BP.TOE.Kern Lintelo, wijziging Gendringseweg 27-29.pdf
Tekst van het document
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
34
Klimaatrobuust gebied De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.
Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Toetsing Door Buro Ontwerp & Omgeving is in juni 2022 een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 2 bijgevoegd. De conclusie van het onderzoek wordt hieronder kort behandeld. De onderzochte bodem is, voor zowel de verzadigde- als de onverzadigde zone, te beschouwen als 'goed doorlatend'. Voor de verzadigde zone kan een doorlatendheid van circa 2,6 m/dag aangehouden worden, de doorlatendheid van de onverzadigde zone bedraagt circa 4 m/dag. Watertoets Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.
Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief relevant zijn. Voor dit initiatief is op 11 juli 2022 de digitale watertoets doorlopen. Deze is als Bijlage 5 bijgevoegd. Ten aanzien van wateradvies geldt er voor het initiatief een normale Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
35
procedure. Situatie plangebied In de huidige situatie wordt het hemelwater geïnfiltreerd in het plangebied. Voor de toekomstige situatie is door de initiatiefnemer een berekening aangeleverd voor wat betreft het verhard oppervlak. Deze berekening is bijgevoegd als Bijlage 6. Hieruit blijkt dat er in de toekomstige situatie sprake is van een afname van het verhard oppervlak. Binnen het plangebied is tevens voldoende ruimte om water te infiltreren. In het stedenbouwkundig plan is hier rekening mee gehouden. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
Algemeen Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Toetsing Archeologie Het plangebied ligt op de grens tussen de verwachtingswaarden 'lage verwachting' en 'hoge verwachting'. Onderstaande afbeelding geeft de grens tussen deze twee verwachtingswaarden weer.
Grens 'lage verwachting' en 'hoge verwachting'
Voor de gronden waar een 'lage verwachting' geldt, is het overleggen van een archeologisch
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
36
rapport noodzakelijk bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2. Voor gronden waar een 'hoge verwachting' geldt, is het overleggen van een archeologisch rapport noodzakelijk bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2. De nieuwe woningen zullen voornamelijk gebouwd worden op de gronden waar een 'lage verwachting' geldt. Een klein deel zal op de gronden worden gebouwd waar een 'hoge verwachting' geldt. De bouwwerken op die gronden zullen echter niet groter dan 500 m2 zijn, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Cultuurhistorie De gemeente Aalten heeft een archeologische en cultuurhistorische inventarisatie uit laten voeren voor het gehele grondgebied van Aalten. De molen is aangewezen als Rijksmonument. De molen zal in zijn huidige vorm blijven bestaan. Samen met het nieuwe schuurvolume vormt de bestaande schuur een erfensemble bij de molen. Dit wordt ruimtelijk versterkt door de verdraaiing van het schuurvolume. Dit komt ten goede aan de zichtbaarheid en herkenbaarheid van de molen vanaf de weg. De bestaande ontsluiting van het erf bij de molen blijft behouden en krijgt een kwaliteitsimpuls; de toegang wordt versmald en krijgt een groenere uitstraling. Er komen als gevolg van het planvoornemen geen cultuurhistorische waarden in het geding.
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.9
Ecologie
Algemeen Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. Toetsing Quickscan natuurtoets Door Natuurbank Overijssel in juli 2022 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. Gebiedsbescherming Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 10,5 km en betreft het 'Korenburgerveen'. Verder liggen er geen andere Natura 2000-gebieden binnen 10 km van het plangebied. Gelet op de ligging van het plangebied en de omvang van de ontwikkeling, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Op de mogelijk negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie wordt later in deze paragraaf ingegaan. Het projectgebied ligt op circa 1,60 km afstand van gebieden die behoren tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op 1,44 km afstand van gebieden die behoren tot de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
37
kernkwaliteiten van het GNN en de GO werkzaamheden niet aangetast. Soortenbescherming Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het plangebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Vleermuizen Als gevolg van de sloop van bebouwing wordt er mogelijk een vleermuis gedood en wordt mogelijk een verblijfplaats van een vleermuis beschadigd of vernield. Nader onderzoek is vereist om aanwezigheid van vleermuizen in de te slopen bebouwing uit te kunnen sluiten en de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Nader onderzoek PM Effectbeoordeling stikstofdepositie Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Door het gebruik van werktuigen kunnen er wel indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat een Natura 2000-gebied op minder dan 10 km afstand van het plangebied liggen, vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen van dit Natura 2000-gebied.
De tijdelijke emissie in de realisatiefase is vanaf 1 juli 2021 echter vrijgesteld volgens de Wijzigingswet Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en kan daardoor vanaf 1 juli 2021 zonder vergunning plaatsvinden (Rijksoverheid, 2021). De vrijstelling heeft echter geen betrekking op de gebruiksfase. Om die reden is door buro Ontwerp & Omgeving in mei 2022 een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze is als Bijlage 8 bijgevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.10
Molenbiotoop
Een molenbiotoop is als volgt te definiëren: de gehele omgeving van de molen, voor zover die omgeving van invloed is op het goed functioneren van de molen als maalwerktuig en als monument. Het gaat hierbij dus om twee zaken: In de eerste plaats moet de molenomgeving zo zijn ingericht dat de molen voldoende windtoevoer en –afvoer heeft. In de tweede plaats gaat het om de belevingswaarde van de molen waarbij de schaal en het karakter van de omringende bebouwing van grote invloed is. Gelderse molenverordening en uitvoeringsregeling Het beleid voor de bescherming en het behoud van een goede molenbiotoop is door de provincie Gelderland vastgelegd in de Gelderse molenverordening. Door middel van een
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
38
formule wordt bepaald wat een aanvaardbare toelaatbare hoogte van gebouwen en andere obstakels in een molenbiotoop is. De biotoopformule is een eenvoudige manier om de maximaal aanvaardbare hoogte van obstakels rond een molen te berekenen, dusdanig dat de molen hier geen onoverkomelijke hinder van ondervindt. De biotoopformule wordt bijvoorbeeld toegepast om te kunnen bepalen of een gebouw op een bepaalde afstand van de molen al dan niet 'te hoog' is. Voor de molen in onderhavig plangebied, de Wenninkmolen, gelden de volgende regels. binnen een afstand van 100 m van de molen, nieuwe bouwwerken niet worden gebouwd voor zover de bouwhoogte hoger is dan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande molenwiek; binnen een afstand van 100 m tot 400 m van de molen, nieuwe bouwwerken niet worden gebouwd voor zover de bouwhoogte hoger is dan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande molenwiek vermeerderd met 1/50 van de afstand tussen het nieuw op te richten bouwwerk en de molen ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'; Toetsing Het bouwplan is meerdere malen besproken met de eigenaar van de molen (Stichting tot instandhouding van de Wenninkmolen te Lintelo). Zij kunnen instemmen met de nieuwe situatie omdat deze door te slopen panden en (lagere) nieuwe panden niet slechter is qua windvang en belevingswaarde.
Waarschijnlijk komt het zelfs de molen ten goede. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen wordt dit concreet getoetst en wordt een advies van een molendeskundige ingewonnen overeenkomst de molenbiotoop. In dit bestemmingsplan worden de bouwhoogtes van gebouwen nabij de molen aanmerkelijk beperkt (goot- en bouwhoogte van 3,5 respectievelijk 5,5 meter) ten opzichte van het geldende bestemmingsplan (goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 9 meter). Conclusie Het aspect molenbiotoop vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.11
Verkeer en parkeren
Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. Toetsing Verkeer De ontwikkeling van het plangebied zal gepaard gaan met een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Om deze toename te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van het CROW. Bij de berekening van de toename van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van het volgend aantal functies: 1. 4 keer koop, huis, tussen/hoek 2. 2 keer koop, huis, twee-onder-een-kap Het plangebied ligt in de categorie 'weinig stedelijk, rest bebouwde kom'. Hiervoor zijn door het CROW de volgende verkeersgeneratie aan toegeschreven: 1. Gemiddeld 7,4 per woning per etmaal 2. Gemiddeld 7,8 per woning per etmaal Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
39
De totale toename van de verkeersgeneratie is (29,6 + 15,6 = 45,2) afgerond 45 verkeersbewegingen per etmaal. De nieuwe woningen worden ontsloten op de Gendringseweg. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op te vangen. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de 'Beleidsregel parkeernormen gemeente Aalten' welke is opgenomen in het 'Parapluplan gemeente Aalten', vastgesteld op 18 september 2018. De gebiedsaanduiding 'Rest bebouwde kom' is in het plangebied opgenomen. Navolgende tabel laat zien van welke categorieën is uitgegaan. Categorie Aantal Koop, tussen/hoek 4 Koop, twee-onder-een-kap 2
Parkeernorm 1.6 1,8
Parkeerbehoefte 6,4 3,6
Volgens de parkeernormen uit het parapluplan zijn er voor het plangebied 10 extra parkeerplaatsen nodig. Er is meer dan voldoende ruimte binnen het plangebied om deze 10 extra parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast worden er nog extra parkeerplaatsen gerealiseerd voor de molen, het aannemersbedrijf en de logies (deels dubbelgebruik). Het parkeren vind plaats op het voorerf op halfverharding uit het zicht vanaf de openbare weg, en op enige afstand van de weg. Voor de twee onder één kap-woningen en de vrijstaande woning is het parkeren op eigen perceel. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.12
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Bij het tweede gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Economische uitvoerbaarheid Voorliggend uitwerkingsplan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met dit uitwerkingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
40
maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft niet vastgesteld te worden indien verhaal van kosten anderszins is verzekerd, en tevens locatie-eisen niet nodig zijn of anderszins zijn verzekerd. De gemeente neemt niet deel aan de ontwikkeling van het plan. De gemeente verzorgt de planologische kaders na toetsing van de planontwikkeling. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd via de legesverordening en een anterieure overeenkomst. In deze anterieure overeenkomst wordt tevens vastgelegd dat mogelijke planschade en de aanleg van de openbare ruimte voor rekening van de initiatiefnemer is. Het vaststellen van een exploitatieplan is hiermee niet noodzakelijk. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op maandag 30 mei 2022 van 19:30 uur tot 20:30 uur is er een informatiebijeenkomst (inloop) gehouden. Tijdens deze bijeenkomst konden belangstellenden het stedenbouwkundig plan bekijken en vragen stellen aan de initiatiefnemer en/of vertegenwoordigers van de gemeente. Het stedenbouwkundig plan voor de ontwikkeling heeft ook vanaf 25 mei 2022 ter inzage gelegen. Iedereen kon tot en met 7 juni reageren op dit plan. Er is één reactie ingediend. De inspraaknota waarin de reactie is beoordeeld is als Bijlage 9 opgenomen.
Vooroverleg Het plan is voorgelegd aan de provincie Gelderland en het Waterschap. PM- reactie
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
41
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
42
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planaspecten
Algemeen
5.1.1 Wat is een bestemmingsplan Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (aanleggen).
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid. 5.1.2 Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een dubbelbestemming Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart.
Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3 Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
43
1. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. 4. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1 Hoofdstuk1 : Inleidende regels Begrippen (Artikel 1) In Artikel 1 is een aantal begrippen nader gedefinieerd teneinde onduidelijkheid te voorkomen. Voor een gedeelte van de begrippen is aansluiting gezocht bij de begrippenlijst uit bijlage 11 bij de SVBP 2012, voor de overige begrippen is aansluiting gezocht bij de formulering van de in Aalten gebruikelijke (meest recente) regels. Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
44
Wijze van meten (Artikel 2) In Artikel 2 wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden bij het beoordelen of de maatvoering in overeenstemming is met de regels. Ook hier is aansluiting gezocht bij de standaard (meet)regels uit de SVBP 2012. Onderstaand is een voorbeeld opgenomen m.b.t. de interpretatie van de goot- en bouwhoogte van een gebouw.
Voor de bepaling van de goothoogte van een gebouw wordt, indien er sprake is van een lage en hoge druiplijn, uitgegaan van de onderste druiplijn voor het bepalen van de ‘goothoogte’. De bovenste druiplijn wordt aangemerkt als de ‘bouwhoogte’ (zie voorbeelden D en G). Met deze interpretatie wordt aangesloten bij jurisprudentie hieromtrent van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State. 5.2.2 Hoofdstuk2: Bestemmingsregels In het plan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Gemengd (Artikel 3) Ter plaatse van de molen en de gronden die behoren bij de molen is de bestemming 'Gemengd' opgenomen. Hierbinnen zijn twee separate bouwvlakken opgenomen. Een van deze bouwvlakken ligt om de contouren van de bestaande molen heen, de ander om de contouren van het bestaande bijgebouw. De gronden zijn dan ook hoofdzakelijk bestemd voor het behoud, beheer en/of herstel van de molen en de daaraan eigen zijnde cultuurhistorische en landschappelijke waarde, en het molenbedrijf zelf. Daarnaast zijn er een viertal functieaanduidingen opgenomen binnen de bestemming 'Gemengd' Ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorend bouwwerk' is het bestaande bijbehorende bouwwerk toegestaan. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van gemengd - molen' is de bestaande molen toegestaan.
Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van gemengd - aannemersbedrijf' is een bestaand aannemersbedrijf toegestaan. Ter plaatse van de functieaanduiding 'recreatie' is het gebruik van de gronden ten behoeve van recreatie toegestaan. Tuin (Artikel 4) Ter plaatse van de naar de weg gerichte gronden die zich voor de voorgevels van de (nieuwe) woningen bevinden is de bestemming 'Tuin' opgenomen. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en erven, met de daarbij horende in- en uitritten en paden, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
45
Wonen (Artikel 5) Ter plaatse van de (nieuwe) woningen in het plangebied, is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Hierbinnen zijn separate bouwvlakken opgenomen met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 m en 8 m. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn drie bouwvlakken opgenomen. Hier mogen uitsluitend woningen worden gebouwd, met in achtneming van de ter plaatse opgenomen aanduidingen. Ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend rijwoningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend halfvrijstaande woningen. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan. Voor het overige wordt er voor wat betreft de planregels grotendeels aangesloten bij het bestemmingsplan 'Kern Lintelo 2008'. Waarde - Archeologie hoge verwachting (Artikel 6) en Waarde - Archeologie lage verwachting (Artikel 7) Aangezien zich in het plangebied potentieel belangrijke archeologische gebieden bevinden zijn in de regels dubbelbestemmingen opgenomen om deze gebieden te beschermen. De ligging van de dubbelbestemmingen is afgestemd op de cultuurhistorische waardenkaart van Aalten (zie ook paragraaf 4.8). Aan de verschillende categorieën uit deze kaart is per waarde een dubbelbestemming gekoppeld.
Voor de bescherming van de archeologische waarden zijn beperkingen met betrekking tot het bouwen van gebouwen opgenomen, alsmede een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden. Voor bouwen geldt bij bouwwerkzaamheden tot een bepaalde oppervlakte en diepte geen onderzoeksverplichting. De oppervlakte en diepte zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde. Het omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden houdt in dat de bodem niet mag worden verstoord, tenzij daarvoor een vergunning is verleend. Op deze regeling zijn dezelfde uitzonderingen van toepassing als voor het bouwen. Een omgevingsvergunning niet nodig voor werkzaamheden die minder dan een bepaald aantal m2 beslaan. Daarnaast is het niet nodig een vergunning te eisen voor werkzaamheden in reeds ‘geroerde’ grond, hetgeen inhoudt dat geen omgevingsvergunning is vereist voor bodemingrepen die niet dieper dan een bepaald aantal centimeter gaan. 5.2.3 Hoofdstuk3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Met de anti-dubbeltelregel wordt geregeld dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning is meegenomen niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen. Deze regel is rechtstreeks overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening.
5.2.4 Hoofdstuk4: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is een regeling opgenomen voor bestaande zaken en rechten die niet in overeenstemming zijn met de overige regelingen in dit bestemmingsplan. De regels voor het overgangsrecht zijn overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening, waarin standaard overgangsrecht voor bestemmingsplannen is opgenomen Slotregel
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
46
De slotregel bevat de titel van het bestemmingsplan.
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
47
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
48
Hoofdstuk 6
Procedure
Te zijner tijd worden in deze paragraaf of in een separate bijlage de resultaten van de procedure verwerkt.
Kern Lintelo 2008, herziening Gendringseweg 27-29
NL.IMRO.0197.BP00112-ON01
ontwerp
49