Bijlage 19 Quickscan natuurtoets overig gebied.pdf
Tekst van het document
MEMO AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURTOETS KAEMINGK B.V. & ISG LETTINK Aan:
Gemeente Aalten
Datum:
24-09-2021
Project nr:
3398.01 en 3345.01
Betreft:
Memo aanvullende quickscan natuurtoets
1.
INLEIDING
Buro Ontwerp & Omgeving heeft een aanvullende quickscan natuurtoets uitgevoerd als gevolg van aanpassingen aan de begrenzing van twee reeds bestaande projectgebieden. De reeds bestaande percelen betreffen die aan de Dinxperlosestraatweg 70 en Vierde Broekdijk te Aalten. Met het aanpassen van de begrenzing vallen ook het erf van Dinxperlosestraatweg 72 en de houtwal in het noorden van het gebied onder de invloedsfeer van de werkzaamheden. Op de navolgende afbeelding is de ligging van het projectgebied weergegeven.
Figuur 1. Ligging projectgebied (rood kader) aan de Vierde Broekdijk en Dinxperlosestraatweg. De gearceerde vlakken zullen nu ook binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden vallen.
• •
•
• •
•
Omschrijving projectgebied Dinxperlosestraatweg 72 bestaat uit een woonhuis met aanbouw, een schuurtje, een gazon, enkele bosschages en een houtwal. Daarnaast wordt ook de houtwal langs de noordrand betrokken bij het projectgebied, inclusief de bomenrij met een oude zomereik. Figuur 2 geeft een sfeerimpressie van het projectgebied.
Figuur 2. Houtwal langs de erfgrens van Dinxperlosestraatweg 72 en het terrein van ISG Lettink (linksboven), voorgevel van Dinxperlosestraatweg 72 (rechtsboven), deel van het schuurtje van Dinxperlosestraatweg 72 (linkonder) en de houtwal in het noorden van het projectgebied (rechtsonder).
Geplande werkzaamheden De ontwikkeling op deze locatie voorziet in de bouw van een nieuwe expeditiehal van Kaemingk B.V. en een nieuwe opslaghal van ISG Lettink. Daarnaast worden op beide terreinen parkeervoorzieningen gerealiseerd.
• •
•
• •
•
Veldbezoek aanvullende quickscan Het veldbezoek is gecombineerd uitgevoerd met een nader ecologisch onderzoek op 21 april 2021* en vond plaats tussen 9:00 en 14:30. Tijdens het veldbezoek was het onbewolkt, stond er een matige wind (N2) en was het 10,5 tot 17 graden Celsius. Er is gekeken naar het terrein en de geschiktheid hiervan voor beschermde plant- en diersoorten. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten, met inbegrip van sporen als braakballen, uitwerpselen, nesten en andere mogelijke verblijfplaatsen. * Tijdens een eerder veldbezoek op 16 maart 2021 was al duidelijk dat er holen in het dijkje aanwezig waren en dat de boswilg op het terrein van Kaemingk B.V. groeit. Zie verderop voor nadere uitleg. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige wet- en regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van het projectgebied voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van deze soorten. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan natuurtoets geldig is voor een periode van maximaal drie jaar, tenzij de ecologische omstandigheden in deze periode wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, of wanneer inzichten hieromtrent zijn gewijzigd.
Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan drie jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de natuurtoets opnieuw te onderzoeken.
• •
•
• •
•
2.
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn van de Europese Unie. Dit zijn gebieden waarin habitats en soorten beschermd worden die van Europees belang zijn. Per Natura 2000gebied zijn specifieke instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten en andere handelingen die negatieve effecten hebben op de kwaliteit van de habitats en/of de instandhoudingsdoelen van het gebied mogen niet plaatsvinden zonder een vergunning. Dit geldt niet alleen voor projecten en handelingen binnen het Natura 2000-gebied. Ook projecten en handelingen aangrenzend of buiten het gebied kunnen negatieve effecten veroorzaken. Net als de naastgelegen terreinen van Kaemingk B.V. en ISG Lettink liggen de onderzochte clusters buiten de Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Bekendelle en is gelegen op circa 9,0 kilometer afstand van het projectgebied. Op een vergelijkbare afstand bevindt zich het Korenburgerveen, met ca. 9,1 km. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand, bijvoorbeeld ‘Klevsche Landwehr, Anholtsche Issel, Feldschlaggraben und Regnieter Bach’ op ca. 10,7 km, ‘Wooldse Veen’ op ca. 11,4 km en ‘Burlo-Vardingholter Venn und Entenschlatt’ op ca. 11,5 km (figuur 3).
Figuur 3. Ligging projectgebied (rode stip en pijl) t.o.v. de Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken en lijnen).
• •
•
• •
•
Storingsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten zijn niet aan de orde. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden kunnen deze negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen echter niet op voorhand worden uitgesloten. De tijdelijke emissie in de realisatiefase is vanaf 1 juli 2021 echter vrijgesteld volgens de Wijzigingswet Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en kan daardoor vanaf 1 juli 2021 zonder vergunning plaatsvinden1. De vrijstelling heeft echter geen betrekking op de gebruiksfase. Voor zowel Kaemingk B.V. als ISG Lettink wordt daarom verzocht om een AERIUS-berekening uit te laten voeren. Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone Natuurnetwerk Nederland (NNN) bestaat uit een netwerk van natuurgebieden en heeft als doel deze beter met elkaar en omringende agrarische gebieden te verbinden. In Gelderland zijn deze gebieden bekend als het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het NNN is niet meegenomen in de Wnb; provincies wijzen zelf gebieden aan en dragen de verantwoordelijkheid voor het NNN en zijn behoud en ontwikkeling.
In Gelderland zijn de GNNgebieden aangewezen in de Provinciale Omgevingsvisie en beschermd volgens de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening2,3. Ruimtelijke ingrepen mogen de kenmerken en waarden van het NNN niet schaden. Dit wordt gewaarborgd door het ‘nee, tenzij’-principe. Dit houdt in dat de voorgenomen ontwikkeling geen doorgang kan vinden als er sprake is van significant negatieve effecten, tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: De ontwikkeling moet van groot openbaar belang zijn; Er zijn geen reële alternatieven; Negatieve effecten op oppervlakte, samenhang en wezenlijke kenmerken en waarden worden zoveel mogelijk beperkt en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig gecompenseerd. Groene ontwikkelingszone Om de samenhang van de natuur in het GNN te beschermen wil de provincie verbindingszones aanleggen in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Het bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die vervlochten zijn met het GNN. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in principe niet toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de kernkwaliteiten. Net als de GNN-gebieden is de GO aangewezen in de Provinciale Omgevingsvisie en beschermd volgens de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening. Het erf van Dinxperlosestraatweg 72 ligt tegen een gebied aan dat behoort tot het GNN en op circa 325 meter afstand van de GO (figuur 4).
Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.
1
Rijksoverheid (2021). Wijzigingswet Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering). 2 Provincie Gelderland (2018). Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 3 Provincie Gelderland (2018). Geconsolideerde Omgevingsverordening (december 2018).
• •
•
• •
•
Figuur 4. Ligging projectgebied (rode vlakken) t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen).
Houtopstanden Als houtopstanden buiten de bebouwde kom worden geveld kan er een meld- en herbeplantingsplicht gelden. Dergelijke houtopstanden worden in de Wet natuurbescherming omschreven als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die een oppervlakte van 10 are of meer beslaan. Ook wordt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen als houtopstand gerekend (Wnb §4.1). De houtopstanden in het projectgebied vallen niet onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming (figuur 5). De houtwal in het noordelijk deel van het terrein bevindt zich namelijk binnen de begrenzing van de bebouwde kom. De houtopstanden op het erf van Dinxperlosestraatweg 72 liggen buiten de bebouwde kom, maar zijn uitgezonderd van de Wet natuurbescherming omdat deze zich bevinden op erven of tuinen. Voor deze percelen moet echter rekening worden gehouden met gemeentelijke regelgeving omtrent het kappen van houtopstanden.
• •
•
• •
•
Figuur 5. Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (groen gearceerd) en houtopstanden op erven of in tuinen (blauw gearceerd).
• •
•
• •
•
3.
SOORTBESCHERMING
Vleermuizen Op basis van openbare verspreidingsgegevens kunnen in de omgeving van het projectgebied de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Alle vleermuissoorten vallen onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wnb). Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die zowel gebouw- als boombewonend zijn. Het vrijstaande woonhuis heeft geschikte kantpannen, nokvorsten en loodslabben langs de schoorsteen die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats voor vleermuizen. Het houten schuurtje naast de woning heeft mogelijk ook geschikte ruimtes. Daarnaast bevindt zich een dode boom met kleine spechtenholen in de houtwal naast Dinxperlosestraatweg 72 en een oude zomereik met afgebroken takken in het noorden van het projectgebied. Deze bomen zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Nader onderzoek moet daarom uitwijzen of er verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen aanwezig zijn.
Figuur 5. Openingen in de dode boom van de houtwal tussen ISG Lettink en Dinxperlosestraatweg 72 (links). Kantpannen van het woonhuis op Dinxperlosestraatweg 72 die vleermuizen kunnen gebruiken als invliegopening (rechts).
• •
•
• •
•
Vliegroutes Vleermuizen volgen vaak lijnvormige elementen om heen en weer te bewegen tussen de verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het behoud van lijnvormige landschapselementen is daarom van groot belang voor de instandhouding van vleermuispopulaties. Met het verdwijnen van twee houtwallen worden mogelijk kwetsbare verbindingen aangetast. Hierdoor moet nader onderzocht worden of deze houtopstanden fungeren als vliegroute. Foerageergebieden De in Nederland voorkomende vleermuizen leven allemaal van insecten. Ze foerageren daarom op allerlei plekken waar veel vliegende insecten aanwezig zijn. Enkele voorbeelden van dit soort gebieden zijn windbeschutte plaatsen langs lijnvormige elementen (bijv. sloten, beken en houtwallen), maar ook open plekken in bosgebieden of langs oevers met rietkragen. Bij het verdwijnen van essentiële foerageergebieden gaan de verblijfplaatsen ook verloren. De houtwallen vormen lijnvormige elementen die tot een essentieel foerageergebied kunnen horen. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om te kunnen vaststellen of er sprake is van een essentieel foerageergebied. Grondgebonden zoogdieren Algemene soorten Verschillende algemene grondgebonden zoogdieren kunnen voorkomen in en rondom het projectgebied. Tijdens het veldbezoek werd bijvoorbeeld de haas waargenomen.
Het is niet uit te sluiten dat deze zoogdieren in het projectgebied aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden. Voor de meeste grondgebonden zoogdieren geldt in Gelderland een vrijstelling van de Wet natuurbescherming. Verder moet wel de zorgplicht in acht worden gehouden (artikel 1.11 Wnb), waarbij handelingen die nadelige effecten hebben achterwege gelaten moeten worden. Indien dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen of beperken. Strikt beschermde soorten Op basis van verspreidingsgegevens kunnen de das, boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, das, eekhoorn en grote bosmuis in de omgeving van het projectgebied voorkomen. De das is een nachtactieve soort en komt voor in kleinschalige landbouwlandschappen. Burchten worden aangetroffen in houtwallen, langs bosranden, singels en heggen. De burchtingangen maken deel uit van een uitgebreid holenstelsel van lange gangen en kamers die onderling verbonden zijn. Een typische burcht heeft drie à tien ingangen. In de houtwallen werden geen potentiële burchtingangen aangetroffen, maar de houtwal in het noorden van het projectgebied vormt mogelijk een geschikt leefgebied voor de das. Daarnaast zijn er in de huidige situatie meerdere holen aanwezig in het dijkje op het terrein van Kaemingk B.V. waardoor negatieve effecten op de soort niet kunnen worden uitgesloten.
De boommarter is een bosbewoner die in verschillende bostypen voorkomt. Boommarters verblijven in holen van andere diersoorten en passen die naar eigen behoefte aan. Vaak zijn dit holtes die zijn uitgehakt door zwarte spechten of burchten van vossen en dassen. Dergelijke boomholtes en burchten werden niet aangetroffen in de aanwezige houtwallen. Daarnaast zijn er in de huidige situatie meerdere holen aanwezig in het
• •
•
• •
•
dijkje op het terrein van Kaemingk B.V. waardoor negatieve effecten op de soort niet kunnen worden uitgesloten. De steenmarter gebruikt hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes, boomholtes en dichte struwelen als verblijfplaats. Tijdens de quickscan is daarom gelet op sporen (bijv. latrines en prooiresten) die duiden op de aanwezigheid van de soort. Deze werden niet aangetroffen. De houtwallen en het schuurtje naast Dinxperlosestraatweg 72 kunnen echter dienen als rust- of verblijfplaats van de steenmarter. Hierdoor kunnen negatieve effecten niet worden uitgesloten. De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen die in kleinschalige cultuurlandschappen voorkomen. Daarnaast zijn de bunzing en hermelijn afhankelijk van water in de omgeving en voldoende schuilmogelijkheden. De wezel heeft ook schuilmogelijkheden nodig in zijn leefgebied, maar kan op drogere plekken dan de hermelijn voorkomen. De houtwallen vormen een geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen waardoor negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten. Eekhoorns bouwen bolvormige nesten in bomen. Deze hebben een doorsnede van 30 tot 50 cm en zijn vooral ‘s winters goed waarneembaar. Soms gebruiken ze ook boomholtes, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats.
Nesten van eekhoorns kunnen op die van de ekster lijken, maar zijn te onderscheiden door de aanwezigheid van blaadjes. In de houtwallen zijn echter geen geschikte boomholtes aanwezig die kunnen functioneren als verblijfplaats voor de soort en er zijn bovendien geen boomnesten aanwezig. Negatieve effecten op de eekhoorn kunnen daarom worden uitgesloten. De grote bosmuis is een nachtactieve soort die voorkomt in bosgebieden en een voorkeur heeft voor oude eiken- en beukenbossen. Dekking in de vorm van lage begroeiing en stenen zijn hierin erg belangrijk. Nesten kunnen zich bevinden onder grote wortelstronken van oude bomen, burchten van dassen of holen van woelmuizen en mollen. De houtwallen en wortels onder de oude zomereik vormen een potentieel geschikt leefgebied voor de grote bosmuis en er zijn in de huidige situatie ook holen in het dijkje op het terrein van Kaemingk B.V. Hierdoor kunnen negatieve effecten niet op voorhand worden uitgesloten. Vogels Algemene soorten Verschillende algemene vogelsoorten kunnen voorkomen in en rondom het projectgebied. Tijdens het veldbezoek werden de wilde eend, houtduif, tjiftjaf, merel, roodborst, winterkoning, heggenmus en vink waargenomen. Alle in het wild levende vogelsoorten mogen niet opzettelijk gestoord, gevangen of gedood worden volgens de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wnb).
Tevens zijn alle vogelsoorten tijdens het broedseizoen beschermd. Omdat niet kan worden uitgesloten dat algemene vogels het volgende broedseizoen zullen nestelen in het projectgebied, geldt dat buiten het broedseizoen moet worden gewerkt om verstoring te voorkomen. Voor de meeste vogels kan worden aangenomen dat het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli loopt, maar bij enkele soorten begint het seizoen eerder of loopt het langer door. Geldend hierbij is de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.
• •
•
• •
•
Strikt beschermde soorten Van sommige vogelsoorten zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Aan de rand van de bebouwde kom van Aalten kunnen dit de volgende soorten zijn: buizerd, havik, sperwer, boomvalk, kerkuil, ransuil, steenuil, grote gele kwikstaart en huismus. Van deze soorten kan de grote gele kwikstaart op voorhand worden uitgesloten. Zo broedt deze soort vrijwel altijd in de buurt van beken en rivieren in bosrijke gebieden en deze zijn niet in de omgeving aanwezig. De buizerd is een roofvogel die voorkomt in gevarieerde landschappen waar weilanden worden afgewisseld met houtwallen, bosranden en andere houtopstanden. Het projectgebied vormt daarom een potentieel geschikte leefomgeving voor de soort. In de houtwallen bevinden zich echter geen nesten, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de buizerd kunnen worden uitgesloten. De havik broedt voornamelijk in jonge dichte bossen en geïsoleerde houtopstanden. In de houtwallen bevinden zich echter geen nesten, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nesten van de havik kunnen worden uitgesloten. De sperwer broedt voornamelijk in jonge dichte naaldbossen en halfopen landschappen, maar kan ook in laanbomen, geïsoleerde bosjes en parken broeden.
In de houtwallen bevinden zich echter geen nesten, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nesten van de sperwer kunnen worden uitgesloten. De boomvalk jaagt in open en halfopen landschap zoals parklandschappen, heiden of boerenland. Ze broeden in verschillende typen bos, maar geven de voorkeur aan halfopen bos of bosranden. De soort broedt in oude kraaien- of eksternesten. Dergelijke nesten werden niet aangetroffen, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nesten van boomvalken kunnen worden uitgesloten. De kerkuil leeft doorgaans in cultuurlandschappen waar ook kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen en bosjes worden aangetroffen. De soort broedt in Nederland in ongeveer 90% van de gevallen in nestkasten die in boerenschuren zijn geplaatst. Het schuurtje naast Dinxperlosestraatweg 72 is onderzocht op de aanwezigheid van braakballen, maar deze werden niet aangetroffen. Negatieve effecten op de kerkuil kunnen daarom worden uitgesloten. De ransuil leeft in kleinschalige landbouwlandschappen, bosranden, parken en open bosgebieden. De soort broedt meestal in oude nesten van kraaien, eksters en soms in oude nesten van reigers, roofvogels of eekhoorns. Bij voorkeur bevinden deze zich in naaldbomen, maar ook in boomopslag, houtwallen en vrijstaande bomen.
In het projectgebied is gekeken naar de aanwezigheid van nesten in bomen, maar deze werden niet aangetroffen. Negatieve effecten op de ransuil kunnen daarom worden uitgesloten. De steenuil is een soort die voorkomt in kleinschalige cultuurlandschappen. Steenuilen broeden meestal in boomholten, nestkasten of nauwe ruimtes in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot. De steenuil is een zeer honkvaste soort die jaarrond gebruikt maakt van het nest. Het schuurtje naast Dinxperlosestraatweg 72 is onderzocht op de aanwezigheid van braakballen, maar deze werden niet aangetroffen. Negatieve effecten op de steenuil kunnen daarom worden uitgesloten.
• •
•
• •
•
De huismus is een standvogel die gebonden is aan bebouwing en komt voornamelijk voor in dorpen en steden. Nesten worden doorgaans gebouwd onder dakpannen of kieren en spleten van woningen. Het woonhuis van Dinxperlosestraatweg 72 biedt nestgelegenheid onder de voorste rij dakpannen, nokvorsten en kantpannen. Omdat de functionele leefomgeving van de huismus eveneens beschermd is moet worden onderzocht of de bosschages deel uitmaken van de essentiële functionele leefomgeving. Negatieve effecten op de huismus kunnen daarom niet worden uitgesloten. Naast strikt beschermde soorten, staan er ook soorten in de Wet natuurbescherming beschreven waarvan het nest alleen jaarrond beschermd is als er zwaarwegende ecologische redenen zijn. Dit zijn voornamelijk holenbroeders, maar ook soorten die op of tegen gebouwen aan nestelen zoals de tijdens de quickscan waargenomen koolmees, pimpelmees, boomklever, spreeuw en gekraagde roodstaart. In de omgeving van het projectgebied zijn echter voldoende uitwijkmogelijkheden, waardoor er geen ecologisch zwaarwegende redenen zijn om potentiële nesten van deze soorten jaarrond te beschermen. Reptielen en amfibieën Algemene soorten Op basis van openbare verspreidingsgegevens zijn verschillende algemene amfibieën in en rondom het projectgebied te verwachten, bijvoorbeeld de tijdens het veldbezoek waargenomen kleine watersalamander en gewone pad.
Voor de algemene soorten geldt een vrijstelling van de Wet natuurbescherming. Verder geldt wel de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb), waarbij handelingen die nadelige effecten hebben achterwege gelaten moeten worden. Indien dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen of beperken. Strikt beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de zandhagedis en hazelworm in de omgeving van het projectgebied kunnen voorkomen. De zandhagedis valt onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wnb) en de hazelworm is een nationaal beschermde soort (artikel 3.10 Wnb). De zandhagedis komt voor in zandige, droge heide- en duingebieden met struikhei. Ze hebben voldoende zonnige plekken nodig om op te kunnen warmen. In het projectgebied zijn deze habitattypen niet aanwezig, waardoor negatieve effecten op de soort kunnen worden uitgesloten. De hazelworm verblijft vaak onder vegetatie en dood hout en komt voornamelijk voor in open bossen, bosranden, heideterreinen, houtwallen en bermen op zand- en lössgronden. De houtwallen behoren mogelijk tot het leefgebied van de soort, waardoor negatieve effecten op de soort niet kunnen worden uitgesloten.
Vlinders Strikt beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de grote vos, kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder eventueel te verwachten zijn in de omgeving van het projectgebied. Deze vlindersoorten zijn nationaal beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.10 Wnb).
• •
•
• •
•
De grote vos is een zeldzame, migrerende vlinder die haar eitjes legt rond de bovenste takken van hoogopgaande bomen. In Nederland voorzien iepen in 96% van de gevallen in de voortplantingsplaatsen van grote vossen. Sommige wilgensoorten, de pruim en de zoete kers vullen de overige 4% op. De soort overwintert als vlinder in oude, houten schuren, in holle bomen en tussen houtstapels. Het projectgebied voorziet in geschikte waardplanten en potentiële overwinteringslocaties voor de soort. In de houtwal in het noorden van het projectgebied is namelijk een zoete kers aanwezig en op het erf van Dinxperlosestraatweg 72 staat een houten schuurtje. Overigens zijn er in de huidige situatie ook boswilgen aanwezig op het dijkje op het terrein van Kaemingk B.V. Hierdoor zijn negatieve effecten op de voortplantings- en overwinteringslocaties van de grote vos niet op voorhand uit te sluiten. De kleine ijsvogelvlinder komt vooral voor langs bosranden van loof- en gemengde bossen en is in alle levensstadia afhankelijk van de wilde kamperfoelie. Het projectgebied vormt geen geschikte voorplantingshabitat omdat er geen waardplanten aanwezig zijn. Negatieve effecten op de strikt beschermde kleine ijsvogelvlinder zijn uitgesloten. De grote weerschijnvlinder komt vooral voor in oude, vochtige bossen, wilgenbroekbossen of bossen langs beekdalen.
De soort is in alle levensstadia afhankelijk van de boswilg, maar wordt soms ook op de grauwe wilg aangetroffen. Lievense Milieu B.V. meldde in destijds uitgevoerde quickscan dat het projectgebied geen geschikte voorplantingshabitat vormt omdat er geen waardplanten aanwezig zijn. In de huidige situatie zijn er echter wel boswilgen aanwezig. Deze bevinden zich op het dijkje op het terrein van Kaemingk B.V. Hierdoor zijn negatieve effecten op de strikt beschermde grote weerschijnvlinder niet geheel uit te sluiten. Overige beschermde diersoorten Er zijn geen waarnemingen bekend van strikt beschermde vissen, weekdieren en kevers rondom het projectgebied. Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt echter wel dat de bosbeekjuffer (libellensoort) in de omgeving van het projectgebied kan voorkomen. Omdat het in het projectgebied ontbreekt aan geschikte habitat zijn negatieve effecten op de bosbeekjuffer echter uitgesloten. Vaatplanten Op basis van openbare verspreidingsgegevens blijkt dat de strikt beschermde grote leeuwenklauw en het kluwenklokje in de omgeving van het projectgebied te verwachten zijn. Deze soorten worden beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De grote leeuwenklauw komt voor langs kalkrijke wegbermen, graanakkers, rivieroeverwallen, sloothellingen, braakliggende terreinen, dijken en spoorwegen.
In de onderzochte delen van het projectgebied is geen geschikte habitat aanwezig, maar op het braakliggende terrein van Kaemingk B.V. kunnen negatieve effecten niet op voorhand worden uitgesloten. het kluwenklokje is een zeldzame soort die wordt aangetroffen op kamgrasweiden langs de grote rivieren en op blauwgraslanden. De natuurlijke standplaats bevindt zich op zonnige en matig vochtige bodems van kalkof humushoudend zand, klei of leem. In de omgeving van Aalten is de soort alleen aangetroffen in buurtschap Dale. Gezien de ligging ten opzichte van het projectgebied en de biotoopvoorkeuren kan de aanwezigheid van het kluwenklokje uitgesloten worden.
• •
•
• •
•
Tijdens de quickscan werden verder nog een aantal algemene plantensoorten waargenomen, namelijk de grove den, zomereik, haagbeuk, ruwe berk, walnoot, appel, sleedoorn, Europees krentenboompje, gewone es, klimop, rododendron, gele dovenetel, paarse dovenetel, gewoon speenkruid, madeliefje, hondsdraf, tuinjudaspenning en paardenbloem.
• •
•
• •
•
4.
SAMENVATTING
Onderstaande tabel geeft de soorten weer die (mogelijk) aanwezig zijn, de effecten waar ze last van hebben en eventuele vervolgstappen die genomen moeten worden. De onderzoeksmethodes naar deze soorten zullen in de rapportage van het nader onderzoek worden toegelicht. Soortgroep
Soort(en)
Aanwezigheid Mogelijk
Mogelijk effect
Opmerkingen
Vleermuizen
Verblijfplaatsen gebouwbewonende soorten
Verdwijnen plaatsen
Nader onderzoek nodig
Verblijfplaatsen boombewonende soorten Vliegroutes
Mogelijk
Foerageergebieden
Mogelijk
Das, boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel en grote bosmuis Algemene soorten
Mogelijk
Verdwijnen verblijfplaatsen Verdwijnen vliegroutes Verdwijnen essentieel foerageergebied Verdwijnen verblijfplaatsen en functioneel leefgebied
Nader nodig Nader nodig Nader nodig Nader nodig
Mogelijk
Nee*
-
Huismus
Mogelijk
Nader onderzoek nodig
Algemene soorten
Ja
Hazelworm
Mogelijk
Algemene soorten
Mogelijk
Verdwijnen verblijfplaatsen en functioneel leefgebied Verstoring of verdwijnen nestplaatsen Verstoring of verdwijnen verblijfplaatsen Nee*
Vlinders
Grote vos en grote weerschijnvlinder
Mogelijk
Nader onderzoek nodig
Overige diersoorten Vaatplanten
Strikt beschermde soorten Grote leeuwenklauw
Nee
Verdwijnen voortplantings- en/of overwinteringsplaatsen Nee
Grondgebonden zoogdiersoorten
Vogels
Reptielen en amfibieën
Mogelijk
Mogelijk
Verdwijnen plaats *Er dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
• •
•
verblijf-
groei-
• •
•
onderzoek onderzoek onderzoek onderzoek
Werken buiten het vogelbroedseizoen Nader onderzoek nodig -
Nader onderzoek nodig