CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

BMC Zienswijze met bijlagen samengevoegd_anoniem.pdf

Gemeenteraad 23 februari 2021, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan Landelijk gebied, herziening 2020 BMC.33.001 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Van: Aan: Onderwerp: Datum: Bijlagen:

Aalten-POB-Gemeente Zienswijze ontwerp bestemmingsplan/herstelbesluit BMC en zienswijze ontwerp omgevingsvergunning BMC vrijdag 20 november 2020 9:27:29 Zienswijze-20-11-2020-bijlage-Verklaringen grondeigenaren-buurtbewoners.pdf Zienswijze-20-11-2020-bijlage-SNMA-Machtiging.pdf Zienswijze-20-11-2020-bijlage-SNMA-KvK-2020.pdf Zienswijze-20-11-2020-bijlage-E-mail-provincie-14-3-2020.pdf Zienswijze-20-11-2020-bijlage-Brief-gemeente-Aalten-1-4-2020.pdf Zienswijze-20-11-2020-bijlage-Brief gemeente-Aalten-8-10-2020.pdf Zienswijze-20-11-2020-bijlage SNMA-Statuten.pdf Brief-gemeenteraad-31-8-2020-bijlage-Rechtbank-Gelderland-30-4-2020.pdf Brief-gemeenteraad-31-8-2020-bijlage-RechtbankGelderland-14-4-2020.pdf Brief-gemeenteraad-31-8-2020-bijlage-Raad-van-State-12-8-2020.pdf Brief-gemeenteraad-31-8-2020-bijlage-Raad-van-State-10-1-2018.pdf Brief-gemeenteraad-31-8-2020-bijlage-Raad-van-State-6-11-2019.pdf Brief-gemeenteraad-31-8-2020-bijlage-Raad-van-State-4-3-2020.pdf Brief-gemeenteraad-31-8-2020-bijlage-Eerste 100 dagen burgemeester.pdf Brief-gemeenteraad-31-8-2020-bijlage-Brief-College-31-8-2020.pdf Brief-gemeenteraad-31-8-2020-bijlage-Advies-Commissie-Bezwaarschriften-24-6-2020.pdf Brief-college-31-8-2020-bijlage-VerklaringBMC.pdf Bezwaarschrift-coördinatieregeling-bijlage-Verklaringen grondeigenaren-buurtbewoners.pdf

Bezwaarschrift-coördinatieregeling-bijlage-Brief-gemeenteraad-31-8-2020.pdf Bezwaarschrift-coördinatieregeling-29-10-2020.pdf Zienswijze-Raad-20-11-2020.pdf Zienswijze-B&W-20-11-2020.pdf

Geachte heer, mevrouw, Bijgaand treft u zienswijzen aan voor het ontwerp bestemmingsplan/herstel besluit BMC en ontwerp omgevingsvergunning BMC. Eén brief met zienswijzen (inclusief bijlagen) is voor de raad van de gemeente Aalten en de andere brief met zienswijzen (inclusief bijlagen) is gericht aan het college van burgemeester en wethouders. Wilt u deze berichten doorsturen aan de betreffende organen? Graag ontvangen wij een bevestiging op het moment dat u de stukken in goede orde ontvangen heeft. Voor vragen naar aanleiding van dit bericht kunt u contact met mij opnemen. Met vriendelijke groet,

Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel® KvK-nummer 09102624 Pagina 1 (van 1)

816260862 Stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten Aalten Aalten

11-12-1998 SBI-code: 94996 - Overige ideële organisaties Milieuverenigingen

Bestuurders Naam Geboortedatum Datum in functie Titel Bevoegdheid

13-02-1950 11-12-1998 Voorzitter Gezamenlijk bevoegd (met andere bestuurder(s), zie statuten)

Naam Geboortedatum Datum in functie Titel Bevoegdheid

27-07-1953 11-12-1998 Secretaris Gezamenlijk bevoegd (met andere bestuurder(s), zie statuten)

Naam Geboortedatum Datum in functie Titel Bevoegdheid

28-12-1941 11-12-1998 Penningmeester Gezamenlijk bevoegd (met andere bestuurder(s), zie statuten)

Uittreksel is vervaardigd op 15-02-2020 om 21.18 uur.

Dit uittreksel is gewaarmerkt met een digitale handtekening en is een officieel bewijs van inschrijving in het Handelsregister. In Adobe kunt u de handtekening bovenin het scherm controleren. Meer informatie hierover vindt u op www.kvk.nl/egd. De Kamer van Koophandel adviseert dit uittreksel alleen digitaal te gebruiken zodat de integriteit van het document gewaarborgd en de ondertekening verifieerbaar blijft.

2020-02-15 21:18:25

Rechtspersoon RSIN Rechtsvorm Statutaire naam Statutaire zetel Bezoekadres Telefoonnummer E-mailadres Datum akte van oprichting Activiteiten

ECLI:NL:RBGEL:2020:2398 Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

30-04-2020

Datum publicatie

30-04-2020

Zaaknummer

20-943

Rechtsgebieden

Bestuursrecht

Bijzondere kenmerken Voorlopige voorziening Inhoudsindicatie Omgevingsvergunning voor een clubhuis voor motortoerclub. Ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning paste het bouwplan in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is nadien op dit onderdeel vernietigd. Het bouwplan moet in bezwaar aan de dan geldende regelgeving worden getoetst. Omdat de omgevingsvergunning in strijd is met het thans geldende bestemmingsplan zal de omgevingsvergunning in bezwaar hoogstwaarschijnlijk niet in stand blijven. Daarom schorst de voorzieningenrechter deze vergunning. Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/943

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], [verzoeker], [verzoeker] , [verzoeker], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten, verweerder. (gemachtigde:

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] te [woonplaats]. (gemachtigde: mr.

)

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de [derde-partij] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een clubhuis aan de [locatie] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [locatie].

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype for business verbinding plaatsgevonden op 21 april 2020. [verzoeker] en [verzoeker] (secretaris van de [verzoeker]) zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde. Namens vergunninghouder waren aanwezig de gemachtigde,

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Vergunninghouder wil op het perceel aan de [locatie] in [woonplaats] een clubhuis oprichten.

Ontvankelijkheid 3. Vergunninghouder heeft twijfels geuit bij de ontvankelijkheid van verzoekers. Uit de op 21 februari overgelegde machtiging blijkt dat [verzoeker] is gemachtigd namens [verzoeker] te procederen. Daarmee is in elk geval een van verzoekers als ontvankelijk aan te merken in het verzoek en komt de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling toe. Ten aanzien van de overige belanghebbende merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder de ontvankelijkheid in bezwaar dient te beoordelen.

Ex nunc toets 4. Op het moment van vergunningverlening gold ter plaatse het bestemmingsplan Buitengebied Landelijk Gebied 2015. Het perceel had de bestemming sport, aanduiding: “specifieke vorm van sport – motorclubhuis”. Een clubhuis paste in dit plan. Bij uitspraak van 4 maart 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de

Afdeling) dit onderdeel vernietigd.1 Daardoor geldt voor dit perceel nu het oude bestemmingsplan Buitengebied Aalten 2004, onder welk bestemmingsplan het perceel de bestemming ‘agrarisch’ heeft en de bouw van een clubhuis in strijd is met het bestemmingsplan. 4.1 Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat vernietiging van het bestemmingsplan ertoe leidt dat een omgevingsvergunning die op grond daarvan is verleend, blootstaat aan vernietiging zolang de vergunning niet onherroepelijk is.2 Dat betekent dat een bestuursorgaan in een bezwaarprocedure tegen een vergunning die nog niet in rechte onaantastbaar is, aan deze vergunning niet met succes het vernietigde bestemmingsplan ten grondslag kan leggen. Met andere woorden: de hoofdregel blijft dat in het besluit op bezwaar ex nunc dient te worden getoetst aan de alsdan geldende regelgeving. Dit is slechts anders indien het bestemmingsplan is gewijzigd nadat het besluit op bezwaar is genomen. Vergunninghouder heeft gewezen op een uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 5 juli 2019.3 Deze uitspraak gaat echter over een andere situatie dan hier aan de orde. Daar was immers door het bevoegd gezag in het primaire besluit afgeweken van de ten tijde van de aanvraag geldende regelgeving en oordeelde de rechtbank dat dit niet was toegestaan.

4.2 Ex nunc oordelend dient de aanvraag voor een omgevingsvergunning in de bezwaarprocedure te worden getoetst aan het bestemmingsplan Buitengebied Aalten 2004. Daarmee is de aanvraag in strijd, een clubhuis past niet binnen de agrarische bestemming. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat dit er hoogstwaarschijnlijk toe zal leiden dat de verleende omgevingsvergunning herroepen zal worden. Reeds om deze reden is er aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het besluit van 10 februari 2020 tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning te schorsen tot zes weken na de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar. Dat, zoals van de zijde van vergunninghouder is betoogd, verweerder nog een nieuw bestemmingsplan dient vast te stellen maakt dat niet anders. Daar kan in deze procedure ook niet op vooruit worden gelopen.

5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. 6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050.4

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe; - schorst het besluit van 10 februari 2020 tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 1.050; - gelast dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht groot € 354 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is op 30 april 2020 uitgesproken door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier. De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1

ECLI:NL:RVS:2020:684

Vergelijk de uitspraak van 1 februari 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2017:247 , r.o. 7. 2

3

Rechtbank Oost-Brabant 5 juli 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3915.

1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1. 4

Aangetekend Rechtbank Gelderland Sector Bestuursrecht T.a.v. de voorzieningenrechter Postbus 9030 6800 EM ARNHEM

Bredevoort, 14 april 2020

Betreft:

Verzoek tot voorlopige voorziening omgevingsvergunning Clubhuis Ganzenpoelendijk (ong) te Bredevoort d.d. 10 februari 2020

Zaaknummer: ARN 20 / 943 WABOA 306

Edelachtbare heer, vrouwe, Naar aanleiding van uw uitnodiging voor de zitting van 21 april 2020 schrijf ik u deze brief. De afgelopen weken heb ik informatie ontvangen die ik graag wil toevoegen en ook wil ik nog het een en ander verduidelijken. Op 24 februari 2020 heb ik u stukken gestuurd die gericht waren aan de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit ging over ons verzoek tot herziening van de uitspraak d.d. 6 november 2019 met nummer 201809678/1/R1 inzake bestemmingsplan Landelijke gebied 2015, herstelbesluit. Op 16 maart 2020 is uitspraak gedaan. Deze treft u als bijlage aan. (zaaknummer: 202001309/2/R1). In voornoemde uitspraak onder punt 4 staat: SNMA en anderen merken terecht op dat het besluit van 21 maart 2017 ten opzichte van het besluit van 19 april 2016 een wijzigings- en of herstelbesluit is als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Dat is ook onderkend in de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2018. Verder stellen SNMA en anderen met juistheid dat in verschillende stukken van de gemeente Aalten de indruk is gewekt dat dit besluit er niet in voorziet het besluit van 19 april 2016 volledig te vervangen maar daarin alleen enkele wijzigingen aan te brengen in relatie tot dat besluit.

In onderdeel 3 van het besluit van de raad is echter bepaald dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld “als vervat in de bestandenset met de planidentificatiecode NL.IMRO.0197.BP00075-VG02, met bijbehorende documenten.” Het plan is vervolgens onder die code opgenomen op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl/. Uit het daar vermelde blijkt onmiskenbaar dat het plan een integrale hernieuwde vaststelling inhoudt, waarbij op het perceel aan de Ganzenpoelendijk het realiseren van een clubhuis is voorzien.

Het besluit van 21 maart 2017 was dus bedoeld als wijzigings- en of herstelbesluit. Het was zeker niet de bedoeling om het plan integraal en hernieuwd vast te stellen. Dit blijkt uit alle bijlagen die zijn toegevoegd aan mijn brief van 24 februari 2020 en ook de informatie die ik van de heer Witjes ontving op 3 maart 2020 (bijlage). Een citaat uit de Staatscourant (11 april 2017, Nr. 19125, bijlage) omtrent het besluit van 21 maart 2017 is in deze toch vermeldenswaardig: “Een eerder ingesteld beroep, dat is gericht tegen het raadsbesluit van 19 april 2016 om het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 2015’ vast te stellen, heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het raadsbesluit van 21 maart 2017. Met andere woorden, belanghebbenden die al eerder beroep hebben ingesteld hoeven dit niet opnieuw te doen…” Ook in het gemeenteblad (11 april 2017, Nr. 52636, bijlage) staat deze passage. Uit deze stukken heb ik niet kunnen opmaken dat het bestemmingsplan “integraal en hernieuwd is vastgesteld” De gemeente heeft dit zelf ook niet zo gezien anders was de publicatie in de Staatscourant en het gemeenteblad anders geformuleerd. Onderstaand verweerschrift van 29 april 2019 van de heer G.H.

Scheffer van de gemeente Aalten (bijlage) naar aanleiding van ons beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding van het herstelbesluit d.d. 16 oktober 2018 is duidelijk:

In de uitspraak van 10 januari 2018 is het raadsbesluit van 19 maart 2016 (dit moet overigens 19 april 2016 zijn), voor zover het betreft het plandeel met de bestemming ‘Sport’ en de aanduiding ‘specifieke vorm van sport-clubhuis motortoerclub’ ter plaatse van het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd, vernietigd. Deze uitspraak is verwerkt in het ruimtelijk plan. Dit betekent dat op deze locatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied Aalten 2004’, vastgesteld bij raadsbesluit van 14 december 2004 van toepassing is. In dat plan hebben deze gronden een agrarische bestemming (zonder agrarisch bouwperceel). Op basis van dit bestemmingsplan is een clubhuis voor de motortoerclub Bredevoort niet toegestaan. In het beroepschrift wordt gevraagd om uw oordeel over het amendement van de gemeenteraad te geven en verzocht het raadsbesluit te vernietigen. De gemeenteraad heeft nu nog geen agrarische bestemming op deze gronden willen leggen, maar zulks opnieuw te willen beoordelen nadat nader onderzoek is uitgevoerd over de toekomstige mogelijkheden van dit terrein met opstal. Daarover dient overleg te worden gevoerd en er dient een gedegen belangenafweging aan ten grondslag te liggen. Het is een gegeven dat het geldende planologische regime de bouw van een clubhuis niet toestaat.

Evenmin zien wij in dat het vernietigen van het raadsbesluit, zoals gevraagd door de heer Boom, het voor hem gewenste effect heeft. Wij vragen ons af of er in dit geval voor de heer een belang aan de orde is. De heer vindt de bouw van een clubhuis ter plaatse uiterst ongewenst. Deze ontwikkeling is echter, gelet op de geldende regelgeving, niet mogelijk. Als u het beroep al als ontvankelijk beoordeeld, dat dient het ongegrond te worden verklaard.

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 4 maart 2020 (zaaknummer: 201603579/4/R1) staat ook duidelijk: “dat het volgens de raad niet de bedoeling was dat het desbetreffende perceel aan de Ganzenpoelendijk de bestemming “Sport” en de functieaanduiding “specifieke vorm van sport -clubhuis motortoerclub” heeft. Ter zitting heeft de

raad aangegeven dat dit niet de bedoeling is en dat hij geen bezwaar heeft tegen vernietiging van dit onderdeel van het plan. Het besluit is dus wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid is dus in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld.” (onder punt 37.2, zaaknummer: 201603579/4/R1, d.d. 4 maart 2020, bijlage). Door het opnemen van een (onjuiste) bestandenset concludeert de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dus dat het bestemmingsplan “integraal en hernieuwd is vastgesteld”. Dit bestemmingsplan voldoet echter niet aan de eisen waar een bestemmingsplan aan moet voldoen. De procedure voldoet niet. Geen juiste voorbereiding, geen ontwerp, de vaststelling is niet goed verlopen en, voor ons het belangrijkste, de mogelijkheid tot beroep is ons onthouden. (overigens niet de eerste keer in dit proces). Daarom is het des te kwalijker dat op basis van deze omissie een omgevingsvergunning wordt afgegeven.

Op 2 maart 2020 hebben wij aan de heer B. Witjes van de gemeente Aalten een brief gestuurd met inhoudelijke bezwaren omtrent de omgevingsvergunning. Op 1 april 2020 ontvingen wij zijn reactie. Beide brieven zijn bijgevoegd. Helaas moet ik vaststellen dat essentiële vragen onbeantwoord bleven. Het was passend geweest om de huisregels in overleg met de directe buurtbewoners/grondeigenaren vast te stellen. Er wordt niet gereageerd op vragen over het geluid en geluidsmetingen. Er is niet volledig getoetst aan het bouwbesluit omdat de constructieberekeningen nog niet zijn ingediend. De aantallen personen die gebruik maken van het clubhuis zijn niet correct vastgesteld. Het bodemonderzoek treffen wij niet aan. Er wordt gesproken over een renovatie van het bestaande gebouw, terwijl in feite sprake is van nieuwbouw. De gemeente gaat handhavend optreden als de huisregels overtreden worden. Nu handhaving niet één van de sterkste punten is van de gemeente Aalten kan ik u meedelen dat dit weinig vertrouwen wekt. Al met al moet de conclusie worden getrokken dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet zorgvuldig te werk is gegaan. Alleen dit is al voldoende om de omgevingsvergunning in te trekken.

Op 6 maart 2020 heb ik u een brief gestuurd met diverse bijlagen. Eén onderdeel wil ik graag nader toelichten. In 2016 hebben wij beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het besluit van de gemeente Aalten d.d. 19 april 2016. Wij hebben destijds ook een voorlopige voorziening aangevraagd. De dag voorafgaand aan de zittingsdatum heeft de heer G.H. Scheffer van de gemeente Aalten een bericht naar de Raad van State gestuurd met een verklaring van de Bredevoortse Motor Toer Club (BMC) en de heer . Deze verklaring is (mede) op initiatief van de heer tot stand gekomen. In de verklaring staat onder andere: “dat zij in afwachting van de behandeling van het beroep in hoofdzaak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de huidige status quo van het desbetreffende terrein (kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie P, nummer 413, groot 2220 m2) geen wijzigingen aan te brengen en geen enkele aanvraag om omgevingsvergunning bij de gemeente Aalten in te dienen met het oog op de realisering van de door de gemeenteraad toegekende bestemming.” De heer geboren eigenaar/rechthebbende van het perceel grond, verklaart door ondertekening van deze brief tevens dat de door hem de hiervoor genoemde handelingen achterwege worden gelaten, in afwachting van de behandeling van het beroep in hoofdzaak.

Bovengenoemde verklaring is bijgevoegd en bekend bij de gemeente Aalten. In overleg met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben wij onze voorlopige voorziening ingetrokken. Alle stukken treft u als bijlage aan. Dat de hoofdzaak vanwege de complexiteit en variëteit van onderwerpen is gesplitst doet daar niet aan af. Het nummer van de zaak is gelijk aan het nummer van de zaak waarop d.d. 10 januari 2018 uitspraak is gedaan en daarnaast is ook in de gesplitste zaak beroep ingesteld tegen de bestemming van het eerder genoemde perceel (weliswaar door de Stichting Natuur en Milieu Aalten (SNMA), maar deze Stichting werkt met ons samen). De gemeente Aalten was hiermee bekend en aanwezig op zowel de zitting van 26 en 30 september 2019. Conclusie: de Bredevoortse Motor Toer Club en/of de heer schenden hun afspraak om een aanvraag voor een omgevingsvergunning in te dienen totdat het beroep in de hoofdzaak is behandeld. Immers de aanvraag omgevingsvergunning is ingediend op 7 november 2019 en de laatste uitspraak in de hoofzaak was op 4 maart 2020. De gemeente had dus de aanvraag tot omgevingsvergunning niet in behandeling moeten nemen en anticiperend moeten reageren op de uitspraak van 4 maart 2020. Immers zij wist en heeft verklaard dat het de bedoeling is dat het eerder genoemde perceel een agrarische bestemming heeft.

Bovendien is de bovengenoemde verklaring mede op initiatief van de gemeente Aalten tot stand gekomen.

Op 11 april 2020 ontvingen wij via u een schriftelijke reactie van mevrouw van Damen Legal B.V. Deze brief noodzaakt ons om te reageren. Het is correct dat op 13 februari 2020 een bezwaar is ingediend bij de gemeente Aalten tegen de omgevingsvergunning en dat op dezelfde datum een verzoek tot voorlopige voorziening is ingediend bij uw rechtbank. Het is ook correct dat deze brief is ondertekend en mede gestuurd is door de heren en de Stichting Natuur en Milieu Aalten. Uit het relaas over de ontvankelijkheid moet ik vaststellen dat mevrouw haar dossier niet op orde heeft. Zowel het bezwaar als het verzoek tot voorlopige voorziening zijn namelijk niet alleen ingediend namens voornoemde heren en de Stichting Natuur en Milieu Aalten. Omdat wij snel wilden handelen zijn de brieven op 13 februari 2020 wel als zodanig ondertekend. Echter op 17 februari 2020 heb ik uw rechtbank (per aangetekende post) de machtiging (waarin ondergetekende wordt gemachtigd), uittreksel uit het handelsregister en de statuten van de Stichting Natuur en Milieu Aalten gestuurd. Deze stukken treft u nogmaals aan. Op 24 februari 2020 heb ik tevens de machtigingen van de buurtbewoners/grondeigenaren ingestuurd (ook per aangetekende post). Ook deze stukken heb ik thans bijgevoegd.

Uit de bijgevoegde kadastrale bijlagen kan nu dus afgeleid worden dat enige nabij gelegen grondeigenaren bezwaar hebben ingediend en verzocht hebben om een voorlopige voorziening. De bijlagen van mevrouw (Productie 1) zijn echter deels gedateerd en achterhaald. Minimaal drie percelen hebben inmiddels een andere eigenaar. Waaronder in ieder geval perceel P418. Deze is sinds 17 maart 2020 eigendom van mevrouw . Deze aanvulling werpt een heel ander licht op de ontvankelijkheid. Inmiddels hebben wij reeds 4 procedures gevolgd bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Met name in de uitspraak van 10 januari 2018 (zaaknummer: 201603579/1/R1) ging de Afdeling hier uitgebreid op in:

Ontvankelijkheid 23. De raad stelt zich op het standpunt dat de beroepen, voor zover ingediend door

en anderen

en , niet-ontvankelijk zijn omdat zij niet als belanghebbende bij het motorclubhuis kunnen worden aangemerkt. Volgens de raad wonen en anderen en op te ruime afstand van het voorziene motorclubhuis. 23.1. Artikel 1:2 van de Awb luidt: "1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.[…]." Artikel 8:1 luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter." Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb vereist dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het besluit en de belangenaantasting. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. 23.2. woont op een afstand van ongeveer 500 m van het perceel waarop het motorclubhuis is voorzien.

Mede gelet op de aard en de omvang van de mogelijk gemaakte ontwikkeling, acht de Afdeling de genoemde afstand te groot om een rechtstreeks bij het bestreden plandeel betrokken belang te kunnen aannemen. heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden plandeel is en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb geen beroep kan instellen. Het beroep van SNMA en , voor zover ingediend namens , is nietontvankelijk. 23.3. Het beroep van en anderen is mede ingediend namens . Zij wonen weliswaar op ruime afstand van het voorziene motorclubhuis, maar zoals ter zitting is komen vast te staan, zijn zij allen eigenaar van gronden aangrenzend aan of gelegen zeer nabij het perceel van het motorclubhuis. Het gaat om agrarische gronden waar onder meer paarden worden gehouden. Gelet op de nabijheid van deze gronden tot het bestreden plandeel hebben deze indieners een rechtstreeks bij het bestreden plandeel betrokken belang en zijn zij als belanghebbenden bij het motorclubhuis aan te merken.

De overige indieners van het beroep van en anderen wonen allen op afstanden variërend van ongeveer 140 m tot 290 m. Niet is uitgesloten dat zij vanaf hun woningen zicht hebben op het voorziene motorclubhuis. Daar komt bij dat de woningen allemaal op korte afstand zijn gelegen van de N318. Vaststaat dat het motorclubhuis via de Ganzenpoelendijk en de N318 wordt ontsloten zodat het motorverkeer op de N318 zal toenemen. De raad heeft het standpunt ingenomen dat de N318 een drukke verkeersweg is en dat het geluid van de af- en aanrijdende motoren niet in betekenende mate zal bijdragen aan het wegverkeerlawaai. De Afdeling acht echter niet onaannemelijk dat het geluid van de motoren op de N318 bij de woningen hoorbaar zal zijn en dat de bewoners hiervan gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden. Gelet hierop hebben ook de overige indieners van het beroep van Boom en anderen een rechtstreeks bij het bestreden plandeel betrokken belang en zijn zij als belanghebbenden bij het plandeel aan te merken.

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat en anderen allen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden plandeel zijn en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb beroep kunnen instellen. Het beroep van en anderen is ontvankelijk.

Onder punt 24 schrijft mevrouw

:

Op 14 september 2016 (201603579/2/R1) heeft de Voorzieningenrechter van de Raad van State het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Dit is inderdaad een correcte conclusie. Echter, enige nuance is hier wel op zijn plaats. De Stichting Natuur en Milieu Aalten heeft samen met de buurtbewoners en grondeigenaren het verzoek tot voorlopige voorziening ingetrokken door de toegezonden verklaring van de Bredevoortse Motor Toer Club en de heer (zoals hierboven beschreven). De Stichting Natuur en Milieu Aalten had echter meerdere bezwaren tegen diverse onderdelen van het bestemmingsplan en zowel beroep ingesteld als gevraagd om diverse voorlopige voorzieningen. Aangezien dit één verzoek met meerdere onderdelen betrof heeft zij haar zaken niet ingetrokken en ook gevraagd naar het oordeel omtrent de handtekening die namens de heer geplaatst werd.

In de uitspraak staat daarover het volgende: “Bij brief van 10 augustus 2016 is namens het bestuur van de Bredevoortse Motorclub en de eigenaar van het perceel medegedeeld dat hangende de behandeling van de beroepen tegen het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning zal worden aangevraagd voor het bouwen van een motoclubhuis op het perceel …..” “….De voorzieningenrechter ziet echter geen reden om eraan te twijfelen dat ook de eigenaar geen omgevingsvergunning voor het bouwen van het motorclubhuis zal aanvragen, nu geenszins is gebleken dat de eigenaar hiertoe voornemens is en dit, mede gelet op de onvoorwaardelijke verklaring van het bestuur van de motorclub, overigens ook niet in de rede ligt. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van de bestuursleden van de motorclub die de verklaring hebben ondertekend.” Het vertrouwen van de voorzieningenrechter is ernstig geschaad door de heer en/of het bestuur van de Bredevoortse Motor Toer Club doordat zij op 7 november 2019 toch besloten om een omgevingsvergunning aan te vragen. Pas op 4 maart 2020 werd namelijk de laatste uitspraak over de beroepen tegen het bestemmingsplan uitgesproken (zaaknummer: 201603579/4/R1). Overigens ook zeer laakbaar van de gemeente Aalten om daarin mee te gaan.

Zij wist immers op 7 november 2019 dat er nog een uitspraak zou komen (voor de volledigheid: de zittingsdatum van de uitspraak van 6 november 2019 was op 26 september 2019 en de zittingsdatum van de uitspraak 4 maart 2020 was op 30 september 2019. Op beide zittingen was de heer G.H. Scheffer aanwezig als zijnde de vertegenwoordiger van de gemeente Aalten).

Onder punt 35 schrijft mevrouw

:

De Raad van State heeft op 21 november 2017 het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2015’ vastgesteld. Waarschijnlijk bedoelt zij: “De gemeenteraad van Aalten heeft op 21 maart 2017 het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2015’ vastgesteld.” Het klopt dat wij geen beroep hebben

ingesteld omdat zowel de gemeente Aalten als de buurtbewoners/grondeigenaren en de Stichting Natuur en Milieu Aalten allen lazen in het gerefereerde gemeenteblad: “Een eerder ingesteld beroep, dat is gericht tegen het raadsbesluit van 19 april 2016 om het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 2015’ vast te stellen, heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het raadsbesluit van 21 maart 2017. Met andere woorden, belanghebbenden die al eerder beroep hebben ingesteld hoeven dit niet opnieuw te doen…” (gemeenteblad Aalten, 11 april 2017, Nr. 52636). De conclusie dat vanaf 25 mei 2017 tot en met 3 maart 2020 het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2015’ met de daarin opgenomen bestemming ‘Sport’ en aanduiding ‘specifieke vorm van sport clubhuis motortoerclub’ gold is een zuiver theoretische die pas met de uitspraak van 6 november 2019 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zaaknummer: 201809678/1/R1) kon worden vastgesteld. Tot die tijd was de gedachte van de gemeente Aalten altijd dat de bestemming van het betreffende perceel agrarisch was. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning is vóór 7 november 2019 nooit ingediend en zou ook niet in behandeling zijn genomen. Zoals de heer G.H.

Scheffer mij meedeelde kort na de uitspraak van 6 november 2019: “het heeft mij ook verbaasd” Naar aanleiding van de aangevraagde omgevingsvergunning had ik op 23 januari 2020 met mijn vader een gesprek met de verantwoordelijk wethouder van de gemeente Aalten (de heer T.M.M. Kok) en de heer . Wij hebben onder andere gesproken over het besluit van 21 maart 2017. Uit alle stukken (zoals de agenda met de onderliggende stukken, de videobeelden van de raadsvergadering, de publicatie in de Aalten Vooruit, de Staatscourant en het gemeenteblad) blijkt niet dat het de bedoeling was om het plan “integraal en opnieuw vast te stellen”. Tevens hebben wij aangegeven dat de gemeente Aalten een zelfstandig bestuursorgaan is en dat zij zelf die conclusie moet kunnen trekken. Zij dient zich niet te verschuilen achter de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 6 november 2019. Wethouder Kok gaf aan dat hij het met ons eens was en wat ook tekenend is zijn volgende uitspraak: “we zijn het overzicht kwijt”. Een eerlijke menselijke uitspraak, maar van een verantwoordelijk wethouder hadden wij meer mogen verwachten. De afgelopen maanden hebben wij een aantal aangetekende brieven gestuurd aan uw rechtbank. Voor de zekerheid stuur ik kopieën van al deze brieven mee. Zoveel mogelijk zonder bijlagen.

Wilt u mij informeren als stukken niet ontvangen zijn en/of toegevoegd aan uw dossier. Op de volgende data zijn de brieven verstuurd: 13 februari 2020, 17 februari 2020, 24 februari 2020, 2 maart 2020, 4 maart 2020, 6 maart 2020.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur Een bestuursorgaan moet zich tegenover burgers en bedrijven houden aan een aantal gedragsregels. Deze staan los van de gewone procedurevoorschriften die gelden voor het nemen van een besluit. Een deel van die regels staat in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar er is ook ‘ongeschreven recht’, de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zonder hier volledig in te zijn is het toch van belang om hier een aantal zaken te noemen: -

Er moet sprake zijn van een zorgvuldige voorbereiding (artikel 3:2 Awb); Feiten en belangen moeten kenbaar zijn en voldoende afgewogen worden (artikel 3.4 lid 1 Awb);

-

-

-

Fair play beginsel. Het bevoegd gezag mag de burger geen mogelijkheden om voor zijn belang op te komen ontnemen (artikel 2.4 Awb); Motiveringsbeginsel. Een besluit rust op een daadkrachtige motivering. De motivering moet het besluit dragen en moet het besluit kunnen verklaren. De feiten moeten kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn (artikel 3.47 Awb); Rechtszekerheidsbeginsel. De procedure moeten zo zijn opgeschreven dat ze duidelijk zijn voor de burger. Procedures mogen dus niet zo zijn dat ze op verschillende manieren zijn uit te leggen. Dit beschermt de burger tegen onzekerheid en tegen willekeur van de kant van de overheid. Iemands rechtspositie moet voldoende veilig zijn. Op onverwachte, onberekenbare, wijze aantasten van iemands rechtspositie mag niet. Dit betekent vooral dat het bevoegd gezag het geldende recht toepast; Vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel verlangt dat bestuursorganen gewekt vertrouwen niet mag beschamen. Ambtenaren kunnen door wat ze zeggen of doen verwachtingen wekken. Die verwachtingen moet de overheid daarna waar maken. Het vertrouwen moet wel gerechtvaardigd zijn.

Op ongeveer alle bovengenoemde punten heeft de gemeente Aalten onze belangen geschaad. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ons op een aantal momenten daarin ook gelijk gegeven. Onderstaand treft u een groot aantal punten aan die niet voldoen aan bovengenoemde beginselen: -

-

-

-

-

Het amendement van 19 april 2016 van de gemeenteraad van Aalten is onvoldoende gemotiveerd (zie uitspraak 10 januari 2018, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zaaknummer 201603579/1/R1); Het besluit van 21 maart 2017 was bedoeld als wijzigings- en of herstelbesluit. Het was zeker niet de bedoeling om het plan integraal en hernieuwd vast te stellen en daarmee een bestemmingsplan vast te stellen zonder de vereiste procedure te volgen (eerder in deze brief reeds aangehaald); De publicatie in de Staatscourant (Nummer 19125 d.d. 11 april 2017) en het gemeenteblad (Nummer 52626 d.d. 11 april 2017) zijn incorrect. Dit geldt eveneens voor de publicatie in de Aalten Vooruit. Er wordt aangegeven dat belanghebbenden die al eerder beroep hebben ingesteld dit niet opnieuw hoeven te doen; De uitspraak van 10 januari 2018 (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zaaknummer 201603579/1/R1) is niet correct door de gemeente Aalten verwerkt.

Onder punt VIII staat: “draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde beslissing onder III, b,c,d, en f, wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorzienig, www.ruimtelijkeplannen.nl .” De gemeente Aalten heeft namelijk gedacht dat punt VII van toepassing was en dat zij binnen 26 weken een nieuw besluit moest nemen (wat helaas óók niet gelukt is binnen de gestelde termijn); Het herstelbesluit van 16 oktober 2018 van de gemeente raad van Aalten is volgens de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: “…in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. (onder punt 3.2 Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State d.d. 6 november 2019, zaaknummer: 201809678/1/R1);

-

Het verweerschrift van de gemeente Aalten dat geleid heeft tot de bovengenoemde uitspraak d.d. 6 november 2019 is op meerdere punten incorrect. Eerder in deze brief is het volledig verweer op genomen. Hieronder staan alle zinnen die inhoudelijk onjuist zijn: Deze uitspraak is verwerkt in het ruimtelijk plan. Dit betekent dat op deze locatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied Aalten 2004, vastgesteld bij raadsbesluit van 14 december 2004 van toepassing is. In dat plan hebben deze gronden een agrarische bestemming (zonder agrarisch bouwperceel). Op basis van dit bestemmingsplan is een clubhuis voor de motortoerclub Bredevoort niet toegestaan. De gemeenteraad heeft nu nog geen agrarische bestemming op deze gronden willen leggen, maar zulks opnieuw te willen beoordelen nadat nader onderzoek is uitgevoerd over de toekomstige mogelijkheden van dit terrein met opstal. Daarover dient overleg te worden gevoerd en er dient een gedegen belangenafweging aan ten grondslag te liggen. Het is een gegeven dat het geldende planologische regime de bouw van een clubhuis niet toestaat.

-

-

-

-

-

Naar aanleiding van de uitspraak van 6 november 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zaaknummer: 201809678/1/R1) staat onder: Beslissing punt III: “ draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.” Deze termijn is nog niet verstrekken (wel 23 weken inmiddels) maar het ligt niet voor de hand dat deze termijn gehaald wordt; De publicatie in de Staatscourant (Nummer 62507 d.d. 6 november 2018) is incorrect. Er wordt aangegeven dat we niet in beroep kunnen tegen het herstelbesluit van 16 oktober 2018. We hebben ons niet laten weerhouden en toch beroep ingesteld. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft gewoon uitspraak gedaan op 6 november 2019; In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 4 maart 2020 (zaaknummer: 201603579/4/R1) wordt onder punt 37.2 aangegeven dat het besluit van 21 maart 2017 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het besluit van 21 maart 2017 is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb; In dezelfde uitspraak van 4 maart 2020 schrijft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onder: Beslissing punt XI: “draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde beslissing onder VI. en VIII. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl . “ Deze termijn is verstreken op 31 maart 2020. Tot op de dag van 8 april 2020 was het niet aangepast (bijlage); Wij nemen het de gemeente Aalten zeer kwalijk dat zij zich niet hebben gehouden aan de verklaring van 10 augustus 2016 van de Bredevoortse Motor Toer Club en de heer die mede op initiatief van de gemeente Aalten tot stand is gekomen. De gemeente had zich hier, evenals de Bredevoortse Motor Toer Club en de heer aan moeten houden. De hoofdzaken in dit bestemmingsplan zijn pas geëindigd met de uitspraak van 4 maart 2020 (Raad van State, zaaknummer: 201603578/4/R1). Eerder in deze brief hebben wij hieraan gerefereerd.

Helaas moeten wij met de kennis van nu ook constateren dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ons niet goed van dienst is geweest. Zij had immers reeds in de uitspraak van 10

januari 2018 (zaaknummer: 201603578/1/R1) moeten vaststellen dat op 21 maart 2017 een herstelbesluit is genomen waardoor het plan “integraal en hernieuwd” is vastgesteld. Zij had dit dan gelijk kunnen vernietigen. De verleende omgevingsvergunning is niet meer houdbaar omdat de bestemming van het beoogde perceel agrarisch is. Er zijn ook geen omstandigheden/argumenten dat dit ooit anders had moeten zijn (los van het amendement van 19 april 2016 dat op 10 januari 2018 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is vernietigd, zaaknummer: 201603579/1/R1). De genoemde argumenten in deze uitspraak zijn nog steeds valide. Onder punt 24.4: Het plan is wat dit plandeel betreft dan ook vastgesteld in strijd met artikel 2.7.4.2. van de Omgevingsverordening. De Bredevoortse Motor Toer Club en/of de heer willen met grote spoed het gebouw plaatsen. Ik hoop dat u de voorlopige voorziening wilt aanhouden totdat de gemeente Aalten inhoudelijk over ons bezwaarschrift heeft geoordeeld. Ik verwacht namelijk dat de omgevingsvergunning op basis van de reeds aangeleverde stukken en deze brief met bijlagen wordt ingetrokken. Voor vragen naar aanleiding van deze brief of de bijlagen kunt u contact met mij opnemen. Wilt u mij de ontvangst van deze brief bevestigen. Hoogachtend,

Correspondentieadres:

Mede namens de buurtbewoners/grondeigenaren en de Stichting Natuur en Milieu Aalten

Bijlagen:

Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 16 maart 2020, zaaknummer: 202001309/2/R1; Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 4 maart 2020, zaaknummer: 201603579/4/R1; Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 10 januari 2018, zaaknummer: 201603579/1/R1; Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 6 november 2019, zaaknummer: 201809678/1/R1; Brief aan de heer B. Witjes gemeente Aalten d.d. 2 maart 2020; Brief ontvangen van de heer B. Witjes gemeente Aalten d.d. 1 april 2020; E-mail ontvangen van de heer B. Witjes gemeente Aalten d.d. 3 maart 2020 inclusief: -

Het raadsbesluit d.d. 21 maart 2017; De Staatscourant d.d. 11 april 2017, Nr. 19125; Het Gemeenteblad d.d. 11 april 2017, Nr. 52636.

Verweerschrift van de heer G.H. Scheffer gemeente Aalten d.d. 29 april 2019; De Staatscourant d.d. 6 november 2018, Nr. 62507; E-mail ontvangen van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 22 augustus 2016 met onderliggend de e-mail van de heer van de gemeente Aalten en met de bijlage van de Bredevoortse Motor Toer Club en de heer ;

Brieven gestuurd aan de rechtbank Gelderland te Arnhem: 13 februari 2020; 17 februari 2020 (met bijlagen); 24 februari 2020 (met machtigingen buurtbewoners/grondeigenaren); 2 maart 2020; 4 maart 2020; 6 maart 2020.

Uitdraai www.ruimtelijkeplannen.nl d.d. 8 april 2020

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 1 van 28

Uitspraak 201603579/1/R1 Datum van uitspraak: woensdag 10 januari 2018 Tegen:

de raad van de gemeente Aalten

Proceduresoort:

Eerste aanleg - meervoudig

Rechtsgebied:

Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Gelderland

ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:52

201603579/1/R1. Datum uitspraak: 10 januari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1], gevestigd te Aalten, 2. [appellante sub 2], gevestigd te Aalten, 3. Stichting Windkracht Oost, gevestigd te Aalten, 4. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], beiden wonend te Aalten (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), 5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Aalten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), 6. [appellant sub 6] en anderen, wonend te Bredevoort dan wel gevestigd te Aalten, gemeente Aalten, 7. Stichting Natuur en Milieu Aalten (hierna: SNMA) en [appellant sub 7A], gevestigd respectievelijk wonend te Aalten, 8. [appellant sub 8], wonend te Bredevoort, gemeente Aalten, 9. [appellante sub 9], gevestigd te Aalten, en de raad van de gemeente Aalten, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit heeft een aantal appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de raad het besluit van 19 april 2016 gewijzigd (hierna: het herstelbesluit).

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 2 van 28

Tegen het herstelbesluit heeft een aantal appellanten zienswijzen ingediend en beroep ingesteld. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2017, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken ingediend. De Afdeling heeft de behandeling van de beroepen van een aantal appellanten afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201603579/3/R1. Overwegingen Inleiding 1. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de gemeente Aalten. Het plan is hoofdzakelijk conserverend. Het herstelbesluit 2.

Met het herstelbesluit is het plan op onderdelen gewijzigd.

3.

Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

"1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. [...]." 4. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 21 maart 2017 in deze procedure voor het beroep van [appellant sub 5] aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, nu het herstelbesluit betrekking heeft op een plandeel waarop ook het besluit van 19 april 2016 ziet en waartegen het beroep van [appellant sub 5] is gericht. Toetsingskader 5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellante sub 1] Inleiding 6. [appellante sub 1] is een machinefabriek gespecialiseerd in aandrijftechniek.

[appellante sub 1] is onder meer gevestigd aan de [locatie 1] in het plangebied. Op een nevenlocatie vindt opslag plaats. Achter het perceel aan de Dinxperlosestraatweg zijn agrarische gronden gelegen die in eigendom zijn van [appellante sub 1]. [appellante sub 1] wenst de bedrijfsvoering aan de Dinxperlosestraatweg uit te breiden zodat de nevenlocatie kan worden gesaneerd en het aantal transportbewegingen kan worden teruggebracht. [appellante sub 1] heeft een deel van de agrarische gronden - in strijd met het vorige bestemmingsplan bestraat en in gebruik genomen als parkeerterrein. Een ander deel van de agrarische gronden is in gebruik als

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 3 van 28

retentievijver. Uitbreidingsmogelijkheden 7. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch" die is toegekend aan de gronden achter het perceel [locatie 1]. Zij betoogt in de eerste plaats dat een bedrijfsbestemming had moeten worden toegekend om het bestaande parkeerterrein bij het bedrijf, dat deels op de agrarische gronden is gelegen, geheel als zodanig te bestemmen. Daarnaast had zij graag aan een deel van de resterende agrarische gronden een bedrijfsbestemming in het plan opgenomen zien worden om in de toekomst het bedrijf te kunnen uitbreiden met een extra opslagloods. Ook dient volgens [appellante sub 1] de bestaande retentievijver een bedrijfsbestemming te krijgen omdat deze bij het bedrijf hoort. [appellante sub 1] betoogt dat er geen belangen van derden zijn die zich verzetten tegen het parkeerterrein en de bedrijfsuitbreiding. De agrarische gronden grenzen namelijk aan de bestaande bedrijfsgronden en aan de noordelijke zijde aan een groenstrook. Ten zuiden van de gronden staat weliswaar de woning aan de Dinxperlosestraatweg 72, maar de tussengelegen retentievijver kan dienen als buffer tussen het bedrijf en de woning. [appellante sub 1] betoogt verder dat door de raad is toegezegd dat de bedrijfsbestemming zou worden uitgebreid en het parkeerterrein zou worden gelegaliseerd.

[appellante sub 1] betoogt voorts dat de toegekende bestemming "Agrarisch" niet zal worden verwezenlijkt binnen de planperiode. De gronden zijn in haar eigendom en zij is niet van plan de gronden agrarisch te gaan gebruiken. Het plan is daarom in zoverre niet uitvoerbaar. 7.1. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. 7.2. De Afdeling overweegt dat het initiatief van [appellante sub 1], voor zover dat betrekking heeft op het parkeerterrein, voldoende concreet en tijdig kenbaar is gemaakt en dat - mede gelet op de omstandigheid dat het parkeerterrein feitelijk al aanwezig is - ten tijde van de vaststelling van het plan de ruimtelijke aanvaardbaarheid kon worden beoordeeld. De raad heeft toegelicht dat onderhandelingen hebben plaatsgevonden tussen [appellante sub 1] en de bewoners van de woning aan de Dinxperlosestraatweg 72 over het parkeerterrein.

Die onderhandelingen strekten er toe om te bezien in hoeverre de bewoners kunnen instemmen met de plannen van [appellante sub 1] Bij overeenstemming zou een gedeelte van de resterende agrarische gronden aan de bewoners worden overgedragen. In de onderhandelingen is echter geen overstemming bereikt. De raad heeft daarom de bestemming "Agrarisch", die ook al gold op grond van het vorige plan, aan de gronden toegekend. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de planologische besluitvorming ten onrechte laten afhangen van de uitkomsten van de onderhandelingen. Niet is gebleken dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het parkeerterrein zelf heeft beoordeeld. De raad dient uiteraard de belangen van omwonenden bij de afweging te betrekken. Dat de bewoners van de Dixperlosestraatweg 72 vrezen voor geluidhinder van het parkeerterrein wil evenwel nog niet zeggen dat het parkeerterrein vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar kan worden geacht. Daarbij is ook van belang dat in een bestemmingsplan kan worden geregeld dat geluidwerende maatregelen, zoals de realisering van een geluidscherm, worden getroffen. Overigens hebben de bewoners van de Dixperlosestraatweg 72 ter zitting aangegeven in te kunnen stemmen met een planologische regeling voor het parkeerterrein wanneer een geluidwerende voorziening wordt getroffen.

Nu de raad over het parkeerterrein ten onrechte geen ruimtelijke afweging heeft gemaakt, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. In zoverre slaagt het betoog.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 4 van 28

7.3. Het initiatief van [appellante sub 1] voor zover dat voor het overige betrekking heeft op uitbreiding van de bedrijfsbestemming met het oog op realisering van opslag in de toekomst, was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onvoldoende concreet om daarover een ruimtelijke afweging te maken. Zoals [appellante sub 1] ter zitting heeft toegelicht, is de wens om een opslagloods te realiseren tijdens de onderhandelingen met de bewoners van de Dinxperlosestraatweg 72 ter sprake gebracht, maar bestaan hiertoe geen concrete plannen. De raad heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien over dit voornemen een afweging te maken en de bedrijfsbestemming met het oog hierop al dan niet uit te breiden. In zoverre faalt het betoog. 7.4. Het betoog van [appellante sub 1] dat legalisering van het parkeerterrein en uitbreiding van de bedrijfsbestemming zouden zijn toegezegd, begrijpt de Afdeling als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Van een dergelijke toezegging is niet gebleken.

[appellante sub 1] heeft gewezen op een passage in het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom met betrekking tot het parkeerterrein, maar hierin staat slechts de mededeling van het college van burgemeester en wethouders dat in de aanloop naar dat besluit ten onrechte de indruk is gewekt dat mogelijk concreet zicht op legalisatie bestond, terwijl later bleek dat het bestemmingsplan niet zou voorzien in het parkeerterrein. Hierin kan niet de toezegging van de raad worden gelezen dat het parkeerterrein in het bestemmingsplan als zodanig zou worden bestemd. Ook in zoverre faalt het betoog. 7.5. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan de gronden ter plaatse van de bestaande retentievijver, gelegen binnen de gronden met de bestemming "Agrarisch", een bedrijfsbestemming had moeten worden toegekend. Zoals [appellante sub 1] ter zitting heeft toegelicht is aanleg van de retentievijver een voorwaarde geweest voor de verlening van de omgevingsvergunning voor het bedrijf en wordt de vijver gebruikt voor waterretentie en -infiltratie ten behoeve van het bedrijf. Aan de vijver is de aanduiding "specifieke vorm van water - waterretentie" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels mogen de gronden met die aanduiding mede worden gebruikt voor waterretentie en -infiltratie ten behoeve van het bedrijf dat is gevestigd ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - koppeling waterretentie" binnen de bestemming "Bedrijf". Aan het bedrijf van [appellante sub 1], althans aan een deel daarvan, is laatstgenoemde aanduiding toegekend. Het gebruik is aldus als zodanig bestemd en de koppeling met het bedrijf komt in de planregels tot uitdrukking. Het betoog faalt. 7.6. Over het betoog dat de bestemming "Agrarisch" niet uitvoerbaar zou zijn, overweegt de Afdeling dat in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Vaststaat dat de desbetreffende gronden in het vorige plan ook al een agrarische bestemming hadden. De gronden bestaan uit groen grasland. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de bestemming "Agrarisch" in het voorliggende plan onder meer het hobbymatig beweiden van agrarische gronden toelaat.

De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op voorhand niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Agrarisch" uitvoerbaar is binnen de planperiode. Ook in zoverre faalt het betoog. Conclusie 8. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het bestaande parkeerterrein achter het perceel [locatie 1], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep is gegrond. 8.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om, voor het vernietigde plandeel, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State 8.2.

pagina 5 van 28

De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

De beroepen van [appellante sub 2] en Stichting Windkracht Oost Ontvankelijkheid 9. Artikel 6:7 van de Awb luidt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken." Artikel 6:8, vierde lid, luidt: "De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd." Artikel 6:9 luidt: "1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. 2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen." 9.1. Het bestreden besluit is ter inzage gelegd op 8 juni 2016, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en artikel 6:8, vierde lid, van de Awb op 9 juni 2016 is aangevangen en op 20 juli 2016 is geëindigd. De beroepschriften van [appellante sub 2] en Stichting Windkracht Oost zijn op 22 juli 2016 respectievelijk 25 juli 2016, en derhalve na afloop van de beroepstermijn bij de Raad van State binnengekomen.

De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of de beroepen van [appellante sub 2] en Stichting Windkracht Oost ontvankelijk zijn. 9.2. De gemachtigde van [appellante sub 2] en Stichting Windkracht Oost heeft de beroepschriften op 19 juli 2016, en derhalve binnen de beroepstermijn, bij een postagentschap van PostNL aangeboden om aangetekend te worden verzonden. Door een medewerker van PostNL is opgemerkt dat het postbusnummer op de enveloppen onjuist was, maar is, ten behoeve van het aangetekend verzenden, een sticker met een barcode en het juiste postbusnummer op de enveloppen aangebracht. Aan de gemachtigde van [appellante sub 2] en Stichting Windkracht Oost is door de medewerker van PostNL medegedeeld dat bij de bezorging uitsluitend naar het door PostNL geregistreerde adres, dat wil zeggen het postbusnummer zoals aangebracht op de sticker, wordt gekeken en niet naar het andere op de envelop vermelde onjuiste postbusnummer. Een en ander wordt bevestigd in een door [appellante sub 2] en Stichting Windkracht Oost overgelegde ondertekende verklaring van de desbetreffende medewerker. Daarnaast heeft de gemachtigde van PostNL een verzendbewijs ontvangen waarop staat dat de beroepschriften worden verstuurd aan de Raad van State onder vermelding van het juiste postbusnummer.

Desondanks zijn de beroepschriften door PostNL niet bezorgd bij de Raad van State maar zijn deze retour gestuurd naar de gemachtigde van [appellante sub 2] en Stichting Windkracht Oost, die deze eerst heeft ontvangen op een moment dat de beroepstermijn was verstreken. De gemachtigde heeft onmiddellijk na ontvangst de beroepschriften opnieuw aangetekend verzonden. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de beroepschriften ten tijde van de verzending op 19 juli 2016, voorzien van een deugdelijke adressering, voor het einde van de beroepstermijn ter post zijn bezorgd. Het feit dat de beroepschriften door PostNL niet zijn bezorgd bij de Raad van State maar retour zijn gestuurd naar de gemachtigde van [appellante sub 2] en Stichting Windkracht Oost doet hieraan niet af. Nu de beroepschriften niet later dan een week na afloop van de beroepstermijn door de Raad van State zijn ontvangen, is voldaan aan het gestelde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb en is namens [appellante sub 2] en Stichting Windkracht Oost tijdig beroep ingesteld. Gelet hierop zijn de beroepen ontvankelijk. Het beroep van Stichting Windkracht Oost 10. Stichting Windkracht Oost betoogt dat het bestemmingsplan onvoldoende mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van windturbines.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=c2d121de-ad95-4220-9c50-0b764deb962b