Bijlage 23 Activiteitenplan.pdf
Tekst van het document
Activiteitenplan gewone dwergvleermuis, bunzing, grote vos en grote weerschijnvlinder + omgang met de huismus
Ontwikkeling Kaemingk B.V. en ISG Lettink Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
Gemeente Aalten
Projectnummer: 3345.03 Datum: 21-01-2022
Activiteitenplan Ontwikkeling Kaemingk B.V. en ISG Lettink Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
Opdrachtgever:
Gemeente Aalten
Projectnummer:
3345.03
Datum:
21-01-2022
Projectleider en rapporteur:
Jur Metselaar
Autorisatie:
Laura Tilleman
Opdrachtnemer:
Buro Ontwerp & Omgeving Velperweg 157 6824 MB Arnhem Postbus 2033 6802 CA Arnhem info@ontwerpenomgeving.nl www.ontwerpenomgeving.nl
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
1
3345.03
INHOUD
Pagina
1
INLEIDING ........................................................................................................................................................4
2
SAMENVATTING ..............................................................................................................................................6 2.1 Locatiegegevens ................................................................................................................................ 6 2.2 Soort .................................................................................................................................................. 6 2.3 Ontheffing gewone dwergvleermuis ................................................................................................. 7 2.4 Ontheffing bunzing ............................................................................................................................ 8 2.5 Ontheffing grote vos ......................................................................................................................... 9 2.6 Ontheffing grote weerschijnvlinder ................................................................................................ 10
3
PROJECTGEBIED .............................................................................................................................................11 3.1 Beschrijving projectgebied .............................................................................................................. 11 3.2 Toekomstige situatie ....................................................................................................................... 12
4
METHODE EN ONDERZOEKSRESULTATEN .....................................................................................................13 4.1 Gewone dwergvleermuis ................................................................................................................ 13 4.2 Bunzing ............................................................................................................................................ 14 4.3 Huismus ........................................................................................................................................... 15 4.4 Grote vos ......................................................................................................................................... 16 4.5 Grote weerschijnvlinder .................................................................................................................. 16
5
INSTANDHOUDING ........................................................................................................................................18 5.1 Gewone dwergvleermuis ................................................................................................................ 18 5.2 Bunzing ............................................................................................................................................ 20 5.3 Huismus ........................................................................................................................................... 21 5.4 Grote vos ......................................................................................................................................... 22 5.5 Grote weerschijnvlinder .................................................................................................................. 24
6
MAATREGELEN EN PLANNING .......................................................................................................................26 6.1 Uitvoering van de werkzaamheden ................................................................................................ 26 6.2 Ophangen tijdelijke verblijfplaatsen ............................................................................................... 27 6.3 Realiseren nieuw leefgebied ........................................................................................................... 28 6.4 Ongeschikt maken van het gebouw ................................................................................................ 33 6.5 Controle op de effectiviteit ............................................................................................................. 33 6.6 Bescherming tijdelijke verblijven .................................................................................................... 33 6.7 Sloop van bebouwing ...................................................................................................................... 33 6.8 Ongeschikt maken van leefgebieden .............................................................................................. 34 6.9 Aanbrengen permanente vleermuisverblijven................................................................................
35 6.10 Logboek ........................................................................................................................................... 36 6.11 Planning ........................................................................................................................................... 36
7
ECOLOGISCH WERKPROTOCOL......................................................................................................................39
8
WETTELIJK BELANG EN ALTERNATIEVENAFWEGING .....................................................................................41 8.1 Gewone dwergvleermuis ................................................................................................................ 41 8.2 Bunzing, grote vos en grote weerschijnvlinder ............................................................................... 42
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
2
3345.03
9
KWALIFICATIE EN CONTACTGEGEVENS .........................................................................................................43 9.1 Kwalificatie onderzoekers ............................................................................................................... 43 9.2 Opdrachtgever ................................................................................................................................ 43 9.3 Opdrachtnemer en ecoloog ............................................................................................................ 43
10
LITERATUURLIJST ...........................................................................................................................................44 10.1 Referenties ...................................................................................................................................... 44
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
3
3345.03
1
INLEIDING In opdracht van gemeente Aalten is door Buro Ontwerp & Omgeving een activiteitenplan opgesteld voor het gebied dat bekend is onder de naam Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten. Aanleiding is de op 7 augustus 2019 door Lievense Milieu B.V. uitgevoerde quickscan natuurtoets op het terrein van Kaemingk B.V., een op 26 januari 2021 door Buro Ontwerp & Omgeving uitgevoerde quickscan natuurtoets op het terrein van ISG Lettink, een memo van Staring Advies omtrent de rugstreeppad van 30 november 2020, een aanvullende memo van Buro Ontwerp & Omgeving van 24 september 2021 en het hieruit voortvloeiende nader onderzoek. Het nader onderzoek richtte zich op boom- en gebouwbewonende vleermuizen, vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen, das, boommarter, steenmarter, kleine marterachtigen, grote bosmuis, huismus, hazelworm, grote vos, grote weerschijnvlinder en grote leeuwenklauw. In onderstaande tabel staat een samenvatting van de resultaten van het nader ecologisch onderzoek weergegeven. Aangegeven is welke soort is aangetroffen, welke artikelen van de Wet natuurbescherming (Wnb) mogelijk worden overtreden en welke vervolgstappen genomen moeten worden. Tabel 1. Soortenoverzicht
Soort Vleermuizen
Aanwezigheid 1 gecombineerd zomer-/paarverblijf (gewone dwergvleermuis) 1 verblijfplaats en leefgebied (bunzing)
Locatie Nokrand Dinxperlosestraatweg 72A (*)
Wnb artikel 3.5 lid 1, 2 en 4
Vervolgstap • Activiteitenplan • Ontheffing Wnb
Dijkje in het midden van het projectgebied en houtwal Kaemingk
3.10 lid 1a en 1b
• Activiteitenplan • Ontheffing Wnb
Grote bosmuis Huismus
Essentiële functionele leefomgeving
Strook bosschages ISG Lettink
-
Hazelworm Grote vos
Voortplantingsplaats
3.10 lid 1a en 1b
Grote weerschijnvlinder
Voortplantingsplaats
Grote leeuwenklauw
-
Waardplant en soort aanwezig op het toekomstige terrein van Kaemingk Waardplant en soort aanwezig op het toekomstige terrein van Kaemingk -
Minimaal 50% van de strook blijft behouden -
Das Boommarter Steenmarter Kleine marterachtigen
• Activiteitenplan • Ontheffing Wnb
3.10 lid 1a en 1b
• Activiteitenplan • Ontheffing Wnb
-
-
* NB: In de rapportage van het nader onderzoek werd dit een bijgebouw genoemd. Het gaat echter om een deel van het woonhuis met een separate adresaanduiding: Dinxperlosestraatweg 72A.
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
4
3345.03
Doordat enkele plannen zijn gewijzigd blijft de essentiële functionele omgeving van de huismus bij de ontwikkeling behouden. Hierdoor vindt er geen overtreding plaats en hoeft voor deze soort geen ontheffing worden aangevraagd. Wel moet er gewerkt worden volgens specifieke voorschriften om verstoring in het broedseizoen te voorkomen en zodat minimaal 50% van de functionele leefomgeving behouden blijft. Deze voorschriften zijn opgenomen in onderhavig activiteitenplan. Voor het overtreden van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 lid 1b (bunzing, grote vos en grote weerschijnvlinder) en artikel 3.5 lid 2 en 4 (gewone dwergvleermuis) is een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk. Dit artikel heeft betrekking op het vernietigen van rust- of verblijfplaatsen en/of het verstoren van soorten. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet daarom een ontheffing worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag is onderhavig activiteitenplan opgesteld. Daarnaast is ook artikel 3.10 lid 1a (bunzing, grote vos en grote weerschijnvlinder) en artikel 3.5 lid 1 (gewone dwergvleermuis) van de Wnb relevant voor deze soorten. Deze artikelen hebben betrekking op het doden en vangen van soorten. Er is echter geen ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk indien mitigerende maatregelen worden getroffen en zorgvuldig wordt gehandeld.
Dit is opgenomen in onderhavig activiteitenplan. Voor de geplande ontwikkeling wordt daarom een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd voor de beschadiging en vernieling van verblijfplaatsen van de bunzing, grote vos en grote weerschijnvlinder (artikel 3.10 lid 1b) en het opzettelijk storen en de beschadiging en vernieling van voortplantings- of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (artikel 3.5 lid 2 en 4). Deze ontheffing wordt aangevraagd voor de periode 15-07-2022 tot 15-07-2027. Dit activiteitenplan dient ter onderbouwing van de mitigerende maatregelen, compenserende maatregelen en de ontheffingsaanvraag. In het voorliggende rapport worden achtereenvolgens de samenvatting (hoofdstuk 2), het projectgebied (hoofdstuk 3), de methode en onderzoeksresultaten (hoofdstuk 4), de instandhouding (hoofdstuk 5), de maatregelen en planning (hoofdstuk 6), het werkprotocol (hoofdstuk 7), het wettelijk belang en de alternatieven (hoofdstuk 8) en de kwalificaties en contactgegevens (hoofdstuk 9) beschreven.
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
5
3345.03
2
SAMENVATTING
2.1
Locatiegegevens Adres:
2.2
Gemeente: Provincie: Coördinaten: Kadastraal:
Vierde Broekdijk, inclusief dijkje (ATN02-R-754, ATN02-R-755, ATN02-R-754, ATN02-R-1574, ATN02-R-1575, ATN02-R-1550) Houtwal en strook bosschages (ATN02-R-1374) Dinxperlosestraatweg (ATN02-R-1548, ATN02-R-1739 en ATN02-R-88) Aalten Gelderland 51.90819, 6.56673 Zie hierboven
Soort Nederlandse naam: Wetenschappelijke naam: Functie plangebied: Periode aanwezig: Nader onderzoek door: Uitvoeringsjaar: Vastgesteld:
Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus Eén gecombineerd zomer-/paarverblijf Jaarrond Buro Ontwerp & Omgeving 2021 Vleermuisprotocol 2021
Nederlandse naam: Wetenschappelijke naam: Functie plangebied: Periode aanwezig: Nader onderzoek door: Uitvoeringsjaar: Vastgesteld:
Bunzing Mustela putorius Eén verblijfplaats en leefgebied Jaarrond Buro Ontwerp & Omgeving 2021 Conform Bouwens (2017) en Veldman, Troost & Klink (2021)
Nederlandse naam: Wetenschappelijke naam: Functie plangebied: Periode aanwezig: Nader onderzoek door: Uitvoeringsjaar: Vastgesteld:
Grote vos Nymphalis polychloros Voortplantingsplaats Van begin april tot half juli aanwezig op waardplant Buro Ontwerp & Omgeving 2021 Geen protocol beschikbaar
Nederlandse naam: Wetenschappelijke naam: Functie plangebied: Periode aanwezig: Nader onderzoek door: Uitvoeringsjaar: Vastgesteld:
Grote weerschijnvlinder Apatura iris Voortplantingsplaats Vrijwel jaarrond aanwezig op waardplant Buro Ontwerp & Omgeving 2021 Geen protocol beschikbaar
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
6
3345.03
2.3
Ontheffing gewone dwergvleermuis Periode ontheffing: 15-07-2022 tot 15-07-2027 Verbodsbepaling: Artikel 3.5 lid 2: “het opzettelijk verstoren van de soort” Artikel 3.5 lid 4: “het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen” Aanvraag op grond van: Artikel 3.8 lid 5b belang 3°: “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” Motivering:
De uitbreiding van ISG Lettink zorgt voor extra baankansen in de regio en levert daardoor een positieve bijdrage op de lokale economie. Om de bedrijfshal te vergroten moet het woonhuis worden gesloopt. Het woonhuis op de locatie is slecht geïsoleerd en gasgestookt. De nieuwe aanbouw van ISG Lettink zal zonder gas worden opgeleverd. Hierdoor zal er minder CO2uitstoot plaatsvinden op de locatie. Overigens is de woning asbesthoudend. Bij het vrijkomen van asbest kunnen gezondheidsproblemen worden veroorzaakt, bijvoorbeeld longkanker. Dit kan alleen worden verwijderd door destructief te slopen.
Alternatieven:
Het pand voldoet niet aan de moderne duurzaamheidseisen en staat herontwikkeling van de locatie in de weg. Door het bestaande gebouw van ISG Lettink hier uit te breiden blijven de verkeersbewegingen beperkt en wordt er zo min mogelijk natuur versnipperd.
Alternatief inrichtingsplan:
Bij de uitbreiding van ISG Lettink is er geen alternatieve inrichting mogelijk, aangezien er andere bedrijven en een weg gelegen is aan deze zijde van het bedrijf. Het woonhuis kan niet behouden blijven bij de uitbreiding van het bestaande gebouw.
Alternatieve werkwijze:
Bij sloop van het pand gaat de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis verloren. Dit is niet te voorkomen. De werkzaamheden vinden daarom plaats in de minst kwetsbare periode, nadat het gebouw natuurvrij is verklaard. Daarnaast heeft de gewone dwergvleermuis kunnen wennen aan nieuwe tijdelijke verblijfplaatsen (kasten). Dit is het meest gunstige alternatief, waarbij de mate van verstoring zoveel mogelijk wordt beperkt.
Alternatieve planning:
De planning is afgestemd op de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis. Het pand wordt in de minst kwetsbare periode ongeschikt gemaakt, namelijk in april of tussen 16 juli en 15 oktober. Pas daarna wordt het pand gesloopt. Werken buiten deze periodes is geen optie omdat geen verstoring mag optreden in de kwetsbare kraam- en winterrustperiode.
Mitigatie: Effectief bewezen:
Ja, meer informatie hoofdstuk 5 en 6 Alternatieve verblijfslocaties aanbieden Slopen in de minst kwetsbare periode Ja Ja, meer informatie op hoofdstuk 5 Zie hoofdstuk 8.
Begeleidend ecoloog: Instandhouding: Onderbouwing:
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
7
3345.03
2.4
Ontheffing bunzing Periode ontheffing: Verbodsbepaling: Aanvraag op grond van:
15-07-2022 tot 15-07-2027 Artikel 3.10 lid 1b: “het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen” Artikel 3.10 lid 2a: “in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde”
Motivering:
De bouw van een nieuwe logistieke hal van Kaemingk B.V.
Alternatieven:
Door de bedrijfshallen naast het bestaande industrieterrein te realiseren wordt er zo min mogelijk natuur versnipperd en blijven de verkeersbewegingen beperkt.
Alternatief inrichtingsplan:
Door de grootte van het projectgebied en de te realiseren bedrijfshallen is er geen alternatief inrichtingsplan waarbij het leefgebied van de bunzing behouden kan blijven. Er zal wel nieuw leefgebied worden ingericht. Als de bedrijfshallen in een andere stad gerealiseerd worden levert dit meer verkeersbewegingen en milieubelasting op.
Alternatieve werkwijze:
Bij de realisatie van de hallen gaat een rustplaats van de bunzing verloren. Dit is niet te voorkomen. De werkzaamheden vinden plaats in de minst kwetsbare periode van de bunzing waarbij het dijkje eerst ongeschikt wordt gemaakt en de soort in een eerder stadium heeft kunnen wennen aan een nieuw leefgebied en nieuwe verblijfplaatsen. Dit is het meest gunstige alternatief, waarbij de mate van verstoring zoveel mogelijk wordt beperkt.
Alternatieve planning:
De planning is afgestemd op de kwetsbare periode van de bunzing. De werkzaamheden die effect hebben op het leefgebied of de verblijfplaats van de bunzing mogen daarom niet plaatsvinden tussen 15 maart en 1 september. Werken in deze periode is geen optie omdat geen verstoring mag optreden in de kwetsbare voortplantingsperiode.
Mitigatie: Effectief bewezen:
Ja, meer informatie hoofdstuk 5 en 6 Alternatieve verblijfslocaties aanbieden Nieuw leefgebied realiseren met dijkje, bosschages, takkenrillen, een houtwal, waterelement en een marterhoop. Ja Ja, meer informatie in hoofdstuk 5 Zie hoofdstuk 8.
Begeleidend ecoloog: Instandhouding: Onderbouwing:
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
8
3345.03
2.5
Ontheffing grote vos Periode ontheffing: Verbodsbepaling: Aanvraag op grond van:
15-07-2022 tot 15-07-2027 Artikel 3.10 lid 1b: “het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen” Artikel 3.10 lid 2a: “in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde”
Motivering:
De bouw van een nieuwe logistieke hal van Kaemingk B.V.
Alternatieven:
Door de bedrijfshallen naast het bestaande industrieterrein te realiseren wordt er zo min mogelijk natuur versnipperd en blijven de verkeersbewegingen beperkt.
Alternatief inrichtingsplan:
Door de grootte van het projectgebied en de te realiseren bedrijfshallen is er geen alternatief inrichtingsplan waarbij het leefgebied van de grote vos behouden kan blijven. Er zal echter nieuw leefgebied worden ingericht met de voor deze soort belangrijke waardplanten, de iep en boswilg.
Alternatieve werkwijze:
Bij de realisatie van de hallen gaan voortplantingsplaatsen van de grote vos verloren. Dit is niet te voorkomen. De werkzaamheden vinden plaats in de minst kwetsbare periode en daarnaast worden nieuwe waardplanten gerealiseerd buiten het projectgebied. Dit is het meest gunstige alternatief, waarbij de mate van verstoring zoveel mogelijk wordt beperkt.
Alternatieve planning:
De planning is afgestemd op de minst kwetsbare periode van de bunzing en kan daardoor plaatsvinden in de periode 1 september tot 15 maart. Negatieve effecten op de grote vos kunnen daarmee ook worden vermeden. In deze periode is de soort namelijk niet afhankelijk van de waardplant. Dit is het meest gunstige alternatief voor de soort. Werken buiten deze periode is geen optie omdat er dan een groter risico is op het beschadigen van individuen en er negatieve effecten op de bunzing en algemene broedvogelsoorten kunnen zijn.
Mitigatie:
Ja, meer informatie hoofdstuk 5 en 6 Alternatieve verblijfslocaties aanbieden Realiseren nieuw leefgebied met aanplant waardplanten. Ja Ja, meer informatie hoofdstuk 5 Zie hoofdstuk 8.
Begeleidend ecoloog: Instandhouding: Onderbouwing:
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
9
3345.03
2.6
Ontheffing grote weerschijnvlinder Periode ontheffing: 15-07-2022 tot 15-07-2027 Verbodsbepaling: Artikel 3.10 lid 1b: “het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen” Aanvraag op grond van: Artikel 3.10 lid 2a: “in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde” Motivering:
De bouw van een nieuwe logistieke hal van Kaemingk B.V.
Alternatieven:
Door de bedrijfshallen naast het bestaande industrieterrein te realiseren wordt er zo min mogelijk natuur versnipperd en blijven de verkeersbewegingen beperkt.
Alternatief inrichtingsplan:
Door de grootte van het projectgebied en de te realiseren bedrijfshallen is er geen alternatief inrichtingsplan waarbij het leefgebied van de grote weerschijnvlinder behouden kan blijven. Er zal wel nieuw leefgebied worden ingericht met de voor deze soort belangrijke waardplant, de boswilg.
Alternatieve werkwijze:
Bij de realisatie van de hallen gaan voortplantingsplaatsen van de grote weerschijnvlinder verloren. Dit is niet te voorkomen. De werkzaamheden vinden onder ecologische begeleiding plaats en daarnaast worden nieuwe waardplanten gerealiseerd buiten het projectgebied. Dit is het meest gunstige alternatief, waarbij de mate van verstoring zoveel mogelijk wordt beperkt.
Alternatieve planning:
De planning is afgestemd op de minst kwetsbare periode van de bunzing en kan daardoor plaatsvinden in de periode 1 september tot 15 maart. De grote weerschijnvlinder komt jaarrond in verschillende levenscycli voor op de waardplant, waardoor er geen minst kwetsbare periode kan worden aangewezen. Negatieve effecten op de grote weerschijnvlinder kunnen worden vermeden indien dit onder ecologische begeleiding gebeurd. De takken van de boswilgen moeten daarom handmatig worden afgezaagd en gecontroleerd op aanwezigheid. Eventueel aanwezige rupsen worden overgeplaatst naar waardplanten die behouden zullen blijven. Dit is het meest gunstige alternatief voor de soort. Werken buiten deze periode is geen optie omdat er dan een groter risico is op het beschadigen van de bunzing, grote vos en algemene broedvogelsoorten.
Mitigatie:
Ja, meer informatie hoofdstuk 5 en 6 Alternatieve verblijfslocaties aanbieden Realiseren nieuw leefgebied met aanplant waardplanten Ja Ja, meer informatie hoofdstuk 5 Zie hoofdstuk 8.
Begeleidend ecoloog: Instandhouding: Onderbouwing:
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
10
3345.03
3
PROJECTGEBIED
3.1
Beschrijving projectgebied Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van Aalten, ten zuidwesten van de bebouwde kom. Het betreft percelen aan de Vierde Broekdijk en de Dinxperlosestraatweg met een gezamenlijk oppervlakte van circa 4,78 hectare. Het gaat om de percelen van Kaemingk B.V., ISG Lettink en een deel van Dinxperlosestraatweg 72-72A. Het gebied wordt begrensd door de Vierde Broekdijk (westzijde), diverse bedrijven (noordzijde), de tuin behorende bij Dinxperlosestraatweg 72-72A (oostzijde) en houtopstanden behorende tot het Gelders Natuurnetwerk (zuidzijde). Het westelijke deel van de locatie was voor 2013 nog gedeeltelijk bebouwd met een boerderij. In de onderstaande figuur is de begrenzing van het projectgebied weergegeven.
Figuur 1. Ligging projectgebied aan de Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg (rood kader).
In het noordwestelijke deel van het projectgebied ligt een geasfalteerde weg met daartussen een greppel en bosschages. In het noordelijke deel van het projectgebied bevindt zich een houtwal, een strook met bosschages, een elzensingel en een oude zomereik. Daarnaast loopt een dijkje dwars door het projectgebied, van zuidwest naar noordoost. Het perceel behorende bij Dinxperlosestraatweg 72-72A bestaat uit een woonhuis met twee adresaanduidingen, een schuurtje, een gazon, enkele bosschages en een houtwal. De overige delen bestaan uit grasveld en braakliggende percelen met ruigtekruiden.
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
11
3345.03
3.2
Toekomstige situatie De ontwikkeling op deze locatie voorziet in de bouw van een nieuwe logistieke hal van Kaemingk B.V. en een nieuwe opslaghal van ISG Lettink. Daarnaast worden op beide terreinen parkeervoorzieningen gerealiseerd. De initiatiefnemer is voornemens alle bosschages, de houtwallen, de elzensingel en de oude zomereik te verwijderen, de aanwezige greppel te dempen en de bebouwing aan de Dinxperlosestraatweg 72-72A te slopen. Echter blijft ten behoeve van de huismus minimaal 50% van de bosschages aan de noordoostgrens van het gebied behouden. De bedrijfsbebouwing in het oosten van het gebied, behorende bij ISG Lettink, blijft eveneens behouden.
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
12
3345.03
4
METHODE EN ONDERZOEKSRESULTATEN
4.1
Gewone dwergvleermuis Methode Het nader onderzoek werd uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021). De onderzoeksmethode naar de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis werden aangehouden, waarbij ook andere vleermuissoorten aangetoond konden worden m.b.v. vleermuisdetectors. Dit houdt in dat er in de periode 15 mei t/m 30 september de volgende onderzoeken werden uitgevoerd (BIJ12, 2017a): - Kraamverblijven: Twee onderzoeksrondes (15 mei - 15 juli) met een tussenperiode van minimaal tien dagen, waarbij minimaal één onderzoeksronde moet plaatsvinden in juni; - Zomerverblijven: Twee onderzoeksrondes (15 mei - 15 juli) met een tussenperiode van minimaal tien dagen. - Paarverblijven: Twee onderzoeksrondes (1 aug - 15 sep) met een tussenperiode van minimaal tien dagen, waarbij voor boombewonende soorten de periode 15 aug - 15 sep werd aangehouden; - Vliegroutes en foerageergebieden: Twee onderzoeksrondes (15 april - 30 sep) met een tussenperiode van minimaal vier weken, waarbij één bezoek in de kraamperiode werd uitgevoerd. De veldbezoeken werden uitgevoerd onder omstandigheden die gunstig zijn voor het waarnemen van vleermuizen. De temperatuur was bij alle veldbezoeken tenminste 10°C, de windsnelheid lag onder de 5 Bft. en er viel geen neerslag anders dan lichte (mot)regen. Tabel 2.
Overzicht vleermuisonderzoeken
Type onderzoek
Datum
Tijd
Temp. (°C)
Wind (Bft.)
Weer
Waarnemers
• Zomer • Kraam
15-05-2021
21:20 – 23:50
10
ZO2
Bewolking 100 – 50% en eerste 25 minuten regen
• Zomer • Kraam
01-06-2021
02:50 – 05:20
13
O2
Bewolking 0% en droog
• Zomer • Kraam • Vliegroutes • Foerageergebieden
24-06-2021
21:55 – 23:55
18 – 16
NW2
Bewolking 100 80% en droog
• Paar
30-08-2021 31-08-2021 13-09-2021
22:20 – 00:30
16
N2
20:55 – 22:55
15
N1
20-09-2021
19:30 – 22:00
14 – 13
NO2
Bewolking 0% en droog Bewolking 0% en droog Bewolking 20 – 100% en droog
J. Metselaar L. Tilleman C. Dalhuisen M. Grishchenko J. Metselaar L. Tilleman W. Adriaens L. Toussaint J. Metselaar L. Tilleman M. Grishchenko W. Adriaens L. Toussaint R. Bredero J. Metselaar L. Tilleman J. Metselaar M. Grishchenko J. Metselaar L. Tilleman M. Grishchenko M. Corporaal
• Paar • Vliegroutes • Foerageergebieden • Paar
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
13
–
3345.03
De onderzoeken werden uitgevoerd met behulp van vleermuisdetectors (Batlogger M en Pettersson D200) waarmee ultrasone geluiden van vleermuizen geluiden van vleermuizen hoorbaar werden gemaakt voor het menselijk oor. Onderzoeksresultaten In de nokrand van Dinxperlosestraatweg 72A werd tijdens de ochtendronde op 1 juni 2021 een zomerverblijf vastgesteld van een gewone dwergvleermuis. Dit exemplaar vloog in om 04:56. Tijdens de veldbezoeken van 30 op 31 augustus, 13 september en 20 september werd rond dezelfde woning een baltsende gewone dwergvleermuis vastgesteld. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de verblijfplaats in de nokrand van Dinxperlosestraatweg 72A een gecombineerd zomer-/paarverblijf betreft. De overige waargenomen vleermuizen toonden geen binding met het projectgebied en in het schuurtje naast Dinxperlosestraatweg, de bomen met spechtenholen en de oude zomereik werden geen verblijfplaatsen vastgesteld. Ook was er geen sprake van een vliegroute of essentieel foerageergebied. Zie de rapportage van het nader onderzoek voor een uitgebreidere beschrijving van de vleermuisonderzoeken. 4.2
Bunzing Methode Het nader onderzoek naar de bunzing, hermelijn en wezel werd uitgevoerd conform de ‘Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming’ (Bouwens, 2017) en de ‘Brochure Soortenbescherming in Overijssel’ (Veldman, Troost & Klink, 2021). Om de aanwezigheid van de soorten aan te kunnen tonen zijn vijftien sporenbuizen geplaatst, zes vrijstaande cameravallen en drie marterboxen met cameravallen. Dit gebeurde in de periode dat de soorten het meest actief zijn, namelijk maart t/m augustus. De onderzoeksmaterialen werden voor een periode van drie (Veldman, Troost & Klink) à zes weken (Bouwens) geplaatst op de meest kansrijke locaties binnen het projectgebied. Kleine marterachtigen konden voor de camera worden gelokt met een sterk geurende lokstof. Er werd daarom gekozen voor een combinatie van gekookt ei en sardines om de potentieel aanwezige soorten te lokken. Tabel 3. Overzicht marteronderzoeken met marterboxen en cameravallen, inclusief het onderzoek naar de bunzing.
Cameraval
Begindatum
Einddatum
Doelsoorten
Positionering
1
16-03-2021
06-05-2021
Bunzing, hermelijn en wezel
In marterbox
2
16-03-2021
06-05-2021
Bunzing, hermelijn en wezel
In marterbox
3
16-03-2021
21-04-2021
bunzing,
4
16-03-2021
21-04-2021
Vrijstaande cameraval gericht op een hol Vrijstaande cameraval
5
18-03-2021
25-05-2021
6
21-04-2021
18-06-2021
7
21-04-2021
18-06-2021
8
06-05-2021
18-06-2021
Das, steenmarter, hermelijn en wezel Das, steenmarter, hermelijn en wezel Das, steenmarter, hermelijn en wezel Das, steenmarter, hermelijn en wezel Das, steenmarter, hermelijn en wezel Steenmarter
9
25-05-2021
16-07-2021
Das, steenmarter, hermelijn en wezel
bunzing,
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
14
bunzing, bunzing, bunzing, bunzing,
Vrijstaande cameraval gericht op een hol Vrijstaande cameraval Vrijstaand cameraval gericht op een hol Vrijstaande cameraval op de zolder van het schuurtje Vrijstaande cameraval
3345.03
10
25-05-2021
16-07-2021
Bunzing, hermelijn en wezel
In marterbox
Tabel 4. Overzicht marteronderzoeken met sporenbuizen. Niet van toepassing op de bunzing.
Sporenbuizen
Begindatum
Einddatum
Doelsoorten
1 t/m 7 8 t/m 10 11 t/m 15
16-03-2021 18-03-2021 06-05-2021
06-05-2021 06-05-2021 18-06-2021
Hermelijn en wezel Hermelijn en wezel Hermelijn en wezel
Onderzoeksresultaten Er werd op de cameravallen vijftien keer een bunzing waargenomen, waarvan veertien keer rondom het dijkje (cameraval 3, 5 en 7) en één keer in de houtwal op het terrein van Kaemingk (cameraval 6). Aan de noordzijde van het dijkje (val 5) werd de bunzing het meest waargenomen, namelijk negen keer tussen 15 april en 6 mei 2021 (figuur 2). Vijf opnames waren duidelijk genoeg om vast te kunnen stellen dat het hier om een mannelijk exemplaar ging en bij bijna alle waarnemingen maakte de bunzing gebruik van holen in het dijkje. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de holen in het dijkje functioneren als verblijfplaats van één mannelijke bunzing en dat het dijkje en de houtwal tot het territorium van dit exemplaar behoren. Er zijn geen aanwijzingen dat er vrouwtjes en jongen in het gebied aanwezig waren en er werden geen prooiresten voor de ingang van de holen waargenomen. 4.3
Huismus Methode Het nader onderzoek naar de huismus werd uitgevoerd tussen 1 april en 15 mei conform het kennisdocument van BIJ12. In deze periode werden twee veldbezoeken worden afgelegd met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen. Gedurende één uur is gekeken of er huismussen aanwezig zijn en of de bosschages deel uitmaken van de essentiële functionele leefomgeving (BIJ12, 2017b). Tabel 5. Overzicht huismusonderzoeken.
Datum
Tijd
Temp. (°C)
Wind (Bft.)
Weer
Waarnemers
21-04-2021
09:00 – 11:50
10,5 – 17
N2
Bewolking 0 – 60%
J. Metselaar
06-05-2021
09:30 – 12:00
7 – 12
W3
Bewolking 50 – 60% en zonnig
L. Tilleman
Onderzoeksresultaten De huismusonderzoeken zijn uitgevoerd op 21 april en 6 mei 2021. Binnen de begrenzing van het projectgebied werden geen nestlocaties vastgesteld. Wel werden tenminste drie nestlocaties aangetroffen onder de overhangende dakrand van Rusink Catering V.O.F. dat gelegen is naast de bedrijfshal van ISG Lettink. Vanaf deze nestlocaties wordt veel gevlogen naar de strook met bosschages langs de rand van het projectgebied (figuur 2). De huismussen gebruiken in principe de gehele strook als rust- en schuilmogelijkheid en kan daarom worden gezien als een essentieel onderdeel van het functioneel leefgebied.
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
15
3345.03
4.4
Grote vos Methode Voor de grote vos is geen onderzoeksprotocol beschikbaar. Er zijn drie inventarisaties gedaan om vast te kunnen stellen of de soort in het gebied aanwezig. De eerste twee inventarisaties waren gericht op het waarnemen van de imago. De optimale periode voor het waarnemen van de imago is van eind februari tot en met april (eerste generatie) of van eind juni tot aan augustus (tweede generatie). De inventarisaties werden uitgevoerd op zonnige dagen met een zwakke tot matige wind. De derde inventarisatie was gericht op het waarnemen van overwinterende exemplaren in het houten schuurtje en een kleine houtopslag op het terrein van Dinxperlosestraatweg 72. Tabel 6. Overzicht onderzoeken grote vos
Datum
Tijd
Temp. (°C)
Wind (Bft.)
Weer
Waarnemers
30-03-2021
11:00 – 13:40
20
O2
Bewolking 0%
J. Metselaar
21-04-2021
11:50 – 14:30
15 – 17
N2
Bewolking 0 – 60%
J. Metselaar
01-10-2021
13:15 – 13:45
17
Z4
Bewolking 50%
J. Metselaar L. Tilleman
Onderzoeksresultaten Tijdens het veldbezoek op 30 maart werd een grote vos waargenomen op de boswilgen langs de rand van het GNN-gebied en een overvliegend exemplaar ter hoogte van het dijkje. Tijdens het bezoek van 21 april werd de soort niet waargenomen. Daarnaast is op 1 oktober het schuurtje achter Dinxperlosestraatweg 72 onderzocht op de aanwezigheid van overwinterende exemplaren. Deze werden echter niet aangetroffen. Aangezien de soort in het projectgebied aanwezig is moet worden uitgegaan van een voortplantingsplaats op de aanwezige boswilgen op het terrein (figuur 2). 4.5
Grote weerschijnvlinder Methode Voor de grote weerschijnvlinder is geen onderzoeksprotocol beschikbaar. Er zijn twee inventarisaties gedaan om vast te kunnen stellen of de soort in het gebied aanwezig. Deze waren gericht op het waarnemen van de imago. De optimale periode voor het waarnemen van de imago is van half juni tot aan augustus. De inventarisaties werden uitgevoerd op zonnige dagen met een zwakke tot matige wind. Tabel 7. Overzicht onderzoeken grote weerschijnvlinder
Datum
Tijd
Temp. (°C)
Wind (Bft.)
Weer
Waarnemers
02-07-2021
13:00 – 14:30
20
W2
16-07-2021
10:15 – 11:35
17
NW2
Bewolking 80% en geregeld zon Bewolking 90% en af en toe zon
J. Metselaar L. Tilleman L. Tilleman
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
16
3345.03
Onderzoeksresultaten Het nader onderzoek naar de grote weerschijnvlinder werd uitgevoerd op 2 juli en 16 juli 2021. Op beide dagen werd de soort niet waargenomen. Desondanks is er op waarneming.nl wel een goedgekeurde waarneming van de soort gedaan in juli 2021. Er bevond zich één exemplaar op een akkerdistel in het westen van het gebied, langs de houtopstanden behorende bij het GNN. Aangezien de soort in het projectgebied aanwezig is moet worden uitgegaan van een voortplantingsplaats op de aanwezige boswilgen op het terrein (figuur 2).
Figuur 2. Overzicht van de onderzoeksresultaten met in het geel de locaties waar de bunzing is waargenomen, in het groen de bosschages waar de huismus is waargenomen en in het oranje de gebieden waar boswilgen zijn waargenomen (waardplant grote vos en grote weerschijnvlinder).
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
17
3345.03
5
INSTANDHOUDING
5.1
Gewone dwergvleermuis Staat van instandhouding De gewone dwergvleermuis is een algemeen voorkomende soort, waarvan geen aanwijzingen bekend zijn voor een aantalsverandering (NDFF, 2020). De staat van instandhouding is in de huidige situatie ‘ongunstig – ontoereikend’ in Nederland. De criteria populatieomvang, verspreidingsgebied, kwaliteit van het leefgebied en toekomstperspectief zijn beoordeeld als gunstig. Het toekomstperspectief wordt beoordeeld als ongunstig, waardoor de eindbeoordeling ongunstig is. Daarbij wordt wel vermeld dat de staat van instandhouding als ‘gunstig’ beoordeeld wordt indien voldoende mitigerende maatregelen genomen worden (Arcadis, 2018). Er wordt niet verwacht dat de staat van instandhouding in gevaar komt bij het verwijderen van deze verblijfplaatsen. Door het aanbieden van vervangende verblijfplaatsen worden negatieve effecten op de plaatselijke populatie zoveel mogelijk voorkomen. De gewone dwergvleermuis komt bijna overal in Nederland voor en leeft in verschillende biotopen. De soort jaagt bij opgaande vegetatie, bossen, bomenrijen, water en in de bebouwde kom, in tuinen of bij straatlantaarns (Janssen et al., 2008). In de omgeving van het projectgebied is voldoende geschikt leefgebied aanwezig zoals het bij het GNN behorende bosgebied en diverse vijvers.
Omliggende woningen aan de Vierde Broekdijk 55 en Dinxperlosestraatweg 70A en 70B hebben geschikte kantpannen of andere openingen. Naast het aanbieden van vervangende verblijfplaatsen is het voor de soort dus ook mogelijk om naar verblijfplaatsen in andere gebouwen uit te wijken. Effecten De gewone dwergvleermuis valt onder de Habitatrichtlijn en is beschermd volgens artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 3.5 lid 1 Wnb), is het verboden om de soort opzettelijk te verstoren (artikel 3.5 lid 2 Wnb) en is het verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen (artikel 3.5 lid 4 Wnb). Overtreding van artikel 3.5 lid 1 moet worden voorkomen door op zorgvuldige wijze te handelen en de werkzaamheden uit te voeren in de minst kwetsbare periode van het jaar. Omdat de sloop van Dinxperlosestraatweg 72-72A een gecombineerd zomer-/paarverblijfplaats herbergt zal de sloop leiden tot overtreding van artikel 3.5 lid 2 en lid 4 van de Wet natuurbescherming. Zoals boven beschreven worden op korte of lange termijn geen negatieve effecten verwacht op de lokale populatie en staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis. Dit wordt voorkomen door het nemen van maatregelen, zorgvuldig te handelen en de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periodes.
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
18
3345.03
Maatregelen De eerste stap die genomen moet worden is het treffen van mitigerende maatregelen door het plaatsen van tijdelijke verblijfplaatsen. Deze moeten binnen 100 à 200 meter van de huidige verblijven worden aangebracht. Omdat er één verblijfplaats zijn vastgesteld moet er gemitigeerd worden met vier vleermuiskasten (compensatiefactor 4). Voor het plaatsen van tijdelijke paarverblijfplaatsen geldt een gewenningsperiode van zes maanden voorafgaand aan de paarperiode. Dit betekent dat tijdelijke kasten uiterlijk 15 februari aanwezig moeten zijn. Daarnaast geldt dat ook de gewenningsperiode voor zomerverblijven in acht moet worden genomen. De gewenningsperiode voor zomerverblijven is drie maanden, waarin alleen de maanden april t/m oktober meetellen. De gewenningsperiodes zullen elkaar daarom deels overlappen. De tijdelijke vleermuiskasten moeten voldoen aan de eisen die worden gesteld in het kennisdocument. Voor zomer- en paarverblijfplaatsen wordt aangeraden om te kiezen voor vleermuiskast VK WS 02 van Vivara Pro of een gelijkwaardig type. De kasten moeten namelijk een afmeting van tenminste 50 x 20 cm hebben. De volgende stap die genomen moet worden is het ongeschikt maken van het gebouw. Dit moet plaatsvinden in de periode waarin vleermuizen het minst kwetsbaar zijn.
Het ongeschikt maken moet plaatsvinden in het actieve seizoen van vleermuizen, die loopt van 1 april tot 15 oktober. Daarbij moet de kwetsbare kraamperiode (van 1 mei tot 15 juli) vermeden worden. In de winterperiode (van 15 oktober tot 1 april) kan niet ongeschikt gemaakt worden, omdat vleermuizen dan niet actief zijn en niet zullen vluchten en mogelijk verwond of gedood worden. Het komt er daarom op neer dat het ongeschikt maken van het gebouw moet plaatsvinden tussen 1 april en 30 april of tussen 16 juli en 14 oktober. Gelet op de gewenningsperiodes van tijdelijke vleermuiskasten is de eerstvolgende periode waarin het gebouw ongeschikt kan worden gemaakt tussen 16 juli en 15 oktober 2022. Deze periodes zijn aangedragen door het provincieloket van de Provincie Gelderland (persoonlijke communicatie, 05-11-2021). Het ongeschikt maken van het gebouw vindt plaats door de spouw flink te laten tochten. Dit kan bereikt worden door de muren op de hoeken van het gebouw volledig te verwijderen. Het doel van deze maatregel is dat vleermuizen uit het gebouw vertrekken voordat de werkzaamheden plaats gaan vinden. Wanneer het gebouw ongeschikt is gemaakt, kunnen de vleermuizen de tijdelijke verblijfplaatsen gebruiken als vervangende verblijfplaats. Vanaf vijf dagen na het ongeschikt maken van het gebouw moet worden gecontroleerd of er nog vleermuizen aanwezig zijn.
Als deze niet meer worden waargenomen kan de begeleidend ecoloog het gebouw natuurvrij verklaren en kan de sloop plaatsvinden. Hiermee is overtreding van artikel 3.5 lid 1 van de Wnb voorkomen. Als de bouwfase eenmaal is aangebroken moeten permanente verblijfplaatsen worden gerealiseerd in de nieuwe bebouwing. Permanente verblijfplaatsen kunnen op meerdere manieren worden gerealiseerd. Duurzame verblijfplaatsen kunnen in een spouwmuur worden gerealiseerd door deze toegankelijk te maken en geschikt te houden voor vleermuizen (bijv. door open stootvoegen). Verder kunnen permanente verblijfplaatsen worden gecreëerd door een meerlaagse gevelbetimmering aan te brengen. Daarnaast kunnen ook gevelkasten ingemetseld worden in de bebouwing, bijvoorbeeld van type IB VL 08 van Vivara Pro. Omdat er één verblijfplaats is aangetroffen moet er conform het kennisdocument met vier permanente kasten worden gecompenseerd.
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
19
3345.03
5.2
Bunzing Staat van instandhouding De bunzing is een kleine marterachtige die vooral na zonsondergang en voor zonsopgang actief is. De soort kan in veel landschapstypen worden aangetroffen, al lijkt er een voorkeur te zijn voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Het geschatte aantal individuen in 1994 lag tussen de 36.000 en 126.000 (Ottburg & Van Swaay, 2014). De huidige populatieomvang is onbekend, maar beschikbare gegevens wijzen op een aanzienlijk lager aantal dan in 1994 (Arcadis, 2018). Zowel de landelijke staat van instandhouding als de staat van instandhouding in Gelderland zijn door Arcadis beoordeeld als ‘ongunstig – slecht’ in 2018. Daarnaast neemt de kwaliteit van het leefgebied af door verstedelijking, toename van infrastructuur en intensivering van de landbouw. Er wordt niet verwacht dat de staat van instandhouding in gevaar komt bij het verwijderen van deze verblijfplaatsen. Het gaat om één individu en door het realiseren van vervangend functioneel leefgebied en vervangende verblijfplaatsen worden negatieve effecten op het individu en de plaatselijke populatie zoveel mogelijk voorkomen. Daarnaast is ten westen van het projectgebied voldoende geschikt leefgebied aanwezig (GNN) en op het erf van Dinxperlosestraatweg 72-72A bevindt zich een vijver die in stand zal worden gehouden (belangrijk element leefgebied).
Daarnaast zijn er agrarische percelen aanwezig met houtwallen en bosschages die voldoende dekking bieden. Naast het realiseren van vervangend leefgebied is het voor de soort dus ook mogelijk om naar andere percelen in de omgeving uit te wijken. Effecten De bunzing valt onder de nationaal beschermde dier- en plantensoorten en is beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 3.10 lid 1a Wnb) en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen (artikel 3.10 lid 1b Wnb). Omdat het dijkje functioneert als vaste rustplaats zal de ontwikkeling op de locatie leiden tot overtreding van artikel 3.10 lid 1b van de Wet natuurbescherming. Overtreding van artikel 3.10 lid 1a moet worden voorkomen door op zorgvuldige wijze te handelen en de werkzaamheden uit te voeren in de minst kwetsbare periode van het jaar. Zoals boven beschreven worden op korte of lange termijn geen negatieve effecten verwacht op de lokale populatie en staat van instandhouding van de bunzing. Dit wordt voorkomen door het nemen van maatregelen, zorgvuldig te handelen en de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periodes.
Voor het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen wordt de werkwijze gehanteerd uit de Handreiking Kleine Marters in relatie tot de soortbescherming (Bouwens, 2017) en de Brochure Soortenbescherming in Overijssel (Veldman, Troost & Klink, 2021). De maatregelen die in dit plan staan beschreven zijn daarom voldoende effectief bewezen. Hierdoor worden er geen negatieve effecten verwacht op de lokale populatie en wordt een gunstige staat van instandhouding gewaarborgd. Maatregelen Voor de bunzing zal vervangend leefgebied gerealiseerd moeten worden dat gelijk is aan of beter is dan het leefgebied wat bij de ontwikkeling verdwijnt. Het leefgebied van een bunzing kan variëren van 8 tot 1.000 hectare, afhankelijk van het voedselaanbod (Zoogdiervereniging, 2021). Bij de ontwikkeling gaat 0,25 hectare van het leefgebied verloren, namelijk het dijkje in het midden van het gebied en een deel van de houtwal en bosschages in het noordoosten van het gebied. Ter mitigatie van de bunzing wordt er 1,22 hectare toekomstig leefgebied ingericht ten zuiden en westen van het projectgebied. In de huidige situatie ligt hier een grasperceel met aan de randen enkele houtopstanden behorende bij het GNN (west) en de tuin behorende bij Dinxperlosestraatweg 72-72A, waar reeds een houtwal en vijver aanwezig is (zuid).
Dit nieuwe leefgebied moet gerealiseerd worden voordat het dijkje en de houtwal in het projectgebied verwijderd kunnen worden. Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
20
3345.03
Om het gebied in te richten voor de bunzing wordt er ten westen van het projectgebied een dijkje gerealiseerd wat in de toekomst gebruikt kan worden als verblijfplaats. Het dijkje moet omlijnd worden met bosschages zodat er voldoende dekking is voor de bunzing en zodat er ook leefgebied voor de prooidieren van de bunzing ontstaat. Daarnaast moet er een nieuwe houtwal worden gerealiseerd, om te compenseren voor de houtwal die verloren gaat. Deze houtwal wordt gerealiseerd ten zuiden van het projectgebied. Andere elementen die in het nieuwe leefgebied gerealiseerd worden die de bunzing ten goede komen zijn takkenrillen en een marterhoop. De takkenrillen worden in beide mitigatiegebieden gerealiseerd, aan de rand van het perceel. De marterhoop wordt ten zuidenoosten van het projectgebied gerealiseerd, zodat ook hier een nieuwe verblijfplaats ter beschikking is. Om het leefgebied van de bunzing in de huidige situatie ongeschikt te maken worden de bosschages en houtwal verwijderd en wordt het hoge gras gemaaid. Vervolgens worden eerst de holen van het dijkje handmatig uitgegraven, alvorens het dijkje machinaal te verwijderen. Deze werkzaamheden vinden plaats wanneer het vervangende leefgebied is gerealiseerd en worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode, welke loopt van 15 maart tot 1 september (Bouwens, 2017).
Daarnaast wordt bij het verwijderen van de groenvoorzieningen en het dijkje zorgvuldig gehandeld, er wordt gewerkt vanaf één zijde zodat eventueel nog aanwezige dieren kunnen ontkomen. Hiermee is overtreding van artikel 3.10 lid 1a van de Wnb voorkomen. 5.3
Huismus Staat van instandhouding De huismus is een standvogel die gebonden is aan bebouwing en voornamelijk voorkomt in dorpen en steden. Deze soort heeft een sterke binding met mensen en heeft veel groen nodig in zijn omgeving. Het geschatte aantal broedparen in Nederland lag tussen de 600.000 en 1.000.000 in de periode 2013 – 2015, de meest actuele beoordeelperiode. De landelijke staat van instandhouding wordt door SOVON Vogelonderzoek Nederland beoordeeld als ‘matig ongunstig’. Hierin zijn de criteria leefgebied en toekomst beoordeeld als gunstig en de criteria verspreiding en populatie als matig ongunstig. Ten opzichte van 1984 zijn de aantallen sterk afgenomen, maar in de afgelopen twaalf jaar is er geen significante aantalsverandering (SOVON, 2021). De populatieomvang van de huismus in Gelderland is geschat op bijna 141.000 broedparen, waardoor de omvang beoordeeld is als gunstig. De populatietrend in Gelderland is net als de landelijke trend beoordeeld als stabiel (SOVON, 2021). Het verspreidingsgebied is eveneens beoordeeld als gunstig. De kwaliteit van het leefgebied en het toekomstperspectief is echter beoordeeld als ‘ongunstig-ontoereikend’. De eindbeoordeling voor de staat van instandhouding in Gelderland is ongunstig-ontoereikend en het toekomstbeeld is verslechterend (Arcadis, 2018).
Daarbij wordt wel vermeld dat het toekomstperspectief als gunstig wordt beoordeeld indien voldoende mitigerende maatregelen genomen worden. De staat van instandhouding komt niet in gevaar bij het deels verwijderen van de bosschages. Minstens 50% van de groenstrook zal behouden blijven en de kwaliteit wordt versterkt door het toevoegen van (groenblijvende) struiken. Door deze maatregelen blijft de functionaliteit van de bosschages behouden, blijven de nestlocaties intact en functioneel en worden negatieve effecten op de plaatselijke populatie voorkomen. Effecten De huismus valt onder de Vogelrichtlijn en is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 3.1 lid 1 Wnb), te verstoren (artikel 3.1 lid 2 Wnb) of de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen of vernielen (artikel 3.1 lid 4 Wnb). Overtreding van artikel 3.1 lid 1, 2 en 4 wordt voorkomen door de functionaliteit van de leefomgeving en nestlocaties te behouden, op zorgvuldige wijze te handelen en de werkzaamheden uit te voeren in de minst kwetsbare periode van het jaar. Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
21
3345.03
Zoals boven beschreven worden op korte of lange termijn geen negatieve effecten verwacht op de lokale populatie en staat van instandhouding van de huismus. Dit wordt voorkomen door tenminste 50% van de groenstrook te behouden, de kwaliteit van de groenstrook te verhogen, zorgvuldig te handelen en de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periodes. Voor het nemen van maatregelen wordt de werkwijze uit het kennisdocument van de huismus geraadpleegd (BIJ12, 2017b). De maatregelen die in dit plan staan beschreven zijn daarom voldoende effectief bewezen. Hierdoor worden er geen negatieve effecten verwacht op de aanwezige huismussen of lokale populatie en wordt een gunstige staat van instandhouding gewaarborgd. Maatregelen De eerste stap die genomen moet worden is het treffen van mitigerende maatregelen door het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Hiervoor moeten op enkele plekken nieuwe struiken worden geplant in het gedeelte dat behouden blijft. Hiervoor worden doornstruiken als meidoorn of (groenblijvende) hagen van bijvoorbeeld hulst, liguster, haagbeuk of klimop aangeraden. Andere maatregelen die de huismus ten goede komen is het realiseren of behouden van zandige plekken om stofbaden te kunnen nemen. Deze plekken kunnen ook onder het struikgewas aanwezig zijn.
Daarnaast is het realiseren of behouden van oppervlaktewater of een drankschaal voordelig voor huismus. Nieuwe struiken moeten minimaal drie maanden voor het deels verwijderen van de bosschages aanwezig zijn. Nadat er nieuwe struiken zijn toegevoegd en deze voldoende dekking bieden mag maximaal 50% van de bosschages verwijderd worden. Dit betekent dat er vier meter in de breedte bosschages behouden moeten blijven. Het verwijderen mag echter niet plaatsvinden in de broedperiode en in periodes met vorst. Het is hierbij belangrijk dat zowel voor, tijdens als na de werkzaamheden groenvoorzieningen aanwezig en bereikbaar zijn. Daarnaast moet bij het verwijderen van de bosschages zorgvuldig worden gehandeld, er moet gewerkt worden vanaf één zijde en er mogen geen huismussen in de bosschages aanwezig zijn ten tijde van de werkzaamheden. Hiermee is overtreding van artikel 3.1 lid 1, 2 en 4 van de Wnb voorkomen. 5.4
Grote vos Staat van instandhouding De grote vos is een zeldzame vlinder die voorkomt in vochtige open bossen of andere plekken met grote vrijstaande bomen. Het is een mobiele vlinder die veel zwerft (De Vlinderstichting, 2021a). In Nederland voorzien iepen in 96% van de gevallen in de voortplantingsplaatsen van grote vossen. Sommige wilgensoorten, de pruim en de zoete kers vullen de overige 4% op (Bos et al., 2006). Vanaf 1950 is de soort sterk in aantallen achteruit gegaan, waarna hij acuut met uitsterven werd bedreigd. Desondanks wordt er sinds 2019 weer op verschillende plekken in Nederland voortplanting vastgesteld en het aantal waarnemingen was in 2018 en 2019 opvallend hoog (De Vlinderstichting, 2019). Er wordt niet verwacht dat de staat van instandhouding in gevaar komt bij de ontwikkeling. Er zal vervangend leefgebied met waardplanten worden gerealiseerd waardoor negatieve effecten op de plaatselijke populatie zoveel mogelijk worden voorkomen. Door hier nieuw leefgebied in te richten voor de soort kan het ook een positief effect hebben op de plaatselijke en landelijke populatie.
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
22
3345.03
Effecten De grote vos behoort tot de nationaal beschermde dier- en plantensoorten en is beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 3.10 lid 1a Wnb) en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen (artikel 3.10 lid 1b Wnb). Omdat verschillende boswilgen kunnen functioneren als voortplantingsplaats zal de ontwikkeling op de locatie leiden tot overtreding van artikel 3.10 lid 1b van de Wet natuurbescherming. Overtreding van artikel 3.10 lid 1a moet worden voorkomen door op zorgvuldige wijze te handelen en de werkzaamheden af te stemmen op de levenscyclus en het gebruik van de waardplant. Hierdoor worden op korte of lange termijn geen negatieve effecten verwacht op de lokale populatie en staat van instandhouding. Maatregelen Voor de grote vos zal vervangend leefgebied gerealiseerd worden dat gelijk is aan of beter is dan het leefgebied wat bij de ontwikkeling verdwijnt. Er zijn enkele boswilgen aan de rand van het GNN-perceel en rondom het dijkje die tot het leefgebied behoren. Bij de ontwikkeling zal ter compensatie een nieuw leefgebied worden ingericht voor de grote vos. Dit nieuwe gebied moet worden gerealiseerd voordat de boswilgen langs het dijkje verwijderd kunnen worden.
Daarnaast wordt in maart 2022 (bloeiperiode) in kaart gebracht waar de boswilgen precies staan, om hoeveel bomen het gaat en hoeveel boswilgen in de directe omgeving aanwezig zijn. Het is echter bekend dat er minstens twee boswilgen langs de rand van het GNN-bos aanwezig zijn. Deze kunnen worden gebruikt als tijdelijke compensatie voor de grote vos. Voor het nieuw te realiseren gebied is het belangrijk dat de randen van houtopstanden en -wallen bereikbaar blijven. Daarnaast zullen de waardplanten iep en boswilg (3-5 tak maat) aan de randen worden aangeplant. De vlinder komt namelijk voor op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Verder kunnen houtstapels of takkenrillen positieve invloed hebben op de soort, omdat ze gebruikt kunnen worden als overwinteringslocatie (De Vlinderstichting, 2021a). Daarom worden er ook takkenrillen in de directe omgeving van het projectgebied, nabij de waardplanten, gerealiseerd. Het verwijderen van de boswilgen moet plaatsvinden buiten de kwetsbare periode van de bunzing (15 maart - 1 september) aangezien de bosschages deel uitmaken van het leefgebied van deze soort. Door te werken buiten de kwetsbare voortplantingsperiode van de bunzing wordt ook gewerkt buiten de voortplantingsperiode van de grote vos (begin april - half juli, zie figuur 3) en het vogelbroedseizoen (15 maart - 15 juli).
Figuur 3. Levensstadia van de grote vos gedurende een jaar (UK Butterflies, 2021a)
Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg te Aalten
23
3345.03
5.5
Grote weerschijnvlinder Staat van instandhouding De grote weerschijnvlinder is een standvlinder die voornamelijk voorkomt rond oude, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of bossen langs beekdalen. De soort gebruikt de boswilg en grauwe wilg als waardplant. Na een stabiele periode in 1920-1975 ging de soort in aantallen achteruit. De grote weerschijnvlinder was destijds een zeldzame standvlinder met nog slechts enkele populaties in Twente, de Achterhoek en Noord-Brabant. Vanaf 2000 breidt de soort zich weer uit in Nederland en Gelderland (De Vlinderstichting, 2021b). Er wordt niet verwacht dat de staat van instandhouding in gevaar komt bij de ontwikkeling. Er zal vervangend leefgebied worden gerealiseerd waardoor negatieve effecten op de plaatselijke populatie zoveel mogelijk worden voorkomen. Door hier nieuw leefgebied in te richten voor de soort kan het ook een positief effect hebben op de plaatselijke en landelijke populatie. Effecten De grote weerschijnvlinder behoort tot de nationaal beschermde dier- en plantensoorten en is beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 3.10 lid 1a Wnb) en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen (artikel 3.10 lid 1b Wnb).
Omdat verschillende boswilgen kunnen functioneren als vaste voortplantingsplaats zal de ontwikkeling op de locatie leiden tot overtreding van artikel 3.10 lid 1b van de Wet natuurbescherming. Overtreding van artikel 3.10 lid 1a moet worden voorkomen door op zorgvuldige wijze te handelen en het ongeschikt maken van boswilgen onder ecologische begeleiding te laten uitvoeren. Hiermee worden op korte of lange termijn geen negatieve effecten verwacht op de lokale populatie en staat van instandhouding van de grote weerschijnvlinder. Maatregelen Voor de grote weerschijnvlinder zal vervangend leefgebied gerealiseerd worden dat gelijk is aan of beter is dan het leefgebied wat bij de ontwikkeling verdwijnt. Er zijn enkele boswilgen aan de rand van het GNN-perceel en rondom het dijkje die tot het leefgebied behoren. Bij de ontwikkeling zal ter compensatie een nieuw leefgebied worden ingericht voor de grote weerschijnvlinder. Dit nieuwe gebied moet worden gerealiseerd voordat de boswilgen langs het dijkje verwijderd kunnen worden. Daarnaast wordt in maart 2022 (bloeiperiode) in kaart gebracht waar de boswilgen precies staan, om hoeveel bomen het gaat en hoeveel boswilgen in de directe omgeving aanwezig zijn. Het is echter bekend dat er minstens twee boswilgen langs de rand van het GNN-bos aanwezig zijn.