CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a - Ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 28 oktober 2025, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel advies voor de aanleg van een koetunnel BOPA15.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING “DE HEURNSEWEG 1 AALTEN”

LOCATIE De Heurnseweg 1 7122 LS Aalten

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING “DE HEURNSEWEG 1 AALTEN” Initiatieflocatie:

De Heurnseweg 1 7122 LS Aalten

Adviseur/contact:

FarmConsult Postbus 91 7240 AB Lochem farmconsult@forfarmers.eu

Datum:

april 2025

Versie:

1

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

Opsteller MPM

1

Inhoudsopgave 1

INLEIDING .................................................................................................. 3

1.1

Aanleiding ................................................................................................................. 3

1.2

Ligging van het projectgebied .................................................................................. 4

1.3

Leeswijzer .................................................................................................................. 4

2

GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL .......................................................... 5

2.1

Ruimtelijke en functionele hoofdstructuur ............................................................... 5

2.2

Bestaande situatie .................................................................................................... 6

2.3

Toekomstige situatie ................................................................................................ 7

2.4

Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten ........................................................... 8

3

BELEIDSKADER ........................................................................................... 9

3.1

Rijksbeleid ................................................................................................................. 9

3.1.1

Nationale omgevingsvisie ........................................................................................ 9

3.2

Provinciaal beleid .................................................................................................... 10

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland ........................................................................... 10

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland ....................................................................... 11 3.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................ 11

3.3.1

Omgevingsvisie van de gemeente Aalten ............................................................. 11

4

OMGEVINGSASPECTEN ............................................................................ 15

4.1

M.e.r.-beoordeling .................................................................................................. 15

4.2

Milieuaspecten ........................................................................................................ 16

4.2.1

Bodem .....................................................................................................................16

4.2.2

Akoestiek .................................................................................................................17

4.2.3

Luchtkwaliteit ..........................................................................................................18

4.2.4

Externe veiligheid ....................................................................................................20

4.2.5

Milieuzonering .........................................................................................................23

4.2.6

Geurhinder ..............................................................................................................26

4.2.7

Trillingen ..................................................................................................................28

4.2.8

Gezondheid .............................................................................................................29

4.2.9

Duurzaamheid ........................................................................................................30

4.2.10

Klimaat ....................................................................................................................31

4.3

Fysieke aspecten ..................................................................................................... 32

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

3.3.2 Omgevingsplan ....................................................................................................... 12

1

Cultureel erfgoed....................................................................................................32

4.3.2

Ecologie ...................................................................................................................33

4.3.3

Water en watersystemen .......................................................................................36

4.3.4

Verkeer en parkeren ...............................................................................................40

4.3.5

Kabels en leidingen ................................................................................................40

5 6

BEPERKINGSGEBIEDEN ............................................................................. 41 UITVOERBAARHEID .................................................................................. 42

6.1

Financieel-economische uitvoerbaarheid ............................................................ 42

6.2

Participatie .............................................................................................................. 43

7 8

TOETSING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES ..... 44 BIJLAGEN ................................................................................................. 45

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

4.3.1

2

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Maatschap Heijink (hierna: initiatiefnemer) bezit een melkveehouderij aan De Heurnseweg 1 te Aalten.

Initiatiefnemer wil een koetunnel realiseren voor het vergroten van de

verkeersveiligheid als de koeien naar de wei gaan aan de andere kant van de weg. Op deze manier hoeven ze niet over de weg maar kunnen er onderdoor en heeft het verkeer er geen hinder van.

In november 2024 is een omgevingsoverleg ingediend bij de gemeente Aalten. Het omgevingsoverleg behelst de aanleg van een koetunnel onder De Heurnseweg, nabij De Heurnseweg 1 te Aalten. Op 25 maart 2025 heeft het college besloten in principe in te stemmen met de aanleg van de koetunnel. Vervolgens verzoekt gemeente Aalten initiatiefnemer tot het indienen van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). Toepassing van de Bopa-procedure is mogelijk mits dit niet in strijd is met de regels van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In voorliggende onderbouwing wordt het plan nader toegelicht en gemotiveerd.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

Afbeelding 1: Luchtfoto met projectgebied rood omcirkeld.

3

1.2 Ligging van het projectgebied Het projectgebied is gelegen aan De Heurnseweg 1 ten westen van de bebouwde kom van Aalten. Het projectgebied betreft de percelen die kadastraal bekend zijn als gemeente Aalten, sectie G, nummers 5163, 5034, 5028 en 5027. In onderstaande luchtfoto is de ligging van het projectgebied weergeven.

Afbeelding 2: kaart kadastrale gegevens met aanduiding projectgebied (rood omlijnd)

1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie en wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische omgevingsaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en die getoetst dienen te worden aan het principe van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 wordt achtereenvolgend aandacht besteed aan de beperkingsgebieden en uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een algemene belangen afweging en conclusie geformuleerd ten aanzien van de

gewenste

ontwikkeling.

Gedetailleerde

informatie

zoals

tekeningen,

onderzoeksrapportages en verslagen zijn bijgevoegd in de separate bijlagen in hoofdstuk 8.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en

4

2 Gebiedsprofiel en besluitprofiel 2.1

Ruimtelijke en functionele hoofdstructuur

Het projectgebied maakt onderdeel van het buitengebied van gemeente Aalten. De directe omgeving van het projectgebied kent een overwegend agrarisch karakter. Het projectgebied is gelegen tussen de plaatsen, Varsseveld, Aalten en De Heurne.

Afbeelding 3: Uitsnede topografische kaart met aanduiding projectgebied (rode pijl)

bedrijfswoningen met bijgebouwen en diverse rundveestallen en voorzieningen behorend bij de melkveehouderij aanwezig zijn. Met het project wordt een koetunnel gerealiseerd buiten het bouwvlak, de rest van de locatie blijft ongewijzigd.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

In de bestaande situatie is op locatie sprake van een melkveehouderij, waarbij twee

5

2.2

Bestaande situatie

Het bedrijf ter plaatse van De Heurnseweg 1 betreft een melkveehouderij met een vergunning voor 143 melkkoeien en 110 jongvee. Er zijn twee bedrijfswoningen aanwezig, twee werktuigenbergingen, een jongveestal voor de jongste dieren en een ligboxenstal voor de melkkoeien en het oudere jongvee. Zie ook de milieutekening in de bijlage. De percelen voor het beweiden van het melkvee liggen rondom het bedrijf. Voor een impressie van de

Afbeelding 4: Luchtfoto bedrijfslocatie De Heurnseweg 1 te Aalten.

Het bedrijf beschikt over een Natuurbeschermingswetvergunning Zaaknummer

2012-021273).

Deze

vergunning

heeft

betrekking

dieraantallen: nr stal

OR code

Nr

6

HA 1.100

0

6

HA 2.100

0

5

HA 2.100

0

Afbeelding 5: dieraantallen

Systeembeschrijving overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen

diercategorie

# dieren

Melkkoeien

143

Jongvee

77

Jongvee

33

(d.d. 02-04-2013, op

onderstaande

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

bestaande situatie van het bedrijfsperceel zie onderstaande luchtfoto.

6

2.3

Toekomstige situatie

Initiatiefnemer is voornemens een koetunnel te realiseren voor het vergroten van de verkeersveiligheid als de koeien naar de wei gaan aan de andere kant van de weg. Op deze manier hoeven ze niet over de weg maar kunnen er onderdoor en heeft het verkeer er geen hinder van. Onderstaand impressies van de nieuwe situatie, voor de volledige tekeningen wordt verwezen naar bijlage 1.

Afbeelding 7: Impressie toekomstige koetunnel.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

Afbeelding 6: Impressie toekomstige situatie op plattegrond.

7

2.4 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De voorgenomen ontwikkeling is de aanleg van een koetunnel in het buitengebied van gemeente Aalten. Er zijn weinig ruimtelijke effecten, aan beide kanten van De Heurnseweg wordt een hekwerk geplaatst om de tunnelbak. De weg is aan beide kanten omringd door eikenbomen en extra landschappelijke inpassing is niet noodzakelijk. Daarnaast wordt in verband met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met voldoende afstand tot omliggende functies en activiteiten. Voor een nadere duiding zie hoofdstuk 4. Er kan kortom geconcludeerd worden dat het plan vanuit ruimtelijk oogpunt goed

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

inpasbaar is in de omgeving.

8

3 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee

moeten houden, doch

gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstuk 3 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: •

een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten over- stijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;

•

over een onderwerp internationale verplichtingen of af- spraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld

het

stimuleren

van

biodiversiteit,

duurzame

energie,

watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; •

een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer

bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het

bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

2.

duurzaam economisch groeipotentieel;

3.

sterke en gezonde steden en regio’s;

4.

toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

9

1.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.

2.

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.

3.

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing plan Aangezien sprake is van een kleinschalige ontwikkeling,

waarbij de bestaande

melkveehouderij ongewijzigd blijft en er een koetunnel onder De Heurnseweg wordt gerealiseerd, bestaan er vanuit de NOVI geen belemmeringen. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Nationale Omgevingsvisie.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de omgevingsvisie) vastgesteld. In de omgevingsvisie schetst de provincie haar visie op de ontwikkeling van een toekomstbestendig Gelderland en staat in hoofdlijnen het ruimtelijk beleid van de provincie. Gezond, veilig, schoon en welvarend zijn de hoofddoelen van de omgevingsvisie. Er wordt gefocust op duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie als werkende Gelderland streeft daarbij zeven ambities na, zie onderstaande figuur.

Afbeelding 8: Ambities Gaaf Gelderland

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

bestanddelen voor een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. De provincie

10

Toetsing project De aanleg van een koetunnel onder De Heurnseweg verhoogt de veiligheid op de projectlocatie doordat de koeien niet over de weg gaan en het verkeer er dus geen hinder van ondervindt. Onderhavig project en de wijze van ondernemen door initiatiefnemer ondersteunen het hoofddoel veiligheid van de omgevingvisie. Conclusie: het project past binnen de kaders van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

In de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de omgevingsverordening) vindt de juridische verankering plaats van de omgevingsvisie. De verordening is een van de instrumenten om de ambities uit de omgevingsvisie te realiseren. De verordening bevat regels over de fysieke leefomgeving, activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen en de uitoefening van taken of bevoegdheden door bestuursorganen om te voldoen aan doelstellingen voor de fysieke leefomgeving. Toetsing Het projectgebied ligt binnen de ‘Gelderse streek Achterhoek, hierin moet rekening worden gehouden met de vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Het project is een kleinschalige ontwikkeling die het landschap en de ruimtelijke elementen niet aantast. Het voorziet in het mogelijk maken van beweiding van de melkkoeien, wat de recreatieve beleefbaarheid van de omgeving versterkt. Conclusie provinciaal beleid binnen

het

projectgebied

een

passende

ontwikkeling

is

binnen

de

provinciale

beleidskaders.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie van de gemeente Aalten

De gemeente Aalten is momenteel in gesprek met haar inwoners over de leefomgeving en hoe deze naar de toekomst toe zowel beter te beschermen als beter te benutten. Medio 2025 volgt er een ontwerp omgevingsvisie en het streven is om in het najaar van 2025 de nieuwe omgevingsvisie door de gemeenteraad te laten vaststellen. In de Omgevingsvisie wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende gebieden: •

Kern Aalten {woongebieden en directe omgeving, minus bedrijventerreinen) centrumgebied Aalten

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling

11

•

Kern Dinxperlo, centrumgebied en directe omgeving (minus bedrijventerreinen)

•

Bredevoort en omgeving

•

Barlo en omgeving

•

De Heurne en omgeving

•

De Haart en omgeving

•

IJzerlo en omgeving

•

Dale en omgeving

•

Lintelo en omgeving

•

Aaltense Heurne en omgeving

•

Bedrijventerreinen Aalten en Dinxperlo

Toetsing Het projectgebied is gelegen binnen ‘Lintelo en omgeving’. Het is een kleinschalig project in het buitengebied van de gemeente Aalten met bestemming ‘Agrarisch’ dat past binnen de agrarische sector en de kwaliteit van de leefomgeving niet aantast. Conclusie Het planvoornemen kan nog niet getoetst worden aan de Omgevingsvisie van gemeente Aalten, maar voorzien wordt dat, mede door de kleinschaligheid, de waarden van de Omgevingsvisie niet in het geding komen.

3.3.2

Omgevingsplan

Ter plaatse van het projectgebied gelden de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Verkeer’ en ‘Water’, op basis van bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2015’, zoals onder de Omgevingswet opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie lage verwachting’. Onderstaand is een

Afbeelding 9: Uitsnede bestemmingsplan

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

uitsnede toegevoegd van de verbeelding het betreffende bestemmingsplan.

12

De aanleg van de koetunnel is niet direct mogelijk op grond van de regels van het bestemmingsplan. Middels een omgevingsvergunning voor een Bopa kan het college van Burgemeester en Wethouders toestemming verlenen om de koetunnel te realiseren, onder de volgende voorwaarden: Agrarisch Artikel 3.2.6 in artikel 3.2.6 staan nadere eisen voor de plaats, vorm en afmeting van bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van een ongestoorde ligging van kabels en leidingen. De koetunnel valt onder artikel 3.2.6 onder c, de verkeersveiligheid wordt gewaarborgd, zelfs vergroot door de realisatie van deze tunnel. Verkeer: Artikel 21.1 In artikel 21.1 staat: De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor a. verkeersdoeleinden, en de daarbij behorende wegen, voet- en fietspaden en op- en afritten, met bermen; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen, d. voorzieningen voor de waterhuishouding; e. buis-

en

kabelverbindingen

voor

riolering,

nutsbedrijven

overeenkomstige

doeleinden; f.

beeldende kunstwerken;

g. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapselementen ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel'; h. een openluchttheater ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - openluchttheater'; met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen. De bouwregels in artikel 21.2.1 stellen dat op de gronden bedoeld in artikel 21.1 uitsluitend het volgende mag worden gebouwd: onder c, bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer. De koetunnel valt onder artikel 21.2. lid 1 onder c omdat deze is bedoelt voor de beveiliging van het verkeer. Koeien die onder de weg doorgaan vormen geen gevaar voor de verkeersveiligheid, koeien die over de weg moeten wel.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

en tevens bestemd voor:

13

Water: Artikel 23 Artikel 23.4.1 Hierin staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden uit te (laten) voeren. a. het aanleggen van oppervlakteverhardingen; b. het aanplanten van bomen en/of houtgewas; c. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas; d. het dempen, graven, vergraven, verleggen, afdammen of herprofileren van waterlopen, watergangen en/of waterpartijen; e. het aanbrengen van voorzieningen, waaronder afschermende materialen; f.

het afgraven, egaliseren en/of ophogen van gronden.

In artikel 23.4.3 staat dat de onder artikel 23.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden toelaatbaar zijn, indien en voor zover: a. er

geen

onevenredige

aantasting

plaatsvindt

van

de

natuurwaarden,

landschappelijke- en/of cultuurwaarden van de gronden; b. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit. De koetunnel zorgt niet voor een onevenredige aantastig van de natuurwaarden, landschappelijke- en/of cultuurwaarden van de gronden. De constructie is grotendeels ondergronds en deze zorgt er juist voor dat weidegang duurzaam ingezet kan worden binnen de agrarische bedrijfsvoering en de ‘koe in het landschap’ dus behouden blijft voor de omgeving. Er is contact geweest met het waterschap (zie bijlage 4), de aanwezige waterloop wordt via een duiker onder de koetunnel door gelegd. Er is geen sprake van een wijziging in de waterkwaliteit of -kwantiteit. Waarde - Archeologie lage verwachting: Artikel 34 Hierin staat dat indien een bouwwerk groter is dan 5000 m2 er een archeologisch onderzoek moet worden overlegd. De koetunnel is niet groter dan 5000 m2 en voldoet dus aan de

Om

het

voorgaande

juridisch

planologisch

te

kunnen

borgen,

moet

een

omgevingsvergunningaanvraag worden ingediend voor de activiteit afwijken van regels in het omgevingsplan voor het toepassen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). Toepassing van de Bopa-procedure is mogelijk mits dit niet in strijd is met de regels van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In voorliggende onderbouwing wordt het plan nader toegelicht en gemotiveerd. Conclusie Het planvoornemen past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. In navolgend hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

bouwregels van deze dubbelbestemming.

14

4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk vindt een beoordeling plaats van de invloed van het plan op diverse omgevingsaspecten. Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu-) invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Deze grondslag is terug te vinden in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ten behoeve van het onderhavige plan zijn de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten uitgewerkt. Deze aspecten komen in navolgende paragrafen aan bod. Daarbij wordt per omgevingsaspect eerst het algemene kader beschreven en komt vervolgens de toetsing aan het plan aan bod.

4.1

M.e.r.-beoordeling

Algemeen Onderdeel van de beoordeling of toelichting volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet en afdeling 11.1 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een plan-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.1 van het Omgevingsbesluit. Een plan-m.e.r. is verplicht als het plan/programma kaderstellend is voor m.e.r.(beoordelings)-plichtige besluiten of als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van natuurwetgeving. In twee situaties dient een plan-mer-beoordeling opgesteld te worden: 1.

Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V van het omgevingsbesluit, maar het gaat om een kleine wijziging van een plan of een plan voor kleine gebieden op lokaal niveau.

Toetsing Voor de vraag of sprake is van een m.e.r-(beoordelings)plichtig besluit dient allereerst te worden gekeken naar de omschrijving in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien met het initiatief geen sprake is van een project als in kolom 1 van bijlage V is geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. In die zin is het omgevingsplan geen kaderstellend plan voor het besluit. Bovendien is geen sprake van een situatie waarvoor een passende beoordeling opgesteld dient te worden op grond van natuurwetgeving. Aangezien het plan niet mer-plichtig is, dient beoordeelt te worden of een plan-merbeoordeling uitgevoerd moet worden. De plan-mer-beoordeling is enkel noodzakelijk indien

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

2.

15

sprake is van een plan dat kaderstellend is voor projecten die niet zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar die wel milieueffecten kunnen hebben. Uit onderhavige toelichting volgt dat het voornemen niet leidt tot aanzienlijke milieugevolgen, mede door een beperkte aard en omvang van het initiatief. Derhalve is een mer-beoordeling niet noodzakelijk. Conclusie Uit onderhavige toelichting blijkt dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke

leefomgeving

geen

aanleiding

geven

tot

het

opstellen

van

een

mer-

(beoordelings)rapportage.

4.2

Milieuaspecten

4.2.1

Bodem

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele

•

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

•

evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

•

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Bij omgevingsplanactiviteit zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: •

worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming;

•

worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen;

•

in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

16

Toetsing plan In lijn met de herontwikkeling van de planlocatie, heeft Hutton Geotechniek advies een verkennend grondonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek is het in beeld brengen van de in-situ bodemeigenschappen. (zie bijlage 2) Zoals te lezen in het rapport, vormen de onderzoeksresultaten naar mening van Hutton Geotechniek geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling. In de tunnel komen aan beide kanten van de weg pompputten met veeroosters waar het water en de sporadisch voorkomende mest in opgevangen worden. Deze worden periodiek en indien nodig uitgezogen en overgepompt in de mestkelders onder de stallen. De uitvoering van de tunnel is deels in prefab betononderdelen en in het werk gestort beton en de vloer loopt tot boven de grondwaterstand waardoor er geen sprake kan zijn van bodemverontreiniging. Conclusie Kortom, vanuit het oogpunt van bodemkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

4.2.2

Akoestiek

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.) Algemeen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: •

het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;

•

het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen.

17

•

het bevorderen van bronmaatregelen;

•

het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels:

•

het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing plan Onderhavig initiatief betreft de realisatie van een veetunnel. Dit is geen nieuw geluidsgevoelig object en vormt hierdoor geen belemmering voor de omgeving en toekomstige ontwikkelingen. De geluidsuitstoot van de locatie zal niet wijzigen. Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.2.3

Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

•

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

•

het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

•

het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

18

de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.

2.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende

mate

bijdraagt

aan

de

luchtverontreiniging.

Soms

zijn

detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Als de 3% grens voor NO2 en PM10 niet wordt overschreden, is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. Op basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekenende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Toetsing plan In onderhavig plan is uitsluitend sprake van het realiseren van een koetunnel, er is geen sprake van een toename van voertuigbewegingen en aan de veehouderij worden geen aanpassingen gedaan. Op basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekenende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Er is geen sprake van een toename van 1.450 extra voertuigbewegingen per dag. Derhalve luchtkwaliteit. Uitgaande van het worst-case scenario van onderhavig plan wordt de 3% grens niet overschreden. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 en 3 Bkl. Gemeente Aalten is niet gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof zoals opgenomen in artikel 5.51 lid 3 van het Bkl. Dit vormt dus geen belemmering. Achtergrondwaarden

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

kan worden gesteld dat het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de heersende

19

Het

toetsingskader

voor

luchtkwaliteit

wordt

gevormd

door

hoofdstuk

5.2

luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De geldende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2024 ter plaatse tussen 6 en 8 µg/m³, de concentratie PM10 minder dan 14 µg/m³ en de concentratie NO2 minder dan 10 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie en de ontwikkelingen in de agrarische sector.

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het voorgenomen initiatief is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit het Bkl.

4.2.4

Externe veiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

Conclusie

20

regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld

of

zijn

deze

afstanden

rekenkundig

te

bepalen

(bijlage

VII

Bkl).

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan

in

het

Omgevingsplan

afzien

van

aanwijzing

van

een

brand-

of

explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.

Voor

zeer

kwetsbare

gebouwen,

zoals

scholen,

kinderdagopvang,

en

verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

(REV).

21

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel: het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Specifieke situaties Bkl Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: •

Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;

•

Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;

•

Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);

•

Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toetsing plan Er moet getoetst worden aan regels omtrent externe veiligheid wanneer sprake is van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Onderhavig initiatief betreft het realiseren van een koetunnel onder De Heurnseweg. Hoewel de ontwikkeling geen beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw mogelijk maakt, is voor de volledigheid toch getoetst of er in de nabije omgeving sprake is van risicofactoren in het kader van externe veiligheid. Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De ligging van het projectgebied vormt derhalve geen belemmering. Risicovoltransport over spoorwegen of water Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen transport vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De ligging van het projectgebied vormt derhalve geen belemmering. Risicovol transport over wegen Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over wegen, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De ligging van het projectgebied vormt derhalve geen belemmering.

Risicovol transport door buisleidingen Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt door buisleidingen, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De dichtstbijzijnde buisleiding is namelijk op circa 1 km

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over spoorwegen of water, dat een belemmering kan

22

ten westen van het projectgebied gelegen. De ligging van het projectgebied vormt derhalve geen belemmering. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.2.5

Milieuzonering

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect milieuzonering. Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden daardoor het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen), kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgesteld voor de toelating van milieuhinderlijke activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Milieuzonering maakt het mogelijk om de regels in het omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke activiteiten.

In aanvulling op de standaard gebiedsgerichte instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bal kan het omgevingsplan voorzien een extra set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Deze ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). De VNG heeft deze handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ in oktober 2024 opgesteld. Deze handreiking vervangt de veelgebruikte publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Hoewel de basisprincipes van milieuzonering hetzelfde blijven, is de nieuwe handreiking wezenlijk anders dan de systematiek in de uitgave uit 2009. Zo wordt in de nieuwe systematiek niet meer getoetst aan de aspecten stofhinder en gevaar, maar enkel nog aan geluid en geur. Voor een aantal situaties en gebieden is de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ niet aan de orde:

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

aanvullende regels vloeien voort uit de systematiek voor milieuzonering in de handreiking

23

-

Industrieterreinen (geluid): In deze gebieden zijn vaak zwaardere industrieën gevestigd, daarom geldt hier op grond van het Bkl een aparte geluidregeling;

-

Milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied;

-

Milieuthema’s die al op een andere wijze geregeld zijn:

-

o

Luchtverontreiniging

o

Externe veiligheid en gevaar

o

Trillinghinder

o

Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied

o

Lichthinder en spuitzones

o

De hinder door verkeer aantrekkende werking

Zware activiteiten die niet direct worden toegelaten: het gaat hier bijvoorbeeld om het exploiteren van een IPPC-installatie of projecten waarvoor een mer(beoordelings)plicht

geldt

met

een

omgevingsvergunningplicht

voor

een

milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. Functiescheiding door uitwaartse en inwaartse zonering: Bij uitwaartse zonering wordt gezoneerd vanuit de milieuhinderlijke functies. Dit betekent dat er in een zone rondom het werkterrein milieugevoelige functies moeten worden geweerd. In het geval van inwaartse zonering vindt de zonering plaats vanuit de milieugevoelige activiteiten en daarbij zones met gebruiksruimte voor geluid en geur aan te houden per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit: hoe groter de afstand tot de milieugevoelige functie, hoe groter de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur kan zijn. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke activiteiten meer of minder gebruiksruimte. In de nieuwe handreiking wordt uitgegaan van inwaartse zonering. Voortzetting onderscheid gemengd gebied met wonen en rustig woongebied Zoals gebruikelijk was in de ruimtelijke ordening onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt ook onder de nieuwe systematiek onderscheid gemaakt tussen twee soorten woongebied wordt de beschikbare gebruiksruimte per activiteit lager gesteld dan nabij een gemengd gebied met wonen. Hierbij staat dus een extra bescherming van een rustig woongebied ten opzichte van gemengd gebied met wonen centraal.

Buitengebied Ook in het buitengebied komen activiteiten voor met gebruiksruimte voor geluid en geur. De systematiek in de handreiking kan ook in het buitengebied worden toegepast, met als kanttekening dat de in de handreiking beschreven waarden voor geur niet gelden voor agrarische activiteiten. Opbouw in het omgevingsplan Voor het reguleren van onder meer geluid- en geurbelasting door milieuhinderlijke activiteiten kunnen door gemeenten drie elkaar aanvullende sets van regels in het nieuwe

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

woongebieden: gemengde gebieden met wonen en rustige woongebieden. Nabij een rustig

24

omgevingsplan worden opgenomen: algemene bepalingen, standaard (gebiedsgerichte) omgevingsplanregels en aanvullende gebiedsgerichte omgevingsplanregels. Voor het goed functioneren van de regelingen voor geluid en geur zijn in het omgevingsplan aanwijzingen

nodig.

Zo

kan

een

gebied

bijvoorbeeld

aangewezen

worden

als

‘bedrijventerrein’ en worden de grenzen tussen ‘gemengd gebied met wonen’ en ‘rustig woongebied’ aangewezen. Ook kunnen zones worden opgenomen voor geur en geluid: basis – beperkt – verruimd. Deze

nieuwe

systematiek

omvat

geen

koppeling

meer

van

activiteiten

aan

milieucategorieën per SBI-code en de daarbij horende richtafstanden. ‘Activiteiten en milieuzonering’ stuurt strakker op de gewenste omgevingskwaliteit, omdat getoetst wordt aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. Geluid Voor aspect geluid wordt onderscheid gemaakt tussen een drietal zones met oplopende geluidsruimte. De milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 zijn voor geluid als volgt omgezet naar zones, waarden en afstanden:

Geur De milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 zijn voor geur zoals onderstaande tabel laat zien, omgezet naar zones, waarden en afstanden. Zoals eerder toegelicht valt, omdat een groot aantal thema’s al op een andere wijze afdoende gereguleerd is, geur door agrarische activiteiten niet onder deze toetsing.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

Tabel 2Tabel VNG - aspect geluid in gemengd woongebied

25

Tabel 1 Tabel VNG - aspect geur in rustig en gemengd woongebied

Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft geen milieugevoelig object. Het is ook geen functie die milieugezoneerd dient te worden ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies. In het kader van de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geldt dat er geen sprake is van een belemmering voor omliggende bedrijven, ook niet voor het eigen bedrijf gelegen aan De Heurnseweg 1. De

dichtstbijzijnde

milieugevoelige

functie

betreft

een

burgerwoning

aan

de

Gendringseweg 39. Deze woning is gelegen op ruim 260 meter van het projectgebied. Met deze wijziging wordt enkel een koetunnel gerealiseerd. De woning ligt aan de weide waarin de koeien nu ook al geweid kunnen worden. De milieuaspecten wijzigen niet. Overige milieugevoelige functies zijn op een grotere afstand gelegen. Het levert dus geen negatieve

Conclusie Met onderhavige ontwikkeling is belemmering van omliggende bedrijven niet aan de orde, aangezien er geen milieugevoelig object wordt gecreëerd en het ook geen functie betreft die milieuzonering behoeft.

4.2.6

Geurhinder

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. Algemeen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke Omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

effecten op ten aanzien van aspect milieuzonering.

26

worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. Het bevoegd gezag bepaalt hierbij zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen.

In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over

Tabel 2: Normen voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

geurnormen in het omgevingsplan, rekenen, afstandseisen en randvoorwaarden.

27

Voor landbouwhuisdieren geldt een afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom en een afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom. In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan. Toetsing plan In onderhavig plan is sprake van het realiseren van een koetunnel. Dit op zichzelf is geen geurgevoelig object. Koeien zijn dieren zonder geuremissies en dus dient er alleen voldaan te worden aan de afstandseisen. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object is de Gendringseweg 39. De afstand tot aan dit object bedraagt ca. 260 meter. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de afstandseisen. Conclusie Gelet op bovenstaande motivering zullen de bedrijfsvoeringen ter plaatse van omliggende bedrijven

door

onderhavige

ontwikkeling

niet

belemmerd

worden

in

hun

ontwikkelingsmogelijkheden.

4.2.7

Trillingen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5. 1. 4. 4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan.

Onder

andere

binnen

gebouwen

toegelaten

woonruimten

zijn

trillinggevoelig. Toetsing plan Het projectgebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is

28

4.2.8

Gezondheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Toetsing Handreiking Veehouderij en volksgezondheid 2.0 Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m 3 endotoxinen. De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: •

Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt;

•

Bedrijfsontwikkeling op alle varkens- en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere (fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot;

•

Bedrijfsontwikkeling in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de bestaande overschrijdingen worden vergroot;

•

Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijnstof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt;

•

Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde, individueel danwel door cumulatie in een gebied, kan reden zijn om na te denken over een vermindering van fijnstof-endotoxine emissie van de veehouderij;

•

Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie.

In onderhavig plan is sprake van de realisatie van een koetunnel. Het plan leidt niet tot de oprichting van een (nieuw) gevoelig gebouw. Het heeft dus geen invloed op een verandering van de fysieke leefomgeving.

Ruimtelijke Onderbouwing“ De Heurnseweg 1 Aalten”

endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of

29

Spuitzones Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Het plan voorziet niet in de oprichting van een gevoelige functie waar mensen langdurig verblijven

en

daarmee

een

grotere

kans

lopen

op

blootstelling

aan

gewasbeschermingsmiddelen. Tevens leidt het plan niet tot een uitbreiding van de bestaande bouwmogelijkheden, waardoor geen bebouwing dichter bij spuitzones mogelijk wordt gemaakt. Hoogspanningsleidingen In de nabijheid van onderhavige ontwikkeling zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Vanuit aspect gezondheid bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.2.9

Duurzaamheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect duurzaamheid. Algemeen Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's. In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voor zover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=d3df3e9f-b1d2-4e71-9af1-88b9d4554d19