Bijlage bij de_toelichting.pdf
Tekst van het document
Quickscan Natuurwaardenonderzoek Zomerweg, Aalten In het kader van de Flora- & Faunawet en Natuurbeschermingswet
Colofon Quickscan Natuurwaardenonderzoek Zomerweg, Aalten
In het kader van de Flora- & Faunawet en Natuurbeschermingswet
Uitgevoerd door:
Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Locis J. Tuenter
Projectnummer en versie: 961, versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Ligging projectgebied: Zomerweg (ongenummerd) in Aalten
Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise
Status: concept Rapportdatum: 8-12-2016
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten info@natuurbankoverijssel.nl
@natuurbankOverijssel
1
Inhoudsopgave Samenvatting....................................................................................................................................... 3 1 Inleiding............................................................................................................................................ 4 2 Het plangebied.................................................................................................................................. 5 2.1 Situering..................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied ................................................................................................... 5 3 Voorgenomen activiteiten.................................................................................................................. 6 3.1 Algemeen ................................................................................................................................... 6 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten ................ 6 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer....................................................................................................
6 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied.......................................................................................... 6 4 Gebiedsbescherming ......................................................................................................................... 7 4.1 Algemeen ................................................................................................................................... 7 4.2 Gelders Natuurnetwerk ............................................................................................................... 7 5 Soortenbescherming; het onderzoek .................................................................................................. 8 5.1 Methode .................................................................................................................................... 8 5.2 Verwachting ............................................................................................................................... 9 5.3 Resultaten .................................................................................................................................. 9 5.4 Toetsingskader .........................................................................................................................
10 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep...................................................................... 11 5.6 Historische gegevens................................................................................................................ 12 5.7 Volledigheid van het onderzoek ................................................................................................. 13 6 Conclusies en advies ........................................................................................................................ 13
2
Samenvatting Er zijn concrete plannen voor ontwikkeling van een bedrijfsterrein aan de zuidwestrand van Aalten. Daartoe wordt een onbebouwd perceel ontwikkeld tot bedrijfsterrein met erfverharding, bebouwing en landschappelijke beplantig. Natuurbank Overijssel is gevraagd om te onderzoeken of de voorgenomen activiteit in overeenstemming is met de Flora- en Faunawet, Omgevingsverordening Gelderland en de Natuurbeschermingswet. Voorliggend rapport beschrijft het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet, de resultaten van het onderzoek en de wettelijke consequentie. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingslocaties die door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten vernield of verstoord worden. Ook is gekeken of de voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermd (natuur)gebied. De voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor het verstoren, doden en verwonden van soorten van tabel 1 van de Flora- en faunawet geldt een algemene vrijstelling. Deze vrijstelling geldt ook voor soorten van tabel 2 van de Ff-wet, mits er gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Een gedragscode geeft aan hoe zorgvuldig met beschermde dier- en plantensoorten omgegaan dient te worden.
Voor het verstoren van soorten uit tabel 3, evenals het verstoren van bezette- en jaarrond beschermde vogelnesten dient een ontheffing aangevraagd te worden. Het plangebied behoort mogelijk tot het functionele leefgebied van sommige grondgebonden zoogdier-, vogel-, amfibieën- en vleermuissoorten. Vermoedelijk nestelen er ieder voortplantingsseizoen vogels in de bosstrook aan de zuidzijde van het plangebied. Van deze soorten zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd; niet de oude nesten of de nestplaats. Voor het vernielen van bezette nesten en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd ‘belang’ wordt beschouwd. De meest geschikte periode om beplanting te rooien is augustus-februari. In deze periode bezetten vogels doorgaans geen nesten. Mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten een vaste rust- of voortplantingslocatie in het plangebied of benutten het plangebied als foerageergebied. De functie als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteit niet aangetast en heeft daarom geen wettelijke consequenties voor deze soorten. Soorten die een vaste rust- of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten staan allen vermeld in tabel 1 van de Ff-wet of zijn niet beschermd (mol).
Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, verwonden en doden’ als gevolg van activiteiten die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties. Vermoedelijk benutten sommige amfibieënsoorten de bosstrook als foerageergebied en winterrustplaats. De amfibieën die in het plangebied voorkomen staan allen vermeld in tabel 1 van de Ff-wet. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, verwonden en doden’ als gevolg van activiteiten die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties. Vleermuizen bezetten geen vaste verblijfplaats in het plangebied, maar foerageren vermoedelijk langs de kronen en randen van de bomen en struiken in de bosstrook en laanbomen langs de Zomerdijk. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is heel beperkt en wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteit niet aangetast. De voor genomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties. Mits rekening wordt gehouden met de bescherming van bezette vogelnesten, heeft de voorgenomen activiteit geen wettelijke consequenties in het kader van de Ff-wet. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing ex. art. 75C van de Ff-wet aangevraagd te worden.
Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk. Vanwege de lokale invloedsfeer, heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op beschermd gebied buiten het plangebied. De Ff-wet, Omgevingsverordening Gelderland en de Natuurbeschermingswet vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. 3
1 Inleiding Er zijn concrete plannen voor ontwikkeling van een bedrijfsterrein aan de zuidwestrand van Aalten. Daartoe wordt een onbebouwd perceel ontwikkeld tot bedrijfsterrein met erfverharding, bebouwing en landschappelijke beplantig. Natuurbank Overijssel is gevraagd om te onderzoeken of de voorgenomen activiteit in overeenstemming is met de Flora- en Faunawet, Omgevingsverordening Gelderland en de Natuurbeschermingswet. Voorliggend rapport beschrijft het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet, de resultaten van het onderzoek en de wettelijke consequentie. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingslocaties die door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten vernield of verstoord worden. Ook is gekeken of de voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermd (natuur)gebied.
Toepasbaarheid De resultaten van het onderzoek zijn toepasbaar op twee verschillende momenten. Ten eerste wordt de beoordeling van de wettelijke consequentie van de voorgenomen activiteit in het kader van de Ff-wet gebruikt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Deze vraag dient zich aan in het proces van de Ruimtelijke Ordening, zoals bij het wijzigen van een bestemmingsplan. Ten tweede wordt aangeven in deze rapportage op welke wijze de voorgenomen activiteit in overeenstemming met de Ff-wet uitgevoerd kan worden. Indien aan de orde, wordt aangegeven in welke periode van het jaar bepaalde werkzaamheden niet uitgevoerd mogen worden en of aanvullende maatregelen of een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Ff-wet vereist is.
4
2 Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Zomerweg in Aalten. Het ligt aan de westrand van de bebouwde kom van Aalten. Het grenst aan de noordzijde aan de Sondernweg, aan de oostzijde aan de Zomerweg en aan de overige zijden aan agrarisch cultuurland. Op onderstaande kaart wordt de globale ligging van het plangebied aangeduid met de cirkel.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de cirkel aangeduid. (bron: PDOK).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat grotendeels uit agrarische cultuurgrond en voor een klein deel uit beplanting (2530 m2). Het agrarisch cultuurland was tijdens het veldbezoek in gebruik als grasweide. De strook beplanting bestaat uit een gemengde opstand van beuk, linde, els, berk en zomereik met plaatselijk dichte ondergroei van braam. Bebouwing en open water ontbreken in het plangebied. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied in detail weergegeven.
Detailopname van het plangebied. Het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid. (Bron: PDOK) 5
3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Er zijn concrete plannen om het plangebied te ontwikkelen als bedrijfsterrein voor de fa. Aalbers. Het plangebied zal grotendeels bebouwd en verhard worden. Het perceel zal landschappelijk ingepast worden waarbij tevens ruimte voor waterberging wordt gecreëerd. Een uitgewerkt en gedetailleerd inrichtingsplan was tijdens het opstellen van dit rapport niet beschikbaar. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Flora- en faunawet: • Bouwrijp maken plangebied • Bouwen bedrijfsbebouwing en aanleggen erfverharding • Landschappelijke inpassing van het perceel
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteit heeft mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en natuurgebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Geluid, stof en trillingen tijdens de bouw Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van beschermde natuurgebieden.
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal en heeft geen negatief effect op beschermd natuurgebied of beschermde soorten buiten het plangebied. Mogelijk zijn tijdens de bouwfase geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied. Deze effecten zijn incidenteel en kortstondig en zullen niet leiden tot verstoring van beschermde faunasoorten. Bij het bepalen van de invloedsfeer is niet gekeken naar het effect van de uitstoot van NOx op beschermd natuurgebied (Natura2000-gebied), als gevolg van een mogelijke toename van verkeersbewegingen van en naar het plangebied.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Vanwege de lokale invloedsfeer wordt het onderzoeksgebied gelijk gesteld aan het plangebied.
6
4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied. 4.2 Gelders Natuurnetwerk Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur van 7.300 hectare, voor 5.300 hectare nog te realiseren nieuwe natuur. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone vervullen daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten.
De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte. De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij deze visie en bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provinciedekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging van het plangebied t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk Het plangebied ligt niet in of direct naast gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren. Op onderstaande kaart wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van het Gelders Natuurnetwerk nabij het plangebied. Het plangebied wordt met de rode kleur aangeduid, het GNN met de groene kleur. (bron: Provincie Gelderland)
7
Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat betekent dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op gebieden buiten het plangebied, zoals het Gelders Natuurnetwerk. Conclusie De voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Gelders Natuurnetwerk. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd te worden.
5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het onderzoeksgebied op 7 december 2016 tijdens de daglichtperiode (vroege middag) bezocht. Het terrein is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Veldbezoek door ervaren ecoloog1 • Aanvullend bronnenonderzoek (o.a. waarneming.nl, telmee.nl, internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Digitale atlas van amfibieën en reptielen (RAVON 2015) • Atlas van de zoogdieren van Nederland Flora en vegetatie Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde planten. De onderzoeksperiode is geschikt voor floristisch onderzoek al zijn voorjaars- en zomerbloeiers soms lastig te vinden begin december. Op basis van standplaatsfactoren en abiotische parameters kan een goede inschatting gemaakt worden van de potentie van het onderzoeksgebied en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van broedvogels.
De onderzoeksperiode is niet geschikt om alle in Nederland voorkomende broedvogelsoorten vast te stellen, omdat vogels begin december weinig tot geen territoriumindicerend gedrag vertonen en de meeste zomergasten vertrokken zijn op weg naar hun winterverblijfplaatsen. Op basis van een beoordeling van de landschapsecologische kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden welke vogels mogelijk in het plangebied nestelen. Grondgebonden zoogdieren en vleermuizen Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar grondgebonden zoogdieren, maar matig geschikt voor onderzoek naar vleermuizen. Begin december hebben de meeste vleermuissoorten hun winterverblijfplaats bezet, maar tijdens ‘warme’ avonden (met temperatuur + 10⁰C) kunnen sommige vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, nog wel actief zijn. 1
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks 120-140 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. 8
Er is onder andere gekeken naar graaf, vraat-, krabsporen, uitwerpselen, prooiresten, pootafdrukken, haren en holen van (grondgebonden) zoogdieren. Op basis van landschappelijke kenmerken van het onderzoeksgebied kan een goede inschatting gemaakt worden van de potentiële functie van het onderzoeksgebied voor grondgebonden zoogdieren. Het plangebied is onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vleermuizen in bomen en sporen die op de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen in bomen duiden zoals invliegopeningen en uitwerpselen, specifiek verkleuringen van de bast onder holen en gaten. Amfibieën en reptielen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar amfibieën en reptielen. Deze soorten hebben begin december hun winterverblijfplaats betrokken zijn niet zichtbaar aan het oppervlak. Amfibieën kunnen winterverblijfplaatsen bezetten in toegankelijk gebouwen, in de grond of onder takkenhopen, bladeren, stenen of onder water. Op basis van landschappelijke kenmerken kan een goede beoordeling gemaakt worden van de potentie van het onderzoeksgebied voor beschermde amfibieën- en reptielensoorten en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten.
Dagvlinders Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde dagvlinders omdat potentieel geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dagvlindersoorten in het plangebied ontbreekt. Libellen Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde libellen omdat potentieel geschikt functioneel leefgebied voor beschermde libellensoorten in het plangebied ontbreekt. Kevers en mieren Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde kevers en mieren omdat functioneel leefgebied voor beschermde kever- en mierensoorten in het plangebied ontbreekt. Vissen en kreeftachtige Het onderzoeksgebied is onderzocht op het voorkomen van beschermde vissen en kreeftachtige omdat functioneel leefgebied voor beschermde vissoorten en kreeftachtige in het plangebied ontbreekt.
5.2 Verwachting Op basis van bronnenonderzoek, landschappelijke karakteristieken, beheer, omvang en gebruik van het onderzoeksgebied is het aannemelijk dat onderstaande soortgroepen in het gebied voorkomen: • Grondgebonden zoogdieren • Vogels • Vleermuizen 5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het plangebied vastgesteld zijn of waarvan het plangebied een essentieel onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het agrarisch cultuurland wordt als een ongeschikte broedplaats voor vogels beschouwd. Mogelijk foerageren spreeuwen, kokmeeuwen, blauwe reigers, torenvalk en buizerd in het gebied. Het bosje vormt een geschikte nestplaats voor soorten als winterkoning, heggemus, merel, vink, houtduif, koolmees, zanglijster en tjiftjaf. Er nestelen geen vogels in het agrarisch cultuurland. 9
Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek geen grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer behoort het plangebied tot het functionele leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, bruine rat, steenmarter, dwergmuis, bunzing, vos, haas en mol. Veldmuis, bosmuis, bruine rat, dwergmuis, rosse woelmuis en mol bezetten mogelijk voortplantingslocaties in het plangebied. De overige soorten benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied. Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar bosstrook wordt als een geschikt leefgebied voor sommige algemene- en weinig kritische amfibieënsoorten als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander beschouwd. Het grasland vormt vanwege intensief agrarisch gebruik (gebruik van drijf- en kunstmest, pesticiden en herbiciden) een ongeschikt functioneel leefgebied voor amfibieën. Amfibieën benutten de bosstrook vermoedelijk als foerageergebied en bezetten mogelijk een winterrustplaats in de grond of onder bladeren/takken. Vanwege de ligging nabij een geschikt voortplantingswater, gaat het daarbij mogelijk om 20-50 exemplaren van verschillende soorten.
Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het plangebied. Potentiële verblijfplaatsen in het agrarisch cultuurland ontbreken volledig en in de bosstrook zijn geen natuurlijke holen in bomen of andere potentiële verblijfplaatsen waargenomen die (mogelijk) benut worden door vleermuizen als verblijfplaats. Foerageergebied Het onderzoek is uitgevoerd buiten de actieve periode van de dag waarop vleermuizen foerageren. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer van het plangebied, zullen sommige vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis de randen en kronen van de opgaande bomen en struiken benutten als foerageergebied. Het agrarisch cultuurland heeft vleermuizen weinig te bieden als foerageergebied vanwege het schaarse voorkomen van vliegende insecten in een dergelijke biotoop. Vliegroutes Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en vormt daarom geen onderdeel van een vliegroute van vleermuizen. Mogelijk volgen soorten als gewone dwergvleermuis de laanbeplanting langs de Zomerweg als vliegroute. Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen.
Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
5.4 Toetsingskader Voor het doden, verwonden en verstoren van soorten van tabel 1 van de Ff-wet geldt een algemene vrijstelling indien de werkzaamheden worden uitgevoerd in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling en/of bestendig beheer. Voor doden, verwonden en verstoren van soorten uit tabel 2 van de Ff-wet geldt deze vrijstelling ook, mits er gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Wel dient rekening gehouden te worden met jaar rond beschermde nesten en -leefgebieden, evenals bezette vogelnesten. Soorten uit tabel 3 zijn beschermd. Voor het uitvoeren van werkzaamheden die leiden tot verstoren, doden of verwonden van deze soorten is een ontheffing noodzakelijk.
10
Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor het verstoren, verwonden en doden van soorten van tabel 1 geldt een algemene vrijstelling. Deze vrijstelling geldt ook voor soorten van tabel 2 van de Ff-wet, mits er gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Een gedragscode geeft aan hoe bedrijven zorgvuldig met beschermde dier- en plantensoorten op bouwplaatsen kunnen omgaan. Voor het verstoren van soorten uit tabel 3, evenals het verstoren van bezette vogelnesten en jaar rond beschermde vogelnesten dient een ontheffing aangevraagd te worden.
De Wet Natuurbescherming wordt per 1 januari 2017 ingevoerd. Tijdens de afhandeling van de ruimtelijke procedure van dit project kan het wettelijk kader dus gewijzigd worden. Er is overgangsrecht vastgesteld, waarbij ontheffingen die worden aangevraagd voor 1 januari 2017 afgehandeld worden onder het nu geldende juridische toetsingskader. Dat houdt in dat mogelijk maatregelen voor soorten moeten worden getroffen die nu nog wel beschermd zijn en na 1 januari niet meer.
5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Het is aannemelijk dat vogels ieder voortplantingsseizoen nestelen in de bosstrook in het plangebied. Deze soorten nestelen in bomen, struiken en dichte vegetatie op de grond. Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen, zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaatsen. Voor het verstoren/vernielen van bezette nesten (eieren) en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen van de Ff-wet verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd wettelijk belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten, zoals het rooien van beplanting, dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om beplanting te rooien is augustus-februari.
Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequentie voor dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig. Foerageergebied Het plangebied heeft geen noemenswaardige functie als foerageergebied en deze functie wordt door de voorgenomen activiteit niet aangetast. Het plangebied zal na inrichting geschikter zijn als foerageergebied voor vleermuizen dan tijdens het veldonderzoek. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties voor dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig. Vliegroute Het plangebied heeft geen functie als vliegroute voor vleermuizen en de voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op mogelijk aanwezige vliegroutes langs de laanbeplanting van de Zomerweg. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequentie voor dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.
11
Amfibieën De in het plangebied voorkomende amfibieënsoorten staan allen vermeld in tabel 1 van de Ft-wet. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, verwonden en doden’ als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. In verband met de Algemene zorgplicht wordt geadviseerd om beplanting te rooien buiten de winterrustperiode van amfibieën. Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdiersoorten met een vaste rust- of voortplantingslocatie in het plangebied staan allen vermeld in tabel 1 van de Ff-wet of zijn niet beschermd (mol). Voor soorten van tabel 1 geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, verwonden en doden’ als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde soorten. De voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op deze overige beschermde soorten.
Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Soortgroep
Soorten planlocatie
Verbodsbepalingen*
aandachtspunt
Zoogdieren; grondgebonden soorten (vaste rust- of voortplantingslocatie in plangebied) Zoogdieren; grondgebonden soorten (foerageergebied)
Diverse soorten tabel 1, geen soorten tabel 2-3
Niet van toepassing
Geen
Diverse soorten tabel 1, mogelijk tabel 2 (steenmarter), geen soorten tabel 3 Diverse soorten
Niet van toepassing
Geen
Art. 9,12
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Beplanting rooien buiten voortplantingsperiode Geen
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Diverse soorten tabel 1, geen soorten tabel 2-3 Diverse soorten (allen tabel 3) Niet aanwezig
Niet van toepassing Niet van toepassing
Advies om beplanting te rooien buiten winterrustperiode Geen
Niet van toepassing
Geen
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Vogels; bezette nesten Vogels; jaarrond beschermde nesten en nestplaatsen Amfibieën (voortplantingslocaties) Amfibieën (foerageergebied, winterrustplaatsen) Vleermuizen; foerageergebied en vliegroute Vleermuizen; vaste verblijfplaatsen Overige soorten
* Toelichting verbodsbepalingen tabel: Artikel 2: Zorgplicht en Zorgvuldig handelen ten aanzien van alle plant- en diersoorten, al dan niet beschermd Artikel 8: Verbod: plukken, uitsteken, vernielen, beschadigen of verwijderen van beschermde planten Artikel 9: Verbod: opsporen, vangen, bemachtigen, doden, verwonden van beschermde dieren Artikel 10: Verbod: opzettelijk verontrusten van beschermde dieren Artikel 11: Verbod: wegnemen, verstoren, aantasten van verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen Artikel 12: Verbod: zoeken, rapen, beschadigen, vernielen of uit nesten nemen van eieren Artikel 13: Verbod: onder zich hebben van beschermde planten, dieren, eieren of producten hiervan Tabel 1. Aangetroffen of verwachte beschermde soorten (Ff-wet tabel 2 of 3) die mogelijk geschaad worden.
5.6 Historische gegevens Van de onderzoeksgebieden zijn geen historische gegevens bekend.
12
5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden. Het volledige onderzoeksgebied is onderzocht.
6 Conclusies en advies De voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor het verstoren, doden en verwonden van soorten van tabel 1 van de Flora- en faunawet geldt een algemene vrijstelling. Deze vrijstelling geldt ook voor soorten van tabel 2 van de Ff-wet, mits er gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Een gedragscode geeft aan hoe zorgvuldig met beschermde dier- en plantensoorten omgegaan dient te worden. Voor het verstoren van soorten uit tabel 3, evenals het verstoren van bezette- en jaarrond beschermde vogelnesten dient een ontheffing aangevraagd te worden. Het plangebied behoort mogelijk tot het functionele leefgebied van sommige grondgebonden zoogdier-, vogel-, amfibieën- en vleermuissoorten. Vermoedelijk nestelen er ieder voortplantingsseizoen vogels in de bosstrook aan de zuidzijde van het plangebied. Van deze soorten zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd; niet de oude nesten of de nestplaats. Voor het vernielen van bezette nesten en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd ‘belang’ wordt beschouwd. De meest geschikte periode om beplanting te rooien is augustus-februari. In deze periode bezetten vogels doorgaans geen nesten.
Mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten een vaste rust- of voortplantingslocatie in het plangebied of benutten het plangebied als foerageergebied. De functie als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteit niet aangetast en heeft daarom geen wettelijke consequenties voor deze soorten. Soorten die een vaste rust- of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten staan allen vermeld in tabel 1 van de Ff-wet of zijn niet beschermd (mol). Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, verwonden en doden’ als gevolg van activiteiten die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties. Vermoedelijk benutten sommige amfibieënsoorten de bosstrook als foerageergebied en winterrustplaats. De amfibieën die in het plangebied voorkomen staan allen vermeld in tabel 1 van de Ff-wet. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, verwonden en doden’ als gevolg van activiteiten die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties. Vleermuizen bezetten geen vaste verblijfplaats in het plangebied, maar foerageren vermoedelijk langs de kronen en randen van de bomen en struiken in de bosstrook en laanbomen langs de Zomerdijk.
De betekenis van het plangebied als foerageergebied is heel beperkt en wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteit niet aangetast. De voor genomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties. Mits rekening wordt gehouden met de bescherming van bezette vogelnesten, heeft de voorgenomen activiteit geen wettelijke consequenties in het kader van de Ff-wet. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing ex. art. 75C van de Ff-wet aangevraagd te worden. Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk. Vanwege de lokale invloedsfeer, heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op beschermd gebied buiten het plangebied. De Ff-wet, Omgevingsverordening Gelderland en de Natuurbeschermingswet vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
13
Bijlagen: Bijlage 1. De natuurkalender Bijlage 2. Toelichting Flora- en faunawet Bijlage 3. Fotobijlage
14
Bijlage 2 Toelichting Flora en faunawet Algemeen De Flora- en faunawet regelt (onder andere) de bescherming van kwetsbare en bedreigde inheemse planten en diersoorten. Onder de algemene verbodsbepalingen (Artikelen 8 t/m 18) worden handelingen verboden die kunnen leiden tot het vernielen van beschermde inheemse planten op hun groeiplaats en beschermde inheemse dieren in hun natuurlijke leefomgeving. Zo is het onder meer verboden om beschermde inheemse planten te plukken, verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enige wijze van hun groeiplaats te verwijderen. Daarnaast is het verboden om inheemse beschermde diersoorten opzettelijk te verontrusten dan wel hun nesten, holen of andere voortplantingsplaatsen of vaste rust- of verblijfplaatsen te beschadigen, vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. De Ff-wet biedt onder Artikel 75 de mogelijkheid tot het verkrijgen van een ontheffing van de in de Artikelen 8 t/m 18 genoemde verbodsbepalingen. De genoemde vrijstellingen worden alleen verleend in zoverre er geen ‘andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Om te bepalen of ontheffing kan worden gekregen moet aan verschillende voorwaarden worden voldaan: • •
Er dient inzicht te bestaan in het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het projectgebied; Er dient inzicht te bestaan in de mate waarin de voorgenomen activiteiten dusdanig negatieve effecten hebben op soorten dat de ‘gunstige staat van instandhouding’ in het geding is.
Indien dit het geval zou zijn, dient aangegeven te worden welke mitigerende maatregelen getroffen worden om de negatieve effecten op de ‘gunstige staat van instandhouding’ te voorkomen. Indien de mogelijke negatieve effecten niet volledig gemitigeerd kunnen worden, dient aangegeven te worden op welke wijze de effecten gecompenseerd zullen worden. Toelichting Flora- en Fanawet, Wijzigingen Artikel 75 ( AMvB) Sinds februari 2005 is een Algemene Maatregel van Bestuur van kracht worden, waarin wijzigingen inzake art.75 zijn opgenomen. De wijzigingen in deze AMvB betekenen een zekere verruiming van ontheffing en vrijstelling: niet in alle gevallen is een ontheffingsaanvraag meer nodig. Globaal betekent dit het volgende: Er zijn een drietal soortenlijsten waarvoor verschillende richtlijnen zijn. Deze zijn in toenemende mate van ‘zwaarte’: Tabel 1: (soorten als egel, haas, bruine kikker, Zwanenbloem, Dotterbloem) Voor activiteiten die te kwalificeren zijn als bestendig beheer of ruimtelijke ontwikkelingen, geldt een vrijstelling voor de soorten van tabel 1. Voor deze activiteiten hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Voor andere activiteiten dient wel een ontheffingsaanvraag te worden aangevraagd (lichte toets). Tabel 2: (soorten als div.
orchideeën, vogels) Voor activiteiten die te kwalificeren zijn als bestendig beheer of ruimtelijke ontwikkelingen, geldt een vrijstelling voor de soorten van tabel 2, mits activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van LNV goedgekeurde ‘gedragscode’. Hetzelfde geldt voor alle vogelsoorten. Een gedragscode moet zelf door aanvrager worden opgesteld en worden goedgekeurd door het ministerie van LNV. Voor andere activiteiten dient wel een ontheffingsaanvraag te worden aangevraagd (uitzondering bepaalde vogelsoorten: zie 3)
15
Tabel 3: (echte kritische soorten bijlage IV HR/VR) Dit is de zwaarste categorie, waarbij ook voor beheer de vrijstelling beperkt is. Voor andere activiteiten is ontheffing nodig, waarbij een uitgebreide toets dient te worden verricht (behalve het criterium ‘geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding’ ook ‘dwingende redenen van openbaar belang’, mogelijkheden van alternatieven e.d.). De procedure is vastgelegd in een stappenplan. Hierin is vermeld in welke gevallen de Ff-wet niet van toepassing is, of dat een ontheffing moet worden aangevraagd. Naast een verbod op het doden en verwonden (Art. 9 Ff-wet) en het opzettelijk verontrusten (Art. 10 Ffwet) van vleermuizen, is het tevens verboden om verblijf- en voortplantingsplaatsen weg te nemen, te verstoren en aan te tasten (Art. 11 Ff-wet). Belangrijke migratie- en foerageergebieden die van belang zijn voor de instandhouding van een vaste rust- of verblijfplaats van de soort op populatieniveau, vallen hier ook onder. Daarnaast vallen ook tijdelijke, seizoensgebonden, verblijfplaatsen (bijv. holen) of standplaatsen die van belang zijn voor de gunstige staat van instandhouding van een soort op populatieniveau of per exemplaar hieronder (Min. EL&I 2011).
De verbondsbepaling genoemd in artikel 11 van de ff-wet worden enkel overtreden wanneer de door dit artikel beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen hun specifieke functie niet meer naar behoren kunnen vervullen. De vaste rust- of verblijfplaats kan hierdoor niet meer dezelfde functie aan beschermde dier- of plantensoort bieden als voorheen In Bijlage 1 worden de tabellen van de AMvB nader verklaard. In de brochure ‘Buiten aan het werk’ van het ministerie LNV is bovendien een toelichting op deze AMvB is te vinden (zie website dienst Regelingen van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie). Zorgplicht In de Flora- en faunawet is een zorgplicht opgenomen. Artikel 2, lid 1: Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Artikel 2, lid 2: De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat het lijden zo beperkt mogelijk is.
16
Bijlage 3. Fotobijlage
17
Ruimtelijke onderbouwing Aalbers Door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen zijn bij brief van 19 maart 2021, uw kenmerk OD50/ W.Z20.105564.01 / D200790325 een aantal vragen gesteld met betrekking tot het bestemmingsplan Westrand Aalten en de omgevingsvergunning voor de bouw en inrichting van het terrein. Het bestemmingsplan is op 17 december 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Op 21 juli 2021 heeft de Raad van State in haar uitspraken ECLI:NL:RVS:2021:1586 en ECLI:NL:RVS:2021:1557 de beroepen tegen de bestemmingsplannen ongegrond verklaard waardoor deze onherroepelijk zijn geworden. In bovengenoemd schrijven wordt aangegeven dat naar mening van de Omgevingsdienst met artikel 4.1. van het bestemmingsplan de in de omgevingsvergunning aangevraagde bedrijfsactiviteiten niet volledig worden gedekt. Naar aanleiding van uw schrijven doen wij u de volgende reactie toekomen. Het plan beoogd conform de toelichting de vestiging van het bedrijf Aalbers en zn. BV mogelijk te maken. Dit bedrijf is thans gevestigd aan de Broekstraat 31 in Aalten en op diverse andere locaties in deze plaats. Het bedrijf levert diensten op het gebied van afvalcontainers, grondwerk, transport, groenrecycling en schoonmaak. Verder verzorgt het bedrijf de gemeentelijke milieustraat. Blijkens de plantoelichting is de wens de bedrijfsactiviteiten op een locatie te bundelen.
Inmiddels is gestart met het bouwrijp maken van de gronden. De omgevingsdienst komt tot de conclusie dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. Wij delen deze conclusie, gelet op het belang van Aalbers en de reeds langdurige juridische procedures, voor de hiernavolgende activiteiten. Voor het shredderen van niet-groenafval, het zeven van grond, de inname en be- en verwerken van andere afvalstoffen (niet zijnde bouwafval) en groothandelsactiviteiten zou kunnen worden geconcludeerd dat deze in strijd zijn de letterlijke lezing van artikel 4.1 van het bestemmingsplan. Dit geldt niet voor de andere door de omgevingsdienst in haar brief van 19 maart 2021 geconstateerde punten. Verwezen wordt in dit kader tevens naar de second opinion van mr. D. Roelands-Fransen van Pels Rijcken van 6 september 2021 (kenmerk 11016492) die het hierna volgende concluderen. -
-
-
Het shredderen van houtafval past binnen het bestemmingsplan. Dit geldt evenwel niet voor het shredderen van niet-houtafval nu de planregel van artikel 4.1 alleen spreekt over groenafval. Het breken van ongebroken puin past binnen het bestemmingsplan. Wij menen dat het woord “bouw-” in artikel 4.1 gelet op de systematiek van het bestemmingsplan dient te worden gelezen als “bouwafval”, zodat het bewerken, verwerken en opslaan van bouwafval (zoals ongebroken puin) is toegestaan. Op grond van artikel 4.4.6 van het bestemmingsplan zijn voor het breken van puin nadere regels gesteld, hetgeen zinledig zou zijn als het breken van puin niet zou zijn toegestaan. Het breken van puin is op gronden met de functieaanduiding “'specifieke vorm van bedrijventerrein puinbreker”, toegestaan. Het zeven van zand is toegestaan. Dit geldt evenwel niet voor het zeven van grond.
-
-
-
-
-
-
De inname, be- en verwerking en/of opslag van andere afvalstoffen is toegestaan, nu gelet op de systematiek van het bestemmingsplan “bouw-” in artikel 4.1 dient te worden gelezen als “bouwafval”. Daarmee is bouwafval wel toegestaan maar afvalstoffen in algemene zin niet in weerwil van alle onderzoeken die ten grondslag liggen aan het bestemmingsplan. Voor zover de bedrijfsactiviteiten die Aalbers uitoefent ten behoeve van het verzorgen van grondwerk en bestrating binnen het plangebied niet verder gaan dan de bewerking, verwerking en/of opslag van groenafval, zand, bouwafval en secundaire bouwstoffen, is dit toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De daadwerkelijke aanleg van bestrating en grondwerk vindt immers niet in het plangebied zelf plaats, zodat het bestemmingsplan daarover geen regels stelt. Ten aanzien van ondergeschikte detailhandel geldt dat Aalbers zal moeten motiveren tot in hoeverre de detailhandelsactiviteiten die beoogd zijn, inderdaad ondergeschikt zijn en enkel zien op grondstoffen en bouwmaterialen. Hierbij is de aard, indeling en inrichting van een pand, hoe geregeld het bedrijf door particulieren wordt bezocht en hoeveel detailhandelstransacties plaatsvinden relevant. De verkoop van bouw en grondstoffen kan niet worden geschaard onder “be-en verwerking en/of opslag van zand en groenafval, bouw- en andere secundaire bouwstoffen”.
Wij menen dat deze activiteit een groothandelsactiviteit betreft, hetgeen niet wordt toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Groothandelsactiviteiten zijn expliciet genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Op grond van artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan kan voor de bedrijfsactiviteiten genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid worden toegepast, waardoor het uitgangspunt geldt dat bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in de lijst in strijd zijn met het bestemmingsplan. Uit de toelichting op het bestemmingsplan blijkt ook niet dat is beoogd groothandelsactiviteiten positief te bestemmen. Het feit dat een aanvraag is ingediend als bedoeld in artikel 4.4.1 aanhef en lid i onder 1 van het bestemmingsplan, zorgt er niet voor dat de groothandelsactiviteit in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De uitzondering van strijdige activiteiten in dit artikellid geldt enkel als uitzondering op de hoofdregel dat activiteiten geen negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden mogen veroorzaken door stikstofdepositie, en biedt geen algemene grondslag om van de overige regels van het bestemmingsplan af te wijken.
Nu het shredderen van niet-groenafval, het zeven van grond, de inname en be- en verwerken van andere afvalstoffen (niet zijnde bouwafval) en groothandelsactiviteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan, dient hiervoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 aanhef en onder c van de Wabo te worden verleend voordat deze activiteiten kunnen worden uitgeoefend.
Voor de met artikel 4.1 strijdige activiteiten kan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 aanhef en onder c van de Wabo worden verleend. De onderzoeken die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen, houden al wel rekening met de door Aalbers beoogde bedrijfsactiviteiten. Nu de benodigde ruimtelijke onderbouwing reeds voorhanden
is middels de toelichting van onherroepelijke bestemmingsplan en bijbehorende onderzoeken kan derhalve een omgevingsvergunning strijdig gebruik worden verleend. Mw. Mr. T. Tuenter 4 februari 2022
Postadres Aladnaweg 18 7122 RR Aalten
Telefoon 0614-435700 0543-451142
Info Info@natuurbankoverijssel.nl www.natuurbankoverijssel.nl
Bank NL48 RABO 0121 5795 73 BTW -ID NL001388212B56
Locis Adviseurs t.a.v. A. Krabbenborg Borchgraven 2.5 7051 CW Varsseveld Datum: Ons kenmerk: Betreft:
-
7-12-2021 3734A Actualisatie Quickscan (aspect soortbescherming)
Briefnotitie
Geachte mevrouw Krabbenborg, Aanleiding en doel Er zijn concrete plannen voor ontwikkeling van een bedrijfsterrein aan de Zomerweg (ongenummerd) te Aalten. Daartoe wordt een onbebouwd perceel ontwikkeld tot bedrijfsterrein met erfverharding en bebouwing. Het terrein zal landschappelijk ingepast worden door middel van een aarden wal en door de aanplant van beplanting. Het plangebied is op 7 december 2016 onderzocht door een onderzoeker van Natuurbank Overijssel op de aanwezigheid van beschermde planten en dieren en er heeft vervolgens een beoordeling plaats gevonden in hoeverre realisatie van de voorgenomen plannen in strijd is met provinciale regels met betrekking tot de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone en of de voorgenomen activiteiten kunnen leiden tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming, voor zowel beschermde dier- en plantensoorten, alsmede voor gebieden (Natura 2000). De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in rapport 961 van Natuurbank Overijssel. Omdat onderzoeksresultaten beperkt ‘houdbaar’ zijn, heeft Locis Adviseurs, Natuurbank Overijssel gevraagd het onderzoek te actualiseren. Het plangebied is gelijk aan het aangegeven plangebied in rapport 961 van Natuurbank Overijssel. Ook is het wenselijke eindbeeld niet gewijzigd.
Voor een beschrijving van de ligging van het plangebied wordt verwezen naar voorgenoemde publicatie. Voor het bosje aan de zuidzijde van het plangebied is eind 2021 een aparte quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd en deze wordt daarom niet meegenomen in het onderzoek. De bevindingen van dat onderzoek zijn gepubliceerd in rapport 3734 van Natuurbank Overijssel.
Begrenzing van het plangebied (gele lijn)
Wettelijk kader Hieronder worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt.
Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of • onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig. Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.
De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die
binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland. Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 1 december 2021 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Het veldbezoek is uitgevoerd door Ing. P. Leemreise. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); • NDFF; Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a.
• Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat grotendeels uit grasland en voor een klein deel uit halfverharding van gebroken puin. In het plangebied liggen enkele bulten puin.
Impressie van het plangebied (december 2021).
Resultaten gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone en ligt op minimaal 8,5 km afstand van Natura 2000-gebied. Toetsing aan provinciaal beleid t.a.v. GNN/GO De bescherming van GNN/GO kent geen externe werking in Gelderland. Toetsing aan beleidsregels t.a.v. GNN/GO is derhalve niet aan de orde. Resultaten soortbescherming Het plangebied wordt benut als foerageergebied door verschillende vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat beschermde dieren een vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten in het plangebied. Het plangebied Als gevolg van de voorgenomen activiteiten zal de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten afnemen. Toetsing aan Wet natuurbescherming Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Daarnaast vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied van een beschermde soort met een jaarrond beschermde nestplaats. Ook vormt het geen essentieel onderdeel van een beschermde diersoort, waarvan het foerageergebied, indirect beschermd is, zoals de das.
Conclusie Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming (soorten en gebieden) en is niet strijdig met beleidsregels voor de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing verkregen te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met de Wet natuurbescherming.
Met vriendelijke groet, Ing. P. Leemreise
Advies
voor
Paul Verheijen (Provincie Gelderland)
cc van
Daniëlle Roelands-Fransen & Jim Zweers
datum
6 september 2021
inzake
Second opinion bestemmingsplantoets Bedrijventerrein Westrand - inrichting Aalbers
zaaknr
11016492
1
Adviesvraag Het bedrijf H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V. (hierna: Aalbers) wenst een nieuwe inrichting te realiseren op het bedrijventerrein Westrand in Aalten. Aalbers heeft momenteel meerdere locaties binnen de gemeente Aalten in gebruik. Om de realisatie van de inrichting op het bedrijventerrein mogelijk te maken, is op 22 mei 2018 het bestemmingsplan “Aalten Bedrijventerrein Westrand” vastgesteld. Blijkens de toelichting van dat bestemmingsplan had het bestemmingsplan ten doel om de bedrijfsvestiging van Aalbers ter plaatse mogelijk te maken. Tegen het bestemmingsplan is door verschillende appellanten beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Door Aalbers is na inwerkingtreding van het bestemmingsplan een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Het bestemmingsplan is bij uitspraak van 11 september 2019 door de Afdeling vernietigd, omdat het bestemmingsplan was vastgesteld op basis van een melding op grond van het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof). Zie AbRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3091. Een verdere inhoudelijke beoordeling van het bestemmingsplan heeft door de Afdeling niet plaatsgevonden. Dit heeft ertoe geleid dat Aalbers de aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingetrokken.
Op 17 december 2019 is door de gemeenteraad van Aalten een nieuw bestemmingsplan “Aalten Bedrijventerrein Westrand” vastgesteld, dat bij uitspraak van 21 juli 2021 onherroepelijk is geworden
2/20
Zie;AbRvS 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1586. Op 6 juli 2020 is door Aalbers opnieuw een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van de realisatie van de inrichting op het bedrijventerrein Westrand. Bij brief van 19 maart 2021 is door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (hierna: de Omgevingsdienst) namens het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: GS) in reactie op de aanvraag een brief aan Aalbers gestuurd waarin de Omgevingsdienst Aalbers verzoekt om ontbrekende gegevens. In de brief geeft de Omgevingsdienst onder meer aan dat een aantal aspecten van het aangevraagde gebruik in strijd zijn met het bestemmingsplan. Gevraagd is in dat kader onder meer om een ruimtelijke onderbouwing waaruit volgt dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Over de vraag of de aangevraagde activiteiten van Aalbers in strijd zijn met het bestemmingsplan is discussie ontstaan tussen de Omgevingsdienst en Aalbers. Gelet daarop is aan ons op dit punt een second opinion gevraagd. Concreet is aan ons de vraag voorgelegd of de beoogde bedrijfsactiviteiten van Aalbers – die door de Omgevingsdienst als strijdig met het bestemmingsplan zijn gekwalificeerd - passen binnen het bestemmingsplan “Aalten Bedrijventerrein Westland” of dat deze inderdaad in strijd zijn met dit bestemmingsplan.