CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c - TAM-omgevingsplan Landelijk gebied, herziening 2025 Bijlagen_Deel5

Gemeenteraad 21 april 2026, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel TAM-Omgevingsplan Landelijk gebied20.085 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ingrediënten voor de afweging voor wat betreft de kwetsbaarheid van de omgeving zijn te vinden in par. 7.1.3. De PGS-15 behandelt in hoofdstuk 5 de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, voorafgaand aan of aansluitend op transport. Het voert te ver om hier voor de verpakte lithium-ion energiedragers een analoog hoofdstuk uit te werken. Wel wordt erop gewezen dat het, overeenkomstig PGS-15, wenselijk is de verpakte energiedragers zo snel mogelijk naar een daarvoor bestemde permanente voorziening te verplaatsen. Ook is de tijdelijke opslag niet bedoeld als werkvoorraad en wordt geadviseerd de bereikbaarheid voor hulpdiensten voor de bestrijding van calamiteiten goed te regelen, bij voorkeur via een toegangsdeur in de buitengevel. In hoeverre scheiding van tijdelijk opgeslagen lithium-ion energiedragers en andere stoffen of koopmansgoederen kan plaatsvinden, zoals PGS-15 voorschrijft, zal afhangen van de soort stoffen, in samenhang met de in hoofdstuk 6 beschreven risico’s.

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 19 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Geadviseerd wordt voor tijdelijke opslag verder passende maatregelen te treffen, gebaseerd op elementen uit deze circulaire. Brandcompartimentering Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • Maximaal 10.000 kg energiedragers per brandcompartiment en maximaal oppervlak: 300 m2(Eventueel maatwerk bij grotere hoeveelheden en oppervlakken); • Inpandige opslag: wbdbo ¹ minimaal 60 minuten • Uitpandige opslag: wbdbo minimaal 30 minuten als de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten ten minste 5 meter is; • Niet intacte energiedragers: wbdbo 90 minuten en quarantaineruimte; • Geen andere (brand)gevaarlijke stoffen, werkzaamheden en laadruimte in het brandcompartiment; • Vast opgesteld automatisch blussysteem; • Branddetectie met doormelding; • Opvangvoorziening voor bluswater; • Toegangsdeur in de gevel met voldoende ruimte voor hulpdiensten. ¹ wbdbo: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. De bouwvoorschriften kennen vereisten voor brandwerende voorzieningen. Deze zijn samengevat in par. B.3.3 van de bijlage. Het voornemen is om in de toekomst, onder de Omgevingswet in het Besluit activiteiten leefomgeving, de opslag van lithium-ion energiedragers op zichzelf als milieubelastende activiteit aan te merken.

Dit zal dan bepalend zijn voor de veiligheidsomstandigheden waaronder de opslag plaatsvindt. Dit plaatst de bouwregelgeving dan op de achtergrond. Met de adviezen in deze circulaire wordt geanticipeerd op de toekomstige situatie. Geadviseerd wordt om een opslagvoorziening in een apart brandcompartiment te plaatsen. Een brandcompartiment is een (deel van) een gebouw waarbij gedurende een bepaalde tijd uitbreiding van een brand tot buiten dat compartiment wordt voorkomen, zodat deze beheersbaar blijft en personen de gelegenheid wordt geboden zich in veiligheid te stellen. In deze circulaire wordt als vuistregel gehanteerd dat een brandcompartiment maximaal 10.000 kg energiedragers herbergt en een maximaal oppervlak heeft van 300 m2. Dit laatste omwille van beperking van het brandoppervlak en de bereikbaarheid voor de brandweer. Als niet meer dan 10.000 kg per opslagvoorziening aanwezig is, betekent dit overigens ook dat er geen vergunningplicht aan de orde is op grond van het Bor, bijlage I, categorie 4.4, onder j. Wel geldt een meldingsplicht op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit. Bijvoorbeeld om redenen van haalbaarheid en betaalbaarheid kan wel sprake zijn van een vergunningplichtige situatie (waarbij er dus meer dan 10.000 kg in een opslagvoorziening is geplaatst of er met een oppervlak groter dan 300 m2 wordt gewerkt).

Voor gevallen waarin meer dan 10.000 kg per brandcompartiment of een groter oppervlak dan 300 m2 wordt opgeslagen, wordt maatwerk geadviseerd met advies van de Veiligheidsregio of brandweer. Het is dan onder andere afhankelijk van de ligging ten opzichte van in het bestemmingsplan of omgevingsplan toegelaten kwetsbare gebouwen en

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 20 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

locaties welk maatregelenpakket opportuun is. Ingrediënten voor de afweging zijn te vinden in par. 7.1.3. Voor informatie waarbij de energiedragers als afvalstof aangemerkt moeten worden, wordt verwezen naar de bijlage onder B.2. Er wordt geadviseerd de aanpak te volgen die thans in PGS-37 kader in ontwikkeling is en die hier wordt weergegeven. Daarbij moet opgemerkt worden dat in PGS-37 kader deze ontwikkelingen nog niet vaststaan.

•

•

•

Bij inpandige opslag6 van lithium-ion energiedragers is sprake van een afzonderlijke ruimte. Er geldt een wbdbo van minimaal 60 minuten. Deuren, ventilatieopeningen, leidingdoorvoeren of rookluiken in de constructie mogen geen afbreuk doen aan de brandwerendheid; Voor een uitpandige opslag geldt een wbdbo van minimaal 30 minuten als de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten ten minste 5 meter is. De wbdbo geldt inclusief de wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagvoorziening; Er worden geen wbdbo-eisen gesteld als de afstand tot een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten ten minste 10 meter is.

In de in ontwikkeling zijnde PGS-37 wordt voorts mogelijk aangegeven dat er geen opslag van brandbare stoffen binnen de aangegeven afstanden mag plaatsvinden en er evenmin brandgevaarlijke activiteiten mogen plaatsvinden. Dit eventueel met uitzondering van onderhoudswerkzaamheden. Als de energiedragers niet intact zijn of een verdenking daarvan bestaat, wordt een wbdbo van minimaal 90 minuten geadviseerd. Dit om te anticiperen op het grotere risico dat in die gevallen speelt en de veiligheid op voorhand niet vast te stellen is. Een motivering voor de wbdbo kan ontleend worden aan het restrisico uit artikel 7.10 van het Bouwbesluit en de zorgplicht uit artikel 1a van de Woningwet. In de bijlage, paragraaf B3.3.2 wordt nader ingegaan op het Bouwbesluit. Ook kan gedacht worden aan een ‘quarantaineruimte’, zijnde een uitpandige ruimte waar de energiedragers gedurende enkele dagen worden opgeslagen. Ook bij meerdere brandcompartimenten wordt geadviseerd een brandwerende scheiding tussen de compartimenten aan te (laten) brengen met een wbdbo van minimaal 60 minuten. Dit geldt ook voor de doorgangen en openingen. Geadviseerd wordt voorts geen andere gevaarlijke stoffen, geen andere brandgevaarlijke stoffen of stoffen die de energiedragers kunnen aantasten (bijvoorbeeld strooizout) in het brandcompartiment te plaatsen.

Het verdient verder aanbeveling om andere werkzaamheden dan noodzakelijk voor de opslag niet in de opslagruimte voor de energiedragers toe te staan. Alternatieve functies voor de opslagruimte, zoals gebruik als oplaadruimte wordt afgeraden. Technische ruimten (cv, stoppenkasten) mogen niet rechtstreeks in verbinding staan met het brandcompartiment. Bij een opslagvoorziening die als apart brandcompartiment is ingericht is het uitgangspunt dat een brand snel gedetecteerd en in een beginstadium beheerst wordt. Om die reden is een vastopgesteld automatisch blussysteem aanwezig. De automatische systemen zijn bijvoorbeeld: een sprinklerinstallatie of een deluge-installatie7 of alternatieven zoals de toepassing van aerosolen. De installatie moet daarbij

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 21 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

gecertificeerd zijn en aantoonbaar een lithium-ion brand in een beginstadium kunnen beheersen. De automatische installatie moet hierbij ook bewerkstelligen dat er geen uitbreiding plaatsvindt naar de naastgelegen opgeslagen energiedragers binnen het brandcompartiment. De systemen die kunnen worden toegepast in een opslagvoorziening en de eisen waaraan deze systemen moeten voldoen, zijn verder uitgewerkt in de PGS-148. Naast een koel-/blussysteem is er een voor dat systeem geschikte branddetectie. Een thermisch detectiesysteem zorgt voor een snelle melding bij het ontstaan van een oververhitting en een (kruisgevoelige) koolmonoxide melder detecteert ook in een vroeg stadium vrijkomend waterstofgas. Om die reden worden beide systemen aangeraden, waarbij tevens een doormelding plaatsvindt naar een continu bezette particuliere alarmcentrale (PAC). Bij de bestrijding van een brand van lithium-ion energiedragers met koel- of bluswater kan toxisch en corrosief water in de omgeving terecht komen. Dit water kan in het oppervlaktewater geraken of in het riool lopen waarbij een mogelijke verstoring van het biologisch zuiveringsproces in de rioolwaterzuiveringinstallatie (RWZI) kan volgen. De wateropvangvoorzieningen zijn er op gericht het aldus in het milieu geraken van het verontreinigd water te voorkomen. Dit zou met voorzieningen buiten de inrichting, c.q.

begrenzing van de activiteit kunnen. Ook kan gedacht worden aan het ‘inblokken’ van delen van het rioolstelsel, waarmee voorkomen wordt dat het blus- of koelwater in de RWZI geraakt. Geadviseerd wordt om in overleg tussen ondernemer en bevoegd gezag en Veiligheidsregio planmatig tot beheersing van de koel-/bluswaterproblematiek te komen. De realisatie van een wateropvangvoorziening kan complex en kostbaar zijn. Geadviseerd wordt de haalbaarheid en betaalbaarheid in het oog te houden. Geadviseerd wordt voorts om de toegankelijkheid voor hulpdiensten te waarborgen. Elk brandcompartiment moet aan de buitenzijde van het pand goed te bereiken zijn voor hulpdiensten door middel van een toegangsdeur in de gevel. De buitenruimte rond deze toegangsdeur moet voldoende vrije ruimte hebben, zodat de brandweer hierbij kan met haar materieel waarbij rekening gehouden moet worden met een veilige werkafstand tot het gebouw in relatie tot de hoogte hiervan. In overleg met de brandweer kan deze minimale veilige ruimte lokaal worden vastgesteld.

Brandveiligheidskluis

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 22 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • Geen andere gevaarlijke stoffen, onnodige werkzaamheden of alternatieve functies in de kluis; • Branddetectie; • Automatisch sluitende deuren bij incident; • Aansluiting voor waterslang; • Waterdichtheid voor opvang bluswater; • Overloopinrichting Een kluis bestaat uit een enkele afzonderlijk afsluitbare en brandveilige ruimte, die geen onderdeel uitmaakt van de bouwkundige constructie van het gebouw waarin deze geplaatst is. Deze heeft de vorm van een grote, betreedbare brandveilige voorziening die binnen een grotere ruimte is geplaatst. De kluis werkt als een brandcompartiment, zij het dat hier niet uitgegaan wordt van een vast opgesteld automatisch blussysteem. Het verdient aanbeveling om andere werkzaamheden dan noodzakelijk voor de opslag niet in de opslagruimte voor energiedragers toe te staan. Alternatieve functies voor de kluis, zoals gebruik als oplaadruimte wordt afgeraden. Evenals bij een ‘gewoon’ brandcompartiment worden zowel een thermische detectie als een koolmonoxide melder aangeraden. Bij een incident moeten de deur(en) van de brandveiligheidsopslagkluis, die eventueel nog open staan, automatisch worden aangestuurd om te sluiten.

Evenals bij een ‘gewoon’ brandcompartiment wordt geadviseerd geen andere gevaarlijke stoffen en geen andere brandgevaarlijke stoffen of stoffen die de lithium-ion energiedragers kunnen aantasten (bijvoorbeeld strooizout) in de kluis te plaatsen. Buiten de kluis zou dat dan weer wel kunnen. Voor zover de brandveiligheidskluis voldoet aan een passende veiligheidsnorm wordt in deze circulaire geen advies opgenomen ten aanzien van aanvullende eisen. Stellingname daarover wordt overgelaten aan de PGS-37 werkgroep. Voorzover er geen norm van toepassing is wordt geadviseerd om de kluis te voorzien van een aansluiting voor een brandweerslang (3’ Stortzkoppeling (nok81)) waarop de brandweer een koel- of bluswateraansluiting kan realiseren. Daarbij is het raadzaam om de precieze locatie hiervan in overleg met de brandweer vast te (laten) stellen. Bij het aanbrengen van een dergelijke voorziening moet de kluis waterdicht zijn uitgevoerd, zodat deze in geval van een calamiteit via de Stortzkoppeling met water kan worden gevuld. Om het overtollige water te kunnen kwijtraken wordt geadviseerd de kluis te voorzien van een overloopinrichting die tenminste het aangeboden bluswater kan afvoeren (1.000 liter per minuut). Deze overloopinrichting wordt dan aangebracht 10 cm boven het hoogste punt van de hoogst opgeslagen lithium-ion energiedrager.

Opgemerkt wordt nog dat het gangbaar is dat de ruimte gevuld wordt zonder dat de overloop gebruikt wordt. Dit tenzij de temperatuur zodanig oploopt dat verdere koeling nodig is.

Brandveiligheidskast Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • Inhoud tot ca 1,5 m3; • 60 minuten brandwerend bij intacte energiedragers; • 90 minuten brandwerend bij niet- intacte energiedragers

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 23 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Als vuistregel voor een brandveiligheidskast geldt een inhoud tot circa 1,5 m3. Zo’n kast onderscheidt zich van een kluis doordat de kast niet betreedbaar is. Uitgegaan wordt van een aantoonbare brandwerendheid van minimaal 60 minuten voor intacte energiedragers (‘type 60’) en 90 minuten voor energiedragers voor niet-intacte energiedragers. Naar zijn aard moet een brandveiligheidsopslagkast brandveilig zijn. Voor gevallen na 1 januari 2006 wordt hieraan in ieder geval aan voldaan met de eisen uit NEN-EN-14470-1 (deze norm heeft betrekking op kasten t/m 1 m3). Het is logisch dat de desbetreffende documentatie voorhanden is, waarbij die documentatie door de leverancier van de kast is meegeleverd. Ten aanzien van extra veiligheidseisen, bovenop een passende norm, zoals repressieve voorzieningen (blussysteem), rookgasafvoer en drukontlastingsklep wordt in deze circulaire geen advies opgenomen. Dit omdat dit extra eisen zijn, naast de norm. Stellingname over andere eisen, naast de norm, wordt overgelaten aan de PGS-37 werkgroep. Alle veiligheidsmaatregelen zijn toegepast, controle en voorlichting moet periodiek herhaald worden en nieuwe medewerkers moeten een introductie hebben over alle risico’s en beheersmaatregelen die er zijn om waarborging te kunnen garanderen. Tevens is met de plaatselijk hulpverlening gecommuniceerd over de risico’s en beheersmaatregelen.

Brandveilige verpakking Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • Gebruik verpakkingen die adequate bescherming bieden bij ontbranding; • Voor kleinschalige opslagen, met name voor beschadigde energiedragers en energiedragers voor recycling of vernietiging Er zijn kleinschalige verpakkingen op de markt verkrijgbaar in de vorm van bijvoorbeeld zakken, kratten of tonnen, of, voor apparaten, de zogeheten enveloppes, die een adequate bescherming moeten bieden tegen ontbrandende lithium-ion energiedragers. Ook de verpakkingen die vereist zijn voor het vervoer (zie paragraaf 7.1.1 en de bijlage, paragraaf B3.6) kunnen hier een rol vervullen. Geadviseerd wordt deze

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 24 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

verpakkingen toe te passen bij de kleinschalige opslag, met name voor energiedragers die bedoeld zijn om te worden vernietigd of gerecycled, respectievelijk voor beschadigde energiedragers. Daarbij maakt de vervoersregelgeving onderscheid tussen deze categorieën.

Verantwoord stapelen Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • Alleen stapelen in stellingen; • 0,5 m tussen de energiedragers en de onderzijde van de dakplaten; • Extra voorzieningen bij stapeling hoger dan 5 à 6 m Het stapelen van pallets die (verpakte) lithium-ion energiedragers bevatten, anders dan in stellingen, wordt afgeraden. In alle gevallen wordt geadviseerd dat de ruimte tussen de opgeslagen energiedragers en de onderzijde van de dakplaten ten minste 0,5 m is. Dit ten behoeve van de luchtcirculatie in de opslagvoorziening en voorkoming van opwarming door zonnestraling op het dak op zomerse dagen. Geadviseerd wordt om bij een hogere stapeling dan 5 à 6 meter extra voorzieningen te treffen om brandpropagatie te voorkomen of een beginnende brand eerder te detecteren. Hierbij kan gedacht worden aan een fysieke brandvertragende barrière tussen pallets of detectie per pallet. In de PGS-37 zal naar verwachting een aan te houden maximale hoogte opgenomen worden. Het spreekt vanzelf dat de stellingen voldoende sterk moeten zijn en niet zwaarder mogen worden belast dan waar deze op gemaakt zijn.

Good housekeeping Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • Overzichtelijke inrichting van de opslagruimte; • Zorgvuldig handelen; • Geen dagvoorraad in vlucht- of rijroute; • Mogelijkheid een enkele pallet uit de opslag te verwijderen; • Opladen tijdens werktijden/aanwezigheid van personeel; • Opladen buiten werktijden in een afzonderlijke kast, kluis of brandcompartiment met branddetectie; • Instructie personeel; • Representatief journaal bij meer dan 10.000 kg • Zo mogelijk apart opslaan; gedemonteerd uit het apparaat; • Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voorbereiden op transport Een algemeen beginsel van good housekeeping is dat een opslagruimte overzichtelijk en netjes ingericht is. Dit voorkomt misplaatsing van goederen die niet bij elkaar opgeslagen zouden moeten worden. Good housekeeping is goed op orde en dient gecontinueerd te worden.

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 25 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Omdat fysieke beschadiging, zowel in het inwendige van een energiedrager als aan de omhulling een risicofactor vormt, spreekt het vanzelf dat zorgvuldig met de energiedragers omgegaan dient te worden. Het laten vallen, aanrijden, ruw behandelen moet worden voorkomen. Overeenkomstig de PGS-15, voorschrift 3.1.3 wordt voorts geadviseerd de dagvoorraad niet in rijroute of vluchtroute te plaatsen, zodat de paden toegankelijk blijven. Daarbij moet de mogelijkheid voorhanden zijn om een enkele pallet uit de opslag te verwijderen, bijvoorbeeld als geconstateerd wordt dat daarin een bijzondere warmteontwikkeling plaatsvindt. Daarbij wordt geadviseerd dergelijk ingrijpen aan de (beoordeling van) de brandweer over te laten, vanwege het mogelijk vrijkomen van giftige gassen uit instabiele lithium-ion energiedragers. Hoewel het strikt genomen niet om de opslag van de energiedragers gaat, wordt, voor zover er sprake is van het opladen van de energiedragers, geadviseerd dit binnen de werktijden, c.q. in aanwezigheid van personeel te doen. Ook dit is een kwestie van good-housekeeping. Soms wordt echter ’s nachts geladen in verband met de normale bedrijfsvoering en effectieve inzet van materieel. Hierbij valt te denken aan verhuurbedrijven voor fietsen of het laden van bouwmaterieel. Voor die gevallen wordt geadviseerd zoveel mogelijk de geest van deze circulaire te volgen.

Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om het inrichten van een laadfaciliteit in een afzonderlijk brandcompartiment, afzonderlijke brandveiligheidskluis of brandveiligheidskast. Ook kan hier een regulier onderhouds- of inspectieprogramma al voldoende veiligheidswaarborgen bieden. Dit wellicht gekoppeld aan de levensduur van de energiedragers. Een punt van overweging van de mate waarin maatregelen opportuun zijn is voorts de kwetsbaarheid van de omgeving, zoals bedoeld in de tweede alinea van paragraaf 7.1.2. Daarnaast wordt aangeraden om de plek waar energiedragers worden opgeladen buiten werktijden, te voorzien van zowel branddetectie als een koolmonoxide melder. Dit om ingeval van een (dreigend) incident tijdig handelend te kunnen optreden. Daarbij wordt afgeraden verlengsnoeren en losliggende verdeelpunten te gebruiken. Goed geïnstrueerd personeel dat bekend is met het mogelijk ontstaan van een incident met lithium-ion energiedragers kan helpen een dreigend incident in een vroeg stadium te onderkennen. Dit betreft ook waakzaamheid met betrekking tot geur en warmteontwikkeling van de energiedragers. Ook is het van belang dat bij het personeel van de opslagfaciliteit bekend is hoe te handelen in geval van calamiteiten.

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 26 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Er wordt geadviseerd dat er per opslagvoorziening met meer dan 10.000 kg lithium-ion energiedragers een actueel intern noodplan aanwezig is. Kortheidshalve wordt in dat verband verwezen naar het voorschrift 3.19.1 uit de PGS-15. Als de aanwezigheid van meer dan 10.000 kg lithium-ion energiedragers wordt toegestaan, wordt een representatief journaal gevraagd. Dit journaal heeft tot doel de hulpverlenende diensten een beeld geven van de te verwachten gevaren als gevolg van de opgeslagen stoffen. Voor een nadere beschrijving van de inhoud van het journaal wordt verwezen naar het voorschrift 3.15.1 uit de PGS-15. Als lithium-ion energiedragers uit grotere apparaten gedemonteerd kunnen worden, bijvoorbeeld bij tweewielers, wordt geadviseerd deze apart op te slaan in een compartiment, kast, kluis of andere brandbeschermende omhulling. Met die benadering wordt ook de kans op beschadiging van de energiedrager door het omvallen van tweewielers beperkt. Dit advies geldt nadrukkelijker voor inruil/tweedehands tweewielers die al een keer het gebruiksstadium gepasseerd zijn.

Erkend wordt dat voor energiedragers die bijvoorbeeld in elektronica, zoals laptops, zijn bevestigd het moeilijker is om deze apart op te slaan. Steeds zal het gaan om een afweging tussen praktische haalbaarheid en veiligheidswinst, waarbij bijvoorbeeld ook de spreiding van de gemonteerde energiedragers in de ruimte waarin de apparaten zijn opgeslagen een rol speelt. De opslag van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA), vooruitlopend op de afvoer daarvan heeft een bijzondere positie. Daarbij speelt ook de wenselijkheid van een afzonderlijke inzamelstructuur voor de AEEA vanuit veiligheidsoogpunt. Het komt de efficiëntie ten goede als de doorgaans kortstondige opslag vooruitloopt op het vervoer. Ook de WEEELABEX-richtlijn9 is relevant, omdat daarin wordt aangegeven dat de AEEA in dezelfde onbeschadigde en complete vorm moet worden afgevoerd naar een verwerker. Geadviseerd wordt bij de maatregelenkeuze deze punten mee te nemen. Maatregelen voor verkoopruimten/winkels Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • t/m 333 kg: buiten toepassingsbereik van de circulaire; • 333 t/m 5.000 kg: good housekeeping; • 5.000 t/m 10.000 kg: good housekeeping en brandmeldinstallatie met doormelding PAC; • vanaf 10.000 kg: als reguliere opslag met maatwerk

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 27 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Zoals aangegeven in hoofdstuk 5 gelden voor verkoopruimten en winkels, voorzover het gaat om intacte energiedragers, een beperkt aantal specifieke maatregelen, waarbij het maatregelenpakket afhankelijk is van de hoeveelheid opgeslagen energiedragers. Onder good housekeeping valt specifiek voor verkoopruimten en winkels: • Een voorlichting van personeel inzake het (brand)risico en hoe te handelen in geval van een incident; • Voor voertuigen, tweewielers en elektronica: zo mogelijk niet laden van de energiedragers buiten de aanwezigheid van personeel; • Voor energiedragers in apparaten: beperken van hoge stapels; • Bij met name tweewielers: voor zover mogelijk niet monteren van de energiedragers, maar deze in een aparte opslag nemen. Dit ook om beschadiging van energiedragers door omvallen te voorkomen. Indien demontage niet mogelijk is wordt geadviseerd de tweewielers op enige afstand van elkaar plaatsen; • Extra voorzichtigheid betrachten bij gebruikt, cq tweedehands materiaal. Voor hoeveelheden vanaf 10.000 kg gelden de maatregelen die hierboven zijn beschreven voor de opslag van energiedragers. Daarbij wordt de toepassing van maatwerk geadviseerd met advies van de brandweer (zie paragraaf 7.1.2).

Omgevingsveiligheid van de opslag van energiedragers Afweging locatiekeuze Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • Aandacht voor (beperkt) kwetsbare objecten/gebouwen en locaties; • Bijzondere aandacht voor zeer kwetsbare gebouwen; • Strikter toepassen bij energiedragers met een groter risico De formele regels voor veiligheidsafstanden overeenkomstig het Activiteitenbesluit (artikel 4.1, tweede en derde lid) voor verpakte gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening (hoeveelheden van meer dan 2.500 en minder dan 10.000 kg energiedragers) zijn niet ontworpen met het oog op de opslag van

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 28 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

lithium-ion energiedragers. Dezelfde afstanden zijn weliswaar met de Omgevingswet (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), paragrafen 3.2.9 en 4.98) overgezet, echter – tot dusverre – evenmin indachtig de opslag van lithium-ion energiedragers. Het ligt voor de hand bij een locatiekeuze van de opslag van lithium-ion energiedragers rekening te houden met een mogelijk brandincident en meer in het bijzonder de hitteontwikkeling en het ontstaan van een gifwolk. Bij dit laatste kan ook de overwegend heersende windrichting een rol spelen. De omgevingsrisico’s hebben betrekking op de ligging van de opslagvoorziening ten opzichte van kwetsbare objecten of gebouwen en locaties, zoals woningen, intensief bezette kantoren en evenemententerreinen. Voor een nadere uitwerking van de begrippen (beperkt) kwetsbare objecten wordt verwezen naar artikel 1 van het Bevi. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, bijlage VI) zijn deze begrippen, met wat meer nuance uitgewerkt en wordt een categorie zeer kwetsbare gebouwen toegevoegd. Het Bkl treedt naar verwachting op 1 januari 2022 in werking, maar in alle gevallen wordt geadviseerd in het bijzonder aandacht te geven aan de zogeheten zeer kwetsbare gebouwen die in het Bkl worden onderscheiden. Het gaat daarbij om gebouwen met kwetsbare (groepen) mensen met een beperkte vluchtmogelijkheid.

Voorts wordt, in het Bkl, in aanvulling op de Bevi-indeling ook onderscheid gemaakt in beperkt kwetsbare of kwetsbare locaties. Geadviseerd wordt ook deze aanvulling op het Bevi in beschouwing te nemen. Bij de ruimtelijke inpassing is het relevant om, zo mogelijk, de nabijheid van bevolkingsconcentraties te vermijden en naarmate dit minder mogelijk is een stringenter veiligheidsregime aan te houden. Geadviseerd wordt het punt van de omgevingsveiligheid strikter te hanteren naarmate het gaat om energiedragers met een groter risico of grotere hoeveelheden energiedragers.

Bereikbaarheid en bekendheid bij de opslag van energiedragers Locatiebekendheid voor hulpdiensten

Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • Opslag vanaf 1.000 kg melden bij veiligheidsregio; • Locatie, aard, omvang, moment van ingebruikname, gegevens beheerder

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 29 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Het is van belang dat de aanwezigheid van een opslagfaciliteit voor hoeveelheden vanaf 1.000 kg energiedragers bekend is bij de Veiligheidsregio. Dit heeft geen betrekking op energiedragers die in voertuigen gemonteerd zijn, voorzover deze voertuigen niet bij een ongeval, zoals een botsing, betrokken zijn geweest. Voor zover er wel een melding van toepassing is gaat het om de locatie, de aard en omvang van de activiteit en het moment van ingebruikname. Voorts gaat het om het beschikbaar stellen van contactgegevens van een beheerder of zijn plaatsvervanger die vroegtijdig kan ingrijpen en de opslagruimte toegankelijk kan maken voor hulpdiensten en hen van nadere informatie kan voorzien.

Locatiebereikbaarheid voor hulpdiensten

De bereikbaarheid van de locatie is cruciaal voor een adequate inzet van de hulpdiensten. Daarbij moet ook gedacht worden aan maatregelen die voorkomen dat bijvoorbeeld geparkeerde voertuigen de toegang blokkeren.

Markering Het aanbrengen van een duidelijke markering aan de buitenzijde onderscheidt een opslag van lithiumion energiedragers van andere faciliteiten. Geadviseerd wordt om aan de buitenzijde van een opslagvoorziening of de ruimte waarin de opslag is geplaatst, bijvoorbeeld nabij de toegangsdeur(en), op duidelijk zichtbare plaatsen waarschuwingsaanduidingen te plaatsen. Dit om de aanwezigheid van de lithium-ion energiedragers weer te geven, voor zover dit valt onder de werkingssfeer van deze circulaire. Het wordt aan de PGS-37 werkgroep overgelaten om een eventueel voorstel te doen met betrekking tot de uniformering van een kenmerk of hoeveelheidsondergrens. Dit zou evenwel geen belemmering moeten vormen om al snel een eventueel nog niet geüniformeerde aanduiding aan te brengen. Van belang hierbij is nog om op te merken dat hierbij niet het model 9A etiket wordt toegepast omdat dit etiket bedoeld is voor verpakkingen (zie hiervoor de bijlage, paragraaf B3.6).

EOS In deze paragraaf wordt de veiligheid van een EOS behandeld. Daarbij wordt de indeling gevolgd van het niveau waarop de maatregelen getroffen kunnen worden, overeenkomstig tabel 3.

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 30 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Veiligheid van de afzonderlijke energiedrager in een EOS Kwaliteitsbeheersprogramma en testen Evenals bij de opslag van energiedragers geldt dat door het stellen van prestatie-eisen en een testprogramma het risico wordt beperkt (zie paragraaf 7.1.1). Deze eisen gelden voor het vervoer van de energiedragers.

Het inrichten van het EOS Modulaire indeling en incidentbescherming Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): • Materialen die geen bijdrage leveren aan de brandvoortplanting; • Compartimentering per module of andere voorbereidingen om een incident te bestrijden / stortzkoppeling; • IEC of vergelijkbaar hanteren; • Klimaatbeheersing; • Bliksemafleidingssysteem; • Aanrijbeveiliging; • Thermisch detectiessyteem en koolmonixidemelder en doormelding; • Overloopinrichting voor bluswater • Voorzieningen voor afvoer bluswater – inpandige EOS: voorzieningen voor afvoeren gifwolk In dat verband wordt geadviseerd de installatieruimte te vervaardigen van materialen die geen bijdrage leveren aan de brandvoortplanting. Aanbevolen wordt het ontwerp van een EOS zodanig vorm te geven dat een oververhitting en/of zelfontbranding van een energiedrager zich beperkt tot de grenzen van één batterijmodule10. Een module heeft daarbij een capaciteit van maximaal 15 à 20 kWh. Deze eisen zijn voor industriële toepassingen, zoals een EOS, opgenomen in IEC 6261911. Deze standaard bevat eisen omtrent de veiligheidsfuncties en het gedrag van het systeem bij mogelijk verkeerd gebruik.

Ook beschrijft deze standaard een brandpropagatietest, waarbij moet worden aangetoond dat een brand die veroorzaakt wordt door (zelf)ontbranding van een enkele cel zich niet uitbreidt tot voorbij een vooraf te bepalen systeemgrens. De typetest vindt derhalve plaats op het niveau van de module, inclusief eventuele scheidingsschotten tussen de modules. In de huidige versie van de standaard is het nog toegestaan om deze test niet uit te voeren wanneer de cellen bestand blijken tegen een productiefout die interne kortsluiting veroorzaakt. De ervaring heeft evenwel geleerd dat branden in EOS meestal worden veroorzaakt door factoren buiten de cellen zelf, en slechts in ondergeschikte mate door productiefouten in de cel zelf. Daarom schrijft de (concept12) IEC

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 31 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

62933-5-2 de propagatietest voor en is het de verwachting dat in een toekomstige editie van IEC 62619 de mogelijkheid om de propagatietest over te slaan is verwijderd. Aan vereisten wordt in ieder geval voldaan als de IEC 62619 en de IEC 62933-5-2 worden nagevolgd. Dit laatste vooruitlopend op de toepassing van IEC 62933-5-2 in de IEC 62619. Na het installeren en voorafgaand aan de ingebruikname van een netgebonden EOS schrijft de (concept) IEC 62933-5-2 voor dat het systeem door brandweer en relevante overheidsinstellingen moet kunnen worden geïnspecteerd, en dat bij deze inspectie de definitieve versie van de veiligheidsinformatie over het systeem aan hulpverleners wordt overgedragen als dit nog niet eerder is gebeurd. Ook kan deze inspectie als voorwaarde worden opgenomen bij het verlenen van een omgevings- of andere vergunning. Geadviseerd wordt de mogelijkheid tot inspectie door brandweer en overheidsinstellingen te bieden en de veiligheidsinformatie ter beschikking te stellen aan de hulpverleners. Door een adequate klimaatbeheersing, cq ventilatie kan oververhitting van de ruimte waarin het EOS is geplaatst worden voorkomen of beperkt. De aanwezigheid van een klimaatbeheerssysteem kan er overigens toe leiden dat een EOS als een inrichting gezien moet worden indien er een gezamenlijk vermogen van de elektromotoren van meer dan 1,5 kW geïnstalleerd is.

Dit op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor), bijlage I, categorie 1.1 onder a. Dit betekent dat er een meldingsplicht geldt voor die EOS. Dit geldt, op grond van het Bor, bijlage I, onder 1.2 onder b weer niet als de elektromotoren, die in een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, ten behoeve van dat gebouw worden aangewend. Geadviseerd wordt de EOS te voorzien van een bliksemafleidingssysteem dat voldoet aan IEC 62305-3 niveau III of IV, afhankelijk van de functie van het deel dat de EOS van energie voorziet. Indien de EOS binnen 10 meter van een openbare weg is gesitueerd wordt geadviseerd een doeltreffende aanrijdbeveiliging te realiseren. Wanneer een mobiele EOS wordt toegepast bij bijvoorbeeld evenementen, bouw- en infraprojecten waarbij het risico bestaat dat de EOS kan worden aangereden wordt geadviseerd eveneens een doeltreffende aanrijdbeveiliging te realiseren. Een thermisch detectiesysteem zorgt voor een snelle melding bij het ontstaan van een oververhitting. Een koolmonoxide melder reageert op het vrijkomen van koolmonoxide, ten gevolge van brand en daarmee wordt ook duidelijk dat andere giftige stoffen zoals waterstoffluoride en lithiumhydroxide vrijkomen. Daarbij detecteert een kruisgevoelige koolmonoxidemelder ook in een vroeg stadium vrijkomend waterstofgas.

Om die reden worden beide systemen aangeraden, inclusief een doormelding naar een PAC. In geval van een mobiele EOS wordt geadviseerd eveneens een telefonische doormelding te laten plaatsvinden naar diegene die hier toezicht op houdt. Bij evenementen is dit iemand van de evenementenorganisatie en bij bouw en infra projecten is dit een uitvoerder. Dit om in geval van een (dreigend) incident tijdig handelend te kunnen optreden. Voor gevallen waar het tegengaan van de brandpropagatie buiten de modules niet is geregeld wordt geadviseerd alternatieve voorbereidingen te (laten) treffen om een incident te bestrijden. Daarbij kan

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 32 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

het gaan om water als blus- of koelmiddel of bijvoorbeeld het gebruik van aerosolen. De installatie moet daarbij gecertificeerd zijn en aantoonbaar een lithium-ion brand in een beginstadium kunnen beheersen. Als ‘last-line-of-defence’ kan het energiedragerscompartiment van een EOS worden voorzien van een 3’ Stortzkoppeling (nok81)) waarop de brandweer een koel-/bluswateraansluiting kan realiseren. Daarbij zou aan de binnenzijde van het batterijencompartiment een droge blusleiding boven het batterijpakket uit moeten komen, zodat een vergelijkbare werking als met een sprinklerkop van een sprinklerinstallatie wordt verkregen. Voor gevallen waarbij voldoende aangetoond kan worden dat er geen brandpropagatie buiten de hier bedoelde module kan plaatsvinden wordt in deze circulaire geen advies opgenomen met betrekking tot het aanbrengen van een Stortzkoppeling. Besluitvorming daarover wordt overgelaten aan de PGS-37 werkgroep of overleg tussen een individuele initiatiefnemer en de brandweer. Daar waar een koppeling wordt aangebracht wordt, om het overtollige koel- of bluswater te kunnen kwijtraken, geadviseerd het compartiment te voorzien van een overloopinrichting die tenminste het aangeboden water kan afvoeren (1.000 liter per minuut). Deze overloopinrichting wordt dan aangebracht minimaal 10 cm boven het hoogste punt van gemonteerde energiedragers.

Aandachtspunt is dat bijvoorbeeld ventilatieopeningen in de EOS zodanig worden gerealiseerd, al dan niet met een technische voorziening, dat het onder water zetten van het batterijencompartiment in de praktijk ook mogelijk is. Erkend wordt dat dit voor met name bestaande situaties lastig kan zijn. Voor die gevallen wordt overleg tussen de beheerder en het bevoegd gezag, cq de brandweer aangeraden. Geadviseerd wordt om in overleg met de Veiligheidsregio voorzieningen voor de afloop van verontreinigd koel- of bluswater te realiseren. Dit wel na een gedegen afweging van de risico’s en de kosten. In het geval van een inpandige EOS wordt geadviseerd, eveneens in overleg met de Veiligheidsregio, een voor de brandweer goed bereikbare wateraansluiting aan de buitenzijde van het gebouw te realiseren. Voor het geval er water als blusmiddel of koelmiddel is voorzien geldt dat dit toxisch en corrosief kan zijn en dat deze middelen in het oppervlaktewater kunnen geraken of in het riool kunnen lopen waarbij een mogelijke verstoring van het biologisch zuiveringsproces in de rioolwaterzuiveringinstallatie (RWZI) kan volgen. Koel-/bluswateropvangvoorzieningen zijn er op gericht het aldus in het milieu geraken van het verontreinigd water te voorkomen. Dit zou met voorzieningen buiten de inrichting kunnen.

Ook kan gedacht worden aan het ‘inblokken’ van delen van het rioolstelsel, waarmee voorkomen wordt dat verontreinigd water in de RWZI geraakt. Geadviseerd wordt om in overleg tussen ondernemer en bevoegd gezag en Veiligheidsregio planmatig tot beheersing van de koel-/bluswaterproblematiek te komen. Opgemerkt wordt nog dat het gangbaar is dat de ruimte gevuld wordt zonder dat de overloop gebruikt wordt. Dit tenzij de temperatuur zodanig oploopt dat verdere koeling nodig is. Ook geldt dat hoe sneller kan worden ingegrepen, hoe kleiner de consequenties voor de koel- of bluswaterproblematiek zijn. De realisatie van een wateropvangvoorziening kan complex en kostbaar zijn. Dit geldt nog sterker voor mobiele systemen. Geadviseerd wordt de haalbaarheid en betaalbaarheid in het oog te houden.

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 33 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Bij een inpandige EOS wordt aanbevolen extra aandacht te schenken aan het afvoeren van de brandbare, corrosieve gifwolk die kan vrijkomen wanneer één of meer lithium-ion energiedragers in een EOS tot ontbranding komt. Deze stoffen zouden dan via een apart gesloten ventilatiesysteem automatisch moeten worden afgevoerd. Daarbij mogen de brandbare, corrosieve en giftige stoffen die vrijkomen uit het ventilatiesysteem niet leiden tot blootstelling van personen binnen het object waarin de EOS is geplaatst. Cd14Rekenblad Brand opslag energiedragers Bestrijding van een Brand opslag accu’s/batterijen kan door toepassing van stationaire middelen of door middel van inzet van de (bedrijfs)brandweer. • De volgende gegevens zijn nodig voor een goed beeld van het scenario: • Hoe groot is de omvang van de opslag? • Wat is de omgeving van de opgeslagen accu’s en batterijen? • Is een inzet van de bedrijfsbrandweer mogelijk gezien de hittestralingscontouren en opstelplaatsen voor bestrijding? Stationair • Detectie en automatische start koeling; • Bepaling benodigde capaciteit op basis van doorrekening Semi stationair • Vergelijkbaar met stationair, aansturing/bediening niet automatisch maar handmatig.

• Bepaling benodigde capaciteit op basis van doorrekening Mobiel • Bepaling benodigde capaciteit op basis van doorrekening; • Opstelplaatsen voor bestrijding moet veilig te bereiken zijn en er moet veilig gewerkt kunnen worden.

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 34 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

D2 Omvang hittestralingscontouren Een brand op hoogte geeft andere contouren dan dezelfde brand op maaiveldniveau. Middels speciale modelleringssoftware kan dit in beeld worden gebracht. Een conservatieve methode om toch gebruik te maken van extra inzetdiepte, is door de afstand A van de 3 kW/m2-contour naar beneden te kantelen om de contour op maaiveldniveau te verkrijgen. Stralingscontouren van gebouwbranden en buitenopslagen van hout, kunststof, papier, e.d. kunnen middels de Beheersbaarheid van Brand-methodiek worden bepaald. De stralingsberekeningen zijn hierbij gebaseerd op de PGS 2 (oude CPR 14). Hierbij dienen de stralingsbronuitgangspunten duidelijk te zijn omschreven. Zo wordt voor opslaggebouwen met een ‘normale’ opslag 45 kW/m2 als bronstraling gehanteerd. Voor kunststof opslag wordt vaak 55 kW/m2 gehanteerd. Deze waarden zijn sterk afhankelijk van de productvorm, wijze van opslag en materiaaleigenschappen.

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 35 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

D4 Koeling Onderstaande tabel geeft inzicht in de applicatiesnelheden bij koeling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen koeling waarbij installaties enkel worden aangestraald (buiten het vlamfront) en koeling waarbij installaties zijn omgeven door vlammen (binnen het vlamfront).

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 36 van 37

D6 Materiële component

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

Document nummer PGS 37-1:2023 Versie 1.0 (December 2023)V1.4

Pagina 37 van 37

Bijlagen -

Datum 9 februari 2024

D7 Personele component Hiervoor zijn geen harde rekenregels. Door een taak-tijdanalyse kan inzichtelijk worden gemaakt hoeveel tijd een activiteit kost. In de onderstaande tabellen zijn vuistregels opgenomen.

Er is voldoende koel/bluswater aanwezig binnen een straal van 50 meter van de opslag, tevens beschikt de brandweer over hydranten en extra bluswater kan aangevoerd worden. De bereikbaarheid is goed.

2032/3561

Bijlage 21 Koningsweg 10 Aalten

2033/3561

KONINGSWEG 10, 10A EN 12 1. BESTAANDE SITUATIE EN GELDENDE BESTEMMING Aan de percelen Koningsweg 10, 10a en 12 te Aalten is op basis van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 2015' de bestemming 'Bedrijf' toegekend. Op basis van het bestemmingsplan zijn drie woningen toegestaan. Het fragment van de verbeelding is hieronder opgenomen.

2. PLANBESCHRIJVING De percelen hebben de bestemming Bedrijf. Hier was vroeger een grondverzetbedrijf gevestigd. Er zijn geen bedrijfsactiviteiten meer en de voormalige bedrijfsgebouwen zijn in gebruik als bijgebouwen bij de woningen Koningsweg 10, 10a en 12. Daarom wordt de bestemming bedrijf gewijzigd naar wonen. Met deze wijziging komt de planologische situatie weer overeen met de feitelijke situatie en worden de bedrijfswoningen omgezet naar reguliere burgerwoningen. Er worden geen wooneenheden toegevoegd.

3. NADERE ONDERBOUWING De wijziging is op verzoek van en in overleg met de perceeleigenaren tot stand gekomen. Er is met de eigenaren een anterieure overeenkomst gesloten voor de wijziging. Het plan betreft uitsluitend een wijziging van de planologische situatie. De feitelijke situatie blijft ongewijzigd. Een nadere onderbouwing is derhalve niet aan de orde.

4. BODEM Er is in 1995 een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de locatie geschikt is voor de functie ‘wonen met tuin’.

Bijlage 22 Kruisdijk 14 Aalten

2035/3561

De raad van de gemeente Aalten gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 22 juli 2025; gelet op het bepaalde in artikel 16.15a van de Omgevingswet

BESLUIT

Een positief advies te geven op de aanvraag omgevingsvergunning met kenmerk Z2024-00001300 voor het gebruiken van een bedrijfswoning als plattelandswoning op de locatie Kruisdijk 14 te Aalten.

AALTEN, 30 september 2025 De Raad voornoemd, De Griffier,

De Voorzitter,

E.M. Geldorp

mr. A.B. Stapelkamp

KRUISDIJK 14 en 14-I, AALTEN

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

Auteur Locis Adviseurs - RB- KT Datum November 2024 Versienummer 1

Pagina 2 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

Inhoudsopgave Inhoudsopgave .................................................................................................................................... 3 1.

2.

3.

Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding .......................................................................................................................... 5

1.2.

Ligging projectgebied......................................................................................................... 5

1.3.

Procedure .......................................................................................................................... 5

1.4.

Leeswijzer .......................................................................................................................... 6

Beschrijving huidige en toekomstige situatie............................................................................. 7 2.1.

Huidige situatie .................................................................................................................. 7

2.2.

Voorgenomen ontwikkeling .............................................................................................. 8

2.3.

Strijdigheden omgevingsplan ............................................................................................ 9

Voorbereiding en participatie .................................................................................................. 10 3.1.

4.

5.

Participatie omgeving ...................................................................................................... 10

Beleidskader ............................................................................................................................. 11 4.1.

Rijksbeleid en Rijksregels ................................................................................................. 11

4.2.

Provinciaal beleid en provinciale regels .......................................................................... 13

4.3.

Regionaal beleid .............................................................................................................. 16

4.4.

Gemeentelijk beleid......................................................................................................... 17

Gevolgen voor de fysieke leefomgeving .................................................................................. 19 5.1.

Bodemkwaliteit................................................................................................................ 19

5.2.

Cultureel erfgoed en archeologie .................................................................................... 20

5.3.

Duurzaamheid ................................................................................................................. 22

5.4.

Ecologie en natuur ........................................................................................................... 22

5.5.

Geluid............................................................................................................................... 25

5.6.

Geur ................................................................................................................................. 27

5.7.

Gezondheid ...................................................................................................................... 28

5.8.

Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................................ 29

5.9.

Luchtkwaliteit .................................................................................................................. 30

5.10.

M.e.r.-beoordeling........................................................................................................... 31

5.11.

Mobiliteit en parkeren ..................................................................................................... 31

5.12.

Omgevingsveiligheid ........................................................................................................ 32

5.13.

Slagschaduw en windhinder ............................................................................................ 34

5.14.

Trillingen .......................................................................................................................... 34

5.15.

Water ............................................................................................................................... 35

Pagina 3 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

6.

7.

Uitvoerbaarheid ....................................................................................................................... 39 6.1.

Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................... 39

6.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................. 39

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties.................................................................... 40 Bijlagen .......................................................................................................................................... 40

Pagina 4 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

1. Inleiding 1.1. Aanleiding In het buitengebied van Aalten, aan de Kruidijk 14 en 14-1, is een pensionboerderij met manege en twee bedrijfswoningen gelegen. Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bedrijfswoning aan de Kruisdijk 14 om te zetten naar een plattelandswoning. Binnen de regels van het geldende omgevingsplan is deze ontwikkeling niet toegestaan. Daarom wordt ervoor gekozen om het initiatief mogelijk te maken met een BOPA.

1.2. Ligging projectgebied De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom van Aalten. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Aalten, sectie S, nummers 588, 758 en 759. Het betreft een pensioenboerderij met manege en twee bedrijfswoningen. Het perceel heeft twee eigen toegangswegen, de ene toegangsweg sluit direct aan op de Dinxperlosestraatweg en de andere toegangsweg sluit direct aan op de Kruisdijk. Hieronder een weergave van de locatie.

Figuur 1 weergave locatie

1.3. Procedure In het omgevingsplan is geen algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om de bestaande bedrijfswoning aan de Kruisdijk 14 om te zetten naar een plattelandswoning. Hier wordt nader op ingegaan onder paragraaf 2.3. Dat betekent dat een buitenplanse procedure nodig is om de

Pagina 5 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

bedrijfswoning om te zetten naar een plattelandswoning. Hierbij is ingestoken op een BOPA. Voor dit plan geldt dus de reguliere procedure en adviesrecht is niet van toepassing.

1.4. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De toekomstige situatie beschrijft de doelen voor het projectgebied, het initiatief en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe deze heeft bijgedragen aan het ontwerp. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 en 5 het project getoetst aan relevant beleidskader en aan relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 7 wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Pagina 6 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

2. Beschrijving huidige en toekomstige situatie 2.1. Huidige situatie De locatie betreft een pensionboerderij met manege en twee bedrijfswoningen. Het perceel wordt ontsloten via de Kruisdijk en de Dinxperlosestraatweg. Verder is het erf fraai ingepast met erfbeplanting in de vorm van diverse solitaire bomen en laanbomen. Het erf is omgeven door bouwland (voornamelijk maisland) en grasland (deels in eigendom). Iets verderop liggen een watergang en meerdere bosjes. Aan de oostzijde is het dorp IJzerlo gelegen en iets verder richting het zuiden is Duitsland gelegen.

Figuur 2 topografische kaart van 2023 met locatie rood omcirkeld

Pagina 7 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten Figuur 3 locatie t.o.v. directe omgeving

2.2. Voorgenomen ontwikkeling In de beoogde situatie wordt de bestaande bedrijfswoning (Kruisdijk 14) omgezet naar een plattelandswoning. De bedrijfswoning aan de Kruisdijk 14-I wordt hiermee de bedrijfswoning bij het bedrijf. Zie hieronder een luchtfoto van de woning Kruisdijk 14.

Figuur 4 luchtfoto woning Kruisdijk 14

Pagina 8 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

2.3. Strijdigheden omgevingsplan Voor de locatie geldt het onherroepelijke bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015’, dat is vastgesteld op 4 maart 2020. Per 1 januari 2024 (datum inwerkingtreding Omgevingswet) is dit bestemmingsplan onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Voor de gronden op de locatie geldt de enkelbestemming ‘Sport - Manege’. Tevens geldt voor een deel van het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie hoge verwachting’ en voor een deel de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie lage verwachting. Hieronder een weergave. Voor de twee bedrijfswoningen is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – bedrijfswoning 1 en 2’ opgenomen. Op het gehele perceel mogen maximaal twee wooneenheden aanwezig zijn.

Figuur 5 weergave planologische situatie

De geplande activiteiten zijn in strijd met het omgevingsplan omdat op de locatie enkel twee bedrijfswoningen zijn toegestaan.

Pagina 9 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

3. Voorbereiding en participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het afwijken van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit hoofdstuk zal hier verder op worden ingegaan.

3.1. Participatie omgeving Een initiatiefnemer moet in alle gevallen bij de aanvraag aangeven of participatie heeft plaatsgevonden. In dit geval is de omgeving niet geïnformeerd. Feitelijk verandert er namelijk niks in woningaantallen, verkeersbewegingen etc.

Pagina 10 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

4. Beleidskader In deze paragraaf wordt ingegaan op het Rijks- (NOVI), provinciaal (POVI) en gemeentelijk beleid (GOVI). Ook regionaal beleid en gemeentelijke programma’s of beleidsstukken kunnen hier beschreven en getoetst worden. Benoem daarbij doelen en ambities voor dit specifieke gebied en toetst het initiatief daaraan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: -

beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken; instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).

4.1. Rijksbeleid en Rijksregels 4.1.1. Beleid: Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan: -

periodes van droogte afgewisseld met extreme regenval; de zeespiegelstijging; de overgang naar duurzame energie; de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen; de bouw van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen; de groei en het bereikbaar houden van steden; plekken voor distributiecentra; het versterken van de natuur en biodiversiteit; het behoud van het landschap; de vitaliteit van de landbouw.

Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Ten aanzien van dit project De NOVI gaat niet concreet in op relatief kleinschalige lokale ontwikkelingen zoals de beoogde omzetting van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning in dit plan. In het NOVI zijn geen

Pagina 11 van 40

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, Kruisdijk 14 en 14-I, Aalten

belemmeringen benoemd ten aanzien van de planontwikkeling. In algemene zin draagt het plan bij aan de kwaliteit van het leven in stad en land, doordat gericht wordt op de realisatie van een nieuwe wooneenheid om het woningtekort op te lossen.

4.1.2. Regels: Instructieregels Rijk (AMvB’s) De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): 1. 2. 3. 4.

het Omgevingsbesluit (Ob); het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels: -

-

Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl); Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl); Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl); Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl); Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl); Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl); Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Ten aanzien van dit project Dit initiatief is voor wat betreft de omgevingsaspecten in hoofdstuk 5 getoetst aan de Rijksinstructieregels, Die Rijksinstructieregels zijn daar waar nodig vertaald in het omgevingsplan. Voor het overige wordt voldaan aan de Rijksinstructieregels zonder dat het nodig is om daarvoor iets te regelen in het omgevingsplan. Uit hoofdstuk 5 komt naar voren dat toepassing van de Rijksinstructieregels niet leidt tot belemmeringen voor dit initiatief. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van het Rijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=bf4deb6e-f033-4547-8961-1cf15d7d01d4