CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage-Raad-van-State-10-1-2018.pdf

Gemeenteraad 23 februari 2021, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan Landelijk gebied, herziening 2020 BMC.14.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 8] Inleiding 26. [appellant sub 8] is eigenaar van het perceel [locatie 11] met daarop een monumentaal gebouwencomplex. Het beroep van [appellant sub 8] strekt ertoe dat het plan niet in voldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor het pand voorziet. Daarnaast richt [appellant sub 8] zich ook tegen het motorclubhuis aan de Ganzenpoelendijk. Ontvankelijkheid 27. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van [appellant sub 8] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat [appellant sub 8] binnen de daartoe gestelde termijn geen zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht. 27.1. [appellant sub 8] heeft aangevoerd dat hij binnen de zienswijzentermijn een mondelinge zienswijze naar voren heeft gebracht, zodat zijn beroep ontvankelijk moet worden geacht. 27.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 26 november 2015 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 6 januari 2016. In de kennisgeving staat dat mondeling of schriftelijk zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. 27.3.

[appellant sub 8] heeft schriftelijk zienswijzen naar voren gebracht. De zienswijze is gedateerd 1 februari 2016. De schriftelijke zienswijze van [appellant sub 8] is derhalve niet binnen de gestelde termijn ingediend. Dat een gemeenteambtenaar na het verstrijken van de termijn aan [appellant sub 8] een nadere termijn van een week heeft geboden om alsnog schriftelijke zienswijzen in te dienen, doet daaraan niet af. Ter

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 17 van 28

zitting heeft de raad overigens toegelicht dat deze nadere termijn is geboden met het oog op de mogelijkheid om zo nodig alsnog ambtshalve een wijziging in het ontwerpplan aan te brengen. Voor de vraag of het beroep ontvankelijk is in deze procedure dient te worden bezien of binnen de wettelijk voorgeschreven termijn zienswijzen zijn ingediend. 27.4. Over het betoog van [appellant sub 8] dat hij binnen de gestelde termijn mondeling zienswijzen naar voren heeft gebracht, overweegt de Afdeling als volgt. Tussen [appellant sub 8] en de eerder genoemde gemeenteambtenaar heeft op 10 december 2015 op het gemeentehuis een gesprek plaatsgevonden. De Afdeling acht aannemelijk dat dit gesprek, zoals de raad heeft gesteld, een informatief karakter had en dat [appellant sub 8] tijdens het gesprek niet de wens te kennen heeft gegeven om mondeling een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Daartoe wordt overwogen dat van het gesprek geen verslag is gemaakt, terwijl de raad ter zitting heeft toegelicht dat in het geval een mondelinge zienswijze naar voren wordt gebracht ter plekke volgens de standaard werkwijze een verslag wordt opgesteld.

Voorts is van belang dat, zoals blijkt uit door [appellant sub 8] overgelegde correspondentie tussen hem en de gemeenteambtenaar, de gemeenteambtenaar [appellant sub 8] er na afloop van het gesprek op heeft gewezen dat tot en met 6 januari 2016 de mogelijkheid bestond om zienswijzen in te dienen en dat [appellant sub 8] heeft aangegeven van deze mogelijkheid gebruik te willen en zullen maken door schriftelijk een zienswijze in te dienen. Bij [appellant sub 8] kon aldus ook niet de redelijke verwachting bestaan dat het gesprek als mondelinge zienswijze was aangemerkt. Onder deze omstandigheden kan het gesprek dat op 10 december 2015 heeft plaatsgevonden naar het oordeel van de Afdeling niet als mondelinge zienswijze worden aangemerkt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant sub 8] niet binnen de daartoe gestelde termijn zienswijzen over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. 27.5. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Dit zou het geval kunnen zijn indien het definitieve plan ten nadele is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Voor zover het beroep van [appellant sub 8] is gericht tegen het ontbreken van ontwikkelingsmogelijkheden voor zijn gebouwencomplex, doet deze situatie zich niet voor. Voorts zijn er geen andere omstandigheden die maken dat [appellant sub 8] redelijkerwijs niet kan worden verweten niet tijdig zienswijzen te hebben ingediend op dit punt. Het plan is wel gewijzigd vastgesteld ten aanzien van het motorclubhuis, zodat [appellant sub 8] in zoverre redelijkerwijs niet kan worden verweten ten aanzien van dit onderdeel geen zienswijzen te hebben ingediend. De afstand van de woning van [appellant sub 8] tot het voorziene motorclubhuis bedraagt evenwel ruim 500 m. Mede gelet op de aard en de omvang van de mogelijk gemaakte ontwikkeling, acht de Afdeling de genoemde afstand te groot om een rechtstreeks bij het bestreden plandeel betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant sub 8] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. 27.6.

Het beroep van [appellant sub 8] is niet-ontvankelijk.

27.7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 9] Inleiding 28. [appellante sub 9] is gevestigd aan de [locatie 12]. Zij heeft ten noorden en ten zuiden van de Groot Deunkweg agrarische gronden in gebruik voor bomenteelt.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 18 van 28

Bestaande bomenteelt 29. [appellante sub 9] betoogt dat op grond van de planregels niet duidelijk is of op een aantal van haar percelen die van oudsher al in gebruik zijn als boomkwekerij, bomenteelt wel is toegestaan. Daartoe voert zij aan dat niet aan alle percelen die voor bomenteelt worden gebruikt, de aanduiding "bomenteelt" is toegekend. Het gaat daarbij in de eerste plaats om gronden ten noorden van de Groot Deunkweg waaraan de aanduiding "bomenteelt" in het geheel niet is toegekend. Voorts gaat het om één zuidelijker gelegen perceel, waaraan volgens [appellante sub 9] de aanduiding "bomenteelt" niet op alle voor bomenteelt in gebruik zijnde gronden is toegekend. 29.1. De gronden die [appellante sub 9] in gebruik heeft als boomkwekerij hebben, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch wisselteelt boomteelt 1". Artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels luidt: "De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: [...]; e. een boomkwekerij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bomenteelt’; [...]; met dien verstande dat: [...]; 6. de uitoefening van een boomkwekerij of een fruitteeltbedrijf met houtachtige gewassen hoger dan 0,5 m niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'openheid', met uitzondering van gronden ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt'; [...]." 29.2.

Aan geen van de gronden van [appellante sub 9] ten noorden van de Groot Deunkweg die in gebruik zijn als bomenkwekerij, is de aanduiding "bomenteelt" toegekend. De Afdeling stelt vast dat het gebruik voor bomenteelt op grond van de planregels ter plaatse niet is toegestaan, aangezien artikel 4, lid 4.1.1, onder e, van de planregels voorschrijft dat een boomkwekerij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bomenteelt" is toegestaan. Ter zitting is dit door de raad onderkend. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het echter wel de bedoeling is geweest om de bestaande bomenteelt in het plangebied als zodanig te bestemmen. Het plan bevat op dit punt een gebrek dat dient te worden hersteld. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. In zoverre slaagt het betoog. 29.3. Het door [appellante sub 9] bedoelde perceel ten zuiden van de Groot Deunkweg dat volgens haar voor bomenteelt wordt gebruikt, maar niet volledig als zodanig is bestemd, grenst aan de westzijde aan de Ligterinkweg en aan de noordzijde aan de Deunkdijk.

Volgens [appellante sub 9] is een strook grond langs de zuidzijde van dit perceel ook in gebruik voor bomenteelt, maar is hieraan niet de aanduiding "bomenteelt" toegekend. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij niet heeft onderzocht of deze strook voor bomenteelt is gebruikt en dat hij dientengevolge niet weet wat het gebruik van de gronden is. Nu de raad niet heeft onderzocht of op de strook grond sprake is van bestaande bomenteelt en de raad als uitgangspunt hanteert de bestaande bomenteelt in het plangebied als zodanig te bestemmen, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 19 van 28

de Awb. Ook in zoverre slaagt het betoog. Uitbreidingsmogelijkheden 30. [appellante sub 9] betoogt dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor uitbreiding van haar boomkwekerij. [appellante sub 9] wil haar boomkwekerij uitbreiden op gronden ten zuiden van de Groot Deunkweg. Die gronden hebben de aanduiding "openheid" en "specifieke vorm van agrarisch - boomteelt wisselteelt 1" en kunnen door middel van een wijzigingsbevoegdheid de aanduiding "bomenteelt" toegekend krijgen tot een maximum van 20 ha en ten behoeve van teelt tot een hoogte van 0,5 m. [appellante sub 9] betoogt dat uitbreiding van haar boomkwekerij ten onrechte alleen met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk is en dat bomenteelt ter plaatse niet bij recht is toegestaan. Zij voert aan dat een wijzigingsbevoegdheid niet werkbaar is voor wisselteelt omdat dan telkens door gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid de aanduiding "bomenteelt" aan de op dat moment voor bomenteelt beoogde gronden moet worden toegekend en van andere gronden, die tijdelijk niet voor bomenteelt worden gebruikt, moet worden afgehaald. [appellante sub 9] betoogt ook dat de hoogte van houtachtige gewassen ten onrechte is beperkt tot 0,5 m. Zij voert aan dat de raad een groter gewicht had moeten toekennen aan haar bedrijfsbelangen dan aan het belang bij behoud van de openheid van het landschap.

Volgens [appellante sub 9] is de totale oppervlakte van de gronden in het buitengebied die zijn bestemd voor openheid ongeveer 900 ha en is het daarom niet bezwaarlijk als de openheid in een relatief klein gebied verloren gaat. Bovendien is de aantasting van de openheid slechts tijdelijk, omdat de teelten tijdelijk aanwezig zijn. [appellante sub 9] doet in dit kader ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar wordt de openheid in veel grotere mate aangetast door de maisteelt, terwijl dit wel is toegestaan op gronden die bestemd zijn voor openheid. [appellante sub 9] betoogt tot slot dat de maximale oppervlakte van 20 ha waarvoor de wijzigingsbevoegdheid mag worden aangewend, feitelijk al bijna volledig benut is, omdat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - boomteelt wisselteelt 1" ook is toegekend aan gronden die niet zijn bestemd voor openheid en waar bomenteelt binnen de agrarische bestemmingen bij recht is toegestaan en op veel plaatsen, waaronder op een aantal van haar percelen ten noorden van de Groot Deunkweg, al feitelijk aanwezig is. 30.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan in voldoende uitbreidingsmogelijkheden voor de bomenteelt voorziet. In gebieden met openheid wenst de raad de omvang van de boomkwekerijen te beperken en heeft hij daarom de omvang van bomenteelt beperkt tot 20 ha en de hoogte van de teelt tot 0,5 m.

De raad heeft er voorts voor gekozen om bomenteelt ter plaatse niet bij recht mogelijk te maken, maar daarvoor een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, omdat er, naast het belang van de landschappelijke waarde, ook belangen van derden aan de orde kunnen zijn die een nadere afweging vergen. 30.2. Artikel 4, lid 4.7.3, van de planregels luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor wat betreft het toestaan van het telen van boomkwekerijgewassen door het opnemen van de aanduiding 'bomenteelt' (telen van boomkwekerijgewassen toegestaan) ter plaatse van de aanduiding 'openheid', met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. deze wijziging is uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 1' en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 2'; b. de totale oppervlakte aan percelen met de aanduiding 'bomenteelt' mag niet meer bedragen dan 20 hectare binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 1'; c. de totale oppervlakte aan percelen met de aanduiding 'bomenteelt' mag niet meer bedragen dan 10 hectare binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 2'; d. de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad; e.

belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 20 van 28

onevenredig worden geschaad." 30.3. In de plantoelichting staat dat in de gemeente Aalten de afwisseling van landschapstypen herkenbaar is en dat de karakteristieke kenmerken van elk landschapstype op veel plaatsen nog goed bewaard zijn gebleven. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat kenmerkende elementen moeten worden behouden. Landschapskenmerken die in het bestemmingsplan worden beschermd zijn: - reliëf: dit betreft met name de plateauranden, steilranden, esjes en andere kleinschalige hoogteverschillen; - openheid: de grote escomplexen ten noorden van de kern Aalten en de essen richting Lintelo en De Heurne evenals de beekdalen ten zuiden en westen van de vestingstad Bredevoort; - beplanting: de vele houtwallen en bosjes, met name in het Oude hoevenlandschap en het Goorcultuurlandschap. - verkaveling: het Aaltense Goor vanwege de karakteristieke verkaveling en de vele kavelgrensbeplantingen. Voor deze landschapswaarden geldt dat zij zonder specifieke bescherming mogelijk zouden kunnen verdwijnen ten gevolge van ingrepen en ontwikkelingen vanuit de overige functies van het buitengebied. In dit bestemmingsplan zijn daarom voor deze waarden beschermende regels opgenomen, aldus de plantoelichting. 30.4.

De Afdeling overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de uitbreidingsplannen van [appellante sub 9] ten tijde van de vaststelling van het plan voldoende concreet waren en tijdig kenbaar waren gemaakt. De raad was dan ook niet gehouden omtrent de uitbreidingsplannen van [appellante sub 9] bij de vaststelling van het plan een afweging te maken en de door haar gewenste bomenteelt eventueel bij recht mogelijk te maken. De raad heeft in redelijkheid, rekening houdend met de meer algemene uitbreidingswensen van [appellante sub 9], kunnen voorzien in een wijzigingsbevoegdheid. Het college van burgemeester en wethouders kan bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een afweging van belangen maken, waarbij ook de belangen van eventuele derden kunnen worden betrokken. Anders dan [appellante sub 9] veronderstelt, dient niet bij iedere wisseling van de teelt opnieuw een wijzigingsplan te worden vastgesteld. Wanneer door middel van een wijzigingsplan aan gronden de aanduiding "bomenteelt" wordt toegekend, geldt deze aanduiding in beginsel voor een planperiode voor 10 jaar. Omdat met de wijzigingsbevoegdheid aan maximaal 20 ha de aanduiding "bomenteelt" kan worden toegekend en sprake is van wisselteelt, betekent dit dat deze maximale oppervlakte niet te allen tijde ten volle zal kunnen worden benut voor bomenteelt.

Voor zover [appellante sub 9] heeft betoogd dat de raad in de wijzigingsregels een grotere maximale oppervlakte voor bomenteelt had moeten opnemen, zodat effectief te allen tijde 20 ha voor bomenteelt kan worden gebruikt, heeft de raad hiertoe gelet op het belang van het behoud van de openheid van het gebied in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien. Gelet op het belang van het behoud van de openheid, heeft de raad ook in redelijkheid een maximum van 0,5 m voor houtachtige gewassen, die ook al gold op grond van het vorige plan, opnieuw opgenomen. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat veel meer gronden in de gemeente bijdragen aan de openheid van het landschap, onverlet laat dat een verruiming van de mogelijkheden voor bomenteelt een aantasting van de openheid in dit betreffende gebied inhoudt. Over de door [appellante sub 9] gemaakte vergelijking met de maisteelt, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat maisteelt, in tegenstelling tot bomenteelt, slechts een beperkt gedeelte van het jaar in de maximale omvang aanwezig is en daarom een geringere aantasting van de openheid met zich brengt.

In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 9] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. In zoverre faalt het betoog. 30.5. De raad heeft ter zitting onderkend dat het niet de bedoeling is geweest dat de wijzigingsbevoegdheid van toepassing is op gronden die niet zijn aangewezen voor openheid. Op die gronden is bomenteelt binnen de agrarische bestemmingen immers al bij recht toegestaan en op een aantal plaatsen ook feitelijk aanwezig. De toepasselijkheid van de wijzigingsbevoegdheid op die gronden heeft tot gevolg dat deze gronden

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 21 van 28

meetellen bij de maximum toegestane oppervlakte van 20 ha waarvoor de wijzigingsbevoegdheid mag worden aangewend, terwijl het de bedoeling is geweest het maximum van 20 ha alleen te stellen voor gronden waaraan de aanduiding "openheid" is toegekend. Het plan bevat in zoverre een gebrek dat hersteld dient te worden volgens de raad. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. In zoverre slaagt het betoog. Archeologische waarden 31. [appellante sub 9] kan zich tot slot niet verenigen met de dubbelbestemmingen "Waarde - archeologie hoge verwachting", "Waarde - archeologie gematigde verwachting" en "Waarde - archeologie lage verwachting", die aan delen van haar gronden zijn toegekend. Door de archeologische dubbelbestemmingen geldt voor graafwerkzaamheden, nodig voor het planten van bomen, een vergunningplicht waarbij de aanvraag moet worden voorzien van een archeologisch vooronderzoek. Dit brengt volgens [appellante sub 9] een ernstige beperking van de bedrijfsvoering met zich.

[appellante sub 9] voert aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de te verwachten archeologische waarden en zo de toekenning van de dubbelstemmingen van een onvoldoende motivering heeft voorzien. [appellante sub 9] acht de aanwezigheid van archeologische bodemvondsten zeer onwaarschijnlijk, gezien het feit dat de gronden al van oudsher in gebruik zijn als boomkwekerij en de bodem vanwege graafwerkzaamheden in het verleden al ernstig is verstoord. [appellante sub 9] betoogt ook dat de cultuurhistorische waardenkaart die aan het plan ten grondslag is gelegd onjuistheden bevat en bovendien gedateerd is. 31.1. Artikel 38a van de Monumentenwet 1988, zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit, luidt: "De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wro en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten." 31.2. Artikel 32, lid 32.1, van de planregels luidt: "De voor 'Waarde - Archeologie gematigde verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

[...]." Lid 32.4.1 luidt: "Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: [...]; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2.500 m², waartoe wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen; [...]; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; [..]." Lid 32.4.3 luidt: "Ten aanzien van de in artikel 32.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 22 van 28

waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld." Artikel 33 (Waarde - Archeologie hoge verwachting) en artikel 34 (Waarde - Archeologie lage verwachting) bevatten vergelijkbare regelingen met dien verstande dat het verbod op het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning verrichten van werkzaamheden op gronden met de dubbelstemming "Waarde Archeologie hoge verwachting" geldt voor grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 500 m², en op gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie lage verwachting" geldt voor grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m². 31.3.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5866, rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Het voldoen aan die verplichting klemt temeer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt om de kosten voor het archeologische (voor)onderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers. De wetgever is er immers vanuit gegaan dat die financiële lasten zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5437, is voor het opnemen van een beschermingsregeling niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vaststaat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen. 31.4. In opdracht van de raad is een bureau- en inventariserend veldonderzoek verricht naar de archeologische verwachting op de percelen van [appellante sub 9] die voor bomenteelt worden gebruikt. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "[appellante sub 9] te Aalten, rapport 1642" van oktober 2008, opgesteld door ADC ArcheoProjecten, en is als bijlage bij de plantoelichting opgenomen. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn voor een belangrijk deel van de gronden van [appellante sub 9] die in gebruik zijn voor bomenteelt niet langer archeologische beperkingen opgenomen. De raad heeft verder toegelicht dat voor de resterende gronden de archeologische bepalingen zijn gebaseerd op de Cultuurhistorische Inventarisatie Aalten die in 2009-2010 is uitgevoerd voor de hele gemeente. Op 16 februari 2010 heeft de raad de Cultuurhistorische Inventarisatie, waarden-, verwachtingenen maatregelenkaart (CHI) vastgesteld. 31.5.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 9] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de CHI zodanige gebreken bevat dat de raad deze niet in redelijkheid aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de CHI is opgesteld door een gespecialiseerd bureau en is gebaseerd op uitgebreid onderzoek en lokale cultuurhistorische kennis. Het aangevoerde biedt evenmin aanleiding voor het oordeel dat de CHI niet langer actueel is. Gelet op het voorgaande biedt de CHI naar het oordeel van de Afdeling dan ook een toereikende grondslag voor de toekenning van de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie gematigde verwachting", "Waarde - Archeologie hoge verwachting" en "Waarde Archeologie lage verwachting". Gelet op het voorgaande faalt het betoog. Conclusie 32.

In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 23 van 28

bestreden besluit, voor zover dat ziet op de plandelen ter plaatse van de gronden die in gebruik zijn voor bestaande bomenteelt, welke hierna in de beslissing nader zullen worden aangeduid, en voor zover dat ziet op de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch wisselteelt - boomteelt wisselteelt 1" ter plaatse van de gronden ten noorden van de Groot Deunkweg waaraan niet de aanduiding "openheid" is toegekend, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep is gegrond. 32.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om, voor zover het gaat om de vernietigde plandelen ter plaatse van de gronden die in gebruik zijn voor bestaande bomenteelt, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. 32.2. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling tevens aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. 32.3.

De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" niet-ontvankelijk: a. Stichting Natuur en Milieu Aalten en [appellant sub 7A], voor zover ingesteld namens [appellant sub 7A]; b. [appellant sub 8]; II. verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" gegrond: a. [appellante sub 1]; b. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B]; c. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B]; d. [appellant sub 6] en anderen; e. Stichting Natuur en Milieu Aalten en C. [appellant sub 7A], voor zover ingesteld namens Stichting Natuur en Milieu Aalten; f. [appellante sub 9]; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015", voor zover het betreft: a. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het bestaande parkeerterrein achter het perceel [locatie 1]; b. een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie 8], zoals nader aangeduid op bijgevoegde kaart 1; c.

de aanduiding "specifieke vorm van bos - jachthut" ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Bos"

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 24 van 28

op het perceel Beestmanweg ongenummerd; d. het plandeel met de bestemming "Sport" en de aanduiding "specifieke vorm van sport - clubhuis motortoerclub" ter plaatse van het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd; e. de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor zover daaraan niet de aanduiding "bomenteelt" is toegekend, zoals nader aangeduid op bijgevoegde kaarten 2a, 2b en 2c; f. de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 1" voor zover die is toegekend aan de plandelen waaraan niet de aanduiding "openheid" is toegekend; IV. verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" ongegrond: a. [appellante sub 2]; b. Stichting Windkracht Oost; V. verklaart het beroep van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 21 maart 2017, waarbij het besluit van 19 april 2016 is gewijzigd, gegrond; VI. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 21 maart 2017, waarbij het besluit van 19 april 2016 is gewijzigd, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bos - jachthut" ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Bos" op het perceel Beestmanweg ongenummerd; VII.

draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de hiervoor onder onderdeel III, a en e, vermelde plandelen en het nieuwe besluit op de voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen; VIII. draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde beslissing onder III, b, c, d, en f, wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; IX. veroordeelt de raad van de gemeente Aalten tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van: a. [appellante sub 1] tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; b. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] tot een bedrag van € 1.042,88 (zegge: duizendtweeënveertig euro en achtentachtig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c.

[appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; d. [appellant sub 6] en anderen tot een bedrag van € 52,88 (zegge: tweeënvijftig euro en achtentachtig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; e. Stichting Natuur en Milieu Aalten tot een bedrag van € 1.042,88 (zegge: duizendtweeënveertig euro en achtentachtig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 25 van 28

X. gelast dat de raad van de gemeente Aalten aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: a. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 1]; b. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; d. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellant sub 6] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; e. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor Stichting Natuur en Milieu Aalten; f. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 9] Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. w.g. Helder w.g. Blankenstein voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2018 821.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 26 van 28

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 27 van 28

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

Uitspraak 201603579/1/R1 | Raad van State

pagina 28 van 28

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=93595&q=...

14-1-2018

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=ecf86e00-f656-4517-a1bc-17f3c0b1cdd6