporen aangetroffen als dassenpijpen, neusputjes, wissel en latrines met uitwerpselen (zowel niet in het bosgebied met strooissellaag als in de agrarische percelen). Dergelijke sporen zijn bij aanwezigheid van de das veelal aanwezig, hierdoor wordt aanwezigheid van de das niet verwacht. Daarnaast zijn in de directe omgeving veel soortgelijke landschapselementen als open (akker) velden, houtwallen en bosschages. De planlocatie is derhalve geen onderdeel van het essentieel functioneel leefgebied van de das. Negatieve effecten op de soort kan uitgesloten worden.
De grote bosmuis komt voor in (oude) bossen met voldoende ondergroei en dekking. In het leefgebied moet voldoende en afwisselend voedsel beschikbaar zijn (Broekhuizen., 2016). De waarneming van de soort binnen de straal van 3 km betroffen prooien van een steenuilennest. Het is reeds onbekend waar deze populatie zich reeds bevindt. Een steenuilen territorium kan 2-100 ha bevatten, afhankelijk van het voedselaanbod en de aanwezigheid van een geschikte nestplaats. Het kan derhalve niet volledig worden uitgesloten dat de grote bosmuis niet voorkomt in het bosschage binnen het plangebied Gezien er echter een beperkt aantal bomen zal worden gekapt en er een compensatie plaats zal vinden, zullen er geen negatieve effecten ontstaan. De rode eekhoorn is sterk verbonden aan boomrijke gebieden als bossen, bosranden, parken, landgoederen en landschapselementen als houtsingels en bosschages. In de bomen zijn geen nesten van de rode eekhoorn aangetroffen. In de directe omgeving van de planlocatie zijn verschillende waarnemingen bekend van de rode eekhoorn (NDFF 2010-2020). Mogelijk maakt de planlocatie onderdeel uit van het foerageergebied van de soort. Doordat in de beoogde ontwikkeling een slechts aantal bomen worden verwijderd en deze weer worden aangeplant in de nieuwe situatie is er geen sprake van afname van essentieel foerageergebied.
Om tijdelijke en verstorende effecten te minimaliseren dient er buiten de kritische (voortplantingsperiode (januari t/m augustus) van de rode eekhoorn gewerkt te worden (Zoogdiervereniging, 2019). Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 3 km is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger (NDFF 2010-2020).
Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).
6
Op de planlocatie zijn alle mogelijk te kappen bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. In de naastgelegen houtsingel aan de westelijke zijde zijn enkele openingen aangetroffen. Deze bomen zullen in de beoogde ontwikkeling echter niet gekapt worden (figuur 3).
Figuur 3
Naar boven ingerotte boomholten zijn mogelijk geschikt als rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze bomen maken deel uit van de houtsingel welke buiten de planlocatie valt.
De aanwezige bosschage maakt mogelijk deel uit van een essentiële vliegroute en/of essentieel foerageergebied. Echter zal er slechts een klein gedeelte van de bosschage gekapt worden voor de realisatie van een ontsluitingsweg, waardoor er voldoende lineaire structuren zullen overblijven waar vleermuizen gebruik van kunnen maken als vliegroute en/of foerageergebied. Van aantasting van een essentiële functie is derhalve geen sprake. In de luwte van opgaande vegetatie van de houtsingel en bosschage kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast.
Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2010-2020). Voor alle soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie bestaat uit een spoorweg, agrarische percelen en groenstroken en er is geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor is er geen sprake van voortplantingsplaatsen van amfibieën. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.
7
Reptielen In de directe omgeving zijn verschillende waarnemingen bekend van de zandhagedis (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geld dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de directe omgeving van de planlocatie zijn verschillende waarnemingen bekend van de zandhagedis (NDFF 2011-2021, figuur 4). Een waarneming uit 2019 is afkomstig uit de noordzijde van de spoorlijn. Dit betreft een zonnige berm (figuur 5). De duinen en ook de (droge) heide komt naar voren als voorkeurshabitat van de soort. Daarnaast komt de soort voor langs infrastructuur (weg- en spoorbermen) en op ruderaal terrein. Sporadisch worden ook bosranden en struweel gemeld. Als warmteminnende soort bestaat er een voorkeur voor zandige, naar het zuiden geëxponeerde hellingen, waar de temperatuur hoog kan oplopen. De optimale habitat is een mozaïek van rijk gestructureerd dwergstruikvegetatie, afgewisseld met hogere grassen, ‘kale’ grond en plekken met open zand. De structuurdiversiteit is daarbij belangrijk: er bestaat een direct verband tussen de structuurdiversiteit van de vegetatie en de populatiedichtheid van de zandhagedis (Creemers, 2009). Door het ontbreken van deze mozaïek aan structuren, kan verklaard worden waarom er aannemelijk slechts enkele individuen aanwezig zijn in de directe omgeving.
Het is aannemelijk dat het struweel ten noorden met name als dekking wordt gebruikt. Het zuidelijk gelegen bosgebied lijkt geen essentiële functie voor de soort te hebben, wegens het ontbreken van waarnemingen en wegens het ontbreken van zonnige, zandige plekken geschikt voor de voortplanting. Door de beoogde ontwikkeling (c.q. kap van enkele bomen), zal derhalve geen functioneel leefgebied verloren gaan. De zonnige bermkant aan de noordzijde zal in de huidige staat behouden blijven. Eveneens als het aanwezige struweel. Opwarmplekken zullen derhalve niet verloren gaan. Door de kap van de bomen zal geen aantasting van het leefgebied van de zandhagedis plaatsvinden.
Figuur 4
8
Waarnemingen van de zandhagedis. Er is één waarneming bekend uit 2019, rood omcirkeld. De overige waarnemingen dateren van 1996. Deze kaart is voor intern gebruik en mag onder geen beding gepubliceerd worden (NDFF, 2011-2021).
Figuur 5
De waarneming uit 2019 is bekend vanuit de noordzijde van de spoorlijn (zonnige berm, links). Op de rechterfoto zijn aan de overzijde van de spoorlijn de te kappen bomen te zien, benodigd om de geasfalteerde weg te realiseren.
Zandhagedissen leven solitair en zijn plaats getrouw, jaar in en uit, waarbij de mannetjes een territorium verdedigen. De zandhagedis valt onder art 3.5 van de Habitatrichtlijn. Dat betekent dat individuen niet opzettelijk verstoord mogen worden. De kwetsbare periode van de zandhagedis zijn weergegeven in figuur 7.
Figuur 6
Op hoofdlijnen weergegeven de kwetsbare perioden van de zandhagedis (Kennisdocument BIJ12, 2017).
De kapwerkzaamheden en de aanleg van de geasfalteerde weg dient derhalve in de periode september – maart plaats te vinden om verstoring van de soort te voorkomen. De voorkeurshabitat van de hazelworm bestaat uit enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De meeste waarnemingen hebben betrekking op bos- en heideterreinen. In bossen wordt de voorkeurshabtitat plaatselijk door de zon beschenen (open plekken, bosranden) en is vaak een goed ontwikkelde kruidlaag (of strooissellaag) aanwezig, bestaat uit dwergstruiken en grassen. Van vorengenoemde is aan de rand van het bosgebied binnen de planlocatie geen sprake. Er ontbreekt een strooissellaag en een goed ontwikkelde kruidlaag. Daarbij is de dichtbijzijnde waarneming van een hazelworm op circa 2,3 km bekend. Door vorengenoemde is de aanwezigheid van leefgebied van hazelworm in het te kappen stuk bosgebied uitgesloten.
9
Figuur 7
In het te kappen stuk bosgedeelte is geen dikke strooisellaag aanwezig, noch een goed ontwikkelde kruidlaag.
Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 1 km is de aanwezigheid bekend van beschermde ongewervelde niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek enkel algemene soorten waargenomen als citroenvlinder, distelvlinder, groot koolwitje en klein koolwitje. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gaai, koolmees, merel, pimpelmees, staartmees, tjiftjaf en zanglijster. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien.
Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Wegens het ontbreken van bebouwing en functioneel leefgebied in de vorm van oppervlaktewater ne groenblijvende struiken en hagen kan het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt tevens niet tot aantasting of afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake.
10
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Wegens het ontbreken van bebouwing kan de aanwezigheid van de gierzwaluw per definitie uitgesloten worden. Gedurende het veldbezoek is in een boomtop in de bosschage een sperwernest aangetroffen (figuur 8). Een sperwer broedt voornamelijk in bossen en boomrijke gebieden en bouwt elk jaar in het territorium een nieuw nest. Aanwezigheid van het sperwer nest wijst erop dat de planlocatie onderdeel uit maakt van het territorium van de sperwer. Aan de bosschage worden een aantal bomen gekapt en/of gesnoeid die dichten tegen het spoor aanstaan. De boom met het sperwer nest zal hierbij ontzien worden. Daarnaast is dit een zeer beperkt deel en worden er nieuwe bomen terug geplant. Hierdoor is er geen sprake van afname van het functioneel leefgebied van de sperwer en mogelijk andere uilen en roofvogels soorten. Om tijdens het broedseizoen negatieve effecten (verstorende) en vernieling van (nieuwe) nesten te voorkomen dienen de kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen (april – juli) plaats te vinden.
Figuur 8
In de bosschage is een sperwer nest aangetroffen.
Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake, mits de juiste maatregelen worden getroffen. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
11
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 of het Groene Ontwikkelingszone. Wel ligt een deel van de planlocatie in het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van circa 4,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Bekendelle’ (figuur 9). De planlocatie ligt deels in het Gelders Natuurwerk en ligt op een afstand van circa 130 m ligt een Groene Ontwikkelingszone (figuur 10). Hiervoor dient derhalve een ‘nee-tenzij’ toets uitgevoerd te worden.
Figuur 9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 4,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Bekendelle’ (bron: Arcgis.com).
Figuur 10 De planlocatie ligt deels in het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 130 m tot een Groene ontwikkelingszone (bron: Arcgis.com). Buro SRO heeft reeds een stikstofberekening d.m.v. AERIUS Calculator laten uitvoeren. Deze berekening toont aan dat de beoogde ontwikkeling geen effecten heeft op de naburige Natura 2000-gebieden.
12
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Derhalve is het maken van een kapmelding in het kader van Wnb is noodzakelijk en geldt er een herplantplicht. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen. Rode lijst soorten Alle soorten van de rode lijst die binnen een straal van 500 meter voorkomen zijn meegenomen (NDFF 2011-2021). Tabel 2 Een beoordeling t.a.v. rode lijst soorten die in de directe omgeving voorkomen. Soort
Toelichting
Beoordeling negatieve effecten
Haas
Hazen zitten graag in graanvelden, bietenvelden en braakliggende terreinen. De soort is gebaat bij een grote variatie in gewassen en habitat en een groot voedselaanbod. In de natuur leven konijnen in grote groepen in grasland, duinen of heidegebieden. Broedt op de grond en maken hun nest vooral in moerassen, rietlanden en hoge heide
Geen
Boerenzwaluw
Maakt nesten tegen de gevel. Vooral op waterrijke plekken wordt naar voedsel gezocht.
Geen
Graspieper
Broedt in korte vegetatie in allerlei open landschappen: open duin, heide, kwelders en open hoogveengebieden
Geen
Grote lijster
Parkachtige bossen, bosranden en heiden zijn typische plaatsen om grote lijsters aan te treffen. Deze vogels zoeken graag naar voedsel op open plekken in bossen en op graslanden.
Geen
Huismus
Bosgebied maakt geen deel uit van het functioneel leefgebied van de soort.
Geen
Kramsvogel
Broedt in halfopen cultuurlandschap met vochtige graslanden en boomgroepen
Geen
Matkop
De matkop leeft in allerlei bossen met voldoende dode bomen. In dit zachte dode hout wordt een nestholte gemaakt. Binnen de te kappen planlocatie is weinig tot geen dood hout aanwezig.
Geen
Paapje
Broedvogel van kruidenrijke, open graslanden, die op de grond een meestal goed verborgen nest bouwt.
Geen
Patrijs
Akkerland is het meest in trek, vooral als dit wordt afgewisseld met ruige dijken, slootranden, wegbermen en houtwallen.
Geen
Torenvalk
Open en halfopen land met veel woelmuizen.
Geen
Konijn Blauwe kiekendief
13
Geen Geen
De broedbiotoop van de watersnip bestaat uit moerassig laagveen, hoogveen en natte heiden en zeer vochtige schrale graslanden op veengrond of in uiterwaarden en open beekdalen. De wielewaal heeft de voorkeur voor vochtige loofbossen in de buurt van water. Hij leeft daar in de toppen van oude eiken en hoge populieren De wintertaling geeft de voorkeur aan ondiepe, rustige, waterrijke gebieden met een welige begroeiing van de oevers, zoals kleine zoetwatermeren en langzaam stromende rivieren.
Geen
Wulp
Open heide- en hoogveengebieden, open duinen, laagveengebieden met gemaaid rietland, graslanden in halfopen agrarisch gebied, open akkerbouwgebieden
Geen
Zandhagedis
Reeds beoordeling in quickscan
Geen
Watersnip
Wielewaal
Wintertaling
Geen
Geen
Van bovengenoemde soorten geldt dat alleen grote lijster er een deel van het leefgebied mogelijk beperkt verloren zal gaan. De soort foerageert met name in weilanden, maar ook in open plekken in (goed kwalitatieve) bossen. Er zal slechts een kleine strook met enkele bomen gekapt worden. Er blijft een groot deel van het bos behouden. Gezien het aantal waarnemingen in de omgeving (groepje van 20 in 2013 gezien), het alternatieve aanbod van met name weilanden, geen druk geven op de lokale populatie. De kramsvogel is tevens een trekvogel die in de winterperiode wegtrekken van Nederland. Daarbij zal het nieuw in te richten bosgebied op lange termijn meer voedsel bieden voor de soort.
14
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er is geen aanvullend onderzoek benodigd voor de beoogde ontwikkeling. Ten aanzien van de rode eekhoorn, zandhagedis en sperwer dienen er maatregelen genomen te worden om negatieve effecten te voorkomen. De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk. Derhalve dient een ‘Neetenzij’ toets opgesteld te worden, om de eventuele negatieve effecten op het gebied in kaart te brengen. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 3
Overzicht van de Soortenbescherming. *Voor de benoemde soorten geldt er bepaalde maatregelen benodigd zijn om negatieve effecten te voorkomen. Aanvullend onderzoek is hierbij niet noodzakelijk Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wnb. onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Rode eekhoorn
Nee
Nee* Nee Nee
Vleermuizen Amfibieën Reptielen Zandhagedis Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (cat. 5) Sperwer
Tabel 4
Nee Nee*
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
4,5 km
Geen
N.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
0m
Mogelijk
‘Nee-tenzij’ toets
Groene ontwikkelingszone
130 m
Geen
N.v.t.
Tabel 5
15
Nee* Nee Nee
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
Ja
Bomen
Ja
Ja
Ja
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een ‘Nee-tenzij’ toets uitgevoerd te worden. Hierbij worden eventuele negatieve effecten inzichtelijk gemaakt. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling aan het Kleuverspad is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling in het Gelders Natuurnetwerk dient een ‘nee-tenzij’ uitgevoerd te worden. Te treffen maatregelen Soortenbescherming • Om tijdelijke en verstorende effecten te minimaliseren dient er buiten de kritische (voortplantingsperiode (januari t/m augustus) van de rode eekhoorn gewerkt te worden (Zoogdierverenging, 2019). • Om tijdelijke en verstorende effecten te minimaliseren dient er buiten de kritische (voortplantingsperiode (april-augustus) van de zandhagedis gewerkt te worden (Kennisdocument Zandhagedis, BIJ12).
• Om tijdelijke en verstorende effecten te minimaliseren dient er buiten de kritische (broedseizoen (april-juli) van de sperwer gewerkt te worden (Sovon).
Algemene maatregelen (in het kader van Algemene zorgplicht) • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
16
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agllis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
17
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
18
Bijlage 1 Fotografische impressie
19
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Kleuverspad ong. te Aalten s en bestaat uit een spoorweg met overgang, bosschage en een agrarisch perceel.
Figuur 2
De houtsingel, welke buiten de planlocatie s gelegen.
20
Figuur 3
De bosschage.
Figuur 4
De locatie waar compensatie zal plaatsvinden, ongeacht of er negatieve effecten zullen ontstaan door de kap in het Gelders Natu