Definitieve VVGB Provincie Gelderland 29-11-24
Tekst van het document
Datum
Verklaring van geen bedenkingen Verlenen vvgb
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Onderwerp
Wet natuurbescherming – soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden
Burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten Postbus 119 7120 AC AALTEN
Inlichtingen bij
Provincieloket 026 359 99 99 post@gelderland.nl Blad
1 van 22
Locatie
Gemeente
Driehonderdmeterweg 12A te Aalten
Aalten
Activiteit
OLO-nummer
het wijzigen van een veehouderij
7174435
Geacht college, Op 25 augustus 2022 hebben wij een verzoek ontvangen voor bovenstaande verklaring van geen bedenkingen (vvgb). Deze vvgb is onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning van 5 augustus 2022. Voor de gevraagde omgevingsvergunning is een vvgb vereist. Hierbij ontvangt u een besluit over deze aanvraag. Definitief besluit Wij hebben besloten deze vvgb te verlenen. Aan deze vvgb zijn voorschriften verbonden. Neem de voorschriften van de definitieve vvgb over in het definitieve besluit op de omgevingsvergunning. Het definitieve besluit op de omgevingsvergunning stuurt u ons toe. Het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning waar deze vvgb deel van uitmaakt heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. De gemeente heeft binnen deze termijn zienswijzen ontvangen.
Markt 11 | 6811 CG Arnhem Postbus 9090 | 6800 GX Arnhem 026 359 99 99 post@gelderland.nl www.gelderland.nl
BNG Bank Den Haag NL74BNGH0285010824 BIC-code BNG Bank: BNGHNL2G Btw-nummer: NL001825100.B03 KvK-nummer: 51468751
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
2 van 22
De bijlagen zijn onderdeel van dit besluit Bijlage 1 bevat een toelichting op ons besluit. Ook zijn de voorschriften van deze vvgb beschreven in de bijlage. De AERIUS-berekeningen zijn als bijlage 2 toegevoegd. Neem alle bijlagen goed door. Meer informatie Heeft u nog vragen? Kijk daarvoor op gelderland.nl. U kunt ook contact opnemen met het Provincieloket via telefoonnummer 026 359 99 99. Houdt u het zaaknummer van deze brief bij de hand. We kunnen u dan sneller helpen. Met vriendelijke groet, namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,
Janine van der Zijl Teammanager Vergunningverlening Bijlagen Bijlage 1 – Toelichting en voorschriften Bijlage 2 – AERIUS- berekeningen o Verschilberekening met afroming 65% (kenmerk S4spfALUy43R, d.d. 7 oktober 2024) o Verschilberekening met afroming 30% (kenmerk RXnBvxEFYeGd, d.d. 28 november 2024) o Beoogde situatie (kenmerk RbTg38kmK3Yj, d.d. 8 oktober 2024) Beroep vvgb Belanghebbenden kunnen binnen zes weken beroep instellen, tegen het besluit waar deze verklaring onderdeel van uit maakt. De termijn van zes weken vangt aan op het moment dat het besluit ter inzage is gelegd. Het beroep kan worden ingesteld bij de Rechtbank Gelderland, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Zij die partij zijn in de hoofdzaak kunnen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank een verzoek indienen om een voorlopige voorziening te treffen. Als gedurende de beroepstermijn om een voorlopige voorziening is verzocht, wordt het besluit niet van kracht voordat op dat verzoek is beslist. Voor het behandelen van het beroepschrift en voor het behandelen van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven. Over de hoogte en de wijze van betaling van het griffierecht kunt u informatie verkrijgen bij de rechtbank Gelderland, telefoonnummer 026 359 20 00 of op www.rechtspraak.nl.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
3 van 22
BIJLAGE 1 TOELICHTING EN VOORSCHRIFTEN
1.1 Leeswijzer De opbouw van de vvgb is als volgt: Allereerst worden de aangevraagde activiteit en de procedure toegelicht; Daarna volgen de voorschriften en de procedure; Vervolgens is het beoordelingskader toegelicht; Onder het kopje beoordeling wordt de onderbouwing van het besluit gegeven; De beslissing wordt afgesloten met een conclusie, overige verplichtingen en de juridische grondslagen. 1.2 Omschrijving activiteiten De aanvraag betreft een toename van het aantal stuks melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar en het aantal stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Verder worden er 12 stuks overig rundvee ouder dan 2 jaar gehouden. De toename van de te houden dieren vindt plaats in bestaande huisvesting en er worden 6 kalveriglo’s geplaatst. Om dit mogelijk te maken gaat de initiatiefnemer extern salderen met één saldogever. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Bekendelle is 5,6 km.
2
Procedure
Voor de gevraagde omgevingsvergunning is een vvgb vereist. De vvgb omvat een vergunning voor gebiedsbescherming. Voor de beoordeling van de aanvraag is het aanvraagformulier Omgevingsvergunning Wnb inclusief bijlagen, d.d. 5 augustus 2022, gebruikt. U heeft nog een aantal keer de aanvraag aangevuld. Daarnaast hebben wij de door u meest recent toegezonden AERIUS berekening doorgerekend met 30% afroming. Deze berekening wordt, naast de twee door u ingezonden berekeningen (beoogd en verschilberekening met 65% afroming), toegevoegd aan dit besluit. Bij deze aanvraag is sprake van extern salderen. De initiatiefnemer neemt stikstofruimte over van het bedrijf op onderstaand locatie: Meenkmolenweg 6, 7119 AH Winterswijk Corle De natuur- en omgevingsvergunningen die bij deze overdracht van stikstofruimte betrokken zijn hangen met elkaar samen. Dit besluit treedt pas in werking op het moment dat alle andere betrokken besluiten omtrent natuur- en omgevingsvergunningen onherroepelijk zijn geworden. Voor deze locatie is niet eerder een vergunning, ontheffing of een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) verleend voor de Wet natuurbescherming.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
4 van 22
Op deze aanvraag is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard. Het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning waar deze vvgb deel van uitmaakt heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. De gemeente heeft binnen deze termijn zienswijzen ontvangen.
3
Voorschriften
3.1
Voorschriften voor de gemeente U mag de omgevingsvergunning pas verlenen op het moment dat alle samenhangende besluiten omtrent natuurvergunningen en milieutoestemmingen van saldogevers onherroepelijk zijn geworden.
1.
3.2 Voorschriften voor de initiatiefnemer De initiatiefnemer is verplicht om zich aan de volgende voorschriften te houden: Gebiedsbescherming 1. Deze vergunning is uitsluitend geldig voor (medewerkers van) de vergunninghouder en voor (rechts)personen die in opdracht van de vergunninghouder handelen. De vergunninghouder blijft verantwoordelijk en aansprakelijk voor de juiste naleving van deze vergunning. 2. De (rechts)personen genoemd in het vorige voorschrift zijn volledig op de hoogte van deze vergunning en de voorschriften. Zij kunnen deze voorschriften uitvoeren. 3. De omgevingsvergunning met deze vvgb en de bijbehorende AERIUS-berekeningen (bijlage 2) met kenmerk S4spfALUy43R en RbTg38kmK3Yj moet aanwezig zijn op het bedrijf. 4. Wilt u deze vergunning overdragen? U bent verplicht om daar toestemming voor te vragen aan provincie Gelderland. Dien een verzoek in via post@gelderland.nl en vermeld het zaaknummer dat bovenaan de brief staat. 5. Deze vergunning mag pas gebruikt worden op het moment dat dit besluit en alle samenhangende besluiten onherroepelijk zijn geworden. Het betreft de volgende besluiten: Intrekkingsbesluit saldogever(s); Gewijzigde/ingetrokken milieutoestemmingen saldogever(s). 6.
Van deze vergunning kan en mag alleen gebruik worden gemaakt, nadat het volledige proces omtrent extern salderen voor de saldo-gever(s) is voltooid, de saldogevende activiteiten zijn gestaakt en de Natura 2000-gebieden niet opnieuw (kunnen) worden belast met stikstofdepositie van de gestaakte activiteiten.
4
Beoordelingskader
Deze aanvraag heeft betrekking op de effecten van stikstof op verschillende Natura 2000-gebieden.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
5 van 22
4.1 Bepalen vergunningplicht Als er Natura 2000-gebieden zijn waar het project in de beoogde situatie zorgt voor stikstofdepositie (> 0,00 mol N/ha/j) boven de kritische depositie grenswaarde, zijn onder dergelijke omstandigheden significant negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten. Vergunningplicht ontstaat wanneer significante gevolgen door het project kunnen ontstaan. Dit staat in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming: ‘het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
4.2 Vaststellen van de referentiesituatie De referentiesituatie wordt als volgt bepaald: In het geval dat voor de bestaande activiteit een natuurvergunning is verleend die onherroepelijk is, bepaalt deze natuurvergunning de maximaal toegestane depositie op Natura 2000-gebieden; Is voor de bestaande activiteit (nog) geen natuurvergunning verleend, dan is de referentiesituatie de laagst (vergunde) situatie vanaf de referentiedatum. Dat is de datum waarop een gebied waarop dit bedrijf invloed heeft werd aangewezen als Natura 2000 gebied of een voorloper hiervan. Dit betekent dat wij, als voor een bedrijf na de referentiedatum een situatie is vergund of gemeld waarin de activiteiten tot een lagere stikstofdepositie leiden dan in de situatie op de referentiedatum, uitgaan van die situatie. In alle andere gevallen wordt uitgegaan van de laatst vergunde of gemelde situatie op de referentiedatum. De toestemming kan bestaan uit een Hinderwet-, milieuvergunning, omgevingsvergunning of milieumelding en mag niet zijn vervallen. 4.3 25 km afstandsbegrenzing Naar aanleiding van het rapport van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof is besloten de stikstofdeposities te berekenen tot een afstand van 25 km vanaf de projectlocatie. Dit is vastgelegd in de kamerbrief van 9 juli 2021 met kenmerk DGS/ 21173346.
In deze brief zijn de vervolgacties beschreven naar aanleiding van het eindrapport ‘Meer meten, robuuster berekenen’ van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof van 15 juni 2020. In de kamerbrief is aangegeven dat op basis van recente jurisprudentie de volgende juridische randvoorwaarden gelden voor het vaststellen van een afbakening voor stikstofdepositie van verschillende emissiebronnen: Er is technisch modelmatig onderbouwd (balans tussen volledigheid en precisie van stikstofberekeningen) dat een berekende projectbijdrage voorbij een afbakening niet meer redelijkerwijs toerekenbaar is aan een project, en
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
6 van 22
Binnen die afbakening treft de initiatiefnemer van een project voor zover nodig maatregelen ten behoeve van de mitigatie van de stikstofdepositie, en Er is verzekerd dat, waar nodig, passende maatregelen getroffen worden om een verslechtering van stikstofgevoelige habitats (in Natura 2000-gebieden) als gevolg van de totale stikstofdepositie, dat wil zeggen inclusief die buiten de gehanteerde projectafbakening, te voorkomen.
In AERIUS Calculator is ervoor gekozen om een rekenafstand van 25 km in te programmeren voor elke bron die wordt ingevoerd. Vanwege de keuze om een rekenafstand van 25 km per bron te programmeren betekent dit in de praktijk dat er rekeneffecten kunnen ontstaan in AERIUS op het moment dat een bron of enkele bronnen iets verschuiven in de aangevraagde situatie. Deze rekeneffecten treden op aan de rand van 25 km afstand van de verschoven bronnen. AERIUS geeft dan aan dat er een toename is van stikstofdepositie op enkele of een grotere groep van hexagonen. Van de berekende stikstofdepositietoenames op ongeveer 25 km afstand dient te worden bepaald of deze worden veroorzaakt door AERIUS-rekeneffecten. Dit doen wij door te bepalen of deze hexagonen binnen 25 km afstand van de projectgrens liggen. In de kamerbrief is immers aangegeven dat de effecten van het project moeten worden bepaald tot 25 km afstand en niet de effecten van individuele stikstofbronnen.
4.4 Beweiden en bemesten Uit de uitspraak van 29 mei 20191 volgt dat het weiden van vee door een melkveehouderij onlosmakelijk samenhangt met de oprichting, uitbreiding of exploitatie van de stallen waarin het melkvee wordt gehouden. Dit betekent dat de gevolgen van het weiden van vee bij een melkveehouderij beoordeeld moeten worden in samenhang met de gevolgen van de oprichting, wijziging of exploitatie van de melkveehouderij. De oprichting, wijziging of exploitatie van de melkveehouderij en het weiden van vee is met andere woorden één project. Verder is overwogen dat het bemesten van gronden op zichzelf een project is. De gevolgen daarvan worden niet zoals bij het weiden van vee in samenhang met de exploitatie, oprichting of uitbreiding van een agrarisch bedrijf beoordeeld, maar op zichzelf.
5
Beoordeling
Deze aanvraag heeft alleen betrekking op effecten van stikstof.
5.1 Vergunningplicht Uit de ingediende AERIUS-berekeningen blijkt dat er Natura 2000-gebieden zijn waarop als gevolg van de activiteiten van dit bedrijf depositie van stikstof plaats vindt wat mogelijk significante effecten heeft op de te beschermen waarden.
1
Uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1604)
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
7 van 22
5.2 Effecten stikstof De AERIUS-berekening waarmee de effecten van stikstof worden berekend bevat een referentiesituatie, een salderingssituatie en een beoogde situatie. In deze paragraaf geven wij van de referentie- en salderingssituatie aan hoe wij ze hebben vastgesteld en beschrijven wij van alle drie de situaties de stikstofbronnen. Ten slotte stellen wij vast of de berekende effecten van stikstof aanleiding geven de aangevraagde vergunning te verlenen. 5.2.1 Referentiesituatie Driehonderdmeterweg 12a te Aalten Omdat er voor deze locatie nog geen vergunning voor de Wet natuurbescherming of de Natuurbeschermingswet 1998 is, bepalen wij de referentiesituatie aan de hand van andere milieutoestemmingen. Dit is opgenomen in tabel 1. Bedrijfsontwikkelingen die na de aanwijsdatum van Natura 2000-gebieden zijn uitgevoerd mogen volgens de Wet natuurbescherming geen significant nadelige gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen in deze Natura 2000-gebieden. De aanwijsdatum die relevant is voor deze locatie is 7 december 2004. Immers, op die datum werden gebieden waarop dit bedrijf invloed heeft, aangewezen als Natura 2000-gebied, te weten Bekendelle, Korenburgerveen, Wooldse Veen en Willinks Weust. Als referentiesituatie geldt de milieutoestemming met de laagste stikstofuitstoot sinds de aanwijsdatum. Tabel 1: milieutoestemmingen Datum
Zaaknummer
Vergunningsoort
Omschrijving
13 augustus 1991
1.777.13
Hinderwetvergunning
Houden van rundvee
27 april 2011
010283
Melding besluit landbouw milieubeheer
Houden van rundvee
Voor het bedrijf is de vergunning verleend op 13 augustus 1991 de vergunning met de laagste stikstofdepositie. Zodoende beschouwen we deze als de referentiesituatie. De vergunningen genoemd in tabel 1 zijn niet ingetrokken of geheel of gedeeltelijk komen te vervallen. Tabel 2 is een samenvatting van de referentiesituatie in de bijgevoegde AERIUS-berekening. Deze tabel is een samenvatting van de referentiesituatie uit de bijgevoegde AERIUS-berekening (bijlage 2). In deze berekening is tevens de emissie van alle bronnen en de daarbij behorende depositie terug te vinden.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
8 van 22
Tabel 2: referentiesituatie, Driehonderdmeterweg 12a te Aalten Bron/Stal
Diersoort/omschrijving
RAV-code
OW-code
Aantal
Bron 1/Stal C
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
A 1.100
HA1.100
113
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
HA2.100
27
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
HA2.100
34
Bron 2/ Stal D
Overige stikstofbronnen Op grond van onze beleidsregels salderen in Gelderland wordt de vergunde capaciteit alleen in de referentiesituatie meegenomen voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. Voor het vaststellen van de feitelijk gerealiseerde capaciteit zijn de gegevens aangeleverd zoals weergegeven in tabel 2. Uit de geraadpleegde bronnen met recente informatie (luchtfoto’s Atlas Gelderland) is gebleken dat de gebouwen daadwerkelijk zijn opgericht. Stikstofbronnen anders dan dieren hebben in het verleden nooit expliciet deel uitgemaakt van vergunningen. Voor zover deze onmisbaar zijn voor de vergunde activiteiten beschouwen we deze stikstofbronnen als impliciet vergund. Daarom is opname van de regel "Overige stikstofbronnen" in de tabellen van de referentiesituatie toegestaan. De waarden in de referentiesituatie van de AERIUS-berekening wijken af van de waarden in de referentievergunning. Dat is omdat de emissiefactoren uit de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) in de tussentijd aangepast zijn. Er wordt in AERIUS altijd gerekend met de meest recente emissiefactoren. Wij gaan uit van de vergunde aantallen dieren en rekenen met de huidige inzichten over ammoniakuitstoot.
5.2.2 Salderingssituatie De salderingssituatie in de bijgevoegde AERIUS-verschilberekening (bijlage 2) omvat de over te dragen activiteiten van één saldogever. In deze paragraaf verantwoorden wij deze gegevens. De beleidsregels salderen in Gelderland schrijven voor dat de stikstofruimte van de saldogevers voor 70% mag worden gebruikt ten behoeve van externe saldering. Indien de N-depositie plaatsvindt op habitattypen die in de natuurdoelanalyse van het betreffende gebied een nee, tenzijoordeel hebben gekregen, wordt slechts maximaal 35% van de N-depositie bij de verlening van de natuurvergunning betrokken. U hebt een verschilberekening gemaakt met een afroomfactor van 0,65. Saldogever Meenkmolenweg 6 Winterswijk Corle
Bepalen van de referentiesituatie voor de locatie Meenkmolenweg 6 Winterswijk Corle Als referentiesituatie geldt de vergunning NBW 1998 d.d. 14 augustus 2013 met zaaknummer 2013005915.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
9 van 22
Over te dragen activiteiten Tabel 3 is een samenvatting van de salderingssituatie in de bijgevoegde AERIUS-berekening. Tabel 3: salderingssituatie, Meenkmolenweg 6 Winterswijk Corle Bron/Stal
Diersoort/omschrijving
RAV-code/ BWL2
Bron 1/ Stal 2
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
17
Bron 2/ Stal 3
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
16
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, inclusief beweiden
A 1.100 PAS2015.08-02
2
Born 3/ Stal 4
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, inclusief beweiden
A 1.100 PAS2015.08-02
96
Bron 4/ Stal 6
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, inclusief beweiden
A 1.100 PAS2015.08-02
16
Bron 5/ Stal 7
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
44
Bron 6/ Stal 8
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
18
Bron 7/ Stal 13
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, inclusief beweiden
A 1.100 PAS2015.08-02
7
Aantal
Op grond van onze beleidsregels salderen in Gelderland wordt de vergunde capaciteit alleen in de salderingssituatie meegenomen voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. Voor het vaststellen van de feitelijk gerealiseerde capaciteit zijn de gegevens aangeleverd zoals weergegeven in tabel 3. Uit de geraadpleegde bronnen met recente informatie (luchtfoto’s Atlas Gelderland) is gebleken dat de gebouwen daadwerkelijk zijn opgericht. De beleidsregels salderen in Gelderland schrijven ook voor dat de salderingssituatie moet worden gecorrigeerd voor het Besluit emissiearme huisvesting (Beh). We hebben de referentiesituatie getoetst aan het Beh. De stalsystemen toegepast in de vergunde situatie voldoen aan de maximaal toegestane emissiefactoren volgens het Beh. De waarden in de salderingssituatie van de AERIUS-berekening wijken af van de waarden in de referentievergunning van de saldogever. Dat is omdat de emissiefactoren uit de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) in de tussentijd aangepast zijn. Er wordt in AERIUS altijd gerekend met de meest recente emissiefactoren. Wij gaan uit van de vergunde aantallen dieren en rekenen met de huidige inzichten over ammoniakuitstoot.
2
Bij realisatie van het stalsysteem moet altijd de meest actuele versie gehanteerd worden. Indien voorafgaand aan realisatie van het stalsysteem een actuelere omschrijving is vastgesteld, moet die versie toegepast worden.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
10 van 22
5.2.3 Aangevraagde situatie Driehonderdmeterweg 12a te Aalten Onderstaande tabel geeft de aangevraagde situatie weer. Tabel 4 is een samenvatting van de beoogde situatie uit de bijgevoegde AERIUS-verschilberekening. In deze berekening is tevens de emissie van alle bronnen en de daarbij behorende depositie terug te vinden. Tabel 4: aangevraagde situatie Bron/Stal
Diersoort/omschrijving
RAV-code/ BWL3
Bron 1/Stal 3
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
A 1.100
130
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
34
Bron 2/Stal 2
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
55
Br0n 3/Stal 4
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar inclusief beweiden
A 1.100 PAS2015.08-02
28
Fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar
A 7.100
12
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
6
Born 10/Iglo’s
Aantal
Overige stikstofbronnen
5.2.4 Beoordeling van de effecten van stikstofdepositie Door middel van salderen met de referentiesituatie en de referentiesituatie van de saldogever op de locatie Meenkmolenweg 6 te Winterswijk Corle komt de depositie uit op 0,00 mol/ha/j of lager. De aangevraagde activiteit leidt niet tot significante effecten op instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden.
Beweiden en bemesten De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 12 oktober 2022 een uitspraak gedaan over het beweiden en bemesten2. In de uitspraak legt de Afdeling bestuursrechtspraak uit hoe bepaald kan worden of de gevolgen van beweiden weggestreept kunnen worden tegen de gevolgen van bemesten. Daarvoor is van belang om inzichtelijk te maken in hoeverre de gronden vanaf de referentiesituatie bemest mochten worden. Hiertoe zijn de volgende stukken aangeleverd: Een kaart met de percelen waar beweid gaat worden inclusief de kadastrale nummers en oppervlakte per perceel; De bestemmingsplankaarten van de percelen die beweid worden tussen 7 december 2004 en 2022 en de bijbehorende planregels;
3
Bij realisatie van het stalsysteem moet altijd de meest actuele versie gehanteerd worden. Indien voorafgaand aan realisatie van het stalsysteem een actuelere omschrijving is vastgesteld, moet die versie toegepast worden.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
11 van 22
Een bewijs dat de aangewezen percelen ten tijde van de aanwijsdatum feitelijk gebruikt werden als landbouwgrond.
Uit bovengenoemde stukken blijkt dat de percelen die worden beweid, sinds de aanwijsdatum van de Natura 2000-gebieden feitelijk gebruikt werden als landbouwgrond. Deze percelen mochten sinds de aanwijsdatum bemest worden. Hierdoor kan het beweiden, door middel van intern salderen, worden weggestreept tegen de bemeste percelen. Het beweiden leidt daarom niet tot significante effecten op de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden.
5.2.5 Beoordeling onderbouwing additionaliteit Het bedrijf aan de Driehonderdmeterweg 12a te Aalten heeft op 25 augustus 2022 een aanvraag voor een natuurvergunning ingediend, waarbij in de passende beoordeling gebruik wordt gemaakt van extern salderen als mitigerende maatregel. De invulling van deze mitigerende maatregel zorgt ervoor dat (naast het opnieuw inzetten van de ruimte uit de saldogevende vergunning) een (groter) deel van de depositie op gebieden Korenburgerveen, Bekendelle, Willinks Weust en Wooldse Veen wordt vermeden. Dit wordt in het onderstaande verder toegelicht. Gelet hierop is de inzet van een deel van de stikstofruimte voor de aangevraagde vergunning verantwoord en in overeenstemming met wet- en regelgeving. Bestaande ruimte Voor het bedrijf aan de Driehonderdmeterweg 12a te Aalten is een milieutoestemming verleend op 13 augustus 1991. Zie tabel 2 van paragraaf 5.2.1 van deze beschikking, waarin de vergunde activiteiten en capaciteiten zijn vermeld. De depositieruimte behorende bij de vergunde activiteiten wordt ingezet als saldoruimte (referentiesituatie) voor het uitvoeren van de activiteiten van het bedrijf aan de Driehonderdmeterweg 12a te Aalten beschreven als beoogde situatie in de verschilberekening bij de aanvraag (bijlage 2).
De aangevraagde activiteiten veroorzaken ten opzichte van de referentiesituatie een toename van depositie op de natuurgebieden Korenburgerveen, Bekendelle, Willinks Weust en Wooldse Veen. Deze toename van depositie is maximaal 0,43 mol/ha/jaar. Afnames van depositie na saldering De depositieruimte van één bedrijf dat stopt, wordt ingezet als saldoruimte voor de beoogde situatie van de aanvrager. De saldogever heeft een vergunning NBW 1998 d.d. 14 augustus 2013 met zaaknummer 2013-005915. Na saldering met de referentiesituatie en de salderingssituaties van de saldogever berekent AERIUS op geen enkele hexagoon een toename van stikstofdepositie. Bij de inzet van stikstofruimte van de saldogevers wordt conform de Beleidsregels tenminste 30% van de depositie van de saldogever afgeroomd, wat de gemiddelde latente ruimte in vergunningen is. Daarnaast wordt er voldaan aan de Beleidsregels die voorkomen dat er gebruik gemaakt kan
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
12 van 22
worden van niet-gerealiseerde ruimte (blijkt uit AERIUS berekening met kenmerk: RXnBvxEFYeGd). Omdat er ook stikstofdepositie plaatsvindt op habitattypen die in de natuurdoelanalyse van het betreffende gebied een nee, tenzij-oordeel hebben gekregen, mag er conform de Beleidsregels op deze gebieden slechts maximaal 35% van de stikstofdepositie van de saldogever worden betrokken bij de natuurvergunningverlening. U hebt een AERIUS-berekening (kenmerk: S4spfALUy43R) waar u de salderingssituatie hebt afgeroomd met 65%. Hiermee toont u aan dat conform de Beleidsregels 35 % ten goede komt aan de stikstofdepositiedaling op iedere hexagoon waarop de aanvraag betrekking heeft. Met dit afromingspercentage resulteren de berekeningen van AERIUS namelijk niet in een toename van depositie op habitattypen met een ‘nee, tenzij’- oordeel. De vermindering van depositie veroorzaakt door de saldogevers is veel groter dan de toename van depositie door de saldo-ontvanger. Dit heeft twee oorzaken: Enerzijds is op hexagonen waar de saldo-ontvanger meer depositie zal veroorzaken, de afname van depositie door de saldogevers groter dan de toename veroorzaakt door de saldo-ontvanger (aangetoond met een AERIUS-berekening met een hoger afromingspercentage).
Anderzijds zijn er ook afnames te zien op hexagonen waar de saldo-ontvanger geen toename van depositie veroorzaakt of zelfs helemaal geen depositie heeft. Natuurdoelanalyses Provincies leveren informatie aan per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied in natuurdoelanalyses (NDA’s). Dit als eerste stap naar het gebiedsplan met maatregelen zoals bedoeld voor het behalen van de resultaatverplichting in de Omgevingswet. Per gebied wordt in de NDA’s gerapporteerd over de staat van de natuur. Daarnaast geeft een NDA aan of de vastgestelde maatregelen die genomen worden voor natuurherstel, samen met een daling van de stikstofuitstoot tot 2030, voldoende zijn om verslechtering tegen te gaan en de instandhoudingsdoelen te halen. In de NDA’s zijn drie verschillende eindconclusies opgenomen: 1. 2.
3.
Ja. Bij dit oordeel is er geen verslechtering van stikstofgevoelige natuur en eventuele uitbreidingsdoelen zijn in zicht. Ja, mits. Bij dit oordeel is er geen verslechtering van stikstofgevoelige natuur, maar is niet zeker of de uitbreidingsdoelen gehaald worden. Aanvullende maatregelen zijn noodzakelijk. Nee, tenzij. Bij dit oordeel kan verslechtering niet worden uitgesloten en eventuele uitbreidingsdoelen worden niet gehaald. Aanvullende maatregelen zijn noodzakelijk.
Basis hiervoor is de stand van zaken per gebied voor 2020, 2025 en in 2030, zoals opgenomen in AERIUS Monitor 2022. Waarbij voor het jaar 2030 rekening is gehouden met de autonome ontwikkeling van de stikstofdepositie (gebaseerd op de door het Rijk reeds vastgestelde maatregelen).
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
13 van 22
Effecten van uw project in relatie met de staat van instandhouding van de Natura 2000gebieden Hieronder beschrijven wij per natuurgebied de conclusies van de NDA’s en geven wij aan wat de gevolgen van uw project zijn voor habitattypes waarvoor het eindoordeel van de NDA’s “nee, tenzij” of “ja, mits” zijn. Dit geven wij telkens aan in een tabel. De nadere omschrijving van de kopteksten van deze tabellen is: Code hab.type: De code van het betreffende habitattype Habitattype: behoeft geen toelichting NDA: het eindoordeel van de natuurdoelanalyse Toenames ontvanger (# hxg): Het aantal hexagonen waar AERIUS Calculator een toename berekent als de saldogever niet in de berekening wordt betrokken Maximale toename ontvanger (mol/jr): de maximale toename per hectare maal de hectares waar AERIUS Calculator een toename berekent als de saldogevers niet in de berekening wordt betrokken Afnames gever (# hxg): Het aantal hexagonen waar AERIUS Calculator een afname berekent als alleen de saldogevers in de berekening worden betrokken Afname gever (mol/jr): het totaal van de toenames (mol/jr) in de hectares waar AERIUS Calculator een afname berekent als alleen de saldogevers in de berekening worden betrokken Bekendelle Voor de 3 habitattypen luidt het eindoordeel ‘Ja’ of 'Ja, mits’. Voor habitattype Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) is behoud van de oppervlakte geborgd.
Kwaliteitsverbetering is in zicht door het treffen van maatregelen. De overbelasting met stikstof neemt tot 2030 aanzienlijk af, maar er is nog wel sprake van overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW). Voor Eiken-haagbeukenbossen (H9160A) en Beekbegeleidende bossen (H91E0C) is behoud geborgd. Maar het is nog onzeker of maatregelen in het bovenstroomse deel van het stroomgebied van de Boven-Slinge in voldoende mate kunnen worden getroffen om uitbreiding van de oppervlakte en/of verbetering van de kwaliteit te realiseren. De overbelasting met stikstof neemt tot 2030 aanzienlijk af, maar er is nog wel sprake van overschrijding van de KDW voor Eiken-haagbeukenbossen (H9160A). Gelet op het voorgaande geldt dat voldoende andere maatregelen worden getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen Beuken-eikenbossen met hulst (H9120), Eikenhaagbeukenbossen (H9160A) en Vochtige alluviale bossen (H91E0C) niet in gevaar te brengen en verslechtering te voorkomen. Gebruik maken van de stikstofruimte van saldogevers voor het effect berekend op die habitattypen is dan ook niet in strijd met de bepalingen van de Wet natuurbescherming en de Habitat- en Vogelrichtlijn. Korenburgerveen
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
14 van 22
Voor de 8 habitattypen en de kamsalamander luidt het eindoordeel ‘Ja’ of 'Ja, mits’. Voor alle habitattypen is behoud geborgd als gevolg van het systeemherstel dat is uitgevoerd en de daling van de stikstofdepositie tot 2030. Voor Blauwgraslanden (H6410), Beekbegeleidende bossen (H910E0C) en de kamsalamander is het behalen van de uitbreidings- of verbeterdoelstellingen ook in zicht. Voor de beide habitattypen van hoogveen (Actieve hoogvenen (H7110A) en Herstellende hoogvenen (H7120) is behoud geborgd, gezien de stabiele of positieve trends, in combinatie met systeemherstel en daling van de stikstofdepositie. Het is bij de nog forse overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) in 2030 echter nog onzeker of structureel kwaliteitsherstel zal plaatsvinden. Gelet op het voorgaande geldt dat voldoende andere maatregelen worden getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen Vochtige alluviale bossen (H91E0C), Herstellende hoogvenen (H7120ah), Overgangs- en trilvenen (H7140A), Galigaanmoerassen (H7210), Blauwgraslanden (H6410), Heischrale graslanden (H6230vka, Zwakgebufferde vennen (H3130) en Actieve hoogvenen (H7110A) niet in gevaar te brengen en verslechtering te voorkomen.
Gebruik maken van de stikstofruimte van saldogevers voor het effect berekend op die habitattypen is dan ook niet in strijd met de bepalingen van de Wet natuurbescherming en de Habitat- en Vogelrichtlijn. Willinks Weust Voor de 7 habitattypen en de kamsalamander luidt het eindoordeel ‘Ja’ of ‘Nee, tenzij’. Voor 4 habitattypen en de kamsalamander is behoud geborgd, gezien de overwegend stabiele trends, in combinatie met hydrologisch systeemherstel, uitbreiding van areaal en daling van de stikstofdepositie. Voor de habitattypen Heischrale graslanden (H6230*), Blauwgraslanden (H6410) en Jeneverbesstruwelen (H5130) geldt het eindoordeel 'nee, tenzij’. De belangrijkste redenen: o In 2030 is nog sprake van een aanzienlijke overschrijding van de kritische depositiewaarde** (KDW). o Het systeemherstel heeft op de bestaande locaties van deze habitats bovendien weinig invloed door de bijzondere ondergrond. Het is daardoor onzeker of verslechtering van kwaliteit van bestaande habitats kan worden uitgesloten. En ook of deze zich in de omgevormde gebieden met goede kwaliteit zullen ontwikkelen. o Voor jeneverbesstruwelen is behoud ook onzeker, omdat nog onzeker is of maatregelen voor verjonging zullen aanslaan. Voor de habitattypen van bossen zijn de eindoordelen positiever, omdat de overbelasting met stikstof minder groot is.
Ook zijn herstelmaatregelen en natuurlijke ontwikkelingen positief voor de kwaliteitsontwikkeling. Behoud is daarmee geborgd. Kwaliteitsverbetering van Eiken-haagbeukenbossen (H9160A) en Beekbegeleidende bossen (H91E0C*) is vanwege de afname van stikstof tot respectievelijk net boven of onder de KDW in zicht.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
15 van 22
Gelet op het voorgaande geldt dat voldoende andere maatregelen worden getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen Droge heiden (H4030), Heuken-eikenbossen met hulst (H9120), Eiken-haagbeukenbossen (H9160A) en Vochtige alluviale bossen (H91E0C) niet in gevaar te brengen en verslechtering te voorkomen. Gebruik maken van de stikstofruimte van saldogevers voor het effect berekend op die habitattypen is dan ook niet in strijd met de bepalingen van de Wet natuurbescherming en de Habitat- en Vogelrichtlijn. Tabel 10 geeft de toename door de saldo-ontvanger op de habitattypen met een ‘nee, tenzij’ oordeel aan, alsmede de afname door de saldogevers. Tabel 10. Toenames saldo-ontvanger en afnames saldogever per habitattype op Willinks Weust (zie voor toelichting kopteksten blz. 13)
Code hab.type H6410 H6230*
H5130
Habitattype Blauwgraslanden Heischrale graslanden, vochtig kalkarm Heischrale graslanden, droog kalkrijk Jeneverbesstruwelen
NDA Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij
toenames ontvanger (# hxg) 0,60
toename ontvanger (mol/jr) 0,066
toenames ontvanger (# hxg) 0,60
afname gevers (mol/jr) 0,192
0,70
0,077
0,70
0,224
0,28
0,0308
0,28
0,0924
0,12
0,0132
0,12
0,0384
De toename van deposities op stikstofgevoelige habitattypes op Willinks Weust veroorzaakt door de toename van emissies door de saldo-ontvanger, wordt hiermee voor een veel groter deel vermeden dan de ruimte die wordt ingezet van de saldogevende vergunning. Wooldse Veen Voor de 3 habitattypen luidt het eindoordeel ‘Ja’ of 'Ja, mits’. Voor de habitattypen is behoud geborgd, gezien de stabiele of positieve trends, in combinatie met systeemherstel en daling van de stikstofdepositie. Het is bij de nog forse overschrijding van de kritische depositiewaarde** (KDW) in 2030 echter nog onzeker of structureel kwaliteitsherstel zal plaatsvinden voor Actieve hoogvenen (H7110A) en Herstellende hoogvenen (H7120). Het systeemherstel in en rond het Wooldse Veen is bijna afgerond aan de Nederlandse kant. Aan de Duitse kant van het grensoverschrijdende Natura 2000-gebied moeten echter nog herstelmaatregelen uitgevoerd worden. Hiervoor zijn onderzoeksmaatregelen opgenomen. Zolang de hieruit voortkomende herstelmaatregelen niet zijn genomen, is kwaliteitsverbetering van hoogveenhabitats aan de Nederlandse kant ook hierom onzeker.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
16 van 22
Gelet op het voorgaande geldt dat voldoende andere maatregelen worden getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen Herstellende hoogvenen (H7120) en Actieve hoogvenen (H7110A) niet in gevaar te brengen en verslechtering te voorkomen. Gebruik maken van de stikstofruimte van saldogevers voor het effect berekend op die habitattypen is dan ook niet in strijd met de bepalingen van de Wet natuurbescherming en de Habitat- en Vogelrichtlijn. Salderen tegen de achtergrond van bestaand beleid Autonome trend De autonome ontwikkeling (gebaseerd op de door het Rijk reeds vastgestelde maatregelen) wordt in AERIUS monitor inzichtelijk gemaakt, doordat hierin de stand van zaken per gebied voor 2020, 2025 en 2030 is uitgewerkt. Hieruit volgt dat voor Willinks Weust een autonome dalende trend is ingezet:
Figuur 1 Percentage oppervlakte Willinks Weust ten opzichte van de KDW
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
17 van 22
Ook per habittatype waar een ‘nee, tenzij’ – oordeel is gegeven in de natuurdoelanalyse is een
dalende trend ingezet: Figuur 2 Stikstofdepositie op Blauwgraslanden in Willinks Weust (kg N/ha/jr)
Figuur 3 Stikstofdepositie op Heischrale graslanden, droog kalkrijk, in Willinks Weust (kg N/ha/jr)
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
18 van 22
Figuur 4 Stikstofdepositie op Heischrale graslanden, vochtig kalkarm, in Willinks Weust (kg N/ha/jr)
Figuur 5 Stikstofdepositie op Jeneverbesstruwelen in Willinks Weust (kg N/ha/jr)
Deze dalende trend leidt echter niet binnen afzienbare termijn (2030) tot een daling onder de KDW. Er zijn daarom passende maatregelen nodig om verslechtering van stikstofgevoelige natuurwaarden te voorkomen.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
19 van 22
In onderstaande onderbouwing lichten wij verder toe dat wij niet kiezen voor het intrekken van de natuurvergunning van de saldogever als passende maatregel, maar kiezen voor andere passende maatregelen om invulling te geven aan artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn. Wij werken op dit moment aan het plan-/programmamatig (én gericht op uitvoering) oplossen van dit zeer ingewikkelde maatschappelijke probleem. Pakketten aan maatregelen In zowel de Contourennota4 het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN)5 als in de Uitvoeringsagenda GMS is inzichtelijk gemaakt binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd, alsmede wat het effect van de maatregelen is. Voor het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering leveren provincies informatie aan per Natura 2000-gebied over de staat van de natuur en de maatregelen die in de natuur getroffen worden (zoals die nu in de beheerplannen staan en eventueel ook in aanvullende maatregelen als dat nodig is).
Het Rijk heeft ons middelen toegekend om over te gaan tot de volgende maatregelen en subsidieregelingen4: Vrijwillige aankoop agrarische bedrijven (regelingen omschakeling, gedeeltelijke beëindiging en verplaatsing); Stimulering innovatie en modernisering brongerichte maatregelen stalemissies; Regeling managementmaatregelen melkveehouders Veluwe; Vergroten en vergoeden landschapselementen agrarisch gebied6; Drukfactoren aanpak anders dan stikstof buiten N20007. Naast de hiervoor genoemde maatregelen, die gericht zijn op de noodzakelijke reductie van stikstof op de afzienbare termijn, worden er op dit moment ook Natura 2000-herstelmaatregelen getroffen. In de beheerplannen van alle Natura 2000-gebieden is beschreven welke maatregelen het gebied nodig heeft om de instandhoudingsdoelen die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit van het gebied, te behalen. In de beheerplannen, wordt overigens ook de link gelegd met bredere (natuur)ontwikkelingen. Conclusie Wij zijn van mening dat wij met bovenstaande passende maatregelen de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn ingezet hebben of in te zetten. De toename van stikstofdepositie, veroorzaakt door uw project, is vele malen kleiner dan de afname van depositie door de salderingssituatie.
Dit geldt niet alleen voor alle betrokken Natura 2000 gebieden, maar ook voor alle afzonderlijke kwetsbare delen van deze gebieden: uw project veroorzaakt een toename 4
Raadpleegbaar via de website van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/07/16/contourennota-programma-stikstofreductie-en-natuurverbetering 5 Raadpleegbaar via de website van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/12/19/programma-stikstofreductie-en-natuurverbetering-en-nota-vanantwoord 6 Dit leidt tot vermindering van oppervlakte van landbouwgrond met hoge mestgiften. 7 Deze maatregelen leiden zelf niet tot reductie van atmosferische stikstofdepositie. Wel kunnen bepaalde (delen van) gebieden door systeemherstel minder gevoelig worden voor stikstof. Deze maatregelen kunnen wel bijdragen aan vermindering van andere stikstofbronnen, zoals met meststoffen belast grond- en oppervlaktewater, mineralisatie van veen en interne eutrofiering.
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
20 van 22
van depositie in 1,7 hectare van habitattypen van het type “nee, tenzij”. De hoogste toename in deze hexagonen is 0,11 mol N/ha/jaar. Daar staat tegenover een afname door de saldogever in 1,7 hectare van habitattypen van het type “nee, tenzij”, met een hoogste afname van 0,33 mol N/ha/jaar. Dit komt erop neer dat ten minste 35% van de stikstofruimte die vrijkomt door de saldogevers (exclusief 30% die staat voor de gemiddelde latente ruimte in een vergunning) ten goede van de natuur. Het intrekken van de vergunning van de saldogever is niet noodzakelijk als passende maatregel en kan daarom gebruikt worden als mitigerende maatregelen. Daarnaast zorgt de grotere afname van de mitigerende maatregel die u inzet ten opzichte van de toename van uw project ook onderdeel is van de noodzakelijke daling van stikstofdepositie en daarmee verslechtering wordt voorkomen.
5.3 Overige gebiedseffecten De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Bekendelle is 5,6 km. Door de afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn er naast de effecten van stikstof geen andere effecten op deze gebieden. 5.4 Effecten op Natura 2000-gebieden in Duitsland Bij ons besluit betrekken we ook eventuele effecten op Natura 2000-gebieden net buiten onze landsgrenzen. De aangevraagde ontwikkeling van uw bedrijf heeft ook invloed op Natura 2000gebieden in Duitsland. Voor de beoordeling van de toename sluiten wij aan bij de Duitse manier van beoordelen. Volgens de Duitse overheid is er geen sprake van een negatief effect als de toename van stikstofdepositie lager is dan 7,14 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Uw aanvraag blijft onder deze grenswaarde. Verdere toetsing van effecten op Natura 2000gebieden in Duitsland is daarom niet nodig. 5.5 Meldingsplicht Er is sprake van houtopstanden als de kap plaatsvindt buiten de bebouwde kom en de te kappen bomen onderdeel zijn van een houtopstand van minimaal 10 are of een bomenrij van minimaal 21 bomen. Uiterlijk 6 weken, maar niet eerder dan een jaar voorafgaand aan de kap moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden gedaan. De te kappen bomen moeten op dezelfde locatie binnen 3 jaar worden herplant.
Indien hiervan afgeweken wordt, moet separaat een ontheffing bij de provincie aangevraagd worden. 5.6 Effecten op beschermde houtopstanden Er worden geen bomen gekapt. Daarmee zijn er geen effecten op beschermde houtopstanden. 5.7 Conclusie Wij geven de vvgb af. Op grond van het vorenstaande hebben wij de zekerheid verkregen dat het project geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. De aanvraag past binnen de beleidsregels salderen in
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
21 van 22
Gelderland. De aan de orde zijnde negatieve effecten van dit project zijn niet van dien aard dat deze op grond van artikel 2.4 Wet natuurbescherming nader moeten worden gereguleerd. U mag de omgevingsvergunning pas verlenen op het moment dat alle samenhangende besluiten omtrent natuurvergunningen en milieutoestemmingen van saldogevers onherroepelijk zijn geworden. Voor de overige gebiedseffecten hebben wij op grond van het vorenstaande de zekerheid verkregen dat het project geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Wij verlenen voor dit onderdeel dan ook de vvgb. De aan de orde zijnde negatieve effecten van dit project zijn niet van dien aard dat deze op grond van artikel 2.4 Wet natuurbescherming nader moeten worden gereguleerd.
6
Overige verplichtingen
U bent zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van eventueel benodigde ontheffingen, vergunningen of toestemmingen op grond van andere wet- en regelgeving.
7
Juridische grondslagen
Dit besluit is genomen op grond van: Wet natuurbescherming, artikel 2.4 Wet natuurbescherming, artikel 2.7, lid 2 en 3 Wet natuurbescherming, artikel 5.3 lid 1 Wet stikstofreductie en natuurverbetering Besluit natuurbescherming, artikel 2.14, lid 3 Uitspraak Raad van State inzake Logtsebaan, 201907146/1/R2 (ECLI:NL:RVS:2021:71) Beleidsregels procedure besluitvorming Wet natuurbescherming Gelderland
Datum
29 november 2024 Zaaknummer
2022-011959 Blad
22 van 22
BIJLAGE 2
AERIUS-berekeningen o Verschilberekening met afroming 65% (kenmerk S4spfALUy43R, d.d. 7 oktober 2024) o Verschilberekening met afroming 30% (kenmerk RXnBvxEFYeGd, d.d. 28 november 2024) o Beoogde situatie (kenmerk RbTg38kmK3Yj, d.d. 8 oktober 2024)