Bijlage 4 Omgevingsvergunning Co-vergisting OF mestverw 5-12-2014
Tekst van het document
BESCHIKKING Omgevingsvergunning (milieuneutrale wijziging) datum: 5 december 2014
Provincie Gelderland
zaaknummer: V2014-001194
Aanvraag Op 31 oktober 2014 hebben wij een aanvraag voor een vergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) ontvangen voor het wijzigen van een bestaande vleesvarkens- en melkrundveehouderij met mestverwerkingsinstallatie op het adres Hoeninkdijk 8 en Kloosterdijk 13 in Aalten. De aanvraag heeft betrekking op het perceel kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie O, nummer(s) 455 en 460. Het betreft een aanvraag voor de activiteit “milieu” (artikel 2.1, lid 1 onder e), voor het plaatsen van een mestscheidingsinstallatie binnen de inrichting. De aanvraag is geregistreerd met de volgende kenmerken: zaaknummer IZIS: 00022984; zaaknummer Omgevingsdienst Achterhoek: V2014-001194. Besluit Wij hebben besloten de door u gevraagde vergunning te verlenen.
De volgende documenten maken deel uit van de vergunning: aanvraagformulier, OLO-nummer 1517343, van 31 oktober 2014; plattegrondtekening met situatietekening, projectnummer 1012AL03, van 21 oktober 2014; locatiescan van Geling Advies BV van 31 oktober 2014; beknopt akoestisch onderzoek van Adviesburo Van der Boom van 30 oktober 2014; motivatie luchtkwaliteit van Geurts Technisch Adviseurs, van 13 oktober 2014; quickscan geur van G&O Consult, van 20 oktober 2014; veiligheidsinformatieblad natriumhydroxide >=5%, van 22 juli 2008; veiligheidsinformatieblad Sedipur CL 343, van 19 juli 2006; veiligheidsinformatieblad zwavelzuur > 51%, van 22 november 2011; beschrijving scheidingssystemen; beschrijving ultrafiltratie en omgekeerde osmose. De vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd. De procedurele en inhoudelijke aspecten zijn opgenomen in bijlage 1 en 2. De aan deze vergunning te verbinden voorschriften staan in bijlage 3. Hengelo, 5 december 2014 het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland, namens deze
Petra G.M. van Oosterbosch directeur Omgevingsdienst Achterhoek V2014-001194
Pagina 1 van 12
Rechtsmiddelen Bent u het niet eens met dit besluit, dan kunt u hiertegen schriftelijk bezwaar maken. Ook kunt u verzoek om een voorlopige voorziening indienen. Bezwaar Als u het niet eens bent met ons besluit, dan kunt u hiertegen schriftelijk bezwaar maken. U heeft hiervoor zes weken de tijd. Deze zes weken gaan in, één dag na het versturen van dit besluit. Uw bezwaarschrift stuurt u naar het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland, postbus 9090, 6800 GX, Arnhem. Wat moet er altijd in uw bezwaarschrift staan? • uw naam en adres; • de datum waarop u uw bezwaarschrift verstuurt; • een omschrijving van het besluit (met kenmerk) waartegen het bezwaar is gericht; • de reden waarom u bezwaar maakt. Let erop dat u een handtekening onder uw bezwaarschrift zet. Voorlopige voorziening Het indienen van een bezwaarschrift schorst de werking van een besluit niet: het besluit treedt toch in werking. Als u vindt dat de werking van het besluit moet worden tegengehouden, kunt u een verzoek om voorlopige voorziening indienen bij de voorzieningenrechter. Regels voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening: u richt uw verzoek aan de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Via het digitaal loket bestuursrecht op www.rechtspraak.nl kunt u met gebruik van DigiD ook digitaal een voorlopige voorziening vragen; geef duidelijk aan waarom u van mening bent dat er sprake is van onverwijlde spoed en een voorlopige voorziening nodig is; een verzoek om voorlopige voorziening wordt alleen in behandeling genomen als u tevens een bezwaarschrift heeft ingediend. Als bewijs hiervan is het nodig dat u een kopie van het bezwaarschrift en een kopie van het bestreden besluit meestuurt; aan het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening zijn griffiekosten verbonden. U ontvangt hiervoor een acceptgiro van de Rechtbank.
V2014-001194
Pagina 2 van 12
BIJLAGE 1: PROCEDURELE ASPECTEN Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: het milieuneutraal wijzigen van een vleesvarkens- en melkrundveehouderij waarvoor eerder een omgevingsvergunning voor het aspect milieu is verleend. Op 15 juli 2011 en 18 april 2014 zijn respectievelijk een omgevingsvergunning, revisie en een omgevingsvergunning, verandering verleend voor een vleesvarkens- en melkrundveehouderij met mestverwerkingsinstallatie. De mestverwerkingsinstallatie betreft een biogasinstallatie. Deze biogasinstallatie is nog niet gerealiseerd. De huidige aanvraag betreft het plaatsen van een mestscheidingsinstallatie op de locatie van de mestvergistingsinstallatie. De aanvrager wil de mogelijkheid behouden om in de toekomst de biogasinstallatie alsnog te realiseren. In de voorschriften is daarom opgenomen dat binnen de inrichting een mestscheidingsinstallatie of een biogasinstallatie aanwezig mag zijn, echter niet gelijktijdig. Bevoegd gezag Op basis van de ingediende gegevens blijkt dat het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland bevoegd is om een beslissing te nemen over de aanvraag (artikel 2.4 van de Wabo). De Omgevingsdienst Achterhoek heeft het mandaat gekregen om de vergunning al of niet te verlenen. Volledigheid van de aanvraag Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid.
Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Op 31 oktober 2014 zijn bij Gedeputeerde Staten van Gelderland aanvullende zaakstukken ingediend behorend bij de aanvraag voor een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet van 19 juni 2014 (kenmerk: 214-009928). Deze toestemming haakt daarom niet aan bij deze procedure. Procedure De beschikking is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure. De mogelijkheid hiervoor leiden wij af uit artikel 3.10, lid 3 Wabo. Gelet hierop is op 24 november 2014 conform artikel 3.8 Wabo de aanvraag gepubliceerd op de website www.officielebekendmakingen.nl.
V2014-001194
Pagina 3 van 12
BIJLAGE 2: INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN Huidige vergunningsituatie Voor de inrichting zijn voor de activiteit “milieu” eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend, dan wel meldingen geaccepteerd: revisievergunning op grond van artikel 8.4 Wet milieubeheer (beschikkingsdatum: 15 juli 2011); Omgevingsvergunning, verandering op basis van artikel 2.1, lid 1 onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (beschikkingsdatum: 18 april 2014). Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Uit artikel 1.2 lid 1, 2 en 3 van de Invoeringswet Wabo volgt dat een vergunning of ontheffing, die is verleend op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wabo, gelijkgesteld wordt met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit. Toetsingskader De Wabo bepaalt in artikel 2.14, lid 5 dat een omgevingsvergunning voor een milieuneutrale verandering kan worden verleend als voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 3.10, lid 3 van de Wabo. Dit betekent dat de gevraagde vergunning kan worden verleend als de verandering van de inrichting of verandering van de werkwijze binnen de inrichting: 1. niet zal leiden tot het ontstaan van een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend; 2. niet zal leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning zijn toegestaan; 3.
geen aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport. ad 1. Toetsing andere inrichting Eerder is een omgevingsvergunning verleend voor een vleesvarkens- en melkrundveehouderij met mestverwerkingsinstallatie. Op basis van de in de aanvraag opgenomen beschrijving van de verandering kan worden opgemaakt dat de verandering niet leidt tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een vergunning is verleend. ad 2. Toetsing gevolgen voor het milieu Om te beoordelen of de wijzigingen van de inrichting leiden tot andere of grotere gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning zijn toegestaan overwegen wij het volgende. De wijzigingen ten opzichte van de reeds vergunde situatie zijn in hoofdzaak de volgende: het plaatsen van een mestscheidingsinstallatie binnen de inrichting. Wij concluderen dat de hierboven genoemde wijziging niet zal leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning zijn toegestaan. Wij komen tot deze conclusie omdat er geen wijzigingen plaatsvinden in de hoofdactiviteiten. Bij de ingediende aanvraag zijn bijlagen gevoegd waaruit blijkt dat de aangevraagde activiteiten binnen de vergunde geur-, ammoniak-, geluid- en stofemissies blijven.
Geur Om te kunnen beoordelen voor het milieuaspect geur de aangevraagde wijziging milieuneutraal is ten opzichte van laatst verleende omgevingsvergunningen, is door de aanvrager een geurscan bij de aanvraag gevoegd. De geurscan is opgesteld door G&O Consult (het document is ongedateerd en niet voorzien van een kenmerk). Op basis van de geurscan kan geconcludeerd worden dat de geurbelasting op de omgeving vanuit de milieuneutrale aanvraag ruimschoots lager is dan die vanuit de vergunde V2014-001194
Pagina 4 van 12
situatie. Daarnaast wordt voldaan aan de minimale afstanden voor agrarische geurhinder uit het Activiteitenbesluit, zoals aanbevolen in de Handleiding bewerken en verwerken van mest op boerderijschaal. Ammoniak De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) bevat bijzondere regels voor de gevolgen van ammoniakemissie uit bij veehouderijen behorende dierenverblijven. De wijze waarop de ammoniakemissie uit de dierenverblijven bij een veehouderij moet worden berekend is opgenomen in de bij deze wet behorende ministeriële regeling, de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Samen met de emissie-eisen die op grond van de Wet milieubeheer aan de huisvesting van dieren worden gesteld (Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij), vormt de Wav het wettelijke instrumentarium voor het aspect ammoniak. Indien de inrichting een IPPC-installatie betreft worden in dit kader ook nog verdergaande eisen gesteld. Deze eisen komen voort uit de RIE. Voor de gevolgen voor het milieu die veroorzaakt worden door directe opname uit de lucht van ammoniak door bomen en planten is de Wav niet van toepassing. De Wav is een op emissie gerichte benadering van de ammoniakproblematiek. De in de aanvraag beschreven voorgenomen activiteiten betreft geen verandering van het aantal en soort te houden dieren.
Daarnaast vinden er geen veranderingen plaats ten aanzien van de binnen de inrichting aanwezige huisvestingssystemen. De aangevraagde bedrijfsactiviteiten hoeven daarom niet getoetst te worden aan de Wav en de Rav. De wijziging binnen de inrichting betreft het plaatsen van een mestscheidingsinstallatie. In de mestscheidingsinstallatie wordt varkensmest gescheiden in een dunne en een dikke fractie. De dunne fractie wordt via een gesloten systeem gezuiverd/gefilterd zodat de fracties concentraat en permeaat overblijven. Het concentraat wordt als meststof afgevoerd vanuit de inrichting en het permeaat wordt als waswater hergebruikt binnen de inrichting. De dikke fractie wordt opgeslagen op een inpandige vaste mestopslag en periodiek afgevoerd uit de inrichting. Ammoniakemissie vanuit de mestscheidingsinstallatie zal minimaal zijn, aangezien de mestscheiding inpandig zal plaatsvinden in grotendeels een gesloten systeem. Geluid Om te kunnen beoordelen voor het milieuaspect geluid de aangevraagde wijziging milieuneutraal is ten opzichte van laatst verleende omgevingsvergunningen, is door de aanvrager een beknopt akoestisch onderzoek bij de aanvraag gevoegd. Het akoestisch onderzoek is opgesteld door Adviesburo Van der Boom BV, kenmerk 14-188b1 van 30 oktober 2014.
Uit het beknopte akoestisch onderzoek blijkt dat de wijzigingen binnen de inrichting voor wat betreft het onderdeel langtijdgemiddeld geluidniveau milieuneutraal is. Bij alle woningen en op de meeste beoordelingspunten op 50 m van de inrichting wordt onder de richtwaarde voor landelijk gebied gebleven. Op geen van de beoordelingspunten neemt de langtijdgemiddelde geluidbelasting toe. Maximale geluidniveaus zijn niet onderzocht. Op basis van de aangevraagde wijzigingen verwachten wij geen toename van de maximale geluidniveaus. Wij zijn van oordeel dat de aangevraagde wijzigingen binnen de inrichting binnen de vergunde geluidsruimte past. De geluidvoorschriften behorend bij de op 15 juli 2011 verleende vergunning zijn ook van toepassing op de aangevraagde milieuneutrale wijzigingen binnen de inrichting.
V2014-001194
Pagina 5 van 12
Luchtkwaliteit Om te kunnen beoordelen voor het milieuaspect luchtkwaliteit de aangevraagde wijzigingen binnen de inrichting milieuneutraal zijn ten opzichte van laatst verleende omgevingsvergunningen, is door de aanvrager een motivatie luchtkwaliteit bij de aanvraag gevoegd. De motivatie luchtkwaliteit is opgesteld door Geurts Technische Adviseurs, projectnummer 8.5086 van 13 oktober 2014. Uit de motivatie luchtkwaliteit blijkt dat per saldo de emissies van PM10 niet toenemen en de emissies van NO2 afnemen. Geconcludeerd kan worden dat de luchtkwaliteit door de milieuneutrale wijzigingen binnen de inrichting niet verslechtert en voor NO2 zelfs verbetert. ad 3. Toetsing milieueffectrapportage (m.e.r.) De activiteiten binnen het bedrijf zijn genoemd in Bijlage C of D van het Besluit milieueffectrapportage, namelijk het houden van meer dan 3.000 stuks vleesvarkens. Binnen de inrichting wordt een mestscheidingsinstallatie geplaatst. Deze verandering heeft geen invloed op de mer(beoordelings)-plicht. Voorschriften In de revisievergunning van 15 juli 2011 en de veranderingsvergunning 18 april 2014 zijn voorschriften opgenomen. Deze voorschriften hebben betrekking op de gehele bedrijfsvoering. Gelet op de voorgenomen wijzigingen verbinden wij nieuwe voorschriften aan dit besluit. De voorschriften zijn in bijlage 3 vermeld.
De overige voorschriften van de revisievergunning van 15 juli 2011 en de veranderingsvergunning van 18 april 2014 blijven onverminderd van kracht voor die activiteiten waarvoor het Activiteitenbesluit niet van toepassing is. Conclusie De aangevraagde verandering leidt niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu ten opzichte van de vergunde bedrijfssituatie. Verder leidt de verandering niet tot een andere inrichting dan waarvoor 15 juli 2011 en 18 april 2014, respectievelijk een revisie- en veranderingsvergunning zijn verleend. De wijzigingen binnen de inrichting leiden daarnaast niet tot het opstellen van een milieueffectrapport. Op grond van deze overwegingen kan de aangevraagde activiteit onder voorwaarden worden verleend.
V2014-001194
Pagina 6 van 12
BIJLAGE 3: VOORSCHRIFTEN 1
Algemeen
1.1.1
Binnen de inrichting mag een co-vergistingsinstallatie of mestscheidingsinstallatie gerealiseerd worden.
1.1.2
Binnen de inrichting mogen niet gelijktijdig een co-vergistingsinstallatie en mestscheidingsinstallatie aanwezig zijn. Toelichting: Op de co-vergistingsinstallatie zijn de voorschriften behorende bij het besluit van 15 juli 2011, zaaknummer 2010-017418/MPM20675, van toepassing.
1.1.3
De co-vergistingsinstallatie moet gerealiseerd en in werking zijn overeenkomstig het besluit van 15 juli 2011, inclusief bijbehorende bijlagen, zaaknummer 2010017418/MPM20675.
2
Mestscheidingsinstallatie
2.1
Algemeen
2.1.1
De mestscheidingsinstallatie met bijbehorende leidingen en onderdelen moet zodanig zijn gedimensioneerd, geïnstalleerd en worden onderhouden dat altijd een goede werking is gewaarborgd. Inspecties van en onderhoud aan de verschillende onderdelen van het systeem moet plaatsvinden volgens de daarvoor door de fabrikant/leverancier gestelde richtlijnen en frequentie.
2.1.2
De mestscheidingsstallatie moet in overeenstemming met de bij de vergunning behorende tekening en bijlagen worden uitgevoerd, tenzij anders in de voorschriften staat aangegeven.
2.1.3
In de mestscheidingsstallatie mag alleen varkensmest worden verwerkt.
2.1.4
In de mestscheidingsinstallatie mag maximaal 5000 m3 varkensmest worden verwerkt die afkomstig is van buiten de inrichting.
2.1.5
Op jaarbasis mag maximaal 25.000 m3 varkensmest worden verwerkt in de mestscheidingssinstallatie.
2.1.6
Van alle varkensmest die in de mestverwerkingsinstallatie wordt verwerkt moet door de vergunninghouder een registratie worden bijgehouden. De registratie moet minimaal de volgende gegevens bevatten: Alle deelstromen van vloeistoffen die tijdens het verwerkingsproces vrijkomen moeten naar hun aard worden afgevoerd naar één van de bij het verwerkingsproces behorende opslagen en mogen niet worden teruggevoerd in de opslag van onbehandelde mest.
V2014-001194
Pagina 7 van 12
2.1.7
De nabehandeling van de dunne mestfractie in de omgekeerde osmose installaties dienen onder afgesloten condities te werken.
2.1.8
Alle ventilatielucht uit de mestverwerkingruimte met bijbehorende opslag van dikke mestfractie moet via de ventilatieopening deze ruimte verlaten. Ramen en deuren van deze ruimte moeten gesloten worden gehouden voor zover ze geen functie hebben voor luchtinlaat of het doorlaten van personen, dieren of goederen.
2.1.9
Bij storingen of lekkages in het systeem moet de installatie zelfstandig stoppen en verantwoordelijke personen direct waarschuwen. De verwerkingsinstallatie moet beveiligd zijn om bij calamiteiten schade aan de omgeving en het milieu zoveel mogelijk te voorkomen.
2.1.10 De ruimten waarin de mestscheidingsinstallatie staat mag niet toegankelijk zijn voor onbevoegden. 2.1.11 Verontreinigd afvalwater dat afkomstig is van het reinigen van de ruimte waarinde mestscheidingsinstallatie staat en vloeistoffen die bij eventuele calamiteiten vrijkomen moeten via een gesloten leiding worden afgevoerd naar een niet van een overstort voorziene opslagruimte(put). De leiding en de vloer en wanden van de opslagvoorziening moeten mestdicht zijn en bestand zijn tegen de inwerking van het middel (de middelen) die aan de mest/vloeistof zijn toegevoegd. Deze vloeistoffen mogen niet worden afgevoerd naar de bodem, het grondwater, het oppervlaktewater of het gemeentelijke vuilwaterriool. 2.1.12 De vloer van de mestscheidingssruimten moeten vloeistofkerend zijn uitgevoerd. De vloer moet vloeistofkerend aansluiten op de wanden van deze ruimte. Voorzieningen moeten zijn getroffen om bij lekkage direct op te kunnen treden. 2.1.13 De mestscheidingsinstallatie en de omgekeerde osmose installaties moeten zijn voorzien van een urenteller of een centraal registratiesysteem waaruit de bedrijfsuren eenvoudig zijn te herleiden. 2.2
Behandeling en bewaring van drijfmest ter behandeling in de mestscheidingsinstallatie
2.2.1
Het transport van varkensmest naar de mestscheidingsinstallatie moet plaatsvinden in volledig gesloten transportmiddelen of via gesloten afvoerleidingen. Afvoerleidingen voor de afvoer in vrij verval moeten voldoen aan de eisen van het hoofdstuk andere mestafvoersystemen uit het technisch informatiedocument 'Afvoersystemen voor de varkenshouderij'. Deze eisen zijn opgenomen in de checklist ander mestafvoersysteem bij huisvestingssysteem van juni 2008 die deel uit maakt van dit technisch informatiedocument.
V2014-001194
Pagina 8 van 12
2.2.2
Een bufferopslag voor dunne mest die niet geheel of gedeeltelijk onder een gebouw is gelegen moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uitgegeven publicatie Richtlijnen Mestbassins 1992 (RM 1992).
2.2.3
De bufferopslag mag niet zijn voorzien van een overstort (noodoverloop).
2.2.4
De afvoerpunten van de opslagruimte moeten door middel van goed sluitende deksels gesloten worden gehouden, behoudens tijdens het leegmaken ervan.
2.2.5
Het terrein van de inrichting mag niet worden bevloeid of op andere wijze van een laag mest of gier worden voorzien, behoudens bij het bemesten van grond volgens de normale bemestingspraktijk.
2.3
Behandeling en bewaring dikke mestfractie
2.3.1
De dikke mestfractie uit de mestscheider moet worden afgevoerd naar en bewaard worden in de daarvoor bestemde opslagruimte (vaste mestopslag). De mestopslagruimte moet zijn voorzien van een vloeistofkerende vloer met een vloeistofkerende op staande rand of een gelijkwaardige voorziening.
2.3.2
De opslagruimte (vaste mestopslag) moet zijn voorzien van een overkapping zodat geen hemelwater in de mest terecht kan komen.
2.3.3
Afvoer van de dikke mestfractie moet geschieden in daarvoor geschikte transportmiddelen die op correcte wijze moeten zijn beladen.
2.4
Opslag concentraat
2.4.1
Het concentraat dat vrijkomt uit de mestscheidingsinstallatie moet worden opgeslagen in de daarvoor bestemde opslagtanks en periodiek worden afgevoerd uit de inrichting.
2.4.2
De stijfheid en sterkte van de opslagtanks en de leidingen moet voldoende zijn om schadelijke vervorming als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen, terwijl de dichtheid onder alle omstandigheden moet zijn verzekerd.
2.4.3
De opslagtanks voor concentraat mogen niet zijn voorzien van een overstort (noodoverloop).
2.4.4
De opslagtanks mogen slechts voor 95% worden gevuld.
2.4.5
Indien een vloeistofstandaanwijzer of peilinrichting is aangebracht, moet deze zodanig zijn ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de opslagruimte, ook door verkeerde werking of door breuk, wordt voorkomen.
2.4.6
De opslagtanks voor concentraat moeten zijn voorzien van een ontluchtingspijp of ontluchtingsopening met een inwendige middellijn van ten minste 50 mm die uitmondt in de buitenlucht.
V2014-001194
Pagina 9 van 12
2.4.7
In elke aansluiting op de opslagtank beneden het hoogste vloeistofniveau moet zo dicht mogelijk bij de wand een afsluiter zijn geplaatst. Deze moet zodanig zijn uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend, dan wel is gesloten.
2.4.8
Het is niet toegestaan concentraat in de gemeentelijke riolering te brengen.
2.4.9
Bij het vullen of leegmaken van de opslagtanks mag geen verontreiniging van de bodem plaatsvinden.
2.4.10 Bij het afvoeren van concentraat mag de omgeving niet worden verontreinigd. Transport moet plaatsvinden in gesloten tankwagens. 2.5
Opslag waterige fractie (permeaat)
2.5.1
De waterige fractie uit de omgekeerde osmose installatie moet worden opgeslagen in een hiervoor bestemde afgesloten bufferopslag (opslagtank).
2.5.2
De stijfheid en sterkte van de opslagtank en de leidingen moet voldoende zijn om schadelijke vervorming als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen, terwijl de dichtheid onder alle omstandigheden moet zijn verzekerd.
2.5.3
De opslagtank voor waterige fractie mag niet zijn voorzien van een overstort.
2.5.4
De bufferopslag (opslagtank) mag slechts voor 95% worden gevuld.
2.5.5
Indien een vloeistofstandaanwijzer of peilinrichting is aangebracht, moet deze zodanig zijn ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de opslagtank, ook door verkeerde werking of door breuk, wordt voorkomen.
2.5.6
In elke aansluiting op de opslagtank beneden het hoogste vloeistofniveau moet zo dicht mogelijk bij de wand een afsluiter zijn geplaatst. Deze moet zodanig zijn uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend, dan wel is gesloten.
2.5.7
De opslagtank voor waterige fractie moet zijn voorzien van een ontluchtingspijp of ontluchtingsopening met een inwendige middellijn van ten minste 50 mm.
2.5.8
Het is niet toegestaan waterige fractie in de gemeentelijke riolering te brengen.
2.5.9
De waterige fractie mag worden toegepast als waswater voor het reinigen van binnen de inrichting aanwezige stallen of als waswater in de binnen de inrichting aanwezige luchtwassers.
V2014-001194
Pagina 10 van 12
2.6
Registratie
2.6.1
In (digitale) centrale registratie (logboek) moeten de volgende gegevens worden bijgehouden en documenten aanwezig zijn: • • • • • • •
•
•
•
•
2.6.2
een exemplaar van de voor inrichting geldende vergunningen; de datum/data waarop de mestscheidingsinstallatie in gebruik is genomen/werkzaam is geweest; onderhoudscontract en onderhoudsbonnen van de leverancier; een registratie van de uren waarop de mestscheidingsinstallatie en de omgekeerde osmose-installatie in werking is (geweest); van de aangevoerde varkensmest moet een registratie worden bijgehouden. Hierbij moeten ten minste de volgende gegevens worden aangegeven: datum van ontvangst de vracht, hoeveelheid per vracht; de hoeveelheid varkensmest die is verwerkt, dan wel de hoeveelheid van de geproduceerde mestfracties; de data waarop storingen aan de verwerkingsinstallatie zijn opgetreden en verholpen, alsmede de data waarop onderhoud aan de verwerkingsinstallatie is verricht (de naam van de uitvoerende persoon / instantie dient hierbij te worden aangegeven); van de afgevoerde fracties (concentraat en dikke fractie) moet een registratie worden bijgehouden.
Hierbij moeten ten minste de volgende gegevens worden aangegeven: soort fractie, gewicht, datum en tijd van afvoer, transporteur en doelbestemming; de bevindingen van alle inspecties die met betrekking tot de zorg voor het milieu van belang zijn, waaronder een overzicht met de controleresultaten op lekkage dan wel verstopping van het zuiveringsmembraan en –filter van de omgekeerde osmose installatie, dat via een elektrische geleidbaarheidsmeting wordt gecontroleerd; datum, tijdstip en alle van belang zijnde gegevens (zoals tijdstip, tijdsduur, aard, hoeveelheid, oorzaak en plaats) van voorgevallen incidenten en storingen die van invloed zijn op de lozing van afvalwater (waterkwaliteit en –kwantiteit) en de werking van de zuiveringstechnische voorzieningen, met vermelding van de genomen maatregelen; de registratie van de afvalstoffen die in de zuiveringstechnische voorzieningen zijn verwijderd, opgeslagen en afgevoerd; daarbij moeten de hoeveelheid, naam van de transporteur en de uiteindelijke bestemming worden geregistreerd;
De gegevens in het (digitale) centrale registratie (logboek) moeten gedurende minimaal 5 jaar bewaard en voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.
V2014-001194
Pagina 11 van 12
3
Opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking (geen vuurwerk, vaste kunstmest en andere ontplofbare stoffen)
3.1
Opslag verpakte gevaarlijke stoffen
3.1.1
De verpakking van gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen, vloeibare bodembedreigende stoffen en CMR-stoffen is tegen normale behandeling bestand en is zodanig dat niets van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen.
3.1.2
Het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen in verpakking, vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding of een lekbak.
3.1.3
Lege, ongereinigde verpakkingen van gevaarlijke stoffen moeten worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften voor volle verpakkingen van gevaarlijke stoffen van deze vergunning.
V2014-001194
Pagina 12 van 12
Locatie Hoeninkdijk 8, alsmede Kloosterdijk 13 te Aalten t.n.v. H.J. Meerdink, J.B. Meerdink-te Kolstee, H.C.J. Meerdink, J.G.J. Meerdink en H.J.W. Meerdink (hierna te noemen: Meerdink – bestemmingsplan, bouw en milieu Geplande locatie mestverwerking toegestaan op dit gedeelte van het bouwvlak
Vigerende vergunningssituatie Er is door GS een revisievergunning op 15 juli 2011 afgegeven voor een vleesvarkens- en melkrundveehouderij met een biogasinstallatie c.q. mestverwerking en op 18 april 2014 een wijzigingsvergunning voor het rundveegedeelte. In deze notitie wordt enkel ingegaan op het onderdeel mestverwerking waarbij de juridische kaders van de revisievergunning 2011 en de Natuurbeschermingswetvergunning (NB) van 10 maart 2014 leidend zijn.
Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
1
Bestemmingsplan – Agrarisch met waarden – 3 – multifunctioneel met landschapswaarden Ten aanzien van het bestemmingsplan (Buitengebied, partiële herziening 2012) wordt opgemerkt dat een “specifieke vorm van agrarisch – co-vergisting” alleen in het daarvoor betreffende aangewezen vlak (ca. 80 x 80 mtr.) mag worden opgericht en in werking zijn, met dien verstande dat er een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen die luidt als volgt: 6.6 Afwijken van de gebruiksregels 6.6.3 Andere vormen van bewerking en/of verwerking van mest
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.5.1. Hiermee zijn ook andere vormen van bewerking en/of verwerking van mest mogelijk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - co-vergisting'. Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden: deze andere vormen mogen niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu, de natuurwaarden en het landschap in de omgeving; de aard van de milieubelasting die deze andere vormen veroorzaken is vergelijkbaar met de op grond van dit bestemmingsplan toegestane co-vergistingsinstallatie; de omvang van de milieubelasting die deze andere vormen veroorzaken is niet groter dan de op grond van dit bestemmingsplan toegestane co-vergistingsinstallatie; de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad; er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de op grond van dit bestemmingsplan toegestane covergistingsinstallatie. Toelichting en aanleiding Voor deze locatie is een vigerende milieuvergunning aanwezig voor het verwerken van bedrijfseigen mest in een biogasinstallatie, dit is ook toegestaan volgens de voorschriften van het bestemmingsplan. Momenteel is de biogasinstallatie (nog) niet gerealiseerd.
Anno 2014 is enkel het realiseren van een biogasinstallatie niet de meest voor de hand liggende mestverwerkingstechniek, zeker met in het achterhoofd de verplichte mestverwerking die per 1 januari 2014 is ingegaan. Voor 2014 dient 15% van het bedrijfsoverschot uitgedrukt in fosfaat (P) te worden verwerkt (verwerking van mest in de praktijk is dit mest verbranden of exporteren). De verwachting is dat in 2015 zelfs 30% verwerkt moet worden. Een co-vergistingsinstallatie is niet specifiek gericht op het produceren van eindstromen die bij uitstek geschikt zijn in het kader van de mestverwerkingsplicht. Inmiddels zijn er diverse mestverwerkingstechnieken bekend en beschikbaar in NL en in het buitenland. Op dit moment wordt gekozen voor een bestaande en bewezen mestbe- en verwerkingstechniek die in de agrarische sector al met succes wordt toegepast, namelijk: scheiden, Ultra Filtratie (UF) en Reverse Osmosis (RO). Deze 3 technieken be- en verwerken de drijfmest in een dikke stapelbare fractie, een mineralenconcentraat en schoon water. De dikke fractie bevat met name veel P en het mineralenconcentraat N en K. Het geproduceerde water (permeaat) uit de RO is schoon water en kan hierom weer worden ingezet als bedrijfswater, namelijk waswater voor de aanwezige luchtwassers en Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
2
schrobwater voor stalreiniging etc. Zie hierna een uitgebreide toelichting onder “beschrijving installatie”. Nieuwe opzet De aanvrager kiest ervoor om gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid die het bestemmingsplan biedt. De achterliggende gedachte is dat de aanvrager, mocht die situatie zich voordoen, altijd de mogelijkheid heeft om de vergunde biogasinstallatie alsnog op te richten. Hiervoor dient beoordeeld te worden of de beoogde mestverwerkingsinstallatie kan voldoen aan de randvoorwaarden van artikel 6.6.3. Daarnaast spelen er mogelijk nog 2 andere zaken die van toepassing kunnen zijn: archeologische waarde 1 multifunctioneel met landschapswaarden Ten aanzien van archeologie wordt opgemerkt dat deze niet van toepassing is omdat de grens van >500 m2 nieuwe bebouwing niet wordt bereikt. Wat betreft de beoordeling van landschapswaarden, wordt opgemerkt dat er ten tijde van de bestemmingsplanprocedure een goedgekeurd inpassingsplan 2010 is opgesteld waaraan voldaan moet worden. Milieu Voor de beoogde mestverwerkingsinstallatie zal een milieu neutrale omgevingsvergunningaanvraag worden ingediend, met dien verstande dat de nu vergunde biogasinstallatie niet komt te vervallen. Dit type aanvraag sluit namelijk naadloos aan bij de motivatie die op grond van het bestemmingsplan benodigd is.
Inmiddels is deze notitie besproken op 18 juli 2014 in het kader van een vooroverleg met de gemeente Aalten, voor de onderdelen RO en Milieu. Natuurbeschermingswet Voorafgaand aan het indienen van een milieuneutrale aanvraag, zal er separaat een verzoek om NB vergunning worden ingediend bij de Provincie Gelderland, welke hiervoor het bevoegd gezag is. Uitwerking afwijkingsbepaling Om gebruik te kunnen maken van de afwijkingsbepaling zal de aanvrager een representatief vergelijk moeten maken tussen de vergunde biogasinstallatie en de voorgenomen installatie. Deze notitie voorziet in deze behoefte en maakt dit voor de verschillende aspecten inzichtelijk. Daarnaast zal verder worden ingegaan op de nieuwe installatie qua proces en techniek beschrijving, die tevens noodzakelijk is voor het milieuspoor. Beschrijving vergunde biogasinstallatie Ruimte Voor de inrichting is een vergunning aanwezig voor een co-vergistingsinstallatie. Deze bestaat grofweg uit de volgende onderdelen: • Sleufsilo’s en tanks voor de opslag van co-substraten (ca. 959 m2) • Hoofd- en na-vergister van elk ca. 1800 m3 (ca. 628 m2) • Na-opslag van ca. 4200 m3 (ca. 707 m2) Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
3
• Doseer/mengruimte (ca. 35 m2) • WKK ruimte (ca. 27 m2) De totale oppervlakte bebouwing bedraagt ca. 2356 m2. (Voor een nadere beschrijving van het co-vergistingsproces wordt gemakshalve verwezen naar de verleende milieuvergunning van 15 juli 2011. Daarnaast wordt opgemerkt dat de biogasinstallatie zoals vergund, bouwvergunningvrij kan worden opgericht) De verwerkingscapaciteit van deze installatie is als volgt: • 29.389 ton dierlijke mest per jaar • 6.000 ton co-substraten per jaar • Totaal: 35.389 ton biomassa per jaar • Totaal ca. 96 ton per dag Geluid De geluidsbelasting naar de omgeving als gevolg van de co-vergistingsinstallatie wordt voornamelijk veroorzaakt door de WKK en transportbewegingen. Het gaat om de aanvoer van mest en co-substraten en de afvoer van digestaat: 42 vrachtwagenbewegingen per week. Daarnaast geeft ook het dagelijks “voeden” van de vergister geluidsuitstraling. Circa 1 uur per dag is een shovel in bedrijf. Geur De mogelijke geurbronnen bij co-vergisting zijn: • Geuremissie door opslag van vaste co-substraten in sleufsilo’s • Geuremissie bij het storten van co-substraten in de mengput • Geuremissie afkomstig van de WKK Geuremissie naar de omgeving wordt door good-housekeeping tot een minimum beperkt door onder meer sleufsilo’s direct na lossen/laden af te dekken en bij het voeden de mengput zoveel mogelijk gesloten te houden.
De WKK zal moeten voldoen aan de landelijke eisen van het Activiteitenbesluit. Het biogas zelf zal in beginsel niet tot geuremissie leiden, omdat dit wordt verstookt in de WKK en bij calamiteiten zal worden afgefakkeld. Lucht Voor de luchtkwaliteit zijn de parameters: NOx, NO2 en PM10 relevant. Voor een WKK geldt ten aanzien van de NOx de eisen van het Activiteitenbesluit. Aan de NO2- en PM10emissie als gevolg van transportbewegingen wordt ruimschoots voldaan aan de luchtkwaliteitseisen.
Beschrijving beoogde mestverwerkingsinstallatie Om de aspecten te beoordelen wordt eerst een beschrijving gegeven van het proces en de technieken. Vervolgens wordt deze installatie getoetst aan de aspecten en tot slot worden de uitkomsten hiervan met elkaar vergeleken en een conclusie getrokken.
Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
4
Algemeen Anders dan bij de vergunde biogasinstallatie wordt in de beoogde mestverwerking geen rundveemest verwerkt en ook geen co-substraten toegepast. Alleen de mest van de vleesvarkens van het eigen bedrijf wordt verwerkt. In totaal zijn dit 17.813 vleesvarkens, zie omschreven in de aanvraag van 2010. De mestproductie van vleesvarkens is 0,75 m3 per 7 maanden. Dit komt overeen met 1,2 tot 1,3 m3 per dierplaats per jaar. Daarnaast is sprake van een varkenshouderij met een brijvoerinstallatie, waarvan in het algemeen bekend is dat er een iets hogere mestproductie per dierplaats wordt aangehouden. Voor deze aanvraag is met maximaal 1,4 m3 drijfmest per dierplaats gerekend. Totaal is dit 24.938,2 m3 drijfmest op jaarbasis. Afgerond op 25.000 m3. Onderstaand wordt het proces nader toegelicht.
Drijfmest in kelders onder de stallen / vooropslag 25.000 m3/per jaar Polymeer en IJzersulfaat Ontwateringstafel zeefbandpers
5.250 ton vaste mest
Afvoer per as
30-35% d.s.
Slib uit bioloog en UF
Dissolved Air Flotation (DAF)
Biologische behandelingsunit
Ultra Filtratie UF
Revers Osmosis (RO)
4.250 ton Concentraat
Afvoer per as
Reversid Osmosis (RO)
Permeaat 15.500 m3
Hergebruik binnen de inrichting (luchtwassers en schrobwater)
Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
5
Massabalans Uitgaande van: 1 ton varkensmest met een gemiddeld P2O5 gehalte van 3.7 kg/ton en een N gehalte van 6.8 kg/ton. 210 kg vaste mest met een DS gehalte van 33%, 18 kg/ton P2O5 en 14 kg/ton N 170 kg concentraat met 0.5 kg/ton P2O5 en 8.5 kg/ton N 620 kg schoon proceswater geschikt voor de toepassing in de aanwezige luchtwassers en schrobwater Productie/verwerkingscapaciteit: Capaciteit per jr. 25.000 ton
Vooropslag 5.000
Vaste mest 5.250
Concentraat 4.250
Water 15.500
Transportbewegingen:
Capaciteit Vooropslag Vaste Concentraat Totaal Per dag per jr. mest 25.000 ton 139 131 118 388 1,06 Transport vloeibaar: 36 ton per beweging Transport vast: 40 ton per beweging Er wordt ca. 5.000 m3 mest aangevoerd van een andere locatie, deze is in beheer van Meerdink Exclusief aanvoer hulpstoffen: polymeer en ijzersulfaat (1 vrachtwagen per 2 weken)
Beschrijving proces De mest wordt via mestpompen vanuit de varkensstallen aangevoerd in een afgesloten vooropslag van 250 m3 onder de bestaande werktuigenberging. De drijfmest wordt via een gesloten leidingsysteem naar de nieuwe mestverwerkingshal gepompt. In deze hal wordt polymeer en eventueel ijzersulfaat toegevoegd om een optimale scheiding te bewerkstelligen op de ontwateringstafel en in de zeefbandpers (zie foto).
Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
6
Door deze hulpstoffen worden de kleine onopgeloste deeltjes in de mest tot vlokken gevormd. Door deze mechanische scheiding wordt er een vaste mest van ca. 30-35% d.s. geproduceerd en een vloeibare fractie. De vaste mest wordt tijdelijk opgeslagen (zie foto), vervolgens met een shovel geladen en afgevoerd van de inrichting met vrachtwagens.
Vanuit de zeefbandpers wordt de vloeibare fractie ingevoerd in een dissolved air flotation (DAF) unit (zie foto). Dit is een container die voorzien is van een lucht injectie mat (5 – 10 liter per minuut) die kleine luchtbelletjes produceert en daarmee de zwevende delen in deze fractie naar de oppervlakte laat drijven. Aan het oppervlak is een schraapmechanisme aanwezig, die de gevormde drijflaag langzaam verwijdert van de vloeistof. Deze fractie wordt teruggeleid naar de vooropslag.
De vloeibare fractie wordt vervolgens in een biologische behandelingsunit gebracht waar omzetting van stikstof (nitrificatie) plaatsvindt, zodat de vloeibare fractie in de navolgende processtap beter gezuiverd kan worden. De luchttoevoer voor dit proces is 600 liter per minuut en wordt gestuurd op basis van het zuurstofgehalte tussen 2 – 6 mg/liter. Het slib wat geproduceerd wordt in deze stap wordt weer teruggeleid naar de 1ste stap. Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
7
De vloeibare fractie die nu deels gezuiverd is van stikstof wordt vervolgens doorgeleid naar een Ultra Filtratie (UF) systeem met een porositeit van 40 nanometer. Deze processtap is als extra voorbehandelingsstap voor de Reverse Osmosis (RO). Het concentraat uit de UF wordt teruggevoerd naar de ontwateringstafel. Het permeaat uit de UF wordt dan als laatste stap naar de RO gevoerd (zie foto/voorbeeld). Het betreft hier een 2 fasen RO die o.a. in de drinkwaterproductie wordt toegepast. In de 1ste RO stap wordt het vrijkomende permeaat nogmaals door een 2de RO gevoerd. Het concentraat uit de 1ste RO stap wordt opgeslagen in 2 tanks en afgevoerd van de inrichting en elders ingezet als “groene mest”. Het concentraat uit de 2de RO stap wordt teruggevoerd naar de 1ste RO. Het permeaat uit de 2de RO wordt opgeslagen in een bestaande vloeistoftank die als waterbuffer dient voor de inrichting.
Ten aanzien van hulpstoffen wordt opgemerkt dat er polymeren en ijzersulfaat worden toegepast (flotatie) bij de voorscheiding en voor de reiniging van de UF en RO natronloog en zwavelzuur (vaatwerk á 200 liter geplaatst in de containers). De biologie, UF en RO zijn allen opgesteld in zeecontainers, welke in de mestverwerkingsloods zijn geplaatst. Procesbewaking De volgende punten zijn in acht genomen bij de installatie: 1. EC meting UF/RO‐Installatie Een continue EC‐Meting op het uitgaande water. Wanneer de ingestelde waarde overschreden wordt, wordt het water niet naar de eindopslag gevoerd maar gaat het retour in de buffersilo. Wanneer een tweede ingestelde waarde overschreden word, treedt er een alarm op en wordt alles uitgeschakeld. 2. Lekkage / Leidingbreuk De hal waar de installatie geplaatst wordt, zal voorzien van een vloeistofkerende en aflopende vloer. Alles wat hier gemorst word, zoals bij een leidingbreuk of lekkage, loopt via
Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
8
een gootsysteem naar een verzamelpunt waar het via een pomp terug in het proces wordt gepompt. 3. Stroomuitval / falende controllers Bij stroomuitval of falende controllers zijn alle pompen uitgeschakeld, automatische kogelkranen zijn allemaal stroom‐ en drukloos gesloten. 4. Overloopdetectie Elke opslagsilo of processilo heeft een analoge meting t.b.v. het niveau. Bij elke tank is een overloopdetectie geïnstalleerd. Bij een falende werking van de analoge meting, spreekt de overloopdetectie aan en reageert de installatie dusdanig dat het overloopgevaar nihil is. Het proces is continue en wordt op afstand door de leverancier op kwaliteit gemonitord en is voorzien van automatische alarmering.
Beoordeling/toetsing bestemmingsplan nieuwe opzet Ruimte Voor de beoogde mestverwerking is een nieuwe loods noodzakelijk met 2 opslag tanks. De vooropslag vindt plaats in de bestaande werktuigenberging/jongveestal. Hierin komt enkel een vaste pompopstelling om de drijfmest vanuit de vooropslag naar de nieuwe loods te verpompen. De volgende onderdelen worden gebouwd: • loods 14 x 20 (280 m2) • opslagtanks voor concentraat (200 m2) De totale oppervlakte bebouwing bedraagt ca. 480 m2. De verwerkingscapaciteit van deze installatie is als volgt: • 25.000 ton dierlijke mest per jaar • Totaal ca. 68 ton per dag Geluid De geluidsbelasting naar de omgeving als gevolg van de beoogde installatie wordt voornamelijk veroorzaakt door transportbewegingen. Het gaat om de afvoer van vaste mest en concentraat en aanvoer van hulpstoffen: 14 vrachtwagenbewegingen per week. Aanvoer van mest gaat middels pompen vanuit de bestaande kelders. De drijfmest die wordt aangevoerd vanaf de andere bedrijfslocatie worden per vrachtwagen aangevoerd en gelost in de vooropslag. Dit zijn 139 vrachtwagens per jaar. Om de 5 werkdagen is een shovel een dagdeel in bedrijf om de vaste mest op te laden t.b.v. afvoer. Geur De mogelijke geurbronnen bij deze vorm van mestverwerking zijn de mechanische scheidingsstappen.
In deze opzet vinden alle processen inpandig plaats, daarnaast zijn deze binnen deze bestaande veehouderij niet als afzonderlijke geurbron te kwantificeren. Ter illustratie de oppervlakte van de mestverwerkingshal beslaat slechts een fractie van de Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
9
aanwezige stallen en voeropslagen. In de praktijk zal geur als gevolg van deze activiteit niet waarneembaar en ondergeschikt zijn aan de huidige activiteiten binnen deze inrichting. Lucht Voor de luchtkwaliteit zijn de parameters: NOx, NO2 en PM10 relevant. Deze vorm van mestverwerking heeft geen betekeniswaardige bijdrage aan deze parameters. Dit wordt geconcludeerd omdat er geen WKK (verbrandingsmotor) meer aanwezig is en het transport substantieel afneemt dan vergund. In de vergunde situatie werd immers al ruimschoots voldaan aan de luchtkwaliteitseisen.
Conclusie toetsing 6.6.3. Aspect Ruimte Geluid Geur
Lucht
Biogas vergund 2356 m2 42 transportbewegingen p/week Continue bron WKK Vaste co-substraten Dagelijks voeden installatie Geur vanaf WKK NOx, NO2 en PM10
Mestverwerking beoogd 480 m2 14 transportbewegingen p/week Geheel inpandig
Afname van NOx, NO2 en PM10 als gevolg van geen WKK en minder transport Op basis van vorenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat; de beoogde mestverwerking ruimschoots voldoet aan artikel 6.6.3 van het bestemmingsplan; de beoogde mestverwerking ruimschoots binnen de vergunde milieu-emissies (kaders) mogelijk is en derhalve kan worden volstaan met een milieuneutrale aanvraag. Het vorenstaande is reeds uitvoerig besproken en getoetst door de gemeente Aalten op 23 juli 2014, als zijnde het bevoegd gezag inzake het bestemmingsplan en akkoord bevonden dat deze mestverwerkingsinstallatie voldoet aan de voorschriften.
Natura2000/NB vergunning Voorafgaand aan het indienen van deze milieuneutrale aanvraag is een zg. wijzigingsverzoek ingediend bij de Provincie Gelderland, waarbij het vergunde depositierecht niet wordt aangepast als gevolg van deze wijziging, maar de omschreven mestverwerkingsinstallatie wel toestaat en de mogelijkheid geeft om de vergunde biogasinstallatie alsnog op een later tijdstip op te richten. Een ontvangstbevestiging hiervan is als bijlage bijgevoegd. Hierdoor is er geen sprake van de “aanhaakplicht”. Bouwen Loods: 14 x 20 x 4,90 (< 5 mtr hoog: bouwvergunningvrij)
Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
10
Milieuemissies BBT De toegepaste mestverwerking zoals is aangevraagd, is aan te merken als BBT. Zie hiervoor ook de bijlagen “scheiding” en “omgekeerde osmose”. Geur / ammoniak Voor de opslag van vaste mest (gedeelte van de mestverwerkingshal) zijn eveneens de eisen van het Activiteitenbesluit van toepassing. Het betreft hier een opslag van ca. 80 ton vaste mest inpandig en daarmee voldoende is voor de opslag van ca. 5 productiedagen. Op basis van de situering blijkt dat de geuremissie voldoet aan de vaste afstand voor mestopslagen zoals dit binnen het vergunningenkader bekend is. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar de bijlage van G&O Consult geurscan milieuneutrale aanvraag Hoeninkdijk 8 en Kloosterdijk 13 Aalten rapport 0006al2714 v1 van d.d. 21 oktober 2014. Lucht Zoals eerder gesteld wordt in de vergunde situatie reeds voldaan aan de daarvoor geldende normering. Om deze milieuneutrale wijziging inzichtelijk te maken is een nadere onderbouwing opgesteld door Geurts Technisch Adviseurs Projectdocument 13 oktober 2014, nr. 8.5086, waarnaar wordt verwezen. Geluid Ten opzichte van de vergunde situatie is er een afname van geluidsemissie als gevolg van minder transportbewegingen en een minder dominante (continue) geluidbron zoals de WKK.
Op basis hiervan wordt reeds geconcludeerd dat de aangevraagde situatie voldoet aan de gestelde geluidsvoorwaarden van de vigerende vergunning. Daar is immers de aanwezigheid van de WKK inbegrepen. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar de bijlage Adviesburo Van der Boom, opdrachtnr. 14-188 van 30 oktober 2014. Bodem Ten aanzien van de bodembescherming wordt opgemerkt dat de mestopslagen/buffers, de vloeren van de mestverwerkingsloods en de opslagen van de toe te passen hulpstoffen voldoen aan de eisen opgenomen in het Activiteitenbesluit. Van de toe te passen hulpstoffen is een productblad als bijlage bijgevoegd. In 2010 is voor deze locatie (ten tijde van de bestemmingsplanprocedure) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en bekend bij de gemeente Aalten. Energie Voor de mestverwerking is jaarlijks ca. 200.000 kWh benodigd (ca. 8 kWh/m3 drijfmest).
Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
11
Afval Bij deze toepassing komen geen bedrijfsafvalstoffen vrij. Water-productie, -verbruik Binnen deze activiteit wordt 15.500 m3 water geproduceerd uit dit verwerkingsprocedé. Intern wordt dit water opgeslagen in een waterbuffer. Van daaruit wordt het water geleid naar de aanwezige luchtwassers en stallen waar het kan worden ingezet als schrob- en reinigingswater. Het globale waterverbruik binnen de inrichting is: luchtwassers varkensstallen: 12.000 m3 per jaar) schrob- en reinigingswater varkenstak: 2.000 m3 per jaar schrob- en reinigingswater rundveetak (niet om melkinstallatie te reinigen): 1.500 m3 per jaar. Door de realisatie van deze mestverwerking wordt een aanzienlijke besparing op het waterverbruik doorgevoerd binnen de inrichting.
J. (Joachim) Tuenter Adviseur vergunningen
***
Locatiescan en uitwerking Meerdink – mestverwerking 2014
12