CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_4_Toets_Flora_en_Fauna_Anoniem_pdf.pdf

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot afgifte van een verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van een woning aan de Kalverweidendijk te Dinxperlo3.691 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toets flora en fauna Kalverweidendijk ong. te Dinxperlo Datum

: 20 augustus 2020

Projectnummer

: P20-0281

Opdrachtgever

:

Veldwerk

:

Opgesteld door

:

Kwaliteitscontrole

:

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens een bestemmingsplanwijziging door te voeren voor het perceel F684 aan de Kalverweidendijk te Dinxperlo en op deze locatie een woning te bouwen. Door middel van de toets flora en fauna wordt in beeld gebracht of de werkzaamheden strijdigheid opleveren met de Wet natuurbescherming en hoe eventuele strijdigheid met deze wet voorkomen kan worden. 1.2 Doel Het doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in de soortlijsten van beschermde flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van het onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld.

2

Wettelijk kader

In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Deze toets flora en fauna is gericht op soortbescherming. Vanwege de lokale aard van de voorgenomen werkzaamheden en de ligging van het plangebied worden negatieve effecten op beschermde gebieden en houtopstanden niet verwacht. De delen over bescherming van gebieden en houtopstanden uit de Wet natuurbescherming en het beleid voor het NNN worden daarom buiten beschouwing gelaten. 2.1 Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal

oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn, §3.1 Wnb; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt, §3.2 Wnb; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven, §3.3 Wnb. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In Tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wnb)

Categorie 2 (§ 3.2 Wnb)

Categorie 3 (§ 3.3 Wnb)

Art 3.1 lid 1

Art 3.5 lid 1

Art 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te

natuurlijke verspreidingsgebied

doden of te vangen

vangen

opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2

Art 3.5 lid 4

Art 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

vernielen of te beschadigen, of nesten

van dieren te beschadigen of te

van dieren opzettelijk te beschadigen

van vogels weg te nemen

vernielen

of te vernielen

Art 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

-

Het is verboden eieren te rapen en

Het is verboden eieren van dieren in de

deze onder zich te hebben

natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

-

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort -

Art 3.5 lid 5

Art 3.10 lid 1c

Het is verboden plantensoorten in hun

Het is verboden plantensoorten in hun

natuurlijke verspreidingsgebied

natuurlijke verspreidingsgebied

opzettelijk te plukken en te verzamelen,

opzettelijk te plukken en te verzamelen,

af te snijden, te ontwortelen of te

af te snijden, te ontwortelen of te

vernielen

vernielen

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan:  Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is;

2 van 11

Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook de niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.

3

Beschrijving plangebied

Het plangebied bestaat uit een voedselrijk grasland (recent geklepeld) met enkele struiken en opslag van bomen in het midden van het plangebied. De randen van het plangebied zich dichtbegroeid met grote bomen en struiken. Het plangebied ligt in het noorden van de bebouwde kom van Dinxperlo. In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Figuur 2, op de volgende pagina, toont een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving. In Figuur 3 zijn de voorgenomen plannen weergegeven. Op pagina 5 staan enkele foto’s van het plangebied.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (gele lijn) (bron: Google Maps)

3 van 11

Figuur 2. Globale begrenzing van het plangebied (gele lijn) (bron: Google Maps)

Figuur 3. Voorgenomen plannen Kalverweidendaijk ong. te Dinxperlo (bron: Buro Collou)

4 van 11

Foto 1. De ingang van het plangebied

Foto 2. Het oosten van het plangebied

Foto 3. Opslag in het plangebied

Foto 4. Het westen van het plangebied

4

Natuurwaarden

In het kader van deze toets flora en fauna heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden. Aan de hand van bekende verspreidingsgegevens uit onder andere verspreidingsatlassen en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is bepaald welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied voorkomen. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens het veldbezoek zijn alle op de locatie aanwezige habitats opgenomen. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. De aanwezige habitats zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde plant- en diersoorten. Op basis van expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is tijdens het veldbezoek het plangebied onderzocht op het voorkomen van invasieve exoten. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2020 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: Licht bewolkt en droog, windkracht 1 en circa 21°C.

4.1 Flora Uit gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde plantensoorten zijn waargenomen. Het plangebied heeft een voedselrijke bodem en door de bomen rond het gebied is het schaduwrijk. Voor beschermde plantensoorten is dit niet het juiste habitat. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten in het plangebied aangetroffen. Het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied is uitgesloten.

5 van 11

4.2 Amfibieën Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen een kilometer afstand van het plangebied de volgende beschermde soorten amfibieën zijn waargenomen: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (alle §3.3 Wnb). Ten noorden van het plangebied ligt een poel die kan worden gebruikt als voortplantingshabitat door amfibieën. Het plangebied kan door amfibieën worden gebruikt als land- en overwinteringshabitat. Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander zijn algemene en niet-kritische soorten. Ze kunnen zich verschuilen tussen de struiken en kruidachtige planten in het plangebied en ingegraven in de grond. Effectbeoordeling Bij het bouwrijp maken van het plangebied, het bouwen van de woning en het aanleggen van de tuin kunnen individuen van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander worden vernietigd en individuen worden verstoord of verwond. Mitigerende maatregelen Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §2.1.

Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij de werkzaamheden in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.

4.3 Reptielen Uit gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde reptielsoorten zijn waargenomen. Ook waarneming van reptielen in Duitsland liggen op grote afstand van het plangebied. Het plangebied ligt in een overwegend agrarisch gebied zonder heide, veen en bossen in de omgeving. Het ontbreekt in het plangebied aan gevarieerde structuurrijke vegetatie. In het plangebied ontbreekt geschikt habitat voor reptielen en de bekende populaties liggen op een te grote afstand van het plangebied. Het voorkomen van reptielen in het plangebied is derhalve uitgesloten.

4.4 Vogels Tijdens het veldbezoek zijn houtduif en merel in het plangebied waargenomen. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn waargenomen zijn waargenomen in de wijde omgeving van het plangebied: boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ransuil, roek en sperwer (alle §3.1 Wnb). Het plangebied biedt geschikt foerageergebied voor vogels. In de struiken, jonge opslag en in de bomen op de grenzen van het plangebied is broedgelegenheid aanwezig voor vogels. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen nesten aangetroffen. Door het dichte bladerdek kunnen kleine nesten echter over het hoofd zijn gezien. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in het plangebied is uitgesloten; tijdens het veldbezoek zijn geen horsten aangetroffen en het ontbreekt aan nestgelegenheid voor gebouwbewonende soorten en grote gele kwikstaart.

6 van 11

Effectbeoordeling Door het bouwen van een woning en het aanleggen van een tuin in het plangebied is het tijdelijk minder geschikt als foerageergebied voor vogels. In de directe omgeving van het plangebied is en blijft echter voldoende geschikt foerageergebied aanwezig in het bosje, de woonwijk, de tuinen van de aanliggende percelen en de akkers. De werkzaamheden hebben derhalve geen significant negatief effect op het foerageergebied van vogels. Bij het snoeien en kappen van bomen en struiken kunnen nesten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Mitigerende maatregelen Het snoeien of kappen van bomen en struiken dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd.

4.5

Zoogdieren

Vleermuizen Uit het bronnenonderzoek (NDFF en Korsten & Regelink, 2010) blijkt dat in de wijde omgeving van het plangebied de volgende vleermuizen voorkomen: baardvleermuis, Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (alle §3.2 Wnb). Het plangebied biedt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. De laanbomen langs de Kalverweidendijk kunnen door vleermuizen worden gebruikt als vliegroute. De bomen binnen de grenzen van het plangebied zijn niet voldoende groot voor holtes waarin vleermuizen kunnen verblijven. Op de grenzen van het plangebied staan grote bomen, in deze bomen zijn tijdens het veldbezoek geen holtes aangetroffen. Echter, door het dichte bladerdek kunnen holtes over het hoofd zijn gezien. Door het ontbreken van gebouwen in het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aanwezig voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Overige zoogdieren Uit het bronnenonderzoek (NDFF) blijkt dat binnen een kilometer van het plangebied de volgende zoogdieren zijn waargenomen: algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, eekhoorn, egel, haas, konijn, ree en steenmarter (alle §3.3 Wnb). Op een afstand van 1 tot 2,5 kilometer van het plangebied zijn boommarter en bunzing aangetroffen (beide §3.3 Wnb).

Het plangebied is geschikt als (onderdeel van het) leefgebied van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, konijn, ree, steenmarter, bunzing, vos en wezel. Mogelijk worden de dichtbegroeide randen van het plangebied gebruikt als verblijfplaats door algemene muizensoorten en egel. De dichtbegroeide randen kunnen ook worden gebruikt als migratieroute door bunzing, steenmarter en wezel. Verblijfplaatsen van deze marters zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. In de dichtbegroeide rand worden deze ook niet verwacht door de ligging dicht langs de weg. Eekhoorn en boommarter komen vooral voor in bossen en haas vooral in graslanden. Het plangebied biedt geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor deze soorten. Mogelijk doorkruisen ze incidenteel het plangebied.

7 van 11

Effectbeoordeling Door het bouwen van een woning en het aanleggen van een tuin in het plangebied is het tijdelijk minder geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. In de directe omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig in het bosje, de woonwijk, de tuinen van de aanliggende percelen en de akkers. De werkzaamheden hebben derhalve geen significant negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen. De laanbomen blijven gehandhaafd, de werkzaamheden hebben derhalve geen effect op vliegroutes van vleermuizen. Indien grote bomen met holtes worden gekapt kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd en individuen worden verstoord of verwond. De voorgenomen plannen hebben geen significant negatief effect op het leefgebied van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, konijn, ree, steenmarter, bunzing vos en wezel. In de directe omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt leefgebied aanwezig (zoals in het bos, en in de aangelegen tuinen en akkers). Het plangebied biedt voor deze soorten geen essentieel leefgebied. In de dichtbegroeide randen worden een aantal sparren gekapt die in slechte staat verkeren. Bij deze werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van algemene muizensoorten en egel worden verstoord.

De dichtbegroeide randen blijven behouden en kunnen door marters in gebruik blijven als mogelijke migratieroute. Mitigerende maatregelen Voorafgaand aan het kappen dienen grote bomen te worden geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte holtes voor vleermuisverblijfplaatsen. Indien deze niet aanwezig zijn kunnen de bomen (buiten het broedseizoen) worden gekapt. Indien wel geschikte holtes aanwezig zijn en het gebruik door vleermuizen door middel van een nader onderzoek is aangetoond, dient voor het kappen van deze bomen een ontheffing te worden verkregen. Ook dienen dan mitigerende en compenseren maatregelen te worden genomen. Het onderzoek naar boomholtes kan jaarrond worden uitgevoerd met een boomcamera en ladder of hoogwerker. Voor het aantonen van het gebruik van de holtes door vleermuizen is een onderzoek nodig volgens het vleermuisprotocol. Dit onderzoek vindt plaats gedurende de periode 15 mei en 30 september. Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §2.1. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij de werkzaamheden in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.

4.6 Overige soortgroepen Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat in het plangebied geschikte habitats ontbreken voor beschermde soorten vissen, dagvlinders, libellen, weekdieren en kevers. Het voorkomen van beschermde soorten uit deze soortgroepen kan daarom worden uitgesloten.

8 van 11

5

Conclusie

Uit het veld- en literatuuronderzoek is gebleken dat in het plangebied de aanwezigheid van beschermde soorten planten, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, weekdieren en kevers kan worden uitgesloten. Voor alle aanwezige soorten in het plangebied geldt de Algemene zorgplicht, zie §2.1 van dit rapport. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij de werkzaamheden in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Vogels De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op het foerageergebied van vogels. In de struiken, jonge opslag en in de bomen op de grenzen van het plangebied is broedgelegenheid aanwezig voor vogels. Bij het snoeien en kappen van bomen en struiken kunnen nesten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Het snoeien of kappen van bomen en struiken dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Vleermuizen Het plangebied biedt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen.

De laanbomen langs de Kalverweidendijk blijven gehandhaafd, de werkzaamheden hebben derhalve geen effect op mogelijke vliegroutes van vleermuizen. Op de grenzen van het plangebied staan grote bomen, in deze bomen zijn tijdens het veldbezoek geen holtes aangetroffen. Echter, door het dichte bladerdek kunnen holtes over het hoofd zijn gezien. Indien grote bomen met holtes worden gekapt kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd en individuen worden verstoord of verwond. Voorafgaand aan het kappen dienen de grote bomen te worden geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte holtes voor vleermuisverblijfplaatsen. Indien deze niet aanwezig zijn kunnen de bomen (buiten het broedseizoen) worden gekapt. Indien wel geschikte holtes aanwezig zijn en het gebruik door vleermuizen middels een nader onderzoek is aangetoond, dient voor het kappen van deze bomen een ontheffing te worden verkregen. Voor het aantonen van het gebruik van de holtes door vleermuizen is een onderzoek nodig volgens het vleermuisprotocol. Dit onderzoek vindt plaats gedurende de periode 15 mei en 30 september. Amfibieën Het plangebied kan door amfibieën worden gebruikt als land- en overwinteringshabitat. Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander zijn algemene en niet-kritische soorten.

Voor deze soorten geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen plannen hebben geen significant negatief effect op het leefgebied van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, konijn, ree, steenmarter, bunzing, vos en wezel. Mogelijk worden de dichtbegroeide randen van het plangebied gebruikt als verblijfplaats door algemene muizensoorten en egel. De randen kunnen ook worden gebruikt als migratieroute door steenmarter, wezel en bunzing. De dichtbegroeide randen blijven behouden. Negatieve effecten op de mogelijke migratieroute van marters zijn daardoor uitgesloten. In de dichtbegroeide randen worden sparren gekapt, hierbij kunnen verblijfplaatsen van algemene muizensoorten en egel worden verstoord. Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel 9 van 11

geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Advies en vervolgstappen De volgende maatregelen en vervolgstappen dienen te worden genomen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen:  Snoeien en kappen van bomen en struiken wanneer geen broedgevallen aanwezig zijn en buiten het broedseizoen;  Voorafgaand aan het kappen van grote bomen inspecteren op geschikte holtes voor vleermuisverblijfplaatsen en eventueel nader onderzoek naar vleermuizen uitvoeren. In Tabel 2 is een overzicht van de mogelijk aanwezige soorten en de maatregelen die genomen moeten worden weergegeven. Tabel 2. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten Soort(groep)

Bescherming

Functie plangebied

Mogelijk

Ontheffing

effect

nodig Nee, mits

§3.1 Wnb (nest Vogels

niet jaarrond

Nestgelegenheid

Ja

beschermd)

maatregelen worden uitgevoerd

Maatregelen

Snoeien en kappen wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten broedseizoen Inspecteren van boomholtes in grote

Vleermuizen

§3.2 Wnb

Verblijfplaatsen in boomholtes

te kappen bomen en Ja

Mogelijk

eventueel nader onderzoek in de periode half mei t/m september

Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en

§3.3 Wnb

kleine

Land- en overwinteringshabitat

Ja

Nee, volledige vrijstelling

-

watersalamander Algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en

§3.3 Wnb

Verblijfplaatsen

Ja

§3.3 Wnb

Migratieroute

Nee

Nee, volledige vrijstelling

-

egel Marterachtigen

-

-

10 van 11

Literatuur    

 

  

Bij12. Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Kennisdocument. Versie 1.0 Juli 2017 Bij12. Gierzwaluw Apus apus. Kennisdocument. Versie 1.0 Juli 2017 Bij12. Huismus Passer domesticus. Kennisdocument. Versie 1.0 Juli 2017 Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Bouwens, S. Provincie Noord-Brabant, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging - rapport 2017.32. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging - rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken.

Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet Natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.eis-nederland.nl www.ravon.nl © NDFF - 17-08-2020 09:00:47

11 van 11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=1a8b07b5-24de-4a09-8820-6ab46ac30a32