BMC Zienswijze met bijlagen samengevoegd_anoniem.pdf
Tekst van het document
In de plantoelichting staat verder dat als "plafond" (voor de stikstofuitstoot) is opgenomen het rechtsgeldige bestaande gebruik van een veehouderij, dat wil zeggen de oppervlakte die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan rechtsgeldig aanwezig, dan wel toegestaan is voor een (intensieve) veehouderij(tak), met het daarbij behorende aantal dierplaatsen en huisvestingssysteem. Het rechtsgeldig aantal dierplaatsen en bijbehorende huisvestingssysteem kan onder meer blijken uit onherroepelijke vergunningen en/of geaccordeerde meldingen door het bevoegde gezag onder meer op grond van de sectorale milieu- en/of natuurwetgeving. Het is toegestaan om binnen deze rechtsgeldige ammoniakemissie wijzigingen op bedrijfsniveau aan te brengen. In de praktijk zal dit via de methode van interne saldering moeten worden geregeld, dat wil zeggen door het treffen van emissiebeperkende maatregelen, aldus de plantoelichting. 23.1. Hieronder worden de planregels weergegeven waarmee is beoogd de stikstofdepositie van veehouderijen te beperken, om te voorkomen dat het plan in strijd komt met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Het weergegeven samenstel van bepalingen zal in het navolgende ook worden geduid als de "stikstofregeling". 23.2.
In lid 1.41 staat dat onder "dierplaatsen" wordt verstaan "het maximaal aantal te houden dieren overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning of het Activiteitenbesluit milieubeheer." Blijkens lid 1.70 wordt onder een "negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie" verstaan "elke toename van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol stikstof) per ha per jaar op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied". 23.3. De kern van de stikstofregeling in het bestemmingsplan is artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels voor de gronden met de bestemming "Agrarisch" en het gelijkluidende artikel 4, lid 4.4.2, voor de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden". Deze artikelen zijn bij besluit van 21 maart 2017 gewijzigd ten opzichte van het besluit van 19 april 2016. Aanleiding hiervoor was de in overweging 2 genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 14 september 2016. In het navolgende bespreekt de Afdeling de regeling zoals die geldt voor de gronden met de
Uitspraak 201603579/4/R1
9
bestemming "Agrarisch". Tenzij nadrukkelijk anders vermeld, gelden deze overwegingen ook voor artikel 4, lid 4.4.2, en dus de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden". 23.4. Artikel 3, lid 3.4.2, luidt als volgt: "Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee zodanig dat er sprake is van een negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie, met dien verstande dat tot een strijdig gebruik met deze bestemming niet wordt aangemerkt: a. het bestaande gebruik, dat wil zeggen de oppervlakte die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig dan wel rechtens toegestaan is, overeenkomstig bijlage 6 van de planregels, ten behoeve van een (intensieve) veehouderij(tak), met het daarbij behorende aantal dierplaatsen en huisvestingssysteem; b. een van het onder a. afwijkende gebruik, onder voorwaarde dat de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van de stikstofdepositie, zoals toegestaan onder a." 23.5. In bijlage 6 van de planregels is voor elke veehouderij die in het plangebied is gevestigd vermeld welke vergunning relevant is voor de toepassing van deze gebruiksregel. Bij veehouderijen die over een Nbw-vergunning beschikken of een PAS-melding hebben gedaan is deze vergunning of melding opgenomen.
Bij de veehouderijen die niet over een "natuurtoestemming" beschikken is de omgevingsvergunning of melding op grond van het Activiteitenbesluit vermeld. 23.6. Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530, kunnen significante gevolgen door de stikstofuitstoot echter op voorhand worden uitgesloten indien voor de gebruiksmogelijkheden wordt aangesloten bij de feitelijke en planologisch toegestane situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan of in andere bewoordingen - de planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan, echter alleen voor zover deze op dat moment ook feitelijk wordt benut (hierna ook geduid als de referentiesituatie). In een dergelijk geval kan een passende beoordeling achterwege blijven.
Daarnaast kan in een plan, zonder dat (opnieuw) een passende beoordeling behoeft te worden gemaakt, worden aangesloten bij de uitbreidingsmogelijkheden die voortvloeien uit een Nbw 1998- of Wnb-vergunning (hierna ook geduid als: natuurvergunning) die ten tijde van het vaststellen van het plan in rechte onaantastbaar was, waaraan een passende beoordeling ten grondslag heeft gelegen en die in het plan een één-op-één-inpassing heeft gekregen. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan gelet op artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb (voorheen: artikel 19j, vijfde lid, van de Nbw 1998) een nieuwe passende beoordeling in beginsel achterwege blijven. De veronderstelling daarbij is dat de planologische uitbreidingsmogelijkheden reeds passend zijn beoordeeld in het kader van de verlening van de natuurvergunning en dat een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van de aldus vergunde projecten. In geval in de planregels wordt verwezen naar een natuurvergunning, moet het, gelet op de rechtszekerheid, wel duidelijk zijn om welke vergunning het daarbij gaat, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de datum en het kenmerk van de vergunning. 23.7. Als een plan voorziet in andere dan de hiervoor in 23.6 genoemde ruimtelijke
Uitspraak 201603579/4/R1
10
ontwikkelingen, die ten opzichte van de referentiesituatie zouden kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op één of meerdere Natura 2000-gebieden, dient terzake voorafgaande aan de vaststelling van het plan een onderzoek te worden uitgevoerd. Als op grond van objectieve gegevens uit dat onderzoek (voortoets) volgt dat significante gevolgen op de betrokken gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient ook een passende beoordeling te worden gemaakt. Het plan kan in dat geval worden vastgesteld als en nadat de raad uit de aldus gemaakte passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. 23.8. De in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen regeling is niet in overeenstemming met de hiervoor uiteengezette uitgangspunten. In de eerste plaats omdat deze regeling niet is geënt op het aantal dieren, dat wordt gehouden, maar op het aantal aanwezige dierplaatsen. Op het aan te houden peilmoment kan de betreffende stalcapaciteit echter daadwerkelijk nog niet volledig zijn benut, maar nadien echter wel. Daarbij komt dat niet is gesteld, en evenmin aannemelijk is, dat de aanwezige stalcapaciteiten op het peilmoment ook daadwerkelijk volledig waren benut.
In geval op het peilmoment nog niet volledig benutte stalcapaciteit nadien alsnog wordt benut, leidt dit tot een toename van het aantal dieren ten opzichte van de referentiesituatie en dus tot een stijging van de stikstofemissie en -depositie, en zonder dat dan onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden. Ten tweede volgt uit deze regeling niet dat het op het peilmoment bestaande gebruik alleen mag worden voortgezet voor zover dat gebruik planologisch legaal was, dat wil zeggen in overeenstemming was met de planologische situatie op het peilmoment. In dit verband wijst de Afdeling erop dat in artikel 1, lid 1.24, van de planregels is vastgelegd dat onder "bestaand gebruik" wordt verstaan "het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan rechtens bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime". Artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, van de planregels bevat echter een eigen definitie van "bestaand gebruik" en deze is niet gelijk aan de algemene omschrijving van dat begrip, als opgenomen in artikel 1.24 van de planregels. Uit de regeling van artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, van de planregels volgt namelijk niet dat in geval van bestaand gebruik ook sprake dient te zijn van een planologisch legaal gebruik.
Daarbij wijst de Afdeling er tevens op dat in dat artikelonderdeel ook de woorden "dan wel rechtens toegestaan" worden gebezigd, waaruit juist lijkt te gevolgen dat het bij bestaand gebruik slechts om het feitelijke gebruik ten tijde van het peilmoment gaat. Ook zou uit artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a kunnen worden afgeleid dat dat artikelonderdeel ook ziet op gebruik dat overeenkomstig de verleende vergunningen dan wel gedane meldingen uit hoofde van de milieuwetgeving, als opgenomen in bijlage 6 van de planregels, is toegestaan, en zonder dat dat gebruik op de peildatum plaatsvond. In de derde plaats is het in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, gekozen peilmoment, namelijk de inwerkingtreding van het plan, in beginsel onjuist. Zoals hiervoor is overwogen dient voor het peilmoment in beginsel aangesloten te worden bij het moment van vaststelling van het plan. Dit is immers ook het moment waarop de gevolgen van het (nieuwe) plan bekend moeten zijn. Tussen de vaststelling en de inwerkingtreding van een bestemmingsplan kan een geruime periode liggen waarbinnen het veebestand en daarmee dus de stikstofuitstoot en -depositie kunnen toenemen.
Tot slot wijst de Afdeling erop dat weliswaar blijkens bijlage 6 bij de planregels een groot aantal veehouderijen beschikt over een natuurvergunning, maar daarbij is niet vast komen te staan dat het in al die gevallen gaat om natuurvergunningen waar passende beoordelingen
Uitspraak 201603579/4/R1
11
aan ten grondslag hebben gelegen en die een één-op-één-inpassing in het plan hebben gekregen. Bovendien ligt in deze procedure ook de vraag voor of de gevolgen van het weiden van melkvee passend zijn beoordeeld. Dit komt hieronder verder aan de orde. 23.9. Aldus spoort de regeling als opgenomen in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, en reeds daardoor ook de regeling als opgenomen in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder b, niet met de hiervoor in 23.6 uiteengezette uitgangspunten. Weiden van vee 23.10. In 17.2 van haar uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3417, heeft de Afdeling overwogen dat het gegeven dat het weiden van vee onlosmakelijk samenhangt met de oprichting, exploitatie of uitbreiding van de stallen waarin het melkvee wordt gehouden, betekent dat de gevolgen van het weiden van vee bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten worden beoordeeld als dat bestemmingsplan voorziet in de (nieuw)vestiging of uitbreiding van een melkveehouderij waarin het weiden van het melkvee onderdeel uitmaakt van de bedrijfsvoering. 23.11. Zoals hiervoor in 23.8 is overwogen, verzet het plan zich niet tegen een uitbreiding van veehouderijen. Het staat vast dat in het plangebied ook melkveehouderijen zijn gevestigd. Dit betekent dat het plan ook kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie vanwege het beweiden van vee ten opzichte van de referentiesituatie.
De gevolgen hiervan zijn niet onderzocht, hetgeen gelet op artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb, wel had gemoeten. Het betoog slaagt. 23.12. Ter voorlichting van de raad en met het oog op een nieuw vast te stellen planregeling, overweegt de Afdeling nog het volgende. Indien de raad een planregeling voor veehouderijen wenst vast te stellen die in overeenstemming is met hetgeen hiervoor in overweging 23.6 is uiteengezet, geldt met betrekking tot de gevolgen van weidegang het volgende. Indien in de planregels wordt aangesloten bij de referentiesituatie, dan behoeven de gevolgen van de uitstoot vanwege het weiden van vee niet in een voortoets of passende beoordeling te worden onderzocht. Een eventuele beweiding die leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie is dan immers niet toegelaten, zodat daartegen op grond van het plan handhavend kan worden opgetreden. In geval (tevens) planologische uitbreidingsmogelijkheden worden geboden aan veehouderijen overeenkomstig een in rechte onaantastbare natuurvergunning waaraan een passende beoordeling ten grondslag heeft gelegen, dient onderscheid te worden gemaakt tussen natuurvergunningen voor veehouderijen waarbij het vee permanent op stal staat, en natuurvergunningen die weidegang impliceren. In het eerstgenoemde geval heeft een uitbreiding van de veestapel geen gevolgen voor weidegang.
Het weiden van vee is bij dergelijke veehouderijen immers niet vergund, en daarmee ook niet planologisch toegestaan. In het tweede geval kan wel sprake zijn van de situatie dat het plan een toename van de stikstofdepositie mogelijk maakt die niet passend is beoordeeld in het kader van de verlening van de natuurvergunning. De Afdeling verwijst in dit verband naar hetgeen zij heeft overwogen in 17.3 en 17.4 van haar uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3417. Tussenconclusie stikstof veehouderijen 23.13. Het vorenstaande betekent dat het plan, in het licht van de daarin voorziene uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen, is vastgesteld in strijd met artikel 2.7, eerste lid en 2.8, derde lid, van de Wnb. Het betoog slaagt. 23.14. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel, de hierna uit te spreken vernietiging van
Uitspraak 201603579/4/R1
12
onderdelen van het bestemmingsplan en de te treffen voorlopige voorziening, bestaat geen aanleiding om alle overige beroepsgronden van SNMA en MOB over de stikstofregeling voor veehouderijen te bespreken. In het kader van finale geschilbeslechting en met het oog op een door de raad te nemen nieuw besluit, wordt volstaan met de bespreking van een aantal van de door hen aangevoerde beroepsgronden. Overige beroepsgronden stikstof van veehouderijen 23.15. In de aanhef van artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels is vastgelegd dat als strijdig gebruik wordt aangemerkt een gebruik dat leidt tot "een negatief effect op een Natura 2000gebied door stikstofdepositie". In artikel 1, lid 1.70, van de planregels is een definitie opgenomen van het begrip "negatief effect". Uit die gebruiksbepaling, bezien in samenhang met deze definitiebepaling, volgt dat de stikstofdepositie niet mag stijgen. Het betoog van MOB dat niettemin niet is uitgesloten dat een geringe of verwaarloosbare stijging is toegelaten, mist daarom feitelijke grondslag. Het betoog van MOB dat in het plan ten onrechte niet is vastgelegd met welk rekenmodel de toename van de stikstofdepositie dient te worden berekend slaagt evenmin. Het is niet noodzakelijk en evenmin gebruikelijk dat in een bestemmingsplan wordt vastgelegd welke specifieke reken- of onderzoeksmethodiek moet worden toegepast. 23.16.
Anders dan SNMA betoogt kan voor het bepalen van de feitelijke legale emissie op het peilmoment worden aangesloten bij de - in het kader van de milieuwetgeving - vergunde of gemelde omvang van de veestapel, die vanwege een eventuele feitelijke onderbezetting in de stallen wordt gecorrigeerd door recente CBS-cijfers, de zogeheten "meitellingen". Het is in beginsel niet juist de referentiesituatie enkel aan de vergunde of gemelde situatie direct voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan te ontlenen, nu deze in de praktijk wegens een veelal aan de orde zijnde onderbezetting van de stallen niet zal overeenkomen met de bestaande situatie direct voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan (zie bijvoorbeeld ABRS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3930). Dit kan anders liggen in geval aannemelijk wordt gemaakt dat geen discrepantie bestaat tussen de vergunde of gemelde situatie en de feitelijke veebezetting. 23.17. Met de bepaling van artikel 3, lid 3.4.2, onder b, van de planregels heeft de raad willen voorzien in de mogelijkheid van het zogeheten "intern salderen", zowel in geval wordt aangesloten bij de referentiesituatie als bij een in rechte onaantastbare natuurvergunning.
De mogelijkheid om intern te salderen in het geval dat wordt aangesloten bij het bestaande planologisch toegelaten gebruik, is in overeenstemming met artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb en behoeft dus niet passend te worden beoordeeld. Dit geldt echter niet voor de planologische mogelijkheid om intern te salderen in het geval dat wordt aangesloten bij een in rechte onaantastbare natuurvergunning. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1185, maakt artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb een uitzondering op de verplichting om een passende beoordeling op te stellen, maar alleen als het plan een herhaling of voortzetting is van een project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, voor zover een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan. In geval in het plan voor het toegelaten gebruik mag worden aangesloten bij een natuurvergunning, maar daarnaast tevens wordt toegestaan om door intern salderen af te wijken van de vergunde situatie, wordt niet voldaan aan de voornoemde vereisten die voortvloeien uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb.
Er is dan immers niet langer sprake van een herhaling of voortzetting van een project waarvoor op basis van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het
Uitspraak 201603579/4/R1
13
Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Het betoog slaagt. 23.18. SNMA betoogt dat het plan voorziet in bouwmogelijkheden bij veehouderijen en dat dit kan leiden tot een toename van de veestapel en dus tot een hogere stikstofdepositie. De Afdeling overweegt dat dit betoog niet slaagt indien wordt uitgegaan van een planregeling zoals beschreven hiervoor in overweging 23.6 Een dergelijke planregeling verzet zich immers tegen een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie of de situatie waarvoor een natuurvergunning is verleend. De toename van de bedrijfsbebouwing mag in een dergelijk geval niet leiden tot een hogere stikstofdepositie. 23.19. SNMA heeft ook de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid van onderscheidenlijk artikel 3, lid 3.3.1, en 3, lid 3.7.2, bestreden. Het toepassen van deze bevoegdheden voor het overschrijden van de bouwgrenzen en het vergroten van het bouwvlak, kan volgens SNMA leiden tot de toename van de stikstofdepositie en derhalve tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ook dit betoog slaagt niet in het geval dat wordt uitgegaan van een in overweging 23.6 beschreven stikstofregeling. Bemesting van agrarische cultuurgronden 24.
MOB betoogt dat de gevolgen van de stikstofdepositie vanwege het uitrijden van mest op agrarische cultuurgronden, dat wil zeggen gronden die bestemd en in gebruik zijn voor akker- en tuinbouw en als weiland, ten onrechte niet passend zijn beoordeeld. Het plan staat er niet aan in de weg dat deze gronden meer intensief worden bemest dan in de situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het plan. MOB wijst in dit verband op de mogelijkheid dat agrarische gronden in de toekomst worden gebruikt voor de teelt van gewassen die een hogere mestafgifte vereisen en op de omschakeling van biologische teelt naar meer traditionele vormen van akker- en tuinbouw. Ook is het mogelijk dat er een verandering plaatsvindt van de soort mest die wordt gebruikt (kunstmest in plaats van organische mest). Niet kan worden uitgesloten dat een toename of wijziging van de mestafzet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden, aldus MOB. 24.1. In haar uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212, is de Afdeling ingegaan op de vraag onder welke omstandigheden de gevolgen van bemesting van agrarische gronden in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan onderzocht dienen te worden vanwege de eventuele gevolgen daarvan voor beschermde natuurgebieden.
Overwogen is dat een onderzoek in ieder geval nodig is wanneer het vorige plan voor onbebouwde gronden niet in een bestemming voor agrarisch grondgebruik voorzag en het nieuwe plan daar voor diezelfde onbebouwde gronden wel in voorziet. Van een ruimtelijke ontwikkeling is ook sprake wanneer zowel het vorige als het nieuwe plan voor dezelfde onbebouwde gronden in een bestemming voor agrarisch grondgebruik voorzien, maar die bestemming onder het vorige plan niet is verwezenlijkt omdat die onbebouwde gronden onder het vorige plan niet voor agrarisch grondgebruik werden gebruikt. Wanneer de bestemming voor agrarisch grondgebruik van onbebouwde gronden in het vorige plan wel is verwezenlijkt in die zin dat de gronden agrarisch werden gebruikt, en het nieuwe plan voor dezelfde onbebouwde gronden eveneens voorziet in een bestemming voor agrarisch grondgebruik is géén sprake van een ruimtelijke ontwikkeling. In dat geval bestaat er voor de raad dan ook geen aanleiding om de gevolgen van de bestemmingsregeling voor de onbebouwde agrarische gronden, inclusief het bemesten, voor Natura 2000-gebieden te onderzoeken, aldus de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020. 24.2. Volgens de raad is het areaal aan landbouwgrond in het plangebied niet toegenomen
Uitspraak 201603579/4/R1
14
ten opzichte van het vorige bestemmingsplan en is evenmin sprake van een feitelijke toename van landbouwgrond. SNMA heeft geen concrete percelen genoemd die thans, anders dan voorheen, zijn bestemd voor agrarisch gebruik of die voorheen weliswaar daarvoor waren bestemd, maar niet als zodanig in gebruik waren. In zoverre is dus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waarvan de gevolgen van het bemesten voor Natura 2000-gebieden hadden moeten worden onderzocht. Het betoog slaagt niet. Stikstofdepositie vanwege niet-agrarische activiteiten 25. Wat betreft het betoog van SNMA dat het plan niet-agrarische ontwikkelingen mogelijk maakt die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie, zoals de bouw van woningen en/of de ontwikkeling van bedrijventerreinen, overweegt de Afdeling dat MOB niet nader heeft geconcretiseerd om welke ontwikkelingen het hier gaat. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Het betoog faalt. Overige beroepsgronden over stikstof 26. Over het betoog van SNMA dat het plan onvoldoende bijdraagt aan de daling van de stikstofdepositie, overweegt de Afdeling dat er geen rechtsregel is die een dergelijke algemene verplichting inhoudt. Het beroep van MOB en anderen voor het overige Plantoelichting 27.
MOB en anderen betogen dat de plantoelichting niet zelfstandig leesbaar is. De Afdeling overweegt dat de plantoelichting geen juridisch bindend onderdeel is van het bestemmingsplan. Hetgeen MOB en anderen daarover hebben aangevoerd kan reeds gelet hierop niet leiden tot een gegrond beroep. Het betoog faalt. Artikel 3, lid 3.7.1, van de planregels 28. MOB en anderen betogen dat artikel 3, lid 3.7.1, van de planregels onvoldoende specifiek is om te voorkomen dat geuremissies en fijnstof niet toenemen. 28.1. Artikel 3.7.1 "Veranderen agrarisch bouwvlak" luidt: "Het college van burgemeester en wethouders kan het plan wijzigen in de vorm van het veranderen van de bouwgrenzen, met inachtneming van de volgende waarden: a. de verandering mag niet leiden tot een vergroting van de oppervlakte van het agrarisch bouwvlak; b. de belangen van in de omgeving gelegen functies mogen niet onevenredig worden geschaad; c. de verandering mag niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu en de landschapswaarden in de omgeving; d. er dient sprake te zijn van een goede streekeigen landschappelijke inpassing en erfinrichting;
Uitspraak 201603579/4/R1
15
e. er dient en compacte bouwvlakvorm te blijven bestaan." 28.2. MOB en anderen hebben niet onderbouwd waarom deze bepaling een toename van geuremissies en uitstoot van fijnstof tot gevolg heeft of kan hebben. Gelet hierop en in aanmerking genomen de in de planregeling opgenomen beperkingen ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel, dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het betoog faalt. Geurhinder 29. MOB en anderen betogen dat de uitbreiding van de veehouderij aan de [locatie 3] leidt tot onaanvaardbare geurhinder. Zij stellen dat bij de beoordeling van geurhinder ten onrechte rekening is gehouden met te rooskleurige en achterhaalde gegevens over de werking van luchtwassers. Daartoe hebben zij er in hun nadere memorie op gewezen, dat in april en juli 2018 nieuwe onderzoeksresultaten van de Universiteit Wageningen over de werking van luchtwassers bekend zijn geworden. 29.1. Het bestreden besluit moet door de Afdeling worden getoetst aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. Er waren ten tijde van het nemen van het besluit geen concrete nieuwe inzichten. Dit betekent dat de Afdeling de nieuwe onderzoeken over de werking van luchtwassers buiten beschouwing moet laten omdat deze ten tijde van het nemen van het besluit nog niet waren opgesteld.
Voor het overige verwijst de Afdeling voor de beoordeling van de geurhinder, veroorzaakt door de veehouderij aan de [locatie 3], naar hetgeen hierover bij de behandeling van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] is overwogen. Het betoog faalt. 30. MOB en anderen betogen dat de Wgv geen of onvoldoende bescherming biedt tegen gezondheidsschade en hinder vanwege cumulatieve geurbronnen. 30.1. De beoordeling van dit betoog zou neerkomen op een toetsing door de Afdeling van een wet in formele zin aan de algemene rechtsbeginselen. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725, heeft overwogen, verzet artikel 120 van de Grondwet zich niet alleen tegen rechterlijke toetsing van wetten aan de Grondwet, maar staat dat artikel evenmin toe dat de rechter wetten toetst aan algemene rechtsbeginselen. Het betoog faalt. 31. MOB en anderen betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met geurhinder vanwege mestverwerkingsinstallaties. Volgens hen laat het plan ruimte voor mestverwerking met een jaarvracht van 36.000 ton. 31.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de opslag van mest onderdeel is van het huisvestingssysteem waarvoor emissiefactoren gelden. 31.2. Ter zitting is gewezen op artikel 3, lid 3.5.6, van de planregels.
Artikel 3.5.6 luidt: "Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 voor het verwerken en/of bewerken van mest, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
Uitspraak 201603579/4/R1
16
a. de mest is afkomstig van het eigen bedrijf; b. er mag geen sprake zijn van toename van de depositie van NOx (stikstofoxiden) […]." 31.3. In artikel 3, lid 3.1 van de planregels voorziet niet in het verwerken en/of bewerken van mest, voor zover niet afkomstig van het eigen bedrijf. In zoverre biedt het plan geen mogelijkheid voor het (grootschalig) verwerken en/of bewerken van mest als in deze bepaling bedoeld. Het betoog faalt. 32. MOB en anderen betogen dat blijkens de Verordening geurhinder en veehouderij, vastgesteld op 7 juli 2009 door de raad van de gemeente Aalten, wordt toegelaten dat in afwijking van de Wgv melkrundvee tot 168 dieren op minder dan 25 m van geurgevoelige objecten in het buitengebied kunnen worden gehouden en tot 56 dieren op minder dan 25 m van de bebouwde kom. 32.1. Zoals uit de Verordening geurhinder en veehouderij blijkt, is in deze verordening met toepassing van artikel 6, lid 3, van de Wgv afgeweken van de regeling uit deze wet voor vaste afstanden voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor geldt in artikel 4, lid 1, van de wet. Uit de "PlanMer aanvulling" blijkt dat de raad hiermee rekening heeft gehouden.
De Verordening geurhinder en veehouderij maakt het niet mogelijk - anders dan MOB en anderen betogen - dat in het buitengebied binnen een afstand van 25 m en in de bebouwde kom binnen een afstand van 50 m van een geurgevoelig object dieren worden gehouden. MOB en anderen hebben geen locaties aangegeven, waar de planregeling voor wat betreft het houden van dieren waarvoor vaste afstanden gelden, tekort schiet. In hetgeen MOB en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit in zoverre onrechtmatig is. Het betoog faalt. Het beroep van SNMA voor het overige Ingetrokken beroepsgrond 33. Ter zitting heeft SNMA de beroepsgrond over de landschappelijke inpassing van zonnepanelen ingetrokken. Landschap en Nationaal Landschap Winterswijk (hierna: NLW) 34. SNMA betoogt dat de kernkwaliteiten van het NLW onvoldoende worden beschermd. Volgens haar is sprake van strijd met de Omgevingsverordening Gelderland, onder meer artikel 2.7.4.2. SNMA voert aan dat volgens het raadsvoorstel van 15 maart 2016 alleen de meest robuuste houtsingels, markant gelegen in het landschap en een schakel vormend tussen de bos- en natuurgebieden een specifieke aanduiding hebben gekregen. Zij vindt dat geen helder criterium is toegepast voor het opnemen van te beschermen landschapselementen op de plankaart.
Zeker in het NLW is het van belang dat voor de bescherming van het (coulissen)landschap alle landschapselementen op de plankaart worden aangegeven. 34.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bossen, natuurgebieden en robuuste houtsingels als zodanig bestemd zijn. In de plantoelichting is verder aangegeven dat het oude hoevenlandschap, de heide- en broekontginningen en het goorcultuurlandschap in het plan worden beschermd. Voorts worden landschapskenmerken zoals reliëf, openheid, beplanting en verkaveling beschermd. Volgens de raad waarborgen de planregels dat de kernkwaliteiten van het NLW niet worden aangetast. Voorts is de raad van mening dat in het
Uitspraak 201603579/4/R1
17